zoodanig zijn gekleurd, dat zij den omringenden bodem nabootsen. Hoe
moeilijk is het een patrijs, watersnip, houtsnip, sommige plevieren,
leeuwerikken en nachtzwaluwen te zien, als zij zich op den grond
nederbukken. Woestijnbewonende dieren leveren de treffendste
voorbeelden; want de kale oppervlakte biedt geen schuilplaats aan, en
al de kleinere viervoetige dieren, kruipende dieren en vogels hangen,
wat hun veiligheid betreft, van hun kleuren af. Gelijk de heer Tristram
heeft opgemerkt [301] ten opzichte van de bewoners van de Sahara,
worden allen door hun „Isabella- of zandkleur” beschermd. De
woestijnvogels die ik in Zuid-Amerika had gezien, zoowel als de meeste
grondvogels van Groot-Brittannië in mijn herinnering terugroepende,
scheen het mij, dat beide seksen in dergelijke gevallen over het
algemeen bijna gelijk waren gekleurd. Ik wendde mij daarom tot den heer
Tristram ten opzichte van de vogels van de Sahara, en hij was zoo
vriendelijk mij de volgende inlichting te geven. Er zijn zes-en-twintig
soorten, behoorende tot vijftien geslachten, bij welke het gevederte
klaarblijkelijk op een beschermende wijze is gekleurd; en deze kleur is
des te treffender, omdat zij bij de meeste dezer vogels verschillend is
van die hunner tot het zelfde geslacht behoorende verwanten. Bij
dertien van die zes-en-twintig soorten zijn beide seksen op de zelfde
wijze gekleurd; maar deze behooren tot geslachten waarin deze regel
gewoonlijk de heerschende is, zoodat zij ons niets zeggen omtrent het
gelijk zijn der beschermende kleuren bij beide seksen van
woestijnvogels. Van de andere dertien soorten behooren drie tot
geslachten waarin de seksen gewoonlijk van elkander verschillen, en
toch zijn de seksen bij hen gelijk. Bij de overige tien soorten
verschilt het mannetje van het wijfje; maar het verschil is
hoofdzakelijk beperkt tot de ondervlakte van het gevederte, die is
verborgen, wanneer de vogel op den grond neêrbukt, terwijl kop en rug
bij beide seksen de zelfde zandkleurige tint hebben. Zoodat bij deze
tien soorten de natuurlijke teeltkeus op de bovenvlakten van beide
seksen heeft gewerkt en gelijk gemaakt, terwijl alleen bij de mannetjes
de ondervlakte door de seksueele teeltkeus verscheiden is gemaakt ter
wille van de versiering. Daar hier beide seksen evengoed zijn
beschermd, zien wij duidelijk, dat de wijfjes niet door de natuurlijke
teeltkeus zijn verhinderd om de kleuren harer mannelijke ouders te
erven; wij moeten veeleer, gelijk vroeger is verklaard, aan de wet van
seksueel beperkte erfelijkheid denken.
In alle deelen der wereld zijn beide seksen van vele weeksnavelige
vogels, vooral van die welke veelvuldig riet en biezen bezoeken, donker
gekleurd. Ongetwijfeld zouden zij, indien hun kleuren schitterend waren
geweest, veel meer in het oog loopend voor hun vijanden zijn geweest;
maar of hun doffe kleuren bijzonder ter wille van de bescherming zijn
verkregen, schijnt mij, zoover ik het kan beoordeelen, vrij
twijfelachtig. Het is nog twijfelachtiger of dergelijke doffe kleuren
ter wille van de versiering kunnen zijn verkregen. Wij moeten hierbij
echter bedenken, dat mannelijke vogels, al zijn zij dof gekleurd, toch
dikwijls veel van hun wijfjes verschillen, gelijk bij de gewone musch,
en dit leidt tot het geloof, dat dergelijke kleuren door seksueele
teeltkeus zijn verkregen, omdat zij aantrekkelijk waren. Vele van de
weeksnavelige vogels zijn zangers; en een onderzoek dat wij in een
vorig hoofdstuk hebben ingesteld, moet niet worden vergeten, waarbij
wij aantoonden, dat de beste zangers zelden van levendige tinten zijn
voorzien. Het schijnt, dat vrouwelijke vogels in den regel haar
mannetjes hetzij wegens hun zoete stem, hetzij wegens hun fraaie
kleuren voor de voortteling hebben uitgekozen, maar niet wegens beide
bekoorlijkheden tegelijk. Sommige soorten die klaarblijkelijk ter wille
van de bescherming zijn gekleurd, zooals de watersnip, houtsnip en
nachtzwaluw, zijn volgens den maatstaf van onzen smaak eveneens uiterst
bevallig geteekend en geschakeerd. In dergelijke gevallen mogen wij
besluiten, dat natuurlijke en seksueele teeltkeus beide gezamenlijk
hebben gewerkt voor bescherming en versiering. Of er één vogel bestaat,
die niet de eene of andere bijzondere aantrekkelijkheid bezit, om
daarmede de tegenovergestelde sekse te bekoren, mag worden betwijfeld.
Wanneer beide seksen zoo donker zijn gekleurd, dat het overijld zou
zijn om de werking der seksueele teeltkeus aan te nemen, en wanneer
geen direct bewijs kan worden aangevoerd, dat die kleuren tot
bescherming dienen, is het het best onze volkomen onwetendheid omtrent
het geval te bekennen, of, hetgeen bijna op het zelfde neêrkomt, het
toe te schrijven aan de directe werking der levensvoorwaarden.
Er zijn vele vogels van welke beide seksen opzichtig, ofschoon niet
schitterend zijn gekleurd, zooals de talrijke zwarte, witte of bonte
soorten; en deze kleuren zijn waarschijnlijk het gevolg van seksueele
teeltkeus. Bij de gewone merel of zwarte lijster, het auerhoen, het
korhoen, de zwarte treureend (Oidemia) en zelfs bij éénen der
Paradijsvogels (Lophorina atrata) zijn alleen de mannetjes zwart,
terwijl de wijfjes bruin of gevlekt zijn, en het kan in deze gevallen
nauwelijks worden betwijfeld, dat de zwartheid een door seksueele
teeltkeus verkregen kenmerk is. Het is daarom eenigermate
waarschijnlijk, dat de volkomen of gedeeltelijke zwartheid van
dergelijke vogels, als kraaien, sommige kakatoes, ooievaars en zwanen,
en vele zeevogels, eveneens een gevolg is van seksueele teeltkeus,
vergezeld van gelijke overplanting op beide seksen; want zwartheid kan
moeilijk in eenig geval tot bescherming dienen. Bij onderscheidene
vogels waarbij het mannetje alleen zwart is, en bij andere waarbij
beide seksen zwart zijn, is de snavel of de huid aan den kop levendig
gekleurd, en het daardoor gevormde contrast brengt veel bij tot hun
schoonheid; wij zien dit aan den levendig gelen snavel van de
mannelijke merel of zwarte lijster, aan het karmozijnen vel boven de
oogen van den korhaan en den auerhaan, aan den met verscheidenheid en
levendigheid gekleurden snavel van de treureend (Oidemia), aan den
rooden snavel van de steen- of Alpenkraai (Corvus graculus, Linn.), van
de zwarte zwaan en den zwarten ooievaar. Dit leidt mij tot de
opmerking, dat het verre van ongeloofelijk is, dat de toecans de
verbazende grootte van hun snavel aan seksueele teeltkeus zijn
verschuldigd, om daardoor met de veel verscheidenheid vertoonende en
levendige kleurstrepen waarmede deze organen zijn versierd, te kunnen
pronken. [302] De naakte huid aan de basis van den snavel en rondom de
oogen is eveneens schitterend gekleurd; en de heer Gould zegt, van ééne
soort [303] sprekende, dat de kleuren van den snavel „ongetwijfeld in
den schoonsten en schitterendsten staat zijn gedurende den paartijd.”
Er is geen grooter onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat toecans met
verbazende snavels zouden zijn bezwaard, hoewel die dan ook zoo licht
mogelijk waren gemaakt door hun sponsachtig maaksel, met een doel dat
ons ten onrechte onbelangrijk schijnt, dan dat de mannelijke
Argus-fazant en sommige andere vogels met siervederen zouden zijn
bezwaard, zoo lang, dat zij hun vlucht belemmeren.
Op de zelfde wijze als alleen de mannetjes van sommige vogels zwart
zijn, terwijl de wijfjes dof zijn gekleurd, zijn in eenige weinige
gevallen alleen de mannetjes geheel of gedeeltelijk wit gekleurd,
zooals bij de onderscheidene klokvogels (Chasmorhynchus) van
Zuid-Amerika, de zuidpoolgans (Bernicla antarctica), de zilverlakensche
fazanten enz., terwijl de wijfjes bruin of donker zijn gevlekt. Het is
daarom, volgens het zelfde beginsel als vroeger, waarschijnlijk, dat
beide seksen van vele vogels, zooals witte kakatoes, verscheidene
zilverreigers met hun fraaie siervederen, sommige ibissen, zeemeeuwen
zeezwaluwen enz., hun meer of minder volkomen wit gevederte door
seksueele teeltkeus hebben verkregen. De soorten die sneeuwachtige
streken bewonen, komen natuurlijk onder een andere rubriek. Het witte
gevederte van sommige der bovengenoemde vogels verschijnt bij beide
seksen eerst, wanneer zij volwassen zijn. Dit is eveneens het geval met
sommige rotspelikanen (7), keerkringsvogels (8) enz., en met de
sneeuwgans (Anser hyperboreus). Daar deze laatste op den „naakten
bodem” broeit, wanneer deze niet met sneeuw is bedekt, en daar zij
gedurende den winter naar het zuiden verhuist, is er geen reden om te
veronderstellen, dat haar sneeuwwit volwassen gevederte haar tot
bescherming dient. In het vroeger vermelde geval van Anastomus oscitans
hebben wij nog beter bewijs, dat het witte gevederte een
bruiloftskenmerk is; want het ontwikkelt zich alleen gedurende den
zomer, terwijl de jongen in hun onvolwassen toestand, en de volwassenen
in hun winterkleed grijs en zwart zijn. Bij vele soorten van zeemeeuwen
(Larus) worden de kop en hals gedurende den zomer zuiver wit, terwijl
zij in den winter en in de jeugd grijs of gevlekt zijn. Bij de kleine
meeuwen (Gavia) en bij sommige zeezwaluwen (Sterna) geschiedt
daarentegen juist het omgekeerde; want de koppen van de jonge vogels
gedurende het eerste jaar en de volwassenen zijn gedurende den winter
òf zuiver wit, òf bleeker gekleurd dan gedurende den paartijd. Deze
laatste gevallen bieden een tweede voorbeeld aan van de grillige wijze
waarop de seksueele teeltkeus somtijds schijnt te hebben gewerkt. [304]
De oorzaak, dat watervogels zooveel veelvuldiger een wit gevederte
hebben verkregen dan landvogels, hangt waarschijnlijk van hun meerdere
grootte en sterk vliegvermogen af, zoodat zij zich gemakkelijk kunnen
verdedigen of aan roofvogels ontsnappen, aan welke zij daarenboven niet
zeer zijn blootgesteld. Bij gevolg is hier de seksueele teeltkeus niet
belemmerd of geleid door de eischen der bescherming; ongetwijfeld
zouden bij vogels die over den open oceaan ronddwalen, de mannetjes en
de wijfjes elkander veel gemakkelijker vinden, wanneer zij opzichtig
waren gemaakt, hetzij door volkomen wit of diep zwart te zijn, zoodat
deze kleuren mogelijk tot het zelfde doel dienen als de loktonen van
vele landvogels. Een witte of zwarte vogel zal, als hij een in zee
drijvend of op den oever geworpen lijk ontdekt en zich daarop nederzet,
op grooten afstand zichtbaar zijn, en andere vogels van de zelfde en
van verschillende soorten naar het aas lokken. Daar dit echter een
nadeel voor de eerste vinders zou zijn, zouden de individu’s die het
witst of het zwartst waren, op die wijze niet meer voedsel hebben
verkregen dan de minder opzichtig gekleurde individu’s. Opzichtige
kleuren kunnen derhalve niet tot dit doel door natuurlijke teeltkeus
allengs zijn verkregen. [305]
Daar de seksueele teeltkeus afhangt van een zoo fluctueerend element
als den smaak, kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat er in ééne en de
zelfde groep van vogels wier levenswijze bijna de zelfde is, witte of
bijna witte, even goed als zwarte of bijna zwarte soorten
voorkomen,—bij voorbeeld witte en zwarte kakatoes, ooievaars, ibissen,
zeezwaluwen en stormvogels. Er komen in de zelfde groepen somtijds ook
bonte vogels voor, bij voorbeeld de zwarthalzige zwaan (9), sommige
zeezwaluwen en de gewone ekster. Dat een scherp contrast in kleur aan
vogels behaagt, kunnen wij besluiten, wanneer wij de eene of andere
groote verzameling van voorwerpen of reeks van gekleurde afbeeldingen
doorloopen; want de seksen verschillen dikwijls van elkander, doordat
bij het mannetje de bleeke deelen van een zuiverder wit zijn en de op
onderscheidene wijze gekleurde donkere deelen nog donkerder tinten
bezitten dan bij het wijfje.
Het schijnt zelfs, dat de bloote nieuwheid, of verandering ter wille
van verandering, somtijds als een bekoring op vrouwelijke vogels heeft
gewerkt, op de zelfde wijze als veranderingen van mode bij ons. De
hertog van Argyll zegt [306],—en het verheugt mij de ongewone
voldoening te mogen smaken, zij het slechts voor korten tijd, zijn
voetstappen te mogen volgen:—„Ik word hoe langer hoe meer overtuigd,
dat verscheidenheid, bloote verscheidenheid, moet worden aangemerkt als
een doel en oogmerk in de natuur.” Ik wenschte, dat de hertog had
verklaard, wat hij hier onder natuur verstaat. Wordt er mede bedoeld,
dat de Schepper van het Heelal afwisselende resultaten verordende voor
zijn eigen voldoening of voor die van den mensch? Aan de eerste meening
schijnt mij evenzeer de verschuldigde eerbied als aan de laatste de
waarschijnlijkheid te ontbreken. Grilligheid in den smaak der vogels
zelf schijnt mij een meer gepaste verklaring. Zoo kunnen, bijvoorbeeld,
de mannetjes van vele papegaaien, ten minste volgens onzen smaak,
nauwelijks worden gezegd fraaier te zijn dan de wijfjes; maar zij
verschillen van haar in zulke punten, dat het mannetje bijvoorbeeld een
rozerooden halsband in plaats van, evenals het wijfje, „een helder
smaragdgroenen smallen halsband” heeft, of dat het mannetje een zwarten
halsband in plaats van „een halven gelen halsband van voren”, en een
bleek rozerooden in plaats van een pruimblauwen kop heeft. [307] Daar
zoovele vogels als voornaamste versiering verlengde staartvederen of
verlengde kuiven hebben, schijnen de verkorte staart, vroeger bij het
mannetje van den kolibri beschreven, en de verkorte kuif van den
mannelijken grooten zaagbek een van de vele tegenovergestelde
veranderingen van mode te zijn, die wij in onze eigen kleeding
bewonderen.
Sommige leden van de Familie der Reigers leveren een nog merkwaardiger
geval op van nieuwheid in kleur, die alleen wegens haar nieuwheid
schijnt te worden op prijs gesteld. De jongen van Ardea asha zijn wit,
terwijl de volwassenen donker leikleurig zijn; doch niet alleen de
jongen, maar ook de volwassenen van den verwanten Buphus coromandus
zijn in hun winterkleed wit, welke kleur in den paartijd in een rijk
goudgeel verandert. Het is ongeloofelijk, dat de jongen van deze beide
soorten, en ook die van sommige andere leden van de zelfde Familie
[308], bijzonder zuiver wit en zoo in het oog vallend voor hun vijanden
zouden zijn gemaakt, of dat de volwassenen van ééne van deze beide
soorten juist gedurende den winter wit zouden zijn gemaakt in een land
dat nooit met sneeuw is bedekt. Van den anderen kant hebben wij reden
om aan te nemen, dat witheid door vele vogels als een seksueel sieraad
is verkregen. Wij mogen daarom besluiten, dat een vroeger voorvader van
Ardea asha en van Buphus een wit gevederte voor bruiloftsdoeleinden
verkreeg, en de kleur op zijn jongen overplantte, zoodat de jongen en
de ouden wit werden, gelijk sommige thans levende zilverreigers, en dat
de witheid later door de jongen is behouden, terwijl zij door de
volwassenen voor meer sterk uitgedrukte tinten werd verwisseld. Indien
wij echter nog verder achterwaarts in den nacht van het verledene terug
konden blikken op de nog vroegere voorouders van deze twee soorten,
zouden wij waarschijnlijk de volwassenen donker gekleurd zien. Dat dit
het geval zou zijn, leid ik af uit de analogie van vele andere vogels
die donker zijn, als zij jong, en wit, als zij volwassen zijn, en meer
bijzonder uit het geval van Ardea gularis wier kleuren de omgekeerde
zijn van die van A. asha; want de jongen zijn donker gekleurd en de
volwassenen wit, terwijl de jongen een vroegeren slaat van het
gevederte hebben behouden. Het schijnt derhalve, dat de volwassen
stamouders van de Ardea asha, van den Buphus, en van eenige verwante
vogels, gedurende een lange reeks van geslachten de volgende
veranderingen hebben ondergaan: eerst een donkere schakeering; daarop
zuiver wit; ten derde, ten gevolge van een nieuwe verandering van de
mode (als ik mij zoo eens mag uitdrukken), hun tegenwoordige
leikleurige, roodachtige of goudgele tinten. Deze opeenvolgende
veranderingen zijn alleen te begrijpen volgens het beginsel, dat de
nieuwheid door de vogels—ter wille van haar zelf—is bewonderd.
Verschillende schrijvers hebben tegen de geheele theorie der seksueele
teeltkeus de tegenwerping gemaakt, dat bij dieren en wilden de smaak
van het wijfje (of de vrouw) voor zekere kleuren en andere versierselen
niet gedurende vele geslachten (generaties) bestendig de zelfde zou
blijven; dat eerst de eene kleur en daarna de andere bewonderd, en dus
geen blijvende uitwerking zou worden voortgebracht. Wij mogen aannemen,
dat de smaak dobberende, maar niet geheel en al willekeurig is. Hij
hangt veel van de gewoonte af, gelijk wij bij den mensch zien; en wij
mogen daaruit afleiden, dat dit ook steek zal houden bij vogels en
andere dieren. Zelfs in onze kleeding blijft de geheele aard lang, en
zijn de veranderingen tot op zekere hoogte trapsgewijze. Op twee
plaatsen in een later hoofdstuk zullen overvloedige bewijzen worden
gegeven, dat wilden van velerlei rassen gedurende vele geslachten
(generaties) de zelfde litteekens op de huid, de zelfde afzichtelijk
doorboorde lippen, neusgaten of ooren, misvormde hoofden enz. hebben
bewonderd; en deze misvormingen vertoonen eenige overeenkomst met de
natuurlijke versierselen van verschillende dieren. Zulke modes duren
echter bij wilden niet eeuwig, gelijk wij mogen afleiden uit de
verschillen tusschen verwante stammen op een en het zelfde vasteland.
Zoo hebben ook de fokkers van dieren die voor vermaak worden gehouden,
zeker gedurende vele geslachten (generaties) de zelfde rassen bewonderd
en bewonderen die nog; zij wenschen ernstig kleine veranderingen die
als verbeteringen worden beschouwd, maar elke groote of plotselinge
verandering zou men voor de grootste verbastering houden. Bij vogels in
den natuurstaat hebben wij geen reden om te veronderstellen, dat zij
een geheel nieuwen stijl van kleur zouden bewonderen, zelfs wanneer
groote en plotselinge afwijkingen dikwijls voorkwamen, hetgeen in
geenen deele het geval is. Wij weten, dat duivekot-duiven niet gaarne
paren met de verschillend gekleurde sierrassen; dat albino-vogels
gewoonlijk geen echtgenoot kunnen krijgen om mede te paren, en dat de
zwarte raven van de Faröer-eilanden hun bonte broeders wegjagen. Maar
deze tegenzin tegen plotselinge verandering sluit geenszins, evenmin
als bij den mensch, uit, dat zij kleine veranderingen op prijs kunnen
stellen. Daarom schijnt het, wat den smaak aangaat, die van vele zaken
afhangt, maar gedeeltelijk van gewoonte en gedeeltelijk van behagen in
wat nieuw is, niet onwaarschijnlijk, dat dieren gedurende zeer langen
tijd den zelfden algemeenen stijl van versiering of andere
aantrekkelijkheden bewonderen, en toch kleine veranderingen in kleuren,
vorm en geluid op prijs stellen.
Overzicht der vier Hoofdstukken over Vogels.—De meeste mannelijke
vogels zijn gedurende den paartijd zeer strijdlustig en sommige
bezitten wapenen, bijzonder ingericht om met hun medeminnaars te
vechten. Doch de meest strijdlustige en best gewapende mannetjes
hangen, wat den uitslag aangaat, zelden of nooit alleen af van hun
vermogen om hun medeminnaars te verjagen of te dooden, maar bezitten
bijzondere middelen om het wijfje te bekoren. Bij sommige is het
vermogen om te zingen, of om vreemde geluiden voort te brengen, of om
instrumentale muziek te maken, en de mannetjes verschillen bij gevolg
van de wijfjes in hun stemorganen, of in het maaksel van zekere
vederen. Wegens de merkwaardige verscheidenheid der middelen om
allerlei geluiden voort te brengen, krijgen wij een hoog denkbeeld van
de belangrijkheid van dit middel om het hof te maken. Vele vogels
trachten het wijfje te bekoren door liefdedansen of vertooningen,
uitgevoerd op den grond of in de lucht, en somtijds op daartoe
gereedgemaakte plaatsen. Echter zijn versierselen van velerlei soort,
de schitterendste kleuren, kammen en vleeschlappen, schoone pluimen,
verlengde vederen, kuiven enz., verreweg het meest algemeene middel. In
sommige gevallen schijnt de bloote nieuwheid als een bekoring te hebben
gewerkt. De versierselen der mannetjes moeten hoogst belangrijk voor
hen zijn; want zij zijn in niet weinig gevallen verkregen ten koste van
vermeerderd gevaar voor vijanden, en zelfs van eenig krachtverlies bij
den strijd met hun medeminnaars. De mannetjes van zeer vele soorten
verkrijgen hun sierkleed niet, voor zij volwassen zijn, of zij bezitten
het alleen gedurende den paartijd, of de tinten worden dan levendiger.
Sommige tot versiering dienende aanhangsels worden gedurende de vrijage
zelve grooter, gezwollen en levendig gekleurd. De mannetjes spreiden
hun bekoorlijkheden met de meeste zorg en zoo, dat zij zich op het
fraaist voordoen, ten toon, en doen dit in tegenwoordigheid van de
wijfjes. De vrijage is somtijds een langdurige zaak, en vele mannetjes
en wijfjes komen daartoe op een bepaalde plaats bijeen. Te
veronderstellen dat de wijfjes de schoonheid der mannetjes niet op
prijs stellen, staat gelijk met aan te nemen, dat hun schitterende
versierselen, al hun pracht en pronkerij, nutteloos zijn; en dit is
niet te gelooven. Vogels hebben fijne onderscheidende vermogens en in
eenige weinige gevallen kan worden aangetoond, dat zij smaak voor het
schoone hebben. Men weet daarenboven, dat de wijfjes nu en dan een
stellige voorkeur of antipathie ten opzichte van zekere individueele
mannetjes hebben.
Indien men aanneemt, dat de wijfjes de voorkeur geven aan of onbewust
worden opgewekt door de schoonste mannetjes, dan zouden de mannetjes
langzaam maar zeker door de seksueele teeltkeus hoe langer hoe
aantrekkelijker worden gemaakt. Dat het deze sekse is, die het meest is
gewijzigd, mogen wij afleiden uit het feit, dat in bijna elk geslacht
waarin de seksen verschillen, de mannetjes veel meer van elkander
verschillen dan de wijfjes; dit wordt goed aangetoond door zekere
nauw-verwante, elkander vertegenwoordigende soorten bij welke de
wijfjes nauwelijks kunnen worden onderscheiden, terwijl de mannetjes
geheel verschillend zijn. Vogels in den natuurstaat leveren zekere
individueele verschillen op, die ruim voldoende zouden zijn voor het
werk der seksueele teeltkeus; maar wij hebben gezien, dat zij nu en dan
sterker uitgedrukte wijzigingen vertoonen, die zoo dikwijls terugkomen,
dat zij dadelijk zouden worden gefixeerd, als zij dienden om het wijfje
aan te lokken. De wetten der variatie zullen den aard der aanvankelijk
optredende veranderingen hebben bepaald en op het eindresultaat grooten
invloed hebben gehad. De trapsgewijze overgangen die men kan waarnemen
bij mannetjes van verwante soorten, wijzen den aard der stappen aan,
welke zijn doorloopen, en verklaren op de belangwekkendste wijze zekere
kenmerken, zooals de ingesneden oogvlekken (ocelli) van de
staartvederen van den pauw, en de wondervol geschaduwde oogvlekken op
de vleugelslagpennen van den Argus-fazant. Het is klaarblijkelijk, dat
de schitterende kleuren, kuiven, schoone siervederen enz. van vele
mannelijke vogels niet als een bescherming kunnen zijn verkregen; zij
brengen integendeel soms gevaar mede. Dat zij niet het gevolg zijn van
de directe en bepaalde werking der levensvoorwaarden, daarvan kunnen
wij ons overtuigd houden, omdat de wijfjes aan de zelfde voorwaarden
zijn blootgesteld geweest, en toch dikwijls uitermate van de mannetjes
verschillen. Hoewel het waarschijnlijk is, dat veranderde voorwaarden,
gedurende een langdurig tijdperk werkende, eenige bepaalde uitwerking
op beide seksen hebben gehad, zal het belangrijkste gevolg een
toenemende neiging tot fluctueerende variabiliteit of tot vermeerdering
der individueele verschillen zijn geweest; en dergelijke verschillen
zullen een uitnemenden grondslag voor het werk der seksueele teeltkeus
hebben opgeleverd.