kenmerken, kunnen hun zelden of nooit tot bescherming dienen, zoodat
zij waarschijnlijk door de mannetjes door seksueele teeltkeus zijn
verkregen en daarna op de wijfjes en de jongen overgeplant. Het is
echter mogelijk, dat de mannetjes de meer aantrekkelijke wijfjes voor
de voortteling hebben uitgekozen; en indien deze haar kenmerken op de
jongen van beide seksen overplantten, zou zulks de zelfde gevolgen
hebben als het voor de voortteling uitkiezen van de meer aantrekkelijke
mannetjes door de wijfjes. Er zijn echter eenige bewijzen, dat dit
geval zelden, zoo zelfs ooit, plaats heeft gehad in een van die groepen
van vogels bij welke de seksen omtrent gelijk zijn; want indien ook
maar eenige weinige van de opeenvolgende afwijkingen niet op beide
seksen waren overgeplant, zouden de wijfjes de mannetjes eenigermate in
schoonheid hebben overtroffen. Juist het omgekeerde heeft in de natuur
plaats; want in bijna iedere groote groep waarin de seksen over het
algemeen op elkander gelijken, zijn bij eenige weinige soorten de
mannetjes iets levendiger gekleurd dan de wijfjes. Het is ook mogelijk,
dat de wijfjes de schoonere mannetjes en de mannetjes wederkeerig de
schoonere wijfjes hebben uitgekozen; maar het is twijfelachtig, of dit
dubbele proces van teeltkeus gemakkelijk voor zou kunnen komen, wegens
de grootere vurigheid van de eene sekse dan van de andere, en of het
grootere uitwerkselen zou hebben dan teeltkeus alleen van ééne zijde.
Het is daarom de waarschijnlijkste meening, dat de seksueele teeltkeus
in deze klasse, voor zoover het tot versiering dienende kenmerken
aangaat, heeft gewerkt in overeenstemming met den algemeen in het
dierenrijk heerschenden regel, dat is op de mannetjes; en dat deze hun
trapsgewijze verkregen kleuren hetzij gelijkelijk of bijna gelijkelijk
op hun nakomelingschap van beide seksen hebben overgeplant.
Een ander punt is twijfelachtiger, namelijk, of de opeenvolgende
afwijkingen zich eerst bij de mannetjes vertoonden, toen zij bijna
volwassen, of toen zij nog zeer jong waren. In beide gevallen moet de
seksueele teeltkeus op het mannetje hebben gewerkt, toen hij met
mededingers moest wedijveren om het bezit van het wijfje, en in beide
gevallen zijn de daardoor verkregen kenmerken op beide seksen en alle
leeftijden overgeplant. Indien deze kenmerken echter door de mannetjes
op volwassen leeftijd waren verkregen, konden zij eerst alleen op de
volwassenen zijn overgeplant, en in later tijdperk ook op de jongen
overgebracht. Want het is bekend, dat als de wet van overerving op
overeenkomstigen leeftijd faalt, de nakomelingen dikwijls kenmerken
overerven op een vroegeren leeftijd dan dien waarop zij het eerst bij
hun ouders verschenen. [280] Gevallen die van deze soort schijnen te
zijn, heeft men bij vogels in den natuurstaat opgemerkt. De heer Blyth
heeft bij voorbeeld voorwerpen van den roodkoppigen klauwier (Lanius
rufus) en van den ijsduiker (Colymbus glacialis) gezien, die terwijl
zij jong waren, op geheel afwijkende wijze het volwassen gevederte van
hun ouders hadden aangenomen. [281] Verder ruien de jongen van de
gewone zwaan (Cygnus olor) hun donkere vederen niet en worden niet wit,
voor zij achttien maanden of twee jaar oud zijn; doch Dr. F. Forel
heeft een geval beschreven van drie krachtige jonge vogels uit een
broedsel van vier, die zuiver wit werden geboren. Deze jonge vogels
waren geen albino’s, gelijk bleek uit de kleur van hun snavels en
pooten, die veel geleken op de zelfde deelen bij de volwassenen. [282]
Het zal wellicht de moeite waard zijn, een voorbeeld te geven van de
bovengenoemde drie wijzen waarop in deze klasse de beide seksen en de
jongen er toe kunnen zijn gekomen om op elkander te gelijken, door het
merkwaardige geval van het geslacht Passer. [283] Bij de huismusch (P.
domesticus) verschilt het mannetje veel van het wijfje en van de
jongen. Deze gelijken op elkander, en ook in hooge mate op beide seksen
en de jongen van de musch van Palaestina (P. brachydactylus), en
eveneens van sommige verwante soorten. Wij mogen derhalve aannemen, dat
het wijfje en de jongen van de huismusch ons bij benadering het
gevederte van den stamvader van het geslacht vertoonen. Nu gelijken bij
de ringmusch (P. montanus) beide seksen en de jongen zeer veel op het
mannetje van de huismusch, zoodat zij allen op de zelfde wijze zijn
gewijzigd en allen afwijken van de typische kleuring van hun
voormaligen stamvader. Dit kan zijn geschied, doordat een mannelijke
voorvader van de ringmusch afweek, ten eerste, toen hij bijna volwassen
was, of ten tweede, toen hij nog zeer jong was, terwijl hij in beide
gevallen zijn gewijzigd gevederte op de wijfjes en de jongen overdroeg,
of ten derde, hij kan zijn afgeweken, toen hij volwassen was, en zijn
gevederte hebben overgebracht op de volwassenen van beiderlei sekse,
en, ten gevolge van het falen der wet van overerving op overeenkomstige
leeftijden, in een of ander volgend tijdperk op de jongen.
Het is onmogelijk te beslissen, welke van deze drie wijzen in deze
klasse van gevallen over het algemeen de overhand heeft gehad. De
meening, dat de mannetjes op jeugdigen leeftijd afweken en hun
afwijkingen op hun nakomelingschap van beiderlei sekse overbrachten, is
wellicht de meest waarschijnlijke. Ik mag hier bijvoegen, dat ik,
hoewel met weinig goeden uitslag, heb getracht, door onderscheidene
goede werken te raadplegen, te beslissen, in hoever bij vogels het
tijdperk der afwijking over het algemeen de overbrenging van kenmerken
op ééne sekse of op beide heeft bepaald. De twee regels die dikwijls
zijn aangehaald (dat namelijk afwijkingen die zich laat in het leven
voordoen, op ééne en de zelfde sekse worden overgebracht, terwijl die
welke zich vroeg in het leven voordoen, op beide seksen worden
overgebracht), schijnen in de eerste [284], tweede en vierde klasse van
gevallen steek te houden; maar zij falen in een gelijk aantal, namelijk
in de derde, dikwijls in de vijfde [285], en in de zesde kleine klasse.
Zij houden echter, zoover ik kan oordeelen, steek bij een aanzienlijke
meerderheid van de soorten van vogels. Of dit zoo zij of niet, wij
mogen uit de in het achtste hoofdstuk medegedeelde feiten besluiten,
dat het tijdperk van afwijking één belangrijk element is geweest tot
het bepalen van den vorm van overbrenging.
Bij vogels is het moeilijk te beslissen door welken maatstaf wij de
vroegte of laatheid van het tijdperk van afwijking behooren te
beoordeelen, of wij zulks moeten doen door den leeftijd met betrekking
tot het voortplantingsvermogen, of tot het aantal ruiingen, dat de
soort ondergaat. Het ruien der vogels, zelfs in ééne en de zelfde
Familie, verschilt somtijds veel, zonder dat daarvoor eenige oorzaak
kan worden aangegeven. Sommige vogels ruien zoo vroeg, dat bijna al de
lichaamsvederen worden afgeworpen, voor de eerste vleugelslagpennen
volkomen zijn uitgegroeid; en wij kunnen niet gelooven, dat dit de
oorspronkelijke toestand der dingen was. Als het tijdperk der ruiing is
vervroegd, zou de leeftijd waarop de kleuren van het volwassen
gevederte zich het eerst hebben ontwikkeld, ons valschelijk toeschijnen
vroeger te zijn geweest, dan hij werkelijk was. Tot toelichting hiervan
moge de door sommige vogelkweekers gevolgde handelwijze dienen, die
eenige weinige vederen uit de borst van voor korten tijd uit het ei
gekomen goudvinken, en uit den kop of hals van jonge goudlakensche
fazanten trekken, om zich van hun sekse te vergewissen, want bij de
mannetjes worden deze vederen dadelijk door gekleurde vervangen. [286]
De werkelijke levensduur is slechts bij weinig vogels bekend, zoodat
wij naar dien maatstaf moeilijk kunnen oordeelen. En wat het tijdperk
aangaat, waarop het vermogen om zich voort te planten wordt verkregen,
zoo is het een opmerkelijk feit, dat onderscheidene vogels nu en dan
broeien, terwijl zij hun onvolwassen gevederte nog bezitten. [287]
Het feit, dat vogels in hun onvolwassen gevederte broeien, schijnt in
strijd met de meening, dat de seksueele teeltkeus een zoo belangrijk
aandeel, als ik meen, dat het geval is geweest, heeft genomen in het
geven van tot versiering dienende kleuren, siervederen enz. aan de
mannetjes, en, door middel der gelijke overplanting, ook aan de wijfjes
van vele soorten. De tegenwerping zou geldig zijn, als de jongere en
minder versierde mannetjes even goed slaagden in het bekoren der
wijfjes en het voortplanten hunner soort als de oudere en schoonere
mannetjes. Wij hebben echter geen reden om te veronderstellen, dat dit
het geval is. Audubon spreekt van het broeien van onvolwassen mannetjes
van Ibis tantalus als een zeldzame gebeurtenis, en evenzoo doet de heer
Swinhoe ten opzichte van de onvolwassen mannetjes van Oriolus. [288]
Indien de jongen van eenige soort in hun onvolwassen gevederte er beter
in slaagden om gezellinnen te verkrijgen dan de volwassenen, zou het
volwassen gevederte waarschijnlijk spoedig verloren gaan, daar de
mannetjes die hun onvolwassen gevederte het langst behielden, de
overhand zouden verkrijgen, en daardoor het karakter van de soort ten
laatste zou worden gewijzigd. [289] Indien daarentegen de jongen er
nooit in slaagden, om een wijfje te verkrijgen, zou de gewoonte van
vroege voortplanting wellicht vroeger of later geheel worden
geëlimineerd, daar zij overbodig is en krachtsverspilling met zich
sleept.
Het gevederte van vele vogels gaat voort met in schoonheid toe te nemen
gedurende vele jaren, nadat zij geheel volwassen zijn; dit is het geval
met den staart van den pauw, en met de kuif en de siervederen van
sommige reigers; bij voorbeeld van Ardea Ludoviciana [290]; maar het is
zeer twijfelachtig, of de voortgezette ontwikkeling van dergelijke
vederen het gevolg is van het voor de voortteling uitkiezen van
opeenvolgende voordeelige afwijkingen, dan wel van voortgezetten groei.
De meeste visschen gaan voort met groeien, zoolang zij een goede
gezondheid genieten en overvloed van voedsel hebben; en een eenigszins
gelijksoortige wet kan wellicht bij de siervederen van vogels gelden.
Klasse V. Als de volwassenen van beide seksen een verschillend winter-
en zomerkleed hebben, hetzij het mannetje van het wijfje verschilt of
niet, gelijken de jongen op de volwassenen van beide seksen in hun
winterkleed, of veel zeldzamer in hun zomerkleed, of zij gelijken
alleen op de wijfjes, of de jongen kunnen een tusschenbeide liggend
uiterlijk hebben, of eindelijk, zij kunnen zeer verschillen van de
volwassenen, zoowel in hun zomer- als in hun winterkleed.—De gevallen
in deze klassen zijn bijzonder ingewikkeld; en dit is niet te
verwonderen, daar zij afhangen van erfelijkheid, in meerdere of mindere
mate beperkt op drie wijzen, namelijk door de sekse, den leeftijd en
het jaargetijde. In sommige gevallen doorloopen de individu’s van de
zelfde soort op zijn minst vijf verschillende toestanden van gevederte.
Bij de soorten bij welke het mannetje alleen gedurende den zomer, of
hetgeen zeldzamer is, gedurende beide jaargetijden [291] van het wijfje
verschilt, gelijken de jongen over het algemeen op de wijfjes,—gelijk
bij den zoogenaamden distelvink van Noord-Amerika, en, naar het
schijnt, ook bij den prachtigen Maluri van Australië. [292] Bij de
soorten waarvan de seksen zoowel gedurende den zomer als gedurende den
winter gelijk zijn, kunnen de jongen op de volwassenen gelijken, ten
eerste in hun winterkleed; ten tweede, hetgeen veel zeldzamer gebeurt,
in hun zomerkleed; ten derde kunnen zij tusschen deze twee toestanden
in staan; en ten vierde kunnen zij in alle jaargetijden zeer van de
volwassenen verschillen. Wij hebben een voorbeeld van het eerste van
deze vier gevallen bij een der zilverreigers van Indië (Buphus
coromandus), waarbij de jongen en volwassenen van beide seksen
gedurende den winter wit zijn, terwijl de volwassenen gedurende den
zomer goudgeel worden. Bij den gaper (6) (Anastomus oscitans) van Indië
hebben wij een soortgelijk geval, maar de kleuren zijn omgekeerd; want
de jongen en de volwassenen van beide seksen zijn gedurende den winter
grijs en zwart, terwijl de volwassenen gedurende den zomer wit worden.
[293] Als een voorbeeld van het tweede geval zijn de jongen van de alk
(Alca turda, Linn.), in een jongen staat van het gevederte, evenzoo
gekleurd als de volwassenen gedurende den zomer, en de jongen van de
wit gekroonde musch van Noord-Amerika (Fringilla leucophrys) bezitten,
zoodra zij vederen hebben gekregen, bevallige witte strepen op den kop,
die door jongen en ouden gedurende den winter worden verloren. [294]
Wat het derde geval aangaat, namelijk dat het gevederte der jongen
tusschen het zomer- en het winterkleed der volwassenen in ligt, wijst
Yarrell [295] er met aandrang op, dat dit bij vele moerasvogels plaats
grijpt. Wat eindelijk het geval aangaat, dat de jongen zeer verschillen
van de volwassenen van beiderlei sekse in hun zomer- en het
winterkleed, dit doet zich voor bij sommige reigers en zilverreigers
van Noord-Amerika en Indië, bij welke alleen de jongen wit zijn.
Ik zal slechts eenige weinige opmerkingen omtrent deze ingewikkelde
gevallen maken. Als de jongen gelijken op de wijfjes in haar zomerkleed
of op de volwassenen van beide seksen in hun winterkleed, verschillen
de gevallen van die welke onder Klasse I en III zijn medegedeeld,
alleen doordat de kenmerken, oorspronkelijk door de mannetjes gedurende
den paartijd verkregen, in hun overplanting tot het overeenkomstige
jaargetijde zijn beperkt gebleven. Als de volwassenen een verschillend
zomer- en winterkleed hebben, en de jongen van beide verschillen, is
het geval moeilijker te begrijpen. Wij mogen als waarschijnlijk
aannemen, dat de jongen een ouden toestand van het gevederte hebben
bewaard; wij kunnen door seksueele teeltkeus het zomer- of
bruiloftskleed der volwassenen verklaren; maar hoe ons rekenschap te
geven van hun afzonderlijk winterkleed? Als wij konden aannemen, dat
dit gevederte in alle gevallen tot bescherming dient, zou het
verkrijgen daarvan een eenvoudige zaak zijn; er schijnt echter geen
goede grond te wezen om dit aan te nemen. Men zou het vermoeden kunnen
opperen, dat de zeer verschillende levensvoorwaarden gedurende den
winter en zomer rechtstreeks op het gevederte hebben ingewerkt; dit kan
eenige uitwerking hebben gehad; maar ik heb er niet veel vertrouwen op,
dat aldus een zoo groot verschil, als wij dikwijls tusschen de beide
kleeden waarnemen, op die wijze kan zijn veroorzaakt. Een meer
waarschijnlijke verklaring is, dat de volwassenen een ouden, door
overbrenging van sommige kenmerken van het zomerkleed gedeeltelijk
gewijzigden vorm van het gevederte gedurende den winter hebben
behouden. Eindelijk schijnen al de gevallen van deze klasse daarvan af
te hangen, dat kenmerken, door de volwassen mannetjes verkregen, op
verschillende wijze in hun overplanting zijn beperkt, al naar den
leeftijd, het jaargetijde en het geslacht; maar het zou de moeite niet
waard zijn om te beproeven deze ingewikkelde betrekkingen tot het einde
toe te volgen.
Klasse VI. De jongen verschillen in hun eerste gevederte van elkander
volgens de sekse; de jonge mannetjes gelijken dan in meerdere of
mindere mate op de volwassen mannetjes en de jonge wijfjes in meerdere
of mindere mate op de volwassen wijfjes.—De gevallen in deze klassen
zijn niet talrijk, hoewel zij over verscheidene groepen zijn verspreid;
toch schijnt het, als de ondervinding ons niet het tegendeel had
geleerd, het natuurlijkste te zijn, dat de jongen in het eerst altijd
tot op zekere hoogte gelijken en allengs hoe langer hoe meer gaan
gelijken op de volwassenen van de zelfde sekse. De volwassen mannelijke
zwartkop (Sylvia atricapilla) heeft een zwarten kop, terwijl die van
het wijfje roodachtig bruin is; en de heer Blyth heeft mij medegedeeld,
dat de jongen van beide seksen zelfs als nestvogeltjes door dit kenmerk
worden onderscheiden. In de Familie der Lijsters zijn een ongewoon
aantal dergelijke gevallen opgeteekend; de mannelijke merel of zwarte
lijster (Turdus merula) kan reeds in het nest van het wijfje worden
onderscheiden, daar de voornaamste vleugelslagpennen die niet zoo
spoedig worden geruid als de lichaamsvederen, tot aan de tweede
algemeene ruiing een bruinachtige tint behouden. [296] De beide seksen
van de spotlijster (Turdus polyglottus, Linn.) verschillen zeer weinig
van elkander; toch kunnen de mannetjes op zeer jongen leeftijd
gemakkelijk van de wijfjes worden onderscheiden, omdat zij meer zuiver
wit vertoonen. [297] De mannetjes van een woudlijster (namelijk
Orocetes erythrogastra en Petrocincla cyanea) hebben in hun gevederte
veel fraai blauw, terwijl de wijfjes bruin zijn, en bij de mannelijke
nestvogeltjes hebben de voornaamste vleugel- en staartslagpennen blauwe
randen, terwijl die van het wijfje bruine randen hebben. [298] Zoodat
juist de zelfde vederen die bij de jonge merel of zwarte lijster hun
volwassen karakter aannemen en zwart worden na de andere, bij deze twee
soorten dit kenmerk aannemen en blauw worden vóór de andere. De meest
waarschijnlijke meening ten opzichte van deze gevallen is, dat de
mannetjes, verschillend van hetgeen in Klasse I geschiedt, hun kleuren
op hun mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant op een vroegeren
leeftijd dan dien waarop zij zelven ze het eerst verkregen; want indien
zij waren afgeweken terwijl zij nog zeer jong waren, zouden zij
waarschijnlijk al hun kenmerken op hun nakomelingschap van beiderlei
sekse hebben overgeplant. [299]
Bij Aïthurus polytmus (een der Kolibri’s) is het mannetje prachtig
zwart en groen gekleurd, en twee der staartvederen zijn verbazend
verlengd; het wijfje heeft een gewonen staart en niet opzichtige
kleuren; nu beginnen de jonge mannetjes, in plaats van in
overeenstemming met den gewonen regel op het volwassen wijfje te
gelijken, van den aanvang af de aan hun sekse eigen kleuren aan te
nemen, en hun staartvederen worden ook spoedig verlengd. Ik ben deze
inlichting aan den heer Gould verschuldigd, die mij ook het volgende
nog treffender en nog niet publiek gemaakte geval heeft medegedeeld.
Twee kolibri’s, tot het geslacht Eustephanus behoorende, beide fraai
gekleurd, bewonen het eiland Juan Fernandez, en zijn altijd als
afzonderlijke soorten gerangschikt. Voor korten tijd is echter bewezen,
dat de eene die van een rijke kastanjebruine kleur is en een goudrooden
kop bezit, het mannetje is, terwijl de andere die bevallig met groen en
wit is gevlekt en een metaalglanzenden groenen kop bezit, het wijfje
is. Nu gelijken de jongen van den beginne af tot op zekere hoogte op de
volwassenen van de overeenkomstige sekse, terwijl de gelijkenis allengs
hoe langer hoe volkomener wordt.
Indien wij bij de beschouwing van dit laatste geval, evenals vroeger,
het gevederte van de jongen tot onzen gids nemen, zou het schijnen, dat
beide seksen, onafhankelijk van elkander, schoon zijn gemaakt; en niet,
dat de eene sekse haar schoonheid gedeeltelijk op de andere heeft
overgeplant. Het mannetje heeft, naar het schijnt, zijn levendige
kleuren verkregen door seksueele teeltkeus, evenals, bij voorbeeld, de
pauw of fazant in onze eerste klasse van gevallen; en het wijfje de
hare op de zelfde wijze als de vrouwelijke Rhynchaea of Turnix in onze
tweede klasse van gevallen. Er ligt echter een groote moeilijkheid in
om te begrijpen, hoe dit tegelijkertijd zou hebben kunnen plaats
grijpen met de beide seksen van ééne en de zelfde soort. De heer Salvin
zegt, gelijk wij in het achtste hoofdstuk hebben gezien, dat bij
sommige kolibri’s de mannetjes de wijfjes sterk in aantal overtreffen,
terwijl bij andere, het zelfde land bewonende soorten de wijfjes de
mannetjes sterk in aantal overtreffen. Indien wij derhalve mochten
aannemen, dat gedurende een of ander vroeger langdurig tijdvak de
mannetjes van de soort van Juan Fernandez de wijfjes sterk in aantal
hadden overtroffen, maar dat gedurende een ander langdurig tijdvak de
wijfjes de mannetjes sterk in aantal hadden overtroffen, zouden wij
kunnen begrijpen, hoe de mannetjes op den eenen tijd, en de wijfjes op
een anderen tijd, schoon zouden kunnen zijn gemaakt door het voor de
voortteling uitkiezen van de levendiger gekleurde individu’s van elk
der beide seksen; terwijl tevens beide seksen hun kenmerken op hun
jongen overplantten op een iets vroeger leeftijd, dan gewoonlijk. Of
dit de ware verklaring is, zal ik niet wagen te beslissen; doch het
geval is te opmerkelijk om stilzwijgend te worden voorbijgegaan.
Wij hebben nu in talrijke voorbeelden uit alle zes de klassen gezien,
dat er een nauw verband bestaat tusschen het gevederte der jongen en
der volwassenen, hetzij van ééne sekse of van beide seksen. Dit verband
wordt tamelijk goed verklaard volgens het beginsel, dat ééne sekse,—en
dit was in de groote meerderheid van gevallen het mannetje,—eerst door
afwijking en seksueele teeltkeus levendige kleuren en andere
versierselen verkreeg, en die op verschillende wijzen in
overeenstemming met de erkende wetten van erfelijkheid overplantte.
Waarom afwijkingen zich in verschillende tijdperken van het leven
hebben voorgedaan, somtijds zelfs bij de soorten van een zelfde groep,
weten wij niet; maar met betrekking tot den vorm der overplanting
schijnt ééne groote bepalende oorzaak de leeftijd te zijn geweest,
waarop de afwijkingen het eerst ontstonden.
Uit het beginsel van overerving op overeenkomstige leeftijden en uit
het feit, dat elke afwijking die zich bij de mannetjes op vroegen
leeftijd voordeed, dan niet voor de voortteling werd uitgekozen, maar
integendeel dikwijls als gevaarlijk werd geëlimineerd, terwijl
gelijksoortige afwijkingen, zich in of omstreeks het
voortplantingstijdperk voordoende, bewaard zijn gebleven, volgt, dat
het gevederte der jongen dikwijls ongewijzigd gelaten, of slechts
weinig gewijzigd zal zijn. Wij krijgen zoo eenig inzicht in de kleur
van de voorouders onzer bestaande soorten. Bij een groot aantal soorten
in vijf onzer zes klassen van gevallen zijn de volwassenen van ééne
sekse of van beide levendig gekleurd, ten minste gedurende den
paartijd, terwijl de jongen onveranderlijk minder levendig dan de
volwassenen, of geheel en al dof zijn gekleurd; want, voor zoover ik
kan nagaan, is er geen voorbeeld van bekend, dat de jongen van dof
gekleurde soorten levendige kleuren vertoonen, of dat de jongen van
levendig gekleurde soorten schitterender zijn gekleurd dan hun ouders.
In de vierde klasse echter, waarin de jongen en de ouden op elkander
gelijken, zijn er vele soorten (hoewel in geenen deele alle) levendig
gekleurd, en daar deze geheele groepen vormen, mogen wij daaruit
afleiden, dat hun vroege voorouders eveneens levendig waren gekleurd.
Op deze uitzondering na schijnt het, wanneer wij de vogels der geheele
wereld beschouwen, dat hun schoonheid in hooge mate is toegenomen
sedert het tijdvak waarvan ons in hun onvolwassen gevederte een
gedeeltelijke herinnering is overgebleven.
Over de Kleur van het Gevederte met betrekking tot de Bescherming.—Men
zal hebben gezien, dat ik de meening van den heer Wallace, dat doffe
kleuren, als zij tot de wijfjes zijn beperkt, in de meeste gevallen ter
wille van de bescherming zijn verkregen, geenszins kan deelen. Er kan
echter, gelijk reeds vroeger is opgemerkt, geen twijfel bestaan, dat
bij beide seksen van vele vogels de kleuren met dit doel zijn
gewijzigd, om aan de opmerkzaamheid hunner vijanden te ontsnappen; of
in sommige gevallen om hun prooi onbemerkt te naderen, evenals het
gevederte der uilen zacht is gemaakt, opdat hun vlucht niet zou worden
gehoord. De heer Wallace merkt op [300], dat „wij alleen in de
tropische gewesten, te midden van bosschen die hun gebladerte nooit
verliezen, geheele groepen van vogels vinden, wier hoofdkleur groen
is.” Iedereen die zulks heeft beproefd, zal toegeven, dat het hoogst
moeilijk is, papegaaien in met bladeren bedekte boomen te
onderscheiden. Desniettemin moeten wij bedenken, dat vele papegaaien
met karmozijnen, blauwe en oranje tinten zijn versierd, die moeilijk
tot bescherming kunnen dienen. Spechten zijn bij uitnemendheid
boomdieren; maar behalve groene zijn er ook vele zwarte en zwart en
witte soorten,—terwijl al die soorten aan omtrent de zelfde gevaren
schijnen te zijn blootgesteld. Het is daarom waarschijnlijk, dat sterk
uitgesproken kleuren door de op boomen levende vogels door seksueele
teeltkeus zijn verkregen, doch dat groene tinten door de natuurlijke
teeltkeus wegens de bescherming een voordeel over andere kleuren hebben
gehad.