het gevederte ter wille van de bescherming is veranderd; en het is
mogelijk, dat van sommige soorten alleen de wijfjes aldus zijn
gewijzigd. Hoewel het een moeilijke, wellicht onmogelijke zaak zou
zijn, gelijk in het laatste hoofdstuk is aangetoond, om door teeltkeus
den eenen vorm van overplanting in den anderen te doen overgaan, zou er
geen de minste moeilijkheid in zijn gelegen om de kleuren van het
wijfje, onafhankelijk van die van het mannetje, op die der omringende
voorwerpen te doen gelijken, door de opeenhooping van afwijkingen die
van den beginne af in haar overplanting tot de vrouwelijke sekse waren
beperkt. Indien de afwijkingen niet op die wijze waren beperkt, zouden
de levendige kleuren van het mannetje schade lijden of worden
vernietigd. Of bij vele soorten alleen de wijfjes aldus bijzonder zijn
gewijzigd, is tegenwoordig zeer twijfelachtig. Ik wenschte dat ik den
heer Wallace geheel en al gelijk kon geven; want de aanneming van zijn
meening zou sommige moeilijkheden opheffen. Elke afwijking die aan het
wijfje geen dienst bewees als een bescherming, zou, in plaats van
eenvoudig te worden verloren, doordat zij niet voor de voortteling werd
uitgekozen, op eens verdwijnen, hetzij wegens de vrije kruising, hetzij
daar zij werd geëlimineerd, wanneer zij, op het mannetje overgeplant
zijnde, op eenige wijze schadelijk voor hem was. Aldus zou het
gevederte van het wijfje bestendig (constant) van karakter worden
gehouden. Het zou ook de verklaring gemakkelijker maken, indien wij
konden aannemen, dat de donkere tinten van beide seksen van vele vogels
waren verkregen en bewaard gebleven ter wille van bescherming,—bij
voorbeeld die van den bastaardnachtegaal en den winterkoning (Accentor
modularis en Troglodytes vulgaris), ten opzichte van welke wij geen
voldoende bewijzen voor de werking der seksueele teeltkeus hebben. Wij
moeten echter voorzichtig zijn met te besluiten, dat de kleuren die ons
dof toeschijnen, voor de wijfjes van sommige soorten niet aantrekkelijk
zouden zijn; wij behooren steeds aan dergelijke gevallen te denken als
dat van de gewone huismusch, bij welke het mannetje veel van het wijfje
verschilt, doch volstrekt geen levendige tinten vertoont. Niemand zal
waarschijnlijk betwisten, dat vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae),
die op den vlakken grond leven, hun tegenwoordige kleuren, ten minste
gedeeltelijk, ter wille van de bescherming hebben gekregen. Wij weten,
hoe goed zij daardoor worden verborgen; wij weten, dat de
sneeuwhoenders, terwijl zij hun winterkleed in hun zomerkleed (die
beide tot bescherming strekken) veranderen, zeer van roofvogels hebben
te lijden. Kunnen wij echter gelooven, dat de zeer geringe verschillen
in kleur en teekening tusschen de wijfjes van het korhoen en van het
roode Schotsche boschhoen tot bescherming dienen? Zijn patrijzen,
zooals zij nu zijn gekleurd, beter beschermd dan wanneer zij op
kwartels hadden geleken? Dienen de geringe verschillen tusschen de
wijfjes van den gewonen, den Japanschen en den goudlakenschen fazant
tot bescherming, of zouden zij hun gevederte niet zonder nadeel kunnen
ruilen? Uit hetgeen de heer Wallace heeft waargenomen omtrent de
levenswijze van zekere Hoenderachtige Vogels in het Oosten, leidt hij
af, dat dergelijke kleine verschillen voordeelig zijn. Wat mij betreft,
zal ik alleen zeggen, dat ik niet overtuigd ben.
Vroeger, toen ik geneigd was veel gewicht te hechten aan het beginsel
van bescherming om de minder levendige kleuren van vrouwelijke vogels
te verklaren, viel het mij in, dat mogelijk oorspronkelijk beide seksen
en de jongen in gelijke mate levendig gekleurd zouden kunnen zijn
geweest, maar dat later de wijfjes wegens haar geringe ondervinding als
bescherming haar doffe kleur zouden kunnen hebben verkregen. Deze
meening wordt echter door volstrekt geen bewijzen ondersteund, en is
niet waarschijnlijk; want zoodoende stellen wij in onze verbeelding de
wijfjes en de jongen in vroegere tijden bloot aan gevaren waartegen het
later noodig zou zijn geweest hun gewijzigde afstammelingen te
beschermen. Wij zijn dan ook genoodzaakt aan te nemen, dat de wijfjes
en de jongen door een trapsgewijs proces van teeltkeus bijna volkomen
de zelfde kleuren en teekeningen hebben verkregen en dat die op de
overeenkomstige sekse en den overeenkomstigen leeftijd zijn
overgeplant. Het is ook een eenigszins vreemd feit (verondersteld, dat
de wijfjes en de jongen gedurende elke phase van het wijzigingsproces
hebben gedeeld in een neiging om even levendig te worden gekleurd als
de mannetjes), dat de wijfjes nooit doffe kleuren hebben verkregen,
zonder dat de jongen in de zelfde verandering deelden; want er zijn,
voor zoover ik kan nagaan, geen voorbeelden van soorten bij welke de
wijfjes dof en de jongen levendig zijn gekleurd. Een gedeeltelijke
uitzondering hierop maken echter de jongen van zekere spechten; want
„het geheele bovendeel van hun kop is rood gekleurd”, dat later hetzij
bij de volwassenen van beide seksen afneemt, tot er slechts een
cirkelvormige roode lijn overblijft, of bij de wijfjes geheel
verdwijnt. [262]
Eindelijk schijnt, wat onze tegenwoordige klasse van gevallen aangaat,
de meest waarschijnlijke meening te zijn, dat alleen opeenvolgende
afwijkingen in levendigheid van kleur of in andere tot versiering
strekkende kenmerken die bij de mannetjes in een vrij laat
levenstijdperk verschenen, bewaard zijn gebleven; en dat de meeste van
deze afwijkingen, of alle, ten gevolge van het late levenstijdperk
waarin zij verschenen, van den beginne af alleen op de mannelijke
nakomelingschap zijn overgeplant. Elke afwijking in levendigheid van
kleur, die zich bij de wijfjes of bij de jongen vertoonde, zou hun van
geen dienst geweest, en niet voor de voortteling uitgekozen, en
daarenboven, indien zij gevaarlijk was, geëlimineerd zijn. Zoo zullen
de wijfjes en de jongen hetzij ongewijzigd zijn gelaten, of, en dit is
veel veelvuldiger geschied, gedeeltelijk zijn gewijzigd, doordat
sommige der opeenvolgende afwijkingen van het mannetje op hen werden
overgeplant. Op beide seksen hebben wellicht de levensvoorwaarden
waaraan zij lang blootgesteld zijn geweest, rechtstreeks ingewerkt;
doch de wijfjes zullen, daar zij niet door een andere oorzaak veel zijn
gewijzigd, het best de uitwerkselen vertoonen, die daarvan het gevolg
mochten zijn geweest. Deze verandering en alle andere zullen eenvormig
zijn gehouden door de vrije kruising van vele individu’s. In sommige
gevallen, vooral bij op den vlakken grond levende vogels, kunnen
wellicht de wijfjes en de jongen ook onafhankelijk van de mannetjes ter
wille van de bescherming zijn gewijzigd en daardoor het zelfde doffe
gevederte hebben verkregen.
Klasse II. Als het volwassen wijfje opzichtiger is gekleurd dan het
volwassen mannetje, gelijken de jongen van beide seksen in hun eerste
gevederte op het volwassen mannetje.—Deze klasse is juist het
omgekeerde van de vorige; want hier zijn de wijfjes levendiger gekleurd
en opzichtiger dan de mannetjes, en gelijken de jongen, voor zoover zij
bekend zijn, op de volwassen mannetjes in plaats van op de volwassen
wijfjes. Het verschil tusschen de seksen is echter nooit zoo groot als
bij vogels uit de eerste klasse, en de gevallen zijn
vergelijkenderwijze zeldzaam. De heer Wallace die het eerst de aandacht
vestigde op de vreemdsoortige betrekking die bestaat tusschen de minder
levendige kleuren van het mannetje en het door hem vervullen van de
plichten der uitbroeiing, hecht groot gewicht aan dit punt [263], als
een beslissend bewijs, dat donkere kleuren zijn verkregen ter wille van
de bescherming gedurende den tijd van het broeien. Een andere meening
schijnt mij waarschijnlijker. Daar de gevallen merkwaardig en niet
talrijk zijn, zal ik kortelijk alles mededeelen, wat ik in staat was te
vinden.
In ééne afdeeling van het geslacht Turnix (Kwartelachtige Vogels) (3)
is het wijfje zonder uitzondering grooter dan het mannetje (bij een der
Australische soorten is het bijna tweemaal zoo groot), en dit is een
ongewone omstandigheid bij de Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae). Bij
de meeste soorten is het wijfje bonter en levendiger gekleurd dan het
mannetje [264], doch bij eenige weinige soorten zijn de seksen aan
elkander gelijk. Bij Turnix taigoor uit Indië „ontbreekt bij het
mannetje het zwart aan de keel en den hals, en de geheele toon van het
gevederte is lichter en minder sterk uitgedrukt dan bij het wijfje.”
Het schijnt luidruchtiger te zijn, en is zeker strijdlustiger dan het
mannetje, zoodat de wijfjes en niet de mannetjes dikwijls door de
inboorlingen worden gehouden om ze, evenals vechthanen, te laten
vechten. Evenals mannelijke vogels door de Engelsche vogelvangers nabij
een knip als lokvogels worden geplaatst om andere vogels te vangen,
door hun ijverzucht op te wekken, worden in Indië de wijfjes van dezen
Turnix gebruikt. Aldus tentoongesteld beginnen de wijfjes spoedig haar
luiden spinnenden loktoon aan te heffen, die op grooten afstand
waarneembaar is, en alle wijfjes die zich bevinden binnen de ruimte
waar hij kan worden gehoord, loopen ijlings naar de plaats en beginnen
met den in een kooi zittenden vogel te vechten. Op deze wijze kunnen
van twaalf tot twintig vogels, allen broeische wijfjes, in den loop van
een enkelen dag worden gevangen. De inboorlingen verzekeren, dat de
wijfjes, na haar eieren te hebben gelegd, in troepen bij elkander
komen, en het aan de mannetjes overlaten om ze uit te broeien. Er is
geen reden om de waarheid van deze verzekering te betwijfelen, die
wordt bevestigd door eenige waarnemingen, in China door den heer
Swinhoe [265] gedaan (4). De heer Blyth gelooft, dat de jongen van
beide seksen op het volwassen mannetje gelijken.
De wijfjes der drie soorten van goudsnippen (Rhynchaea, Fig. 59) „zijn
niet slechts grooter, maar veel rijker gekleurd dan de mannetjes.”
[266] Bij alle andere vogels bij welke de luchtpijp (trachea) bij de
beide seksen in maaksel verschilt, is zij ontwikkelder en
samengestelder bij het mannetje dan bij het wijfje; doch bij Rhynchaea
Australis is zij bij het mannetje eenvoudig, terwijl zij bij het wijfje
vier afzonderlijke windingen maakt voor zij de longen binnentreedt.
[267] Het wijfje van deze soort heeft dus een bij uitnemendheid
mannelijk instinkt verkregen. De heer Blyth vergewiste zich, door vele
voorwerpen te onderzoeken, dat de luchtpijp (trachea) bij geen van
beide seksen van R. Bengalensis gewonden is, welke soort zoozeer op R.
Australis gelijkt, dat zij er nauwelijks anders dan door haar kortere
teenen van kan worden onderscheiden. Dit feit is opnieuw een treffend
voorbeeld van de wet, dat secundaire seksueele kenmerken dikwijls zeer
verschillend zijn bij nauwverwante vormen; hoewel het een zeer zeldzame
omstandigheid is, wanneer dergelijke verschillen betrekking hebben op
de vrouwelijke sekse. De jongen van beide seksen van R. Bengalensis
gelijken in hun eerste gevederte, naar men zegt, op het volwassen
mannetje. [268] Er is ook reden om te gelooven, dat het mannetje den
plicht der uitbroeiing op zich neemt; want de heer Swinhoe [269] vond
de wijfjes voor het einde van den zomer bij troepen vereenigd, evenals
met de wijfjes van Turnix plaats heeft.
De wijfjes van den rossen en den Noordschen Franjepoot (Phalaropus
fulicarius en P. hyperboreus) zijn grooter, en in haar zomerkleed
„fraaier uitgedost dan de mannetjes.” Het verschil in kleur tusschen de
seksen is echter ver van in het oog loopend. Alleen het mannetje van
den rossen Franjepoot (P. fulicarius) belast zich, volgens Professor
Steenstrup, met den plicht der uitbroeiing, gelijk eveneens door den
toestand zijner borstvederen gedurende den broeitijd wordt aangetoond.
Het wijfje van den Morinel-Plevier (Eudromias morinellus) is grooter
dan het mannetje, en de roode en zwarte tinten op de ondervlakte van
het lichaam, de witte halvemaanvormige vlek op de borst en de strepen
boven de oogen zijn bij haar sterker uitgedrukt. Ook neemt het mannetje
ten minste aan de uitbroeiing der eieren deel; maar het wijfje zorgt
toch mede voor de jongen. [270] Het is mij niet mogen gelukken, te
weten te komen, of bij deze soorten de jongen meer op de volwassen
mannetjes, dan op de volwassen wijfjes gelijken; want de vergelijking
is eenigszins moeilijk te maken, ten gevolge van de dubbele ruiing.
Laten wij thans tot de Orde der Struisvogelachtige Vogels overgaan. Het
mannetje van den gewonen kasuaris (Casuarius galeatus) zou door
iedereen voor het wijfje worden gehouden wegens zijn geringe grootte,
de veel minder levendige kleur van de aanhangsels en het naakte vel aan
den kop; en de heer Bartlett deelt mij mede, dat in den Londenschen
Dierentuin zonder twijfel alleen het mannetje op de eieren zit en voor
de jongen zorgt. [271] De heer T. W. Wood [272] zegt, dat het wijfje
gedurende den paartijd een uiterst strijdlustigen aard toont, en dat
haar vleeschlappen dan grooter en schitterender worden gekleurd.
Evenzoo is ook het wijfje van een van de Emeu’s (Dromaeus irroratus)
aanmerkelijk grooter dan het mannetje, en zij bezit een kleinen
vederbos, maar is anders in gevederte niet van hem te onderscheiden.
Zij schijnt echter, „wanneer zij toornig of op een andere wijze
geprikkeld wordt, een grooter vermogen te hebben om, evenals een
kalkoensche haan, de vederen van haar hals en borst op te zetten. Zij
is gewoonlijk het moedigst en het meest twistziek. Zij maakt een diep,
hol, uit de keel voortkomend (gutturaal) geluid, vooral des nachts, dat
als een kleine gong klinkt. Het mannetje is slanker gebouwd en is
leerzamer; hij bezit ook geen andere stem, dan een onderdrukt sissen
als hij toornig is, of een geknor.” Niet alleen volbrengt hij den
geheelen plicht der uitbroeiing, maar hij moet de jongen tegen hun
moeder verdedigen; „want zoodra deze haar kroost in het gezicht krijgt,
wordt zij hevig ontroerd, en schijnt, niettegenstaande den wederstand
van den vader, haar uiterste best te doen om het te vernielen. Nog
maanden later is het niet geraden de ouders bij elkander te brengen,
daar hevige twisten daarvan het onvermijdelijke gevolg zijn, waaruit
het wijfje gewoonlijk als overwinnaar te voorschijn komt.” [273] Zoodat
wij bij dezen emeu een volkomen omkeering hebben niet slechts van de
ouderlijke en broei-instinkten, maar van de gewone zedelijke
hoedanigheden der beide seksen, daar de wijfjes wild, twistziek en
luidruchtig, de mannetjes zacht en goed zijn. Bij de Afrikaansche
struisvogels is het een zeer verschillend geval; want het mannetje is
iets grooter dan het wijfje, en heeft fraaier siervederen met sterker
tegen elkander afstekende kleuren; desniettemin neemt hij den geheelen
plicht der uitbroeiing op zich. [274]
Ik wil de weinige andere mij bekende gevallen opgeven, waarin het
wijfje opzichtiger is gekleurd dan het mannetje, hoewel omtrent hun
wijze van broeien niets bekend is. Bij de ontleding van den gierbuizerd
der Falklands-eilanden (Milvago leucurus) was ik zeer verwonderd te
vinden, dat de individu’s bij welke alle kleuren sterk uitgedrukt en
wier washuid en pooten oranjekleurig waren, de volwassen wijfjes waren;
terwijl die met doffer gevederte en grijze pooten de mannetjes of de
jongen waren. Bij een Australischen Boomkruiper (Climacteris erythrops)
verschilt het wijfje van het mannetje, „doordat het met fraaie,
straalvormige, roodachtige teekeningen aan de keel is versierd, terwijl
dit deel bij het mannetje geheel effen is gekleurd”. Bij een
Australische Nachtzwaluw eindelijk „overtreft het wijfje het mannetje
altijd in grootte en door haar kleurenpracht; bij de mannetjes zijn
daarentegen twee witte vlekken op de primaire slagpennen duidelijker
dan bij het wijfje”. [275]
Wij zien dus, dat de gevallen waarin vrouwelijke vogels opzichtiger
zijn gekleurd dan de mannetjes, terwijl de jongen in hun onvolwassen
gevederte op de volwassen mannetjes gelijken, in plaats van op de
volwassen wijfjes, zooals in de vorige klasse, niet talrijk zijn,
hoewel zij over onderscheidene Orden zijn verdeeld. De hoegrootheid van
het verschil tusschen de seksen is ook onvergelijkelijk veel kleiner
dan dat hetwelk veelvuldig in de vorige klassen voorkomt, zoodat de
oorzaak van het verschil, welke die dan ook moge zijn geweest, op de
wijfjes in de thans behandeld wordende klasse hetzij minder krachtig of
minder voortdurend heeft gewerkt dan op de mannetjes in de vorige
klasse. De heer Wallace gelooft, dat de kleuren der mannetjes minder
opzichtig zijn gemaakt ter wille van de bescherming gedurende den
broeitijd; doch het verschil tusschen de seksen schijnt in nauwelijks
een der voorgaande gevallen groot genoeg te zijn om deze meening veilig
te mogen aannemen. In sommige der gevallen zijn de levendiger tinten
van het wijfje bijna geheel beperkt tot de ondervlakte van het lichaam,
en de mannetjes zouden, als zij ook aldus gekleurd waren geweest,
daardoor aan geen gevaar zijn blootgesteld geweest, terwijl zij op de
eieren zaten. Men houde ook in het oog, dat de mannetjes niet alleen
eenigermate minder opzichtig zijn gekleurd dan de wijfjes, maar dat zij
ook kleiner en zwakker zijn. Zij hebben daarenboven niet alleen het
moederlijk broei-instinkt verkregen, maar zijn minder strijdlustig en
luidruchtig dan de wijfjes, en hebben in één geval eenvoudiger
stemorganen. Zoo heeft een bijna volkomen ruil van de instinkten,
gewoonten, inborst, kleur, grootte en van sommige punten van maaksel
tusschen de beide seksen plaats gehad.
Indien wij nu mochten aannemen, dat de mannetjes in de thans behandeld
wordende klasse een weinig van die vurigheid hadden verloren, welke
anders aan hun sekse eigen is, zoodat ze de wijfjes niet langer met
zooveel drift zochten; of, als wij mochten aannemen, dat de wijfjes
veel talrijker waren geworden dan de mannetjes,—en in het geval van een
Indischen Turnix wordt gezegd, dat men de wijfjes „veel algemeener
aantreft dan de mannetjes” [276],—dan is het geenszins
onwaarschijnlijk, dat de wijfjes er toe zouden zijn gekomen om aan de
mannetjes het hof te maken, in plaats dat haar door deze het hof werd
gemaakt. Dit is inderdaad tot op zekere hoogte bij sommige vogels het
geval, zooals wij bij de pauwin, den wilden kalkoen en sommige soorten
van Boschhoenders hebben gezien. Als wij de gewoonten van de meeste
mannelijke vogels tot maatstaf van beoordeeling nemen, moeten de
meerdere grootte en kracht en de buitengewone strijdlustigheid van de
wijfjes van den Turnix en Emeu er op wijzen, dat zij trachten haar
medeminnaressen te verjagen, opdat zij in het bezit van het mannetje
zouden geraken, en van dit standpunt uit worden al de feiten duidelijk;
want de mannetjes zouden waarschijnlijk het meest worden bekoord of
opgewekt door de wijfjes die het aantrekkelijkst voor hen waren door
haar levendiger kleuren, andere versierselen of krachtige stem. De
Seksueele Teeltkeus zou dan spoedig haar taak verrichten, en de
aantrekkelijkheden van het wijfje voortdurend verhoogen, terwijl de
mannetjes en de jongen geheel en al ongewijzigd werden gelaten of
slechts weinig werden gewijzigd.
Klasse III. Als het volwassen mannetje op het volwassen wijfje gelijkt,
hebben de jongen van beide seksen een hun bijzonder toekomend
eigenaardig eerst gevederte.—In deze klasse gelijken beide seksen, als
zij volwassen zijn, op elkander en verschillen van de jongen. Dit is
het geval bij vele vogels van vele soorten. Het mannelijke roodborstje
kan nauwelijks van het wijfje worden onderscheiden; maar de jongen
verschillen zeer van hen door hun gespikkeld donker en olijfkleurig en
bruin gevederte. Het mannetje en het wijfje van den prachtigen
scharlakenrooden Ibis zijn gelijk, terwijl de jongen bruin zijn; en de
scharlakenroode kleur, hoewel aan beide seksen gemeen, is blijkbaar een
seksueel kenmerk; want bij vogels in gevangen staat ontwikkelt zij zich
niet goed, evenals het dikwijls met de schitterende kleuren van
mannelijke vogels het geval is. Bij vele soorten van Reigers
verschillen de jongen zeer van de volwassenen, en hun zomerkleed heeft,
hoewel aan beide seksen gemeen, duidelijk het karakter van een
bruiloftskleed. Jonge zwanen zijn leikleurig, terwijl de volwassen
vogels zuiver wit zijn; doch het zou overbodig zijn, nog meer
voorbeelden te geven. Deze verschillen tusschen de jongen en de ouden
schijnen, evenals in de beide voorgaande klassen, het gevolg daarvan te
zijn, dat de jongen een vroegeren of ouden staat van het gevederte
hebben behouden, dat door de ouden van beide seksen tegen een nieuw
gevederte is verwisseld. Als de volwassenen levendig zijn gekleurd,
mogen wij uit de juist omtrent den scharlakenrooden Ibis en vele
Reigers gemaakte opmerkingen en uit de analogie van de soorten der
eerste klasse het besluit trekken, dat dergelijke kleuren door
seksueele teeltkeus zijn verkregen door de bijna volwassen mannetjes;
maar dat, verschillend van hetgeen bij de beide eerste klassen
geschiedt, de overplanting, ofschoon tot den zelfden leeftijd beperkt,
niet tot de zelfde sekse beperkt is gebleven. Ten gevolge daarvan
gelijken beide seksen op volwassen leeftijd op elkander en verschillen
van de jongen.
Klasse IV. Als het volwassen mannetje op het volwassen wijfje gelijkt,
gelijken de jongen van beide seksen in hun eerste gevederte op de
volwassenen.—In deze klassen gelijken de jongen en de volwassenen van
beide seksen, hetzij schitterend of donker gekleurd, op elkander.
Dergelijke gevallen zijn, naar ik meen, algemeener dan die van de
laatste klasse. Wij hebben in Engeland voorbeelden in den ijsvogel,
sommige spechten, de Vlaamsche gaai, ekster, kraai, en vele kleine
dofgekleurde vogels, zooals den bastaardnachtegaal en den winterkoning.
De gelijkheid in gevederte tusschen jongen en ouden is echter nooit
geheel volkomen, en gaat trapsgewijze over in ongelijkheid; zoo zijn de
jongen van sommige leden van de Familie der IJsvogels niet alleen
minder levendig gekleurd dan de volwassenen, maar vele van de vederen
zijn op de ondervlakte met bruin omzoomd [277]—waarschijnlijk een
overblijfsel van een vroegeren toestand van het gevederte. Het gebeurt
dikwijls, dat in de zelfde groep van vogels, ja zelfs in het zelfde
geslacht, bij voorbeeld bij een Australisch geslacht van parkieten
(Platycercus), de jongen van sommige soorten zeer veel gelijken op en
de jongen van andere soorten aanmerkelijk verschillen van hun ouders en
van beide seksen die aan elkander gelijk zijn. [278] De beide seksen en
de jongen van den gewonen meerkol of Vlaamsche gaai gelijken zeer veel
op elkander; doch bij den Canadaschen meerkol (Perisoreus Canadensis)
verschillen de jongen zoozeer van hun ouders, dat zij vroeger als
afzonderlijke soorten werden beschreven. [279]
Voor ik verder ga, moet ik opmerken, dat in deze en de beide volgende
klassen van gevallen de feiten zoo ingewikkeld en de gevolgtrekkingen
zoo twijfelachtig zijn, dat ieder die geen bijzonder belang in het
onderwerp stelt, beter doet met ze over te slaan.