Bij eenige weinige geslachten en soorten, zooals bij Galloperdix,

Acomus, en den Javaanschen pauw (Pavo muticus), bezitten zoowel de

wijfjes als de mannetjes goed ontwikkelde sporen. Moeten wij uit dit

feit afleiden, dat zij een soort van nest bouwen, niet vatbaar om door

hun sporen te worden beschadigd, en verschillend van dat van hun naaste

verwanten, zoodat hier geen noodzakelijkheid bestond om de sporen te

doen verdwijnen? Of moeten wij veronderstellen, dat deze wijfjes

bijzonder behoefte aan sporen hebben voor haar verdediging? Het is een

meer waarschijnlijk besluit, dat zoowel de aanwezigheid als de

afwezigheid van sporen bij de wijfjes een gevolg zijn van het de

overhand behouden van verschillende wetten van overerving,

onafhankelijk van de natuurlijke teeltkeus. Omtrent de vele wijfjes bij

welke zich sporen in rudimentairen toestand vertoonen, mogen wij

besluiten, dat eenige weinige van de opeenvolgende afwijkingen door

welke zij zich bij de mannetjes ontwikkelden, zich vroeg in het leven

vertoonden, en ten gevolge daarvan op de wijfjes werden overgeplant. In

de andere en veel zeldzamer gevallen in welke de wijfjes volkomen

ontwikkelde sporen bezitten, mogen wij besluiten, dat al de

opeenvolgende afwijkingen op haar werden overgebracht, en dat zij

trapsgewijze de overgeërfde gewoonte verkregen om haar nesten niet in

de war te brengen.

De stemorganen en de op verschillende wijzen om geluid voort te brengen

gewijzigde vederen, zoowel als de eigenaardige instinkten om ze te

gebruiken, verschillen dikwijls bij de twee seksen, maar zijn somtijds

bij beide de zelfde. Kan men dergelijke verschijnselen verklaren,

doordat de mannetjes deze organen en instinkten hebben verkregen,

terwijl de wijfjes zijn verhinderd om ze over te erven, ten gevolge van

het gevaar waaraan zij blootgesteld zouden zijn geweest door de

aandacht van roofvogels of roofdieren tot zich te trekken? Dit schijnt

mij niet waarschijnlijk, wanneer wij denken aan de menigte vogels die

gedurende de lente straffeloos het land met hun stem opvroolijken.

[224] Het is een veiliger besluit, dat, daar vocale en instrumentale

organen alleen van dienst zijn aan de mannetjes gedurende hun vrijage,

deze organen alleen bij deze sekse door seksueele teeltkeus en

voortdurend gebruik tot ontwikkeling kwamen,—terwijl de opeenvolgende

afwijkingen en de gevolgen van het gebruik van den beginne af in hun

overplanting in meerdere of mindere mate alleen tot de mannelijke sekse

beperkt bleven.

Vele soortgelijke gevallen zouden kunnen worden aangevoerd, bijv. de

vederen op den kop, die over het algemeen bij het mannetje langer zijn

dan bij het wijfje, somtijds bij beide seksen even lang zijn, en nu en

dan bij het wijfje ontbreken,—terwijl deze verschillende gevallen

dikwijls in ééne en de zelfde groep vogels worden aangetroffen. Het zou

moeilijk zijn een verschil van deze soort tusschen de seksen te

verklaren volgens het beginsel, dat het wijfje was bevoordeeld door het

bezit van een weinig korter kuif dan het mannetje en het ten gevolge

daarvan kleiner worden of volkomen verdwijnen van die kuif door

natuurlijke teeltkeus. Ik zal echter een gunstiger geval nemen,

namelijk de lengte van den staart. De lange staart van den pauw zou

niet slechts lastig, maar zelfs gevaarlijk zijn geweest voor de pauwin

gedurende den broeitijd en terwijl zij haar jongen vergezelt. Daarom is

het a priori in het minst niet onwaarschijnlijk, dat de ontwikkeling

van haar staart door natuurlijke teeltkeus is belet. De wijfjes van

onderscheidene fazanten die in haar open nesten blijkbaar aan evenveel

gevaar zijn blootgesteld geweest als de pauwin, hebben echter staarten

van aanmerkelijke lengte. De wijfjes van den Liervogel (Menura superba)

hebben evengoed lange staarten als de mannetjes, en zij bouwen

koepelvormige nesten, hetgeen bij zulk een grooten vogel een groote

afwijking is. De natuuronderzoekers zijn er verwonderd over geweest,

hoe het wijfje van den Liervogel gedurende het broeien met haar staart

kon klaar komen; men weet nu echter [225], dat zij „eerst haar kop in

het nest steekt, en dan ronddraait, haar staart somtijds over den rug,

maar meer veelvuldig langs haar zijde omgebogen houdende. De staart

wordt daardoor na eenigen tijd geheel scheef, en is een vrij bruikbare

aanwijzing van de lengte van tijd, gedurende welken de vogel op haar

eieren heeft gezeten.” Bij beide seksen van een Australischen IJsvogel

(Thanysiptera sylvia) zijn de middelste staartvederen zeer lang; en

daar het wijfje haar nest in een gat maakt, worden deze vederen, gelijk

de heer R. B. Sharpe mij meldt gedurende den nestbouw zeer verfrommeld.

In deze beide gevallen moet de groote lengte der staartvederen

eenigermate lastig voor het wijfje zijn; en daar bij beide soorten de

staartvederen van het wijfje iets korter zijn dan die van het mannetje,

zou men kunnen beweren, dat hun volkomen ontwikkeling door de

natuurlijke teeltkeus was belet. Te oordeelen naar deze gevallen, zou

de pauwin, wanneer de ontwikkeling van haar staart alleen was

verhinderd, toen hij lastig of gevaarlijk lang werd, een veel langeren

staart hebben verkregen dan zij werkelijk bezit; want haar staart is op

verre na zoo lang niet, in verhouding tot de grootte van haar lichaam,

als die van vele vrouwelijke fazanten, en ook niet langer dan die van

de kalkoensche hen. Men moet ook steeds bedenken, dat, zoodra als in

overeenstemming met deze beschouwingswijze de staart van de pauwin

gevaarlijk lang werd en haar ontwikkeling bij gevolg werd verhinderd,

dit voortdurend zou hebben teruggewerkt op haar mannelijke

nakomelingschap, en dus den pauw zou hebben belet om zijn

tegenwoordigen prachtigen staart te verkrijgen. Wij mogen daarom de

gevolgtrekking maken, dat de lengte van den staart bij den pauw en zijn

kortheid bij de pauwin zijn veroorzaakt, doordat de vereischte

afwijkingen van het mannetje van den beginne af alleen op de mannelijke

nakomelingen zijn overgeplant.

Wij worden tot omtrent het zelfde besluit gebracht ten opzichte van de

lengte van den staart bij de onderscheidene soorten van fazanten. Bij

den geoorden fazant (Crossoptilon auritum) is de staart bij beide

seksen even lang, namelijk 40 of 42,5 centimeter; bij den gewonen

fazant is hij bij het mannetje omtrent 50 centimeter, en bij het wijfje

30 centimeter lang; bij Soemmerring’s fazant 92,5 centimeter bij het

mannetje en slechts 20 bij het wijfje; en bij Reeve’s fazant eindelijk

is hij werkelijk bij het mannetje soms 180 centimeter en bij het wijfje

40 centimeter lang. Bij de verschillende soorten verschilt dus de

staart van het wijfje veel in lengte, en wel niet in verhouding van de

lengte van den staart bij de respectieve mannetjes der zelfde soorten;

en dit kan, naar het mij toeschijnt, met veel meer waarschijnlijkheid

worden verklaard door de wetten der erfelijkheid,—dat is doordat de

opeenvolgende afwijkingen van den beginne af in haar overplanting meer

of minder volkomen beperkt zijn gebleven tot de mannelijke sekse,—dan

door de werking der natuurlijke teeltkeus, die het gevolg zou zijn

geweest van het nadeel dat de lengte van den staart in meerdere of

mindere mate aan de wijfjes der verschillende soorten berokkende.

Wij kunnen nu overgaan tot de beschouwing van de bewijsgronden van den

heer Wallace ten opzichte van de seksueele kleuring van vogels. Hij

gelooft, dat de levendige kleuren, oorspronkelijk door de mannetjes

door seksueele teeltkeus verkregen, in alle of bijna alle gevallen op

de wijfjes zouden zijn overgebracht, wanneer de overplanting niet door

de natuurlijke teeltkeus ware verhinderd. Ik herinner hier den lezer,

dat onderscheidene feiten, op deze meening betrekking hebbende, bij de

behandeling der Reptielen, Amphibiën, Visschen en Schubvleugelige

Insekten zijn medegedeeld. De heer Wallace steunt die meening

hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, gelijk wij in het volgende

hoofdstuk zullen zien, op de volgende mededeeling [226], dat, wanneer

beide seksen op sterk opzichtige wijze zijn gekleurd, het nest van

zoodanigen aard is, dat het den op de eieren zittenden vogel verbergt;

maar dat, wanneer er een sterk uitgedrukt verschil van kleur tusschen

de seksen bestaat, zoodat het mannetje levendig en het wijfje dof is

gekleurd, het nest open is en den op de eieren zittenden vogel aan het

gezicht blootstelt. Deze overeenstemming, zoover zij gaat, steunt

ongetwijfeld het geloof, dat de wijfjes die op open nesten zitten,

bijzonder zijn gewijzigd ter wille van de bescherming. De heer Wallace

geeft toe, dat er, gelijk kon worden verwacht, eenige uitzonderingen op

zijn beide regels bestaan; het is echter de vraag of deze

uitzonderingen niet zoo talrijk zijn, dat zij die ernstig verzwakken.

Er is in de eerste plaats veel waars in de opmerking van den Hertog van

Argyll [227], dat een groot koepelvormig nest gemakkelijker in het oog

valt aan den vijand, vooral aan alle op boomen verblijf houdende

roofdieren, dan een kleiner open nest. Wij moeten ook niet vergeten,

dat bij vele vogels die open nesten bouwen, de mannetjes op de eieren

zitten en in het voeden der jongen behulpzaam zijn even goed als de

wijfjes; dit is bij voorbeeld het geval bij den zomer-roodvogel of

vuurtanagra (Pyranga aestiva) [228], een der prachtigste vogels van de

Vereenigde Staten, waarvan het mannetje vermiljoenrood en het wijfje

bruinachtig groen is. Indien nu schitterende kleuren uiterst gevaarlijk

voor de vogels waren geweest, terwijl zij op hun open nesten zaten,

zouden de mannetjes in deze gevallen zeer hebben geleden. Het zou

echter voor het mannetje zoo belangrijk kunnen zijn om schitterend

gekleurd te wezen, dat dit meer dan opwoog tegen een weinig daardoor

veroorzaakt grooter gevaar.

De heer Wallace geeft toe, dat bij de Koningskraaien (Dicrurus),

Wielewalen (Oriolus) en de Aardlijsters (Pittidae) (2) de wijfjes

opzichtig zijn gekleurd en toch open nesten bouwen; maar hij wijst er

op, dat de vogels van de eerste groep zeer strijdlustig zijn en zich

zouden kunnen verdedigen; dat die van de tweede groep de uiterste zorg

aanwenden om hun open nesten te verbergen (doch dit houdt niet altijd

steek [229]), en dat bij de vogels van de derde groep de wijfjes

voornamelijk op de ondervlakte van het lichaam levendig zijn gekleurd.

Behalve deze gevallen maakt de geheele groote Familie der Duiven die

somtijds levendig en bijna altijd opzichtig zijn gekleurd, en van welke

het algemeen bekend is, dat zij van de aanvallen der roofvogels hebben

te lijden, een ernstige uitzondering op den regel, want duiven bouwen

altijd open en blootgestelde nesten. In een andere groote Familie, die

der Kolibri’s, bouwen al de soorten open nesten; toch zijn bij eenige

van de prachtigste soorten de seksen op de zelfde wijze gekleurd; en

bij het meerendeel zijn de wijfjes, hoewel minder schitterend dan de

mannetjes, toch zeer levendig gekleurd. Men kan ook niet volhouden, dat

alle vrouwelijke kolibri’s die levendig zijn gekleurd, aan de

ontdekking ontsnappen, omdat zij groen zijn; want sommige prijken op de

bovenvlakte van hun lichaam met roode, blauwe en andere kleuren. [230]

Wat de vogels betreft, die in gaten bouwen of koepelvormige nesten

bouwen, zoo worden hierdoor, gelijk de heer Wallace opmerkt, nog andere

voordeelen dan verberging verkregen, zooals beschutting voor den regen,

grootere warmte en in heete landen bescherming voor stralen der zon

[231], zoodat het geen geldige tegenwerping tegen deze meening is, dat

vele vogels, bij welke beide seksen donker zijn gekleurd, verborgen

nesten bouwen. [232] De vrouwelijke Neushorenvogels (Buceros), bij

voorbeeld, van Indië en Afrika worden gedurende den nestbouw (3) met

bijzondere zorg beschermd; want het mannetje metselt het gat dicht,

waarin het wijfje op de eieren zit, en laat alleen een kleine opening

over, door welke hij haar voedt; zij wordt dus gedurende den geheelen

broeitijd in een enge gevangenis opgesloten [233]; en toch zijn de

vrouwelijke Neushorenvogels niet opzichtiger gekleurd dan vele andere

vogels van gelijke grootte, die open nesten bouwen. Het is een ernstige

tegenwerping tegen de meening van den heer Wallace, gelijk hij ook

toegeeft, dat in eenige weinige groepen de mannetjes schitterend en de

wijfjes donker zijn gekleurd en deze laatste toch de eieren in

koepelvormige nesten uitbroeien. Dit is het geval bij de Grallinae van

Australië (4), de Prachtzangers (Maluridae) van het zelfde land, de

Zon-vogels (Nectariniae) en met verscheidene van de Australische

Honigzuigers of Meliphagidae. [234]

Indien wij de vogels van Engeland beschouwen, zullen wij zien, dat er

geen nauw en algemeen verband bestaat tusschen de kleuren van het

wijfje en den aard van het door haar gebouwde nest. Omtrent veertig van

onze Britsche vogels (die van aanzienlijke grootte, welke zich zelven

konden verdedigen, niet medegerekend) bouwen in gaten in banken, rotsen

of boomen, of vervaardigen koepelvormige nesten. Als wij de kleuren van

de wijfjes van den distelvink, van den goudvink of van de merel of

zwarte lijster nemen als een maatstaf van den graad van opzichtigheid,

die niet in hooge mate gevaarlijk is voor het broedende wijfje, dan

kunnen, van bovengenoemde veertig vogels, slechts de wijfjes van twaalf

worden beschouwd als in gevaarlijke mate opzichtig, terwijl de overige

acht-en-twintig niet opzichtig zijn. [235] Er bestaat ook volstrekt

geen nauw verband tusschen een goed uitgedrukt verschil in kleur

tusschen de beide seksen en den aard van het vervaardigde nest. Zoo

verschilt de mannelijke huismusch (Passer domesticus) veel van het

wijfje, de mannelijke ringmusch (P. montanus) bijna in het geheel niet,

en toch bouwen beide goed verborgen nesten. De beide seksen van den

gewonen grauwen vliegenvanger (Muscicapa grisola) kunnen nauwelijks van

elkander worden onderscheiden, terwijl de seksen van den gevlekten

vliegenvanger (M. luctuosa) aanmerkelijk verschillen, en beide bouwen

hun nesten in gaten. Het wijfje van de merel of zwarte lijster (Turdus

merula) verschilt veel, dat van de beflijster (T. torquatus) verschilt

minder, en dat van de gewone zanglijster (T. musicus) omtrent in het

geheel niet van haar respectieve mannetje; en toch bouwen allen open

nesten. De met haar tamelijk nauw verwante waterspreeuw (Cinclus

aquaticus) bouwt daarentegen een koepelvormig nest, en toch verschillen

de seksen bijna evenveel van elkander als in het geval van de

beflijster. Het korhoen en het roode Schotsche boschhoen (Tetrao tetrix

en T. Scoticus) bouwen open nesten op even goed verborgen plaatsen;

doch bij de eene soort verschillen de seksen zeer, en bij de andere

zeer weinig.

Niettegenstaande de voorgaande tegenwerpingen, kan ik niet betwijfelen,

na de uitnemende verhandeling van den heer Wallace te hebben gelezen,

dat, als men alle vogels van de wereld beschouwt, de groote meerderheid

van de soorten bij welke de wijfjes opzichtig zijn gekleurd (en in dit

geval zijn, op zeldzame uitzonderingen na, ook de mannetjes opzichtig)

verborgen nesten bouwen ter wille van de bescherming. De heer Wallace

noemt [236] een lange reeks groepen op, bij welke deze regel steek

houdt; het zal echter voldoende zijn hier, als voorbeelden, de meer

algemeen bekende groepen der IJsvogels, Toucans, Trogons, Blaasvogels

(Capitonidae), Pisangvreters (Musophagae), Spechten en Papegaaien te

noemen. (5) De heer Wallace gelooft, dat, naarmate de mannetjes in deze

groepen hun schitterende kleuren trapsgewijze door seksueele teeltkeus

verkregen, deze op de wijfjes werden overgebracht en niet door

natuurlijke teeltkeus geëlimineerd, ten gevolge van de bescherming die

zij reeds genoten door hun wijze van nestbouw. Volgens deze

beschouwingswijze zouden zij hun tegenwoordige wijze van nestbouw

vroeger hebben verkregen dan hun tegenwoordige kleuren. Het schijnt mij

echter veel waarschijnlijker, dat in de meeste gevallen de wijfjes,

naarmate zij trapsgewijze hoe langer hoe schitterender werden door

overneming van de kleuren van het mannetje, er ook trapsgewijze toe

kwamen om haar instinkten te veranderen (verondersteld, dat zij

oorspronkelijk open nesten bouwden); en om bescherming te zoeken, door

koepelvormige of verborgen nesten te bouwen. Niemand die b.v. de

mededeelingen van Audubon omtrent de verschillen in de nesten van dat

zelfde soort in de Noordelijke en Zuidelijke Vereenigde Staten

bestudeert [237] (6), zal eenige groote moeilijkheid gevoelen om aan te

nemen, dat vogels, hetzij door een verandering (in den strikten zin van

het woord) van hun gewoonten, of door de natuurlijke teeltkeus van

zoogenaamde spontane afwijkingen van het instinkt, er gereedelijk toe

zouden worden gebracht om hun manier van nestbouw te wijzigen.

Deze wijze van beschouwing van de betrekking, zoover die steek houdt,

tusschen de levendige kleuren van vrouwelijke vogels en hun wijze van

nestbouw, ontvangt eenigen steun van zekere soortgelijke gevallen, die

in de woestijn Sahara voorkomen. Hier, gelijk in de meeste andere

woestijnen, zijn de kleuren van onderscheidene vogels en van vele

andere dieren op wondervolle wijze door adaptatie gewijzigd en hebben

gelijkenis gekregen met de kleuren van de omringende vlakte. (7)

Desniettemin zijn er, naar de weleerw. heer Tristram mij meldt, eenige

merkwaardige uitzonderingen op dezen regel; zoo is het mannetje van

Monticola cyanea opzichtig door zijn levendig blauwe kleur, en het

wijfje bijna even opzichtig door haar bruin en wit gespikkeld

gevederte; beide seksen van twee soorten van Dromolaea zijn van een

glanzend zwart, zoodat deze drie vogels volstrekt geen bescherming van

hun kleuren ontvangen, en toch zijn zij in staat om te blijven bestaan;

want zij 3hebben de gewoonte verkregen om, als zij in gevaar zijn, een

schuilplaats te zoeken in holten of spleten in de rotsen.

Ten opzichte van de bovengenoemde groepen van vogels bij welke de

wijfjes opzichtig zijn gekleurd en verborgen nesten bouwen, is het niet

noodig te veronderstellen, dat het nestbouwinstinkt van elke

afzonderlijke soort in het bijzonder werd gewijzigd; maar alleen dat de

vroege voorvaders van elke groep er trapsgewijze toe werden gebracht om

koepelvormige of verborgen nesten te bouwen, en later dit instinkt, te

gelijk met hun levendige kleuren, op hun ongewijzigde afstammelingen

overplantten. Dit besluit, voor zoover het mag worden vertrouwd, is

belangwekkend, dat namelijk de seksueele teeltkeus, in vereeniging met

gelijke of bijna gelijke overerving door beide seksen, indirect de

wijze van nestbouw van geheele groepen vogels heeft bepaald.

Zelfs in de groepen in welke, volgens den heer Wallace, de levendige

kleuren der wijfjes, omdat zij bij den nestbouw werden beschermd, niet

door natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd, verschillen de mannetjes

dikwijls een weinig en nu en dan zelfs aanmerkelijk van de wijfjes. Dit

is een beteekenisvol feit; want dergelijke verschillen in kleur moeten

worden verklaard volgens het beginsel, dat sommige van de afwijkingen

van de mannetjes van den beginne af aan in haar overplanting tot die

zelfde sekse beperkt zijn gebleven, daar men moeilijk kan volhouden,

dat deze verschillen, vooral wanneer zij gering zijn, aan het wijfje

tot bescherming strekken. Zoo bouwen alle soorten van de prachtige

groep der Trogons in gaten; en de heer Gould geeft afbeeldingen [238]

van beide seksen van vijf-en-twintig soorten bij welke allen, met ééne

gedeeltelijke uitzondering, de seksen, soms een weinig, soms in ’t oog

loopend, in kleur verschillen,—terwijl dan de mannetjes altijd fraaier

zijn dan de wijfjes, hoewel ook deze laatste fraai zijn. Al de soorten

van ijsvogels bouwen in holen, en bij de meeste soorten zijn de seksen

even schitterend, en in zooverre houdt de regel van den heer Wallace

steek; maar bij sommige van de Australische soorten zijn de kleuren van

het wijfje iets minder levendig dan die van het mannetje; en bij ééne

prachtig gekleurde soort verschillen de seksen zoozeer, dat men ze

eerst voor verschillende soorten hield. [239] De heer R. B. Sharpe die

een bijzondere studie van deze groep heeft gemaakt, heeft mij eenige

Amerikaansche soorten (Ceryle) getoond, bij welke het mannetje op de

borst een zwarten gordel draagt. Ook bij Carcineutes is het verschil

tusschen de seksen in het oog loopend: bij het mannetje is de bovenste

oppervlakte dofblauw met zwarte banden, terwijl de onderste oppervlakte

gedeeltelijk roodbruin is gekleurd, en er is veel rood aan den kop; bij

het wijfje is de bovenste oppervlakte roodachtig bruin met zwarte

banden, en de onderste oppervlakte wit met zwarte teekeningen. Het is

een belangwekkend feit, daar het bewijst, hoe de zelfde bijzondere

stijl van seksueele kleur dikwijls verwante vormen kenmerkt, dat bij

drie soorten van Dacelo het mannetje alleen van het wijfje verschilt,

doordat zijn staart dofblauw met zwarte banden is, terwijl die van het

wijfje bruin met zwartachtige dwarsstrepen is, zoodat de staart bij de

twee seksen juist op de zelfde wijze verschilt als de geheele bovenste

oppervlakte bij de seksen van Carcineutes.

Bij de papegaaien die eveneens hun nesten in gaten bouwen, vinden wij

soortgelijke gevallen: bij de meeste soorten zijn de beide seksen

schitterend gekleurd en niet van elkander te onderscheiden; maar bij

niet weinig soorten zijn de mannetjes iets levendiger gekleurd dan de

wijfjes, of zelfs op zeer verschillende wijze. Zoo is, behalve andere

sterk uitgedrukte verschillen, de geheele onderste oppervlakte van den

mannelijken koningslori (Aprosmictus scapulatus) scharlakenrood,

terwijl de keel en de borst van het wijfje groen met rood besprenkeld

is; bij de Euphema splendida is er een soortgelijk verschil, terwijl

daarenboven het gelaat en de vleugeldekvederen van het wijfje van een

bleeker blauw zijn dan bij het mannetje. [240] In de Familie der Meezen

(Parinae) die verborgen nesten bouwen, is het wijfje van onze gewone

pimpelmees (Parus coeruleus) „veel minder levendig gekleurd” dan het

mannetje, en bij de prachtige gele Sultansmees van Indië is het

verschil grooter. [241]

Ook in de groote groep der Spechten [242] zijn de seksen over het

algemeen bijna gelijk; maar bij Megapicus validus zijn al die deelen

van den kop, hals en borst, die bij het mannetje karmozijnrood zijn,

bij het wijfje bleekbruin. Daar bij verscheidene spechten de kop van

het mannetje levendig karmozijnrood is, terwijl die van het wijfje

effen is, kwam het mij in de gedachte, dat deze kleur het wijfje

mogelijk in gevaarlijke mate opzichtig zou maken, als zij haar kop uit

het gat stak, waarin haar nest zich bevond en dat ten gevolge daarvan

die kleur in overeenstemming met de meening van den heer Wallace, was

geëlimineerd. Deze meening wordt versterkt door hetgeen Malherbe ten

opzichte van Indopicus carlotta getuigt, namelijk, dat de jonge

wijfjes, evenals de jonge mannetjes, eenig karmozijnrood aan haar

koppen hebben, maar dat deze kleur bij het volwassen wijfje verdwijnt,

terwijl zij bij het volwassen mannetje sterker wordt. Desniettemin

maken de volgende overwegingen deze meening zeer twijfelachtig; het

mannetje neemt een voornaam aandeel in de uitbroeiing der eieren [243],

en zou in zooverre bijna aan evenveel gevaar zijn blootgesteld; bij

vele soorten zijn de koppen van beide seksen even levendig

karmozijnrood gekleurd; bij andere soorten is het verschil tusschen de

seksen in de hoeveelheid karmozijnrood zoo gering, dat er nauwelijks

eenig merkbaar verschil kan bestaan in de hoegrootheid van het daardoor

geloopen gevaar; en eindelijk verschilt de kleuring van den kop bij de

twee seksen dikwijls ook eenigszins in andere opzichten.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 13 / 39 段