de organisatie, dat bestaat in een te geringe hoeveelheid of zelfs
volkomen gemis van pigment in de huid, de haren, het regenboogvlies
(iris) en de choroïdea van het oog, waardoor een melkwitte kleur van
huid en haren en een roode kleur van het oog wordt veroorzaakt. Onder
de dieren zijn de witte konijnen, de witte muizen, de witte olifanten
en het fretje (dat niets dan een albino van den gewonen bunsing is)
daarvan bekende voorbeelden. Men dacht lang, dat onder de menschen
alleen bij het negerras albino’s voorkwamen; vandaar de naam van witte
negers, waarmede men de menschelijke albino’s wel bestempelt. Zij
worden ook wel kakkerlakken genoemd. De „schoone dames met wit haar en
roode oogen”, die voor weinige jaren allerwege op de kermissen in
Nederland werden vertoond, waren niets dan dergelijke albino’s. De
albino’s kunnen het volle zonlicht slecht verdragen, vanwaar men ze ook
wel heliophoben noemt.
Melanisme is een juist tegenovergestelde afwijking die zich kenmerkt
door een zwarter of donkerder kleur, dan gewoonlijk, van de huid en de
haren der dieren, en het gevolg van een overmaat van kleurstof is. Een
bekend voorbeeld daarvan levert de, lang voor een bijzondere soort
gehouden, zwarte panter van Java op.
(6) Dr. Körschner te Gratz [215] heeft in 1886 het ontstaan van de
oogveêren van den pauw behandeld. Hij vond, dat het uitgangspunt
daarvan bestond in een bij dezen vogel tamelijk veelvuldig voorkomende
vedersoort die roodachtig gele en zwarte banden vertoont. Deze met
banden geteekende veder kan echter, met behulp van volledige reeksen
uit het eerste gevederte van jonge pauwen en het gevederte der pauwin,
en eindelijk van de dij- en vleugelvederen van de pauw zelve, terug
worden gebracht tot een geelachtig bruine veder met grijsachtig zwarte
spikkels. Verder bevond hij, dat het zelfde bij alle hoenderachtige
vogels het geval was.
Hij vond, dat men voor elk met gelijksoortige vederen begroeid vlak
(„Federflur”), ja zelfs voor het geheele vederkleed van den vogel, „een
coördinatenstelsel kan construeeren, waarbij zoowel de op de abscissen
(dwarsrijen) als de op de ordinaten (overlangsche rijen) gelegen leden
overgangstrappen met bepaalde verschillen vormen”.
Hij wijst op het belang zijner waarnemingen voor de systematiek, „daar
zij ons b.v. in staat stellen de verschillende siervederen van den
pauwhaan, den argusfazant, den Polyplectron, van Francolinus [216], den
Satyrhaan [217], der verschillende soorten van fazanten, tot een en het
zelfde uitgangspunt terug te brengen, en daarenboven ook de graden van
verwantschap tusschen de verschillende soorten van teekening te
bepalen.”
Hij voert verder de trapsgewijze veranderingen in het gevederte aan als
een bewijs, dat de soorten algemeen door langzame (en niet door een
sprongsgewijze) ontwikkeling of differentieering zijn ontstaan en voegt
er bij: „doch ook in het bijzonder worden wij ten opzichte van den gang
der phylogenetische ontwikkeling” (ontwikkeling van den stam) „door de
reeksen ingelicht. De eindproducten van die ontwikkeling (de
tegenwoordige soorten) zijn ons bekend, als uitgangspunt
(„Anfangsglied”) kunnen wij, de juistheid van de ontwikkelingstheorie
en van den oorsprong der groep (Hoenderachtige Vogels, Roofvogels) uit
éénen vorm vooropstellende, de aan alle geslachten (genera)
gemeenschappelijke eenvoudigste soort van teekening beschouwen, en dit
des te meer, daar alle reeksen ons tot deze terugvoeren. De reeksen
zelven als de som der tusschen ons uitgangspunt en de eindproducten
interpoleerbare tusschentrappen mogen wij dan beschouwen als de
samenvatting van een aantal van eindleden die voorouderlijke trappen
van ontwikkeling vertegenwoordigen, dus als de phylogenetische
ontwikkeling van het eindproduct. Met deze niet al te gewaagde
veronderstelling kunnen wij ook met zekerheid het vederkleed van de
voorouderlijke trappen bij benadering reconstrueeren” enz.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.
Onderzoek, waarom bij sommige soorten alleen de mannetjes, en bij
andere beide seksen schitterende kleuren vertoonen.—Over tot ééne
sekse beperkte erfelijkheid: toepassing daarvan op verschillende
deelen en op een schitterend gekleurd vederkleed.—Betrekking
tusschen nestbouw en kleur.—Verlies van het bruiloftskleed
gedurende den winter.
Wij moeten in dit hoofdstuk onderzoeken, waarom bij vele soorten van
vogels het wijfje niet de zelfde versierselen heeft ontvangen als het
mannetje; en waarom bij vele andere beide seksen de zelfde, of bijna de
zelfde kleuren vertoonen? In het volgende hoofdstuk zullen wij
onderzoeken, waarom in enkele zeldzame gevallen het wijfje
schitterender is dan het mannetje.
In mijn „Ontstaan der Soorten” [218] heb ik kortelijk het denkbeeld
geopperd, dat de lange staart van den pauw lastig en de in ’t oog
vallende zwarte kleur van den auerhaan gevaarlijk zouden zijn voor het
wijfje gedurende den broeitijd, en dat derhalve de overplanting van
deze kenmerken van het mannetje op zijn vrouwelijke nakomelingschap
door de natuurlijke teeltkeus was verhinderd. Het is nog mijn meening,
dat dit in eenige weinige gevallen kan zijn gebeurd: doch na rijp
nadenken over al de feiten die ik in staat ben geweest te verzamelen,
ben ik nu geneigd te gelooven, dat, wanneer de seksen verschillen, de
opeenvolgende afwijkingen over het algemeen van den beginne af in haar
overplanting beperkt zijn geweest tot de zelfde sekse bij welke zij het
eerst verschenen. Sinds mijn opmerkingen in het licht verschenen, is
het onderwerp van seksueele kleuring in eenige hoogst belangwekkende
verhandelingen besproken door den heer Wallace [219], die gelooft, dat
in bijna alle gevallen de opeenvolgende afwijkingen een neiging bezaten
om gelijkelijk op beide seksen te worden overgeplant; maar dat het
wijfje door de natuurlijke teeltkeus werd verhinderd om de opzichtige
kleuren van het mannetje te verkrijgen, ten gevolge van het gevaar dat
zij daardoor gedurende den broeitijd zou hebben geloopen.
Deze zienswijze maakt een vervelende redekaveling over een moeilijk
punt noodzakelijk, namelijk of de overplanting van een kenmerk dat
eerst door beide seksen wordt overgeërfd, later in zijn overplanting
door middel der teeltkeus alleen tot ééne sekse kan worden beperkt. Wij
moeten bedenken, dat, gelijk in het inleidende hoofdstuk over seksueele
teeltkeus is aangetoond, kenmerken die in hun ontwikkeling tot ééne
sekse zijn beperkt, altijd bij de andere in latenten toestand bestaan.
Een denkbeeldig voorbeeld zal ons het best helpen om de moeilijkheid
van het geval te zien; laten wij eens veronderstellen, dat een
duivenfokker een duivenras wenscht te vormen, bij hetwelk alleen de
mannetjes bleek blauw zouden zijn gekleurd, terwijl de wijfjes haar
vroegere leiachtige kleur behielden. Daar bij duiven kenmerken van alle
soorten gewoonlijk gelijkelijk op beide seksen worden overgeplant, zou
de fokker moeten beproeven dezen laatsten vorm van erfelijkheid in tot
ééne sekse beperkte overplanting te veranderen. Al wat hij kon doen,
zou zijn om voortdurend elke mannelijke duif die in de minste mate van
een bleeker blauwe kleur was, voor de voortteling uit te kiezen; en het
natuurlijk gevolg van deze handelwijze, als zij gedurende langen tijd
onophoudelijk werd voortgezet, en indien de bleeke afwijkingen sterk
werden overgeërfd of dikwijls terugkwamen, zou zijn om het geheele
geslacht van een lichter blauw te maken. Onze fokker zou echter
genoodzaakt zijn om in elke opeenvolgende generatie zijn bleekblauwe
mannetjes met leikleurige wijfjes te doen paren; want hij wenscht, dat
de laatste deze kleur behouden. De uitslag zou over het algemeen zijn,
hetzij de voortbrenging van een partij gevlekte bastaarden, of wel nog
waarschijnlijker het spoedig en volkomen verloren gaan van de
bleek-blauwe kleur; want de oorspronkelijke leikleurige tint zou met
overwegende kracht worden overgeplant. Onderstellende echter, dat in
elke opeenvolgende generatie enkele bleek-blauwe mannetjes en
leikleurige wijfjes werden voortgebracht, en dat deze altijd met
elkander werden gepaard, dan zouden de leikleurige wijfjes, als ik de
uitdrukking mag gebruiken, veel blauw bloed in haar aderen hebben; want
haar vaders, grootvaders enz. zouden blauwe vogels zijn geweest. Onder
deze omstandigheden zou het te begrijpen zijn (hoewel ik geen stellige
feiten ken, die het waarschijnlijk maken), zoo de leikleurige wijfjes
een zoo groote latente neiging tot bleek-blauwheid verkregen, dat zij
die kleur bij haar mannelijke nakomelingschap niet vernietigden,
terwijl haar vrouwelijke nakomelingschap de leikleurige tint bleef
behouden. Indien dit zoo was, zou het begeerde einddoel om een ras te
maken, bij hetwelk de beide seksen standvastig in kleur verschillen,
kunnen worden bereikt.
De uiterste belangrijkheid of liever noodzakelijkheid, dat in het
bovengenoemde geval het gewenschte kenmerk, namelijk bleek-blauwheid,
bij het wijfje, hoewel in latenten staat, bestond, zal het best door
het volgende voorbeeld worden gewaardeerd: het mannetje van den
Soemmerring’s fazant heeft een staart van meer dan 90 centimeter
lengte, terwijl die van het wijfje slechts ruim 20 centimeter lang is;
de staart van het mannetje van den gewonen fazant is omstreeks 50
centimeter lang, en die van zijn wijfje omstreeks 30 centimeter. Indien
nu het wijfje van den Soemmerring’s fazant met haar korten staart met
het mannetje van den gewonen fazant werd gekruist, kan er geen twijfel
zijn, of het mannelijke bastaardkroost zou een veel langeren staart
hebben dan die van het onvermengde kroost van den gewonen fazant.
Indien daarentegen het wijfje van den gewonen fazant, met haar staart
welke bijna tweemaal zoo lang (1) als die van het wijfje van den
Soemmerring’s fazant is, met het mannetje van dezen laatsten werd
gekruist, zou het mannelijke bastaardkroost een veel korter staart
hebben dan die van het onvermengde kroost van den Soemmerring’s fazant.
[220]
Om zijn nieuw ras met mannetjes van een beslist bleek-grauwe kleur en
onveranderde wijfjes te maken, zou onze fokker gedurende vele
generatiën voort moeten gaan met de mannetjes voor de voortteling uit
te kiezen; en elke graad van bleekheid zou bij de mannetjes moeten
worden gefixeerd en bij de wijfjes latent gemaakt. Dit zou een uiterst
moeilijke taak zijn en is nimmer beproefd, maar zou mogelijk slagen. De
voornaamste hinderpaal zou het spoedige en volkomen verlies van de
bleek-blauwe kleur zijn, wegens de noodzakelijkheid van herhaalde
kruisingen met het leikleurige wijfje, daar dit laatste in het eerst
volstrekt geen latente neiging bezit, om bleekblauw kroost voort te
brengen.
Indien daarentegen een of twee mannetjes in hoe geringe mate ook in
bleekheid afweken, en de afwijkingen van den beginne af in haar
overplanting tot de mannelijke sekse beperkt bleven, zou de taak om een
nieuw ras van de begeerde soort te maken, gemakkelijk zijn; want men
zou eenvoudig de mannetjes voor de voortteling hebben uit te kiezen en
hen met gewone wijfjes te paren. Een soortgelijk geval heeft werkelijk
plaats gehad; want er zijn in België [221] duivenrassen bij welke
alleen de mannetjes met zwarte strepen zijn geteekend. Zoo heeft ook de
heer Tegetmeier voor eenige jaren aangetoond [222], dat Engelsche
Pagadet-duiven („dragons”) niet zelden zilverkleurige jongen
voortbrengen, dat gewoonlijk wijfjes zijn, en hij heeft zelf tien zulke
wijfjes uitgebroeid. Daarentegen is het hoogst zeldzaam, dat er een
zilverkleurig mannetje wordt voortgebracht, zoodat niets gemakkelijker
is dan een ras van Pagadet-duiven („dragons”) te vormen, waarbij de
mannetjes blauw en de wijfjes zilverkleurig zijn. Deze neiging is
inderdaad zoo sterk, dat, toen de heer Tegetmeier ten laatste een
zilverkleurig mannetje verkreeg en dat met een zilverkleurig wijfje
paarde, hij in zijn verwachting om een ras te verkrijgen, waarin beide
seksen die kleur bezaten, werd teleurgesteld; want het jonge mannetje
keerde terug tot de blauwe kleur van zijn grootvader, en alleen het
jonge wijfje was zilverkleurig. Ongetwijfeld zou, als men geduld
gebruikte, deze neiging tot atavisme bij de mannetjes, gesproten uit de
vereeniging van een toevallig zilverkleurigen doffer met een
zilverkleurige duif, kunnen worden vernietigd, en dan zouden beide
seksen gelijk zijn gekleurd; en juist deze handelwijze is door den heer
Esquilant met goed gevolg aangewend in het geval van zilverkleurige
meeuwtjes („turbits”). Bij hoenders komen afwijkingen in kleur, die in
haar overplanting tot de mannelijke sekse beperkt zijn, veelvuldig
voor. Zelfs als deze vorm van erfelijkheid de overhand behield, zou het
wel kunnen gebeuren, dat sommige van de opeenvolgende stappen in het
proces van afwijking op het wijfje werden overgebracht, dat er dan toe
zou komen om eenigermate op het mannetje te gelijken, zooals bij
sommige hoenderrassen het geval is. Of ook het grootste aantal, maar
niet alle opeenvolgende stappen zouden op beide seksen kunnen worden
overgebracht, en het wijfje zou dan zeer veel op het mannetje gelijken.
Het kan nauwelijks worden betwijfeld, dat dit de oorzaak is, waarom het
mannetje van de Kropduif een iets grooteren kop en dat van de Postduif
iets grootere vleeschlappen hebben dan hun respectieve wijfjes; want de
fokkers hebben niet van de eene sekse met meer zorg individu’s voor de
voortteling uitgezocht dan van de andere, en hebben den wensch niet
gekoesterd, dat het mannetje in hooger mate met deze kenmerken zou
prijken dan het wijfje, en toch is dit bij beide rassen het geval.
De zelfde handelwijze zou moeten worden gevolgd, en men zou de zelfde
moeilijkheid ontmoeten, wanneer men een ras wenschte te vormen, waarvan
alleen de wijfjes van de eene of andere nieuwe kleur waren. Onze fokker
zou eindelijk een ras kunnen wenschen te vormen, waarbij de twee seksen
van elkander en beide van de stamsoort verschilden. Hier zou de
moeilijkheid uiterst groot zijn, tenzij de opeenvolgende afwijkingen
van het begin af van beide seksen tot eene sekse waren beperkt, en dan
zou er geen moeilijkheid bestaan. Wij zien dat bij de Hoenders; zoo
verschillen de beide seksen van de gepenseelde Hamburger hoenders zeer
van elkander, zoowel als van de beide seksen van den oorspronkelijken
Gallus bankiva; en beide worden nu bestendig op haar standaard van
uitnemendheid gehouden door voortgezette teeltkeus, hetgeen onmogelijk
zou zijn, wanneer niet de onderscheidene kenmerken van beide in hun
overplanting waren beperkt. De Spaansche hoenders bieden een
merkwaardig geval aan; de haan bezit een verbazend grooten kam, maar
sommige van de opeenvolgende afwijkingen, door de opeenhooping waarvan
hij dien heeft verkregen, schijnen op de hen te zijn overgebracht; want
zij heeft een kam die vele malen grooter is dan die van de hennen van
de stamsoort. De kam van de hen verschilt echter in één opzicht van
dien van den haan, want hij is geneigd om over te hangen, en in den
laatsten tijd heeft de mode beslist, dat dit altijd het geval behoorde
te zijn, en dit bevel is spoedig met goeden uitslag gevolgd. Nu moet
het overhangen van den kam wel in zijn overplanting seksueel beperkt
zijn; want anders zou het verhinderen, dat de kam van den haan volkomen
rechtstandig bleef hetgeen in het oog van elken fokker afschuwelijk zou
zijn. Daarentegen moet ook de rechtstandigheid van den kam van den haan
eveneens een seksueel beperkt kenmerk zijn; want anders zou het het
overhangen van den kam van de hen tegengaan.
Uit de voorgaande voorbeelden zien wij, dat het, zelfs als men een
bijna onbegrensden tijd tot zijn beschikking had, een uiterst moeilijk
en ingewikkeld, hoewel wellicht niet onmogelijk proces zou zijn om door
teeltkeus den eenen vorm van erfelijkheid in den anderen te veranderen.
Daarom ben ik, zonder stellige bewijzen in elk afzonderlijk geval,
ongeneigd om aan te nemen, dat dit bij natuurlijke soorten dikwijls is
geschied. Daarentegen zou er, door middel van opeenvolgende afwijkingen
die van den beginne af in haar overplanting seksueel waren beperkt,
geen de minste moeilijkheid in zijn gelegen om een mannelijken vogel in
kleur of in eenig ander kenmerk zeer verschillend van het wijfje te
maken, terwijl dit laatste onveranderd bleef, of slechts weinig
veranderd, of bijzonder ter wille van de bescherming werd gewijzigd.
Daar levendige kleuren aan de mannetjes van dienst zijn bij hun
mededinging met hun medeminnaars, zullen dergelijke kleuren voor de
voortteling worden uitgezocht, hetzij zij al dan niet uitsluitend op de
zelfde sekse worden overgeplant. Men zou bijgevolg mogen verwachten,
dat de wijfjes dikwijls in meerdere of mindere mate in de levendige
kleuren van de mannetjes zouden deelen; en dit is werkelijk bij een
menigte soorten het geval. Indien al de opeenvolgende afwijkingen
gelijkelijk op beide seksen werden overgeplant, zouden de wijfjes niet
van de mannetjes zijn te onderscheiden; en dit is eveneens bij vele
vogels het geval. Indien echter doffe kleuren van hoog belang waren
voor de veiligheid van het wijfje gedurende den broeitijd, gelijk bij
vele op den grond nestelende vogels, zouden de wijfjes die door
levendige kleuren afweken of door overerving van de mannetjes eenige
merkbare toeneming van de levendigheid hunner kleuren verkregen,
vroeger of later te gronde gaan. De neiging in de mannetjes om
gedurende een onbeperkten tijd voort te gaan met op hun vrouwelijke
nakomelingen hun eigen levendigheid van kleur over te planten, zou
moeten worden geëlimineerd door een verandering in den vorm van
erfelijkheid; en dit zou, gelijk door ons voorafgaand voorbeeld wordt
aangetoond, uiterst moeilijk zijn. Het meer waarschijnlijk gevolg van
de lang voortgezette vernieling van de meer levendig gekleurde wijfjes,
veronderstellende dat de gelijke vorm van overplanting de overhand
behield, zou zijn de vermindering of vernietiging van de levendige
kleuren van de mannetjes, ten gevolge van hun voortdurende kruising met
de doffer gekleurde wijfjes. Het zou vervelend zijn alle andere
mogelijke gevolgen ten einde toe na te gaan; ik mag echter den lezer
herinneren dat, gelijk in het achtste hoofdstuk is aangetoond, indien
zich bij de wijfjes seksueel beperkte afwijkingen in levendigheid van
kleur voordeden, deze, zelfs al waren zij in het minst niet nadeelig
voor hen en al werden zij bij gevolg niet geëlimineerd, toch niet
zouden worden begunstigd of voor de voortteling uitgekozen; want het
mannetje neemt gewoonlijk elk wijfje aan en kiest de meer
aantrekkelijke individu’s niet voor de voortteling uit; bij gevolg
zouden deze afwijkingen er aan zijn blootgesteld verloren te gaan, en
weinig invloed hebben op de kenmerken van het ras; en dit zal helpen om
te verklaren, waarom de wijfjes gewoonlijk minder levendig zijn
gekleurd dan de mannetjes.
In het juist aangehaalde hoofdstuk werden voorbeelden gegeven, die,
zooveel men maar wilde, zouden kunnen worden vermeerderd, van
afwijkingen die zich op verschillende leeftijden voordeden en op die
zelfde leeftijden werden overgeërfd. Er werd ook aangetoond, dat
afwijkingen die zich laat in het leven voordoen, gewoonlijk worden
overgeplant op de zelfde sekse bij welke zij het eerst verschenen,
terwijl afwijkingen die zich vroeg in het leven voordoen, geneigd zijn
om op beide seksen te worden overgeplant, hoewel alle gevallen van
seksueel beperkte overplanting niet op die wijze kunnen worden
verklaard. Verder werd aangetoond, dat, wanneer een mannelijke vogel
afweek door levendiger te worden gekleurd, terwijl hij jong was,
dergelijke afwijkingen van geen dienst zouden zijn, voordat de leeftijd
was gekomen, waarop hij zich voortplantte, en er wedstrijd was tusschen
mannetjes die elkanders medeminnaars waren. In het geval van vogels die
op den grond leven en gewoonlijk de bescherming van doffe kleuren
noodig hebben, zouden echter levendige kleuren veel gevaarlijker voor
de jonge en nog geen ondervinding hebbende dan voor de volwassen
mannetjes zijn. Bij gevolg zouden de mannetjes die door levendigheid
van kleur afweken, terwijl zij jong waren, aan veel vernieling lijden
en door natuurlijke teeltkeus worden geëlimineerd; daarentegen zouden
de mannetjes die op die wijze afweken, als zij omtrent volwassen waren,
niettegenstaande zij aan een weinig meer gevaar waren blootgesteld,
kunnen blijven leven, en daar zij door de seksueele teeltkeus waren
begunstigd, hun soort voortplanten. Het vernietigd worden van de
levendig gekleurde jonge mannetjes en het voorspoedig zijn der
volwassenen in hun vrijage kan, volgens het beginsel, dat er een
betrekking bestaat tusschen het levenstijdperk waarin de afwijking
plaats heeft, en den vorm van overplanting, verklaren, dat van vele
vogels alleen de mannetjes schitterende kleuren hebben verkregen en die
alleen op hun mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Ik wensch
echter in geenen deele vol te houden, dat de invloed van den leeftijd
op den vorm van overplanting indirect de eenige oorzaak is van het
groote verschil in de pracht van het gevederte tusschen de seksen van
vogels.
Daar het bij alle vogels bij welke de seksen in kleur verschillen, een
belangwekkende vraag is, of alleen de mannetjes door seksueele
teeltkeus zijn gewijzigd, en de wijfjes, zoover de werking van dit
beginsel aangaat, onveranderd of bijna onveranderd zijn gelaten; dan
wel of de wijfjes bijzonder zijn gewijzigd door natuurlijke teeltkeus
ter wille van de bescherming, zal ik dit vraagstuk uitvoeriger
bespreken, uitvoeriger zelfs dan zijn innerlijke belangrijkheid
verdient; want onderscheidene merkwaardige daarmede zijdelings in
verband staande punten kunnen dan tevens gepast worden beschouwd.
Voor wij een aanvang maken met het onderwerp van de kleur, meer
bijzonder in verband met de besluiten van den heer Wallace, kan het
wellicht nuttig zijn uit een gelijksoortig oogpunt eenige andere
verschillen tusschen de seksen te beschouwen. Vroeger bestond er een
ras van hoenders in Duitschland [223], bij hetwelk de hennen sporen
bezaten; zij waren goede eierlegsters; maar zij brachten haar nesten
met haar sporen zoozeer in de war, dat men ze haar eigen eieren niet
kon laten uitbroeien. Van daar was er een tijd, dat het mij
waarschijnlijk toescheen, dat bij de wijfjes van de wilde
Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) de ontwikkeling van sporen door de
natuurlijke teeltkeus was verhinderd, wegens de daardoor aan de nesten
toegebrachte schade. Dit scheen des te waarschijnlijker, omdat de
vleugelsporen die het nest geen schade konden berokkenen, dikwijls bij
het wijfje even goed waren ontwikkeld als bij het mannetje, hoewel zij
in niet weinig gevallen bij het mannetje iets grooter zijn. Als het
mannetje sporen aan de pooten bezit, vertoont het wijfje bijna altijd
rudimenten daarvan,—het rudiment bestaat somtijds eenvoudig uit een
schub, zooals bij de soorten van het geslacht Gallus. Men zou daarom
kunnen beweren, dat de wijfjes oorspronkelijk goed ontwikkelde sporen
hadden bezeten, maar dat zij deze later hadden verloren, hetzij door
onbruik of door natuurlijke teeltkeus. Indien deze beschouwingswijze
echter werd aangenomen, zou zij moeten worden uitgebreid tot tallooze
andere gevallen; en zij sluit in zich, dat de vrouwelijke voorouders
van de bestaande spoordragende soorten eens waren overladen met een
nadeelig aanhangsel.