De tot dusverre gegeven voorbeelden van geringe en trapsgewijze

verschillen in kleur tusschen de mannetjes en de wijfjes in de groepen

bij welke als algemeene regel de seksen op elkander gelijken, hebben

allen betrekking op soorten die koepelvormige of verborgen nesten

bouwen. Soortgelijke trapsgewijze overgangen kunnen echter eveneens

worden waargenomen in groepen bij welke de seksen als algemeene regel

op elkander gelijken, maar die open nesten bouwen. Gelijk ik vroeger op

de Australische papegaaien als een voorbeeld heb gewezen, kan ik hier,

zonder eenige bijzonderheid mede te deelen, op de Australische duiven

wijzen. [244] Het verdient vooral opmerking, dat in al deze gevallen de

geringe verschillen in gevederte tusschen de beide seksen van den

zelfden algemeenen aard zijn als de nu en dan voorkomende grootere

verschillen. Een goed voorbeeld van dit feit is ons reeds geleverd door

die ijsvogels bij welke hetzij alleen de staart of wel de geheele

bovenste oppervlakte van het gevederte bij de twee seksen op de zelfde

wijze verschilt. Soortgelijke gevallen kunnen bij papegaaien en duiven

worden opgemerkt. De verschillen in kleur tusschen de seksen van de

zelfde soort zijn ook van den zelfden algemeenen aard als de

verschillen in kleur tusschen de onderscheidene soorten van de zelfde

groep. Want indien in een groep in welke de seksen gewoonlijk gelijk

zijn, het mannetje aanmerkelijk van het wijfje verschilt, is hij niet

volgens een geheel nieuwen stijl gekleurd. Hieruit mogen wij afleiden,

dat in ééne en de zelfde groep de bijzondere kleuren van beide seksen,

wanneer zij gelijk zijn, en de kleuren van het mannetje, als hij

eenigszins of zelfs als hij aanmerkelijk van het wijfje verschilt, in

de meeste gevallen zijn bepaald door de zelfde algemeene oorzaak, en

dat deze geen andere is dan de seksueele teeltkeus.

Het is niet waarschijnlijk, gelijk reeds is opgemerkt, dat verschillen

in kleur tusschen de seksen, als zij zeer gering zijn, aan het wijfje

tot bescherming kunnen dienen. Als wij echter aannemen, dat zij van

dienst zijn, zou men kunnen denken, dat het gevallen van overgang

waren; maar wij hebben geen reden om te gelooven, dat vele soorten op

den eenen of anderen bepaalden tijd bezig zijn met te veranderen. Wij

kunnen daarom moeilijk aannemen, dat de talrijke wijfjes die zeer

weinig van haar mannetjes in kleur verschillen, nu allen donker

gekleurd beginnen te worden ter wille van de bescherming. Zelfs,

wanneer wij een weinig sterker uitgedrukte seksueele verschillen

beschouwen, is het dan waarschijnlijk, dat bij voorbeeld de kop van den

vrouwelijken vink, het karmozijn op de borst van den mannelijken

goudvink, het groen van den vrouwelijken groenling,—de kuif van het

vrouwelijke goudhaantje allen minder levendig van kleur zijn gemaakt

door het langzame proces van teeltkeus ter wille van de bescherming? Ik

kan zulks niet aannemen, en nog minder ten opzichte van de geringe

verschillen tusschen de seksen van die vogels welke verborgen nesten

bouwen. De verschillen in kleur tusschen de seksen, hetzij groot of

klein, kunnen daarentegen wellicht voor een zeer groot deel worden

verklaard volgens het beginsel, dat de opeenvolgende afwijkingen die

bij de mannetjes ten gevolge van seksueele teeltkeus ontstonden, van

den beginne af aan in haar overplanting op de wijfjes in meerdere of

mindere mate beperkt zijn geweest. Dat de graad van die beperking bij

verschillende soorten van de zelfde groep verschilt, zal niemand

verwonderen, die de wetten der erfelijkheid heeft bestudeerd; want deze

zijn zoo ingewikkeld, dat zij ons in onze onwetendheid grillig in haar

werking schijnen te zijn. [245]

Zoover ik kan nagaan, zijn er zeer weinig groepen van vogels die een

aanmerkelijk aantal soorten omvatten, in welke bij alle soorten beide

seksen schitterend gekleurd of gelijk zijn; doch dit schijnt, naar ik

van den heer Sclater hoor, met de Musophagae of Pisangvreters het geval

te zijn. Ook geloof ik niet, dat er een enkele groote groep bestaat, in

welke de seksen bij alle soorten zeer sterk in kleur verschillen; de

heer Wallace meldt mij, dat de Snatervogels van Zuid-Amerika

(Cotingidae) een van de beste voorbeelden daarvan opleveren; doch bij

sommige der daartoe behoorende soorten bij welke het mannetje een

prachtige roode borst heeft, vertoont ook het wijfje eenig rood op haar

borst; en de wijfjes van andere soorten vertoonen sporen van het groen

en de andere kleuren van de mannetjes. Desniettemin hebben wij bij

verscheidene groepen een sterke toenadering tot zeer groote seksueele

gelijkheid of ongelijkheid; en dit is wegens hetgeen zooeven omtrent

den ongestadigen (fluctueerenden) aard van de erfelijkheid is gezegd,

een eenigszins verwonderlijke omstandigheid. Dat echter bij verwante

dieren in hooge mate de zelfde wetten zouden gelden, is niet

verwonderlijk. De tamme hoenders hebben een groot aantal rassen en

onder-rassen voortgebracht, en bij deze verschillen de seksen

gewoonlijk in gevederte, zoodat het als een merkwaardige omstandigheid

is opgeteekend, wanneer zij bij zekere onder-rassen op elkander

gelijken. Daarentegen heeft de tamme duif eveneens een groot aantal

onderscheidene rassen en onder-rassen voortgebracht, bij welke, op

zeldzame uitzonderingen na, de beide seksen volkomen op elkander

gelijken. Daarom zou het, wanneer andere soorten van Gallus en Columba

werden getemd en verscheidenheden voortbrachten (varieerden), niet

overijld zijn, om te voorspellen, dat de zelfde algemeene regels van

seksueele gelijkheid en ongelijkheid, afhangende van den vorm van

erfelijkheid, in beide gevallen steek zouden houden. Op gelijksoortige

wijze heeft de zelfde vorm van erfelijkheid over het algemeen de

overhand behouden bij al de vormen van een zelfde natuurlijke groep,

hoewel sterk sprekende uitzonderingen op dezen regel voorkomen. In ééne

en de zelfde familie of in één en het zelfde geslacht kunnen de seksen

volkomen gelijk of zeer verschillend van kleur zijn. Voorbeelden

hiervan, die op één en het zelfde geslacht betrekking hadden, zijn

reeds gegeven omtrent musschen, vliegenvangers, lijsters en

boschhoenders. Bij de Familie der Fazanten zijn de mannetjes en wijfjes

van bijna al de soorten verwonderlijk ongelijk; maar bij den geoorden

fazant (Crossoptilon auritum) gelijken zij volkomen op elkander. Bij

twee soorten van Chloephaga, een geslacht van Ganzen, kunnen de

mannetjes alleen door hun meerdere lichaamsgrootte van de wijfjes

worden onderscheiden, terwijl bij twee andere de seksen zoo ongelijk

zijn, dat men ze gemakkelijk voor twee verschillende soorten zou kunnen

houden. [246]

Alleen de wetten der erfelijkheid kunnen de volgende gevallen

verklaren, in welke het wijfje, door in een laat levenstijdperk zekere

aan het mannetje eigen kenmerken te verkrijgen, ten laatste er toe komt

om in meerdere of mindere mate op hem te gelijken. Hier kan moeilijk

bescherming in het spel komen. De heer Blyth deelt mij mede, dat de

wijfjes van den zwartkoppigen wielewaal (Oriolus melanocephalus) en van

sommige verwante soorten, als zij volwassen genoeg zijn om te broeien,

aanmerkelijk in gevederte van de volwassen mannetjes afwijken; na de

tweede of derde ruiing echter verschillen zij slechts van hen, doordat

haar snavels een eenigszins groenachtige tint hebben. Bij de

Dwerg-Roerdompen (Ardetta) „verkrijgt het mannetje”, volgens de zelfde

autoriteit, „zijn volkomen livrei bij de eerste vervelling, het wijfje

niet voor de derde of vierde vervelling; in den tusschentijd vertoont

zij een tusschenbeide liggend vederkleed dat ten laatste wordt geruild

voor de zelfde livrei als die van het mannetje.” Evenzoo verkrijgt ook

de vrouwelijke Falco peregrinus haar blauw gevederte langzamer dan het

mannetje. De heer Swinhoe deelt mede, dat bij een van de

Drongo-klauwieren (Dicrurus macrocercus) het mannetje, als hij nog

bijna een nestvogeltje is, zijn zacht bruin gevederte verliest en een

eenvormige glanzende groenachtige zwarte kleur aanneemt; doch het

wijfje behoudt langen tijd de witte strepen en vlekken op de

okselvederen, en neemt de eenvormige zwarte kleur van het mannetje in

de eerste drie jaren niet aan. De zelfde uitnemende opmerker merkt op,

dat in de lente van het tweede jaar het wijfje van den Chineeschen

lepelaar (Platalea) op het mannetje van het eerste jaar gelijkt, en dat

zij niet voor de derde lente het zelfde volwassen gevederte verkrijgt,

dat het mannetje op veel jonger leeftijd bezit. De vrouwelijke

Bombycilla carolinensis verschilt zeer weinig van het mannetje; maar de

op druppels rood zegellak gelijkende aanhangsels die de vleugelvederen

versieren, komen bij haar niet op zoo vroegen leeftijd tot ontwikkeling

als bij het mannetje. De bovenkaak van het mannetje van een Indischen

parkiet (Palaeornis Javanicus) is van zijn vroegste jeugd af

koraalrood; maar bij het wijfje is zij, gelijk de heer Blyth bij in

kooien opgesloten en bij wilde vogels heeft waargenomen, eerst zwart en

wordt niet rood, voordat de vogel op zijn minst een jaar oud is, op

welken leeftijd de seksen in alle opzichten op elkander gelijken. Beide

seksen van den wilden kalkoen zijn ten laatste voorzien van een bos

borstels op de borst; maar bij tweejarige vogels is de bos bij het

mannetje omtrent 10 centimeter lang en bij het wijfje nauwelijks

zichtbaar; als dit laatste echter haar vierde jaar heeft bereikt, is

hij van 10 tot 12½ centimeter lang. [247]

In deze gevallen volgt het wijfje een normalen loop van ontwikkeling,

wanneer zij ten laatste aan de mannetjes gelijk wordt; en dergelijke

gevallen moeten niet worden verward met die waarin zieke of oude

wijfjes mannelijke kenmerken aannemen, noch met die waarin volkomen

vruchtbare wijfjes, terwijl zij nog jong zijn, door afwijking of door

de eene of andere onbekende oorzaak de kenmerken van het mannetje

verkrijgen. [248] Al deze gevallen hebben echter zooveel met elkander

gemeen, dat zij volgens de hypothese der pangenesis afhangen van het

bij het wijfje aanwezig zijn, hoewel in latenten toestand, van de uit

elk deel van het mannetje afkomstige kiemen, terwijl het tot

ontwikkeling komen der kiemen het gevolg is van de eene of andere

geringe verandering in de electieve verwantschappen der weefsels

waaruit zij bestaat.

Eenige weinige woorden moeten hieraan worden toegevoegd over

veranderingen van gevederte met betrekking tot het jaargetijde. Wegens

vroeger vermelde redenen kan er weinig twijfel bestaan, dat de

bevallige siervederen, lange hangende vederen, kuiven enz. van

zilverreigers, reigers en vele andere vogels, die alleen gedurende den

zomer tot ontwikkeling komen en worden behouden, uitsluitend dienen tot

versiersel of tot bruiloftskleed, hoewel zij aan beide seksen gemeen

zijn. Het wijfje wordt daardoor gedurende den paartijd opzichtiger

gemaakt dan gedurende den winter; maar zulke vogels als reigers en

zilverreigers zullen in staat zijn zich te verdedigen. Daar echter die

versierselen gedurende den winter waarschijnlijk lastig en zeker

nutteloos zouden zijn, is het mogelijk, dat de gewoonte om tweemaal in

het jaar te ruien, trapsgewijze door natuurlijke teeltkeus is

verkregen, ter wille van het afwerpen van lastige versierselen

gedurende den winter. Deze meening kan echter niet worden uitgebreid

tot de vele moerasvogels bij welke het zomer- en het winterkleed zeer

weinig in kleur verschillen. Bij soorten die zich niet kunnen

verdedigen, bij welke hetzij beide seksen of alleen de mannetjes

uiterst opzichtig worden gedurende den paartijd,—of wanneer de

mannetjes in dien tijd zulke lange vleugel of staartvederen verkrijgen,

dat hun vlucht daardoor wordt belemmerd, gelijk bij Cosmetornis en

Vidua,—schijnt het zeker in het eerst in hooge mate waarschijnlijk, dat

de tweede ruiing is verkregen met het bijzondere doel om zich van deze

versierselen te ontdoen. Wij moeten ons echter herinneren, dat vele

vogels, gelijk de paradijsvogels, de Argusfazant en de pauw hun

siervederen gedurende den winter niet afwerpen; en men kan moeilijk

volhouden, dat er iets in het gestel van deze vogels is, dat een

dubbele ruiing onmogelijk maakt, ten minste voor zoover zij tot de

Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) behooren, want het sneeuwhoen ruit

driemaal in het jaar. [249] Daarom moet het als twijfelachtig worden

beschouwd, of de vele soorten die haar siervederen ruien of haar

levendige kleuren gedurende den winter verliezen, deze gewoonte hebben

verkregen ten gevolge van den last of het gevaar waarvan zij anders te

lijden zouden hebben gehad.

Ik besluit daarom, dat de gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, in

de meeste of in alle gevallen oorspronkelijk werd verkregen met eenig

bepaald doel, wellicht om een warmer winterkleed te verkrijgen; en dat

zich gedurende den zomer voordoende afwijkingen in het gevederte door

seksueele teeltkeus werden opeengehoopt (geaccumuleerd) en op de

nakomelingen in het zelfde jaargetijde overgeplant. Dergelijke

afwijkingen werden dan, hetzij door beide seksen, of alleen door de

mannetjes overgeërfd, al naar den vorm van erfelijkheid, die de

overhand behield. Dit schijnt waarschijnlijker dan dat deze soorten in

alle gevallen oorspronkelijk de neiging bezaten om hun siervederen

gedurende den winter te behouden, maar daarvoor door natuurlijke

teeltkeus bewaard bleven, ten gevolge van de daardoor veroorzaakte last

en gevaren.

Ik heb in dit hoofdstuk trachten aan te toonen, dat de bewijsgronden

geen vertrouwen verdienen, die worden aangevoerd ten gunste van de

meening, dat wapenen, levendige kleuren en onderscheidene versierselen

nu tot het mannetje zijn beperkt, ten gevolge van een door de

natuurlijke teeltkeus teweeggebrachte verandering van de neiging tot

gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen in overplanting op

de mannelijke sekse alleen. Het is ook twijfelachtig, of de kleuren van

vele vrouwelijke vogels het gevolg zijn van het bewaard blijven ter

wille van de bescherming van afwijkingen die van den beginne af in haar

overplanting tot de vrouwelijke sekse waren beperkt. Het zal echter

gepast zijn elke verdere bespreking van dit onderwerp uit te stellen,

totdat ik in het volgende hoofdstuk de verschillen in gevederte

tusschen jonge en oude vogels behandel.

AANTEEKENINGEN.

(1) Juister zou zijn te zeggen, dat de staart van het wijfje van

Soemmerring’s fazant ⅔ van de lengte van dien van het wijfje van een

gewonen fazant bezit. Soemmerring’s fazant wordt ook wel koperfazant,

de op blz. 129 vermelde Reeve’s fazant (Phasianus Revesii) ook wel

koningsfazant genoemd.

(2) Wallace noemt („Contributions”, Duitsche vert., blz 290) behalve de

hier vermelde vogels ook nog Grallina australis, een Australischen

vogel met sterk contrasteerende kleuren, van welke beide geslachten

even opzichtig zijn gekleurd, en die toch een open, van leem

vervaardigd nest op een vrij liggende plaats van een boom bouwt. Hij

zegt: „Dit schijnt een zeer treffende uitzondering te zijn; maar ik ben

niet volkomen zeker, dat het dit werkelijk is. Wij moeten eerst weten,

op welken boom hij gewoonlijk nestelt; wij moeten de kleuren der schors

en der schorsmossen die daarop groeien, de tinten van den bodem en van

andere voorwerpen in den omtrek kennen, eer wij kunnen zeggen, dat de

vogel, als hij in zijn nest zit, werkelijk opzichtig is. Men heeft

opgemerkt, dat kleine vlekken van wit en zwart zich op geringen afstand

tot grijs vermengen, een der meest gewone kleuren van natuurlijke

voorwerpen.”

(3) Het Engelsche woord is „nidification” (van nidum, nest, en facere,

maken), dat ongetwijfeld nestbouw beteekent. Het is echter duidelijk,

dat het hier wordt gebruikt in den zin van: den tijd gedurende welken

het wijfje op de eieren zit.

(4) De Grallinae van Australië zijn hier (gelijk uit aanteekening 2

blijkt) door Darwin bij vergissing opgenomen onder de groepen bij welke

de wijfjes donker zijn gekleurd en haar eieren in koepelvormige nesten

uitbroeien. Zij behooren hier dus te vervallen.

(5) Wallace geeft („Contributions”, Duitsche vert., blz. 274) de

volgende groepen op, bij welke deze regel steek houdt: IJsvogels

(Alcedinidae), Motmots (Momotidae), Baardkoekoeken (Bucconidae),

Trogons (Trogonidae), Hopvogels (Upupidae), Neushorenvogels

(Bucerotidae), Baardvogels (Capinotidae), Toecans (Ramphastidae),

Pisangvreters (Musophagidae), Aardkoekoeken (Centropus), Spechten

(Picidae), Papegaaien (Psittaci), Eurylaemidae, Pardalotus (Ampelidae),

Meezen (Paridae), Spechtmeezen (Sitta), Sittella, Boomkruipers

(Climacteris), Estrelda, Amadina, Certhiola, Mynah’s (Sturnidae),

Calornis (Sturnidae), Nesthangers (Icteridae). Te zamen omvatten deze

groepen ongeveer 1200 soorten of omstreeks 1⁄7 der levende vogels.

(6) De Baltimorevogel (Icteris baltimore) bouwt zijn nest op

verschillende wijze, al naar het klimaat van de streek die hij bewoont.

Het hangt aan de uiteinden der twijgen hoog in de boomen en bestaat uit

een kunstig viltachtig weefsel. In de Zuidelijke Staten der

Amerikaansche Unie is de grondstof er van slechts zoogenaamd „Spaansch

mos”, wordt het aan de noordzijde der boomen geplaatst, bevat het

inwendig geen verwarmende stoffen en is zoo los gebouwd, dat de lucht

er van alle zijden gemakkelijk kan indringen. In de Noordelijke Staten

der Unie daarentegen wordt het veel vaster gebouwd, van binnen met de

warmste en fijnste stoffen bekleed en aan twijgen opgehangen, die aan

de zonnestralen zijn blootgesteld. Bij zijn nestbouw gebruikt de

Baltimorevogel ook vlas, hennep, zijde, haar, wol, enz. Vandaar is hij

in den tijd van zijn nestbouw zeer lastig, daar hij garen op de

bleekerijen steelt, ja soms de touwen rooft, waaraan de boeren hun vee

vastleggen. Nu zijn echter vlas, hennep, zijde, wol en het daarvan

geweven garen en touw stoffen die eerst door de Europeanen in Amerika

zijn ingevoerd. Voor 400 jaren gebruikte de Baltimorevogel die stoffen

bij zijn nestbouw niet, derhalve heeft de Baltimorevogel zijn nestbouw

gewijzigd en verbeterd, zoodra de omstandigheden hem daartoe in staat

stelden (vergelijk Deel I, aanteekening 3, blz. 149, en aanteekening 6,

blz. 151). Zijn bouwkunst kan bijgevolg niet alleen een uitvloeisel van

bloot instinkt zijn, maar wijst op hoogere vermogens. Overigens

heerscht er, zelfs in één en de zelfde streek, veel verscheidenheid in

de nesten der Baltimorevogels; sommige zijn veel voortreffelijker

bouwlieden dan andere. „Men zou schier zeggen”, zegt Harting [250],

„dat het hedendaagsche geslacht van Baltimorevogels nog steeds zoekende

is naar de beste wijze om van de nieuwe door den mensch daaraan

verstrekte bouwmaterialen het meest doeltreffend gebruik te maken.”

(7) De weleerw. heer H. Tristram zegt in zijn bericht omtrent de

vogelkunde (ornithologie) van Noord-Afrika in het eerste deel van

„Ibis”: „In de woestijn waar noch boomen, noch struiken, noch een

golvende oppervlakte van den bodem de minste beschutting voor vijanden

oplevert, is een wijziging van kleur welke op die van het omgevende

land gelijkt, volstrekt noodzakelijk. Daarom is zonder uitzondering het

bovengevederte van elken vogel, het moge een leeuwerik, een zanger

(Sylvia) of een zandhoen zijn, verder de pels van alle kleinere

zoogdieren en de huid van alle slangen of hagedissen van een

gelijkvormige Isabelle- of zandkleur.” Wij zien hier, dat de heer

Tristram echter enkele merkwaardige uitzonderingen op dezen regel aan

Darwin heeft opgegeven.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS—SLOT.

Het gevederte der jonge vogels met betrekking tot de kenmerken van

het vederkleed van beide seksen op volwassen leeftijd.—Zes klassen

van gevallen.—Seksueele verschillen tusschen de mannetjes van

nauw-verwante of elkander vertegenwoordigende soorten.—Het wijfje

neemt soms de kenmerken van het mannetje aan.—Het gevederte der

jonge vogels met betrekking tot het zomer- en winterkleed der

volwassenen.—Over de toenemende schoonheid van de vogels op

aarde.—Beschermende kleuren.—Opzichtig gekleurde vogels.—Nieuwheid

op prijs gesteld.—Overzicht der vier laatste hoofdstukken over de

vogels.

Wij moeten nu de beperking der overerving van kenmerken door den

leeftijd beschouwen met betrekking tot de seksueele teeltkeus. De

waarheid en belangrijkheid van het beginsel van overerving op

overeenkomstige tijdperken van het leven behoeft hier niet te worden

besproken, daar over dit onderwerp reeds genoeg is gezegd. Voor ik de

verschillende vrij ingewikkelde regels of klassen van gevallen

mededeel, waartoe alle verschillen in gevederte tusschen de jongen en

de ouden, voor zoover zij mij bekend zijn, kunnen worden gebracht, zal

het goed zijn eenige weinige voorafgaande opmerkingen te maken.

Bij dieren van alle soorten mogen, wanneer de jongen in kleur van de

volwassenen verschillen en de kleuren van de eersten hun, voorzoover

wij kunnen nagaan, volstrekt van geen bijzonderen dienst zijn, die

verschillen, evenals onderscheidene bij de embryo voorkomende

inrichtingen, daaraan worden toegeschreven, dat de jongen de kenmerken

van een vroegeren voorvader hebben behouden. Deze beschouwingswijze kan

echter alleen met vertrouwen worden volgehouden als de jongen van

onderscheidene soorten zeer sterk op elkander gelijken, en eveneens

gelijken op andere volwassen soorten die tot de zelfde groep behooren;

want deze laatsten zijn de levende bewijzen, dat zulk een staat van

zaken vroeger mogelijk was. Jonge leeuwen en puma’s (Felis consolor)

zijn met zwakke strepen of rijen van vlekken geteekend, en daar bij

vele verwante soorten, zoowel de jongen als de ouden, op gelijksoortige

wijze zijn geteekend, zal geen natuuronderzoeker die aan de

trapsgewijze ontwikkeling der soorten gelooft, betwijfelen, dat de

stamvader van den leeuw en de puma een gestreept dier was, en de jongen

sporen van de strepen hebben behouden, gelijk de jongen van zwarte

katten, die, als zij volwassen zijn, in het minst niet gestreept zijn.

Vele soorten van herten die op volwassen leeftijd niet gevlekt zijn,

zijn op jeugdigen leeftijd met witte vlekken bedekt, gelijk eenige

weinige soorten ook op volwassen leeftijd zijn. Evenzoo zijn ook de

jongen in de geheele Familie der Varkens (Suidae) en bij zekere

daarmede vrij nauw verwante dieren, gelijk den tapier, met donkere

overlangsche strepen geteekend; hier hebben wij echter blijkbaar een

kenmerk, afkomstig van een uitgestorven voorvader, en nu alleen door de

jongen bewaard. In alle dergelijke gevallen zijn de kleuren bij de

ouden in den loop der tijden veranderd, terwijl de jongen in slechts

weinig veranderden toestand zijn gebleven, en dit is het gevolg geweest

van het beginsel van overerving op overeenkomstige leeftijden.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 14 / 39 段