met donkere strepen of rijen donkere vlekken, terwijl elke streep of
rij schuin van de buitenzijde van de schacht naar een oogvlek naar
beneden loopt. De vlekken zijn over het algemeen verlengd volgens een
richting dwars op de rij waarin zij staan. Zij vloeien dikwijls ineen,
hetzij in de richting van de rij—en dan vormen zij een overlangsche
streep—of in de dwarste, dat is met de vlekken in de naburige rijen, en
dan vormen zij dwarse strepen. Een vlek is dikwijls in kleinere vlekken
gebroken, die nog op de behoorlijke plaatsen staan. Het zal gepast zijn
eerst een volkomen bal-en-holte oogvlek te beschrijven. Deze bestaat
uit een donker zwarten cirkelronden ring die een ruimte omringt, welke
zoo is geschaduwd, dat zij volkomen op een bal gelijkt. De hier gegeven
figuur is op bewonderenswaardige wijze geteekend door den heer Ford, en
gegraveerd; maar een houtsnede kan de keurige schaduwing van het
oorspronkelijke niet teruggeven. De ring is bijna altijd eenigszins
afgebroken of geopend (zie Fig. 54) in een in de bovenste helft gelegen
punt, een weinig rechts van en boven de witte schakeering op den
ingesloten bal; somtijds is hij ook van onderen aan den rechterkant
afgebroken. Deze kleine afbrekingen hebben een belangrijke beteekenis.
De ring is altijd zeer verdikt en de randen zijn slecht begrensd aan
den bovenhoek links, als men de veder rechtop houdt in de stelling
waarin zij hier is geteekend. Beneden dit verdikte gedeelte is er op de
oppervlakte van den bal een schuinsch bijna zuiver wit merk dat naar
beneden allengs overgaat in bleek loodblauw en dit in geelachtige en
bruine tinten die naar het benedenste deel van den bal toe onmerkbaar
in donkerheid toenemen. Het is deze schaduwing die zoo
bewonderenswaardig den indruk teruggeeft van licht dat op een bol
oppervlak schijnt. Indien men een van de ballen onderzoekt, zal men
zien, dat het onderste gedeelte een bruineren tint heeft, en
onduidelijk van het bovenste gedeelte wordt afgescheiden door een
kromme schuine lijn die geler en meer loodkleurig is; deze schuine lijn
staat loodrecht op de lengteas van de witte lichtvlek en eigenlijk van
al de schaduwlijnen; maar dit verschil van tint, dat natuurlijk in de
houtsnede niet kan worden teruggegeven, doet in het minst geen afbreuk
aan de volkomen schaduwing van den bal. [209] Men geve bijzonder acht,
dat elke oogvlek blijkbaar in verband staat met een donkere streep of
rij van donkere vlekken, want beide komen onverschillig op de zelfde
veder voor. Zoo loopt in Fig. 54 de streep A naar de oogvlek a; de
streep B naar de oogvlek b; de streep C is van boven afgebroken en
loopt omlaag naar de volgende in de houtsnede niet afgebeelde oogvlek,
de streep D naar de daarop weder volgende en evenzoo de strepen E en F.
Eindelijk zijn de onderscheidene oogvlekken van elkander gescheiden
door een bleeke oppervlakte die onregelmatige zwarte merken vertoont.
Ik zal nu het andere uiterste van de reeks, namelijk het eerste spoor
van een oogvlek, beschrijven. De korte secundaire vleugelslagpen (Fig.
55), die het dichtst bij het lichaam ligt, is gelijk de andere vederen
met schuine, overlangsche, vrij onregelmatige rijen vlekken beteekend.
De laagste vlek, of die welke het dichtst bij de schacht ligt, is in de
vijf laagste rijen (de laagste van allen uitgesloten) een weinig
grooter en een weinig meer verlengd in dwarse richting dan de andere
vlekken in de zelfde rij. Zij verschilt ook van de andere vlekken,
doordat zij aan de bovenzijde door een soort van doffe, gele schaduw is
omringd. Deze vlek is echter in geenen deele iets opmerkelijker dan die
op het gevederte van vele vogels en zou gemakkelijk geheel en al over
’t hoofd kunnen worden gezien. De naar omhoog daarop volgende vlek in
elke rij verschilt volstrekt niet van de bovenste in de zelfde rij,
hoewel zij in de volgende reeks, gelijk wij zullen zien, sterk wordt
gewijzigd. De grootere vlekken nemen op deze veder volkomen de zelfde
betrekkelijke plaats in, die op de langere vleugelslagpennen door de
volkomen oogvlekken wordt ingenomen.
Als men de twee of drie onmiddellijk volgende secundaire
vleugelslagpennen beschouwt, kan men een volkomen onmerkbaren overgang
bespeuren van ééne der boven beschreven lagere vlekken, te zamen met de
onmiddellijk daar boven liggende van de zelfde rij, tot een merkwaardig
versiersel dat geen oogvlek kan worden genoemd, en dat ik, bij gebrek
aan een betere uitdrukking, een „elliptisch versiersel” zal noemen.
Deze zijn afgebeeld in bijgaande figuur (Fig. 56). Wij zien hier
onderscheidene schuine rijen A, B, C, D (zie het met letters voorziene
diagram, Fig. 57) enz. donkere vlekken van de gewone soort. Elke rij
vlekken loopt naar beneden en is met één der elliptische versierselen
verbonden, op volkomen de zelfde wijze als elke streep in Fig. 54 naar
beneden loopt en met een der bal-en-holte oogvlekken is verbonden.
Wanneer wij ééne dier rijen, b.v. B, beschouwen, is de laatste vlek of
het laagste merk (b) dikker en aanmerkelijk langer dan de bovenste
vlekken, en is het linker uiteinde puntig en naar boven gekromd. Dit
zwarte merk wordt aan de bovenzijde plotseling omzoomd door een vrij
breede ruimte van rijk geschakeerde tinten, beginnende met een smallen
bruinen gordel die in oranje overgaat, en dit op zijn beurt in een
bleeke loodkleur, terwijl het einde naar de schacht toe veel bleeker
is. Dit merk komt in elk opzicht overeen met de grootere geschaduwde
vlek, in de laatste alinea (Fig. 55) beschreven, maar is hooger
ontwikkeld en levendiger gekleurd. Rechts boven deze vlek (b) met haar
heldere schakeering is er een lang smal zwart merk (c), tot de zelfde
rij behoorende, dat een weinig naar beneden is gebogen, zoodat het over
b komt te staan. Het is ook aan de onderzijde van een smallen
geelachtigen rand voorzien. Links van en boven c, in de zelfde
schuinsche richting, maar er altijd min of meer van onderscheiden, is
een ander zwart merk (d). Dit merk is over het algemeen van eenigszins
driehoekigen („sub-triangular”) en onregelmatigen vorm, in het op het
diagram met een letter aangegeven geval is het echter ongewoon smal,
verlengd en regelmatig. Het schijnt te bestaan uit een zijdelingsche en
afgebroken verlenging van het merk c, gelijk ik afleid uit sporen van
soortgelijke verlengingen van de volgende meer naar boven gelegen
vlekken; maar ik gevoel mij daarvan nog niet geheel zeker. Deze drie
merken b, c, d, vormen met de tusschenliggende levendige schakeeringen
te zamen de zoogenaamde elliptische versierselen. Deze versierselen
staan in een lijn evenwijdig aan de schacht en komen in hun plaatsing
blijkbaar met de bal-en-holte oogvlekken overeen. Hun uiterst bevallig
voorkomen kan in de teekening niet naar waarde worden geschat, daar de
oranje en loodkleurige tinten die zoo fraai afsteken tegen de zwarte
merken, daarop niet kunnen worden aangegeven.
Tusschen één der elliptische versierselen en een volkomen bal-en-holte
oogvlek, is de trapsgewijze overgang zoo volkomen, dat het nauwelijks
mogelijk is te beslissen, wanneer deze laatste naam behoort te worden
gebruikt. Het spijt mij, dat ik niet nog een teekening heb gegeven,
behalve Fig. 56, die in de reeks ongeveer halverwege tusschen ééne van
de eenvoudigste vlekken en een volkomen oogvlek in staat. De overgang
van het elliptische versiersel tot een oogvlek wordt bewerkstelligd
door de verlenging en grootere buiging in tegengestelde richtingen van
het onderste zwarte merk (b), en meer in het bijzonder van het bovenste
(c), verbonden met de samentrekking van het onregelmatige, eenigszins
driehoekige („sub-triangular”) of smalle merk (d), zoodat ten laatste
deze drie merken samenvloeien en een onregelmatigen elliptischen ring
vormen. Deze ring wordt allengs hoe langer hoe meer cirkelvormig en
regelmatig, en neemt tegelijkertijd in middellijn toe. Sporen van de
vereeniging van alle drie de verlengde vlekken of merken, vooral van de
beide bovenste, kan men nog waarnemen in vele van de meest volkomen
oogvlekken. Wij maakten opmerkzaam op den gebroken staat van den
zwarten ring aan de bovenzijde van de oogvlek in Fig. 54. Het
onregelmatige, eenigszins driehoekige of smalle merk (d) vormt
klaarblijkelijk door zijn samentrekking en gelijkmaking het verdikte
gedeelte van den ring aan de linker bovenzijde van de volkomen
bal-en-holte oogvlek. Het onderste gedeelte van den ring is steeds een
weinig dikker dan de andere gedeelten (zie Fig. 54) en dit is daarvan
het gevolg, dat het lagere zwarte merk van het elliptische versiersel
(b) oorspronkelijk dikker is geweest dan het bovenste merk (c). Men kan
elken stap in het proces van samenvloeiing en wijziging volgen, en de
zwarte ring die den bal van de oogvlek omgeeft, wordt buiten kwestie
gevormd door de vereeniging en wijziging van de drie zwarte merken b,
c, d, van het elliptische versiersel. De onregelmatige zigzagsgewijze
zwarte merken tusschen de opeenvolgende oogvlekken (zie wederom Fig.
54) zijn geheel en al het gevolg van de afbreking van de iets meer
regelmatige maar gelijksoortige merken tusschen de elliptische
versierselen.
De opeenvolgende stappen in de schaduwing der bal-en-holte oogvlekken
kunnen even duidelijk worden gevolgd. De smalle bruine, oranje en bleek
loodkleurige gordels die het onderste zwarte merk omgeven, kan men
trapsgewijze hoe langer hoe zachter en meer in elkander vloeiend zien
worden, terwijl het bovenste lichtere gedeelte, in den linkerhoek nog
lichter en eindelijk bijna volkomen wit wordt. Doch zelfs in de meest
volkomen bal-en-holte oogvlekken kan men een gering verschil in tint,
hoewel niet in schaduwing, tusschen de bovenste en onderste deelen van
den bal opmerken (waarop boven bijzonder de aandacht is gevestigd),
terwijl de scheidingslijn schuin is in de zelfde richting als de
levendig gekleurde schakeringen van de elliptische versierselen. Men
kan dus aantoonen, dat bijna elke kleine bijzonderheid in den vorm en
de kleur van de bal-en-holte oogvlekken het gevolg is van trapsgewijze
veranderingen in de elliptische versierselen; en de ontwikkeling van
deze laatste kan door even kleine stappen worden gevolgd, van de
vereeniging van twee bijna eenvoudige vlekken af, waarvan de onderste
(Fig. 55) aan de bovenzijde een eenigszins dof gele tint vertoont.
De uiteinden van de langere secundaire slagpennen die de volkomen
bal-en-holte oogvlekken dragen, zijn op bijzondere wijze versierd (Fig.
58). De schuine overlangsche strepen houden naar boven plotseling op en
worden verward, en boven deze grens is het geheele boveneind van de
veder (a) bedekt met witte punten, door kleine zwarte ringen omgeven en
op een donkeren grond staande. Zelfs de schuine streep die tot de
bovenste oogvlek (b) behoort, is slechts vertegenwoordigd door een zeer
kort onregelmatig zwart merk met de gewone gekromde, overdwarse basis.
Daar deze streep dus van boven plotseling is afgesneden, kunnen wij
begrijpen, uit hetgeen is voorafgegaan, hoe het komt, dat het bovenste
verdikte deel van den ring in de bovenste oogvlek ontbreekt; want,
gelijk vroeger is gezegd, schijnt dit verdikte gedeelte door een
afgebroken verlenging van de onmiddellijk daar boven gelegen vlek in de
zelfde rij te worden gevormd. Wegens de afwezigheid van het bovenste en
verdikte deel van den ring ziet de bovenste oogvlek, hoewel in alle
andere opzichten volkomen, er uit, alsof de top er schuins was
afgesneden. Het moet, dunkt mij, iedereen die gelooft, dat het
gevederte van den Argus-fazant zoo werd geschapen, zooals wij het nu
zien, hoogst moeilijk vallen om den onvolkomen toestand van de bovenste
oogvlekken te verklaren.
Er blijft nog een ander zeer merkwaardig punt over, dat het eerst werd
opgemerkt door den heer T. W. Wood [210] en onze aandacht verdient. Op
een photogram, mij geschonken door den heer Ward, van een voorwerp,
opgezet in de houding alsof het pronkte, kan men zien, dat op de
vederen die loodrecht worden gehouden, de witte vlekken op de ocelli,
die licht voorstellen, dat op een bolle oppervlakte wordt teruggekaatst
aan het bovenste einde der oogvlekken, en dus omhoog zijn gekeerd, en
als de vogel op den grond pronkt, zal het licht natuurlijk van bovenaf
op hem vallen. Maar hier komt het merkwaardig punt, de buitenste
vederen worden bijna horizontaal gehouden, en haar ocelli behooren
eveneens van bovenaf verlicht te schijnen, waartoe de witte vlekken dus
aan die zijde der ocelli behooren te zijn geplaatst, die bij
horizontalen stand naar boven is gekeerd; en, hoe verwonderlijk het
feit ook zij, zijn zij werkelijk aldus geplaatst! Van daar schijnen de
ocelli op de verschillende vederen, hoewel deze zeer verschillende
standen hebben ten opzichte van het licht, allen, alsof zij van boven
af werden verlicht, juist gelijk een kunstenaar ze zou hebben
geschaduwd. Toch zijn zij niet volkomen juist van uit het zelfde punt
verlicht, als zij zouden behooren te zijn; want de witte vlekken op de
ocelli van de vederen welke bijna horizontaal worden gehouden, zijn
iets te veel naar boven geplaatst; dat is: zij staan niet genoeg
zijwaarts. Wij hebben echter niet meer recht om volstrekte volmaaktheid
te verwachten in een deel dat door seksueele teeltkeus tot een sieraad
is ontwikkeld, als om die te verwachten in een deel dat door
natuurlijke teeltkeus is ontwikkeld tot werkelijk gebruik; bij
voorbeeld in dat verwonderlijk orgaan, dat men het menschelijk oog
noemt. En wij weten wat Helmholtz, de hoogste autoriteit in Europa
omtrent dat onderwerp, van het menschelijk oog heeft gezegd, namelijk
dat, als een vervaardiger van optische werktuigen hem een zoo slordig
gemaakt instrument had verkocht, hij zou denken volkomen recht te
hebben om het hem terug te sturen. [211]
Ik moet er bijvoegen, dat op de secundaire vleugelslagpen die het verst
van het lichaam is gelegen, al de oogvlekken kleiner en minder volkomen
dan op de andere vederen zijn, en dat de bovenste deelen van de
buitenste zwarte ringen daaraan ontbreken, evenals in het zooeven
vermelde geval. De onvolkomenheid schijnt hier in verband te staan met
het feit, dat de vlekken op deze veder minder geneigdheid vertoonen dan
gewoonlijk om tot strepen samen te vloeien; zij zijn integendeel
dikwijls tot kleinere vlekken verbrokkeld, zoodat twee of drie rijen
naar elke oogvlek naar beneden loopen.
Wij hebben nu gezien, dat men een volkomen reeks kan volgen, van twee
bijna eenvoudige, in het begin geheel van elkander onderscheiden
vlekken tot één van de wondervolle bal-en-holte versierselen. De heer
Gould, die zoo vriendelijk was mij eenige van deze vederen te geven, is
het geheel met mij eens omtrent de volkomenheid van den trapsgewijzen
overgang. Het is duidelijk, dat de ontwikkelingstrappen welke de
vederen van éénen en den zelfden vogel ons vertoonen, nog niet
noodzakelijk allen behoeven overeen te komen met de stappen die de
uitgestorven voorouders van de soort hebben doorloopen; maar zij geven
ons waarschijnlijk een leiddraad tot de werkelijke stappen, en bewijzen
tenminste overtuigend, dat een trapsgewijze overgang mogelijk is.
Wanneer wij nu bedenken, met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant
zijn vederen voor het wijfje tentoonspreidt, en als wij ons de vele
feiten herinneren, die het waarschijnlijk maken, dat vrouwelijke vogels
aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur geven, dan zal niemand
die de werking der seksueele teeltkeus aanneemt, ontkennen, dat een
eenvoudige donkere vlek met een eenigszins geelachtige schakeering,
door toenadering en wijziging der naburige vlekken en eenige geringe
toeneming van kleur, in één der zoogenaamde elliptische versierselen
zou kunnen worden veranderd. Deze laatste versierselen zijn aan vele
personen vertoond, en allen gaven toe, dat zij uiterst fraai waren,
terwijl sommigen ze zelfs fraaier vonden dan de bal-en-holte
oogvlekken. Naarmate de secundaire slagpennen door seksueele teeltkeus
werden verlengd en naarmate de elliptische versierselen in middellijn
toenamen, schijnen haar kleuren minder levendig te zijn geworden; en
toen moest de versiering der vederen worden verkregen door
verbeteringen in de teekening en de schaduwing; en dit proces is
voortgezet, totdat zich daardoor eindelijk de wondervolle bal-en-holte
oogvlekken hadden ontwikkeld. Zoo,—en naar het mij voorkomt op geen
andere wijze,—kunnen wij den tegenwoordigen toestand en den oorsprong
van de versierselen op de vleugelvederen van den Argus-fazant
begrijpen.
Uit het licht dat het beginsel van trapsgewijzen overgang afwerpt; uit
hetgeen wij weten van de wetten der variatie door de veranderingen die
bij vele van onze tamme vogels hebben plaats gehad; en, eindelijk
(gelijk wij later duidelijker zullen zien) uit den aard van het nog
niet volwassen gevederte van jonge vogels,—kunnen wij soms met een
zekere mate van vertrouwen de waarschijnlijke stappen aanwijzen, door
welke de mannetjes hun schitterend gevederte en verschillende
versierselen hebben verkregen; maar toch worden wij in vele gevallen
door duisternis omgeven. De heer Gould maakte mij, verscheidene jaren
geleden, opmerkzaam op een soort van kolibri (Urosticte benjamini), die
opmerkelijk is door de merkwaardige verschillen welke de seksen
vertoonen. Het mannetje heeft, behalve een prachtige keel, groenachtig
zwarte staartvederen waarvan de vier middelste witte punten hebben; bij
het wijfje hebben, evenals bij de meeste verwante soorten, de drie
buitenste staartvederen aan elke zijde witte punten, zoodat bij het
mannetje de vier centrale, bij het wijfje daarentegen de vier buitenste
vederen met witte punten zijn versierd. Wat het geval merkwaardig
maakt, is, dat, hoewel de kleur van den staart bij de beide seksen van
vele soorten van kolibri’s opmerkelijk verschilt, de heer Gould geen
enkele soort kent, behalve de Urosticte, bij welke de vier middelste
vederen bij het mannetje witte punten vertoonen.
De Hertog van Argyll slaat, dit geval behandelende [212], geen acht op
de seksueele teeltkeus, en vraagt: „welke verklaring geeft de wet der
natuurlijke teeltkeus van zulke soortelijke verscheidenheden als deze?”
Hij antwoordt: „volstrekt geen”; en ik ben dat volkomen met hem eens.
Kan dit echter met even zooveel vertrouwen worden gezegd van de
seksueele teeltkeus? Als men ziet, op hoe vele wijzen de staartvederen
van kolibri’s verschillen, waarom zouden dan niet de vier middelste
vederen alleen bij deze ééne soort zoodanig zijn afgeweken, dat zij
witte punten verkregen? De afwijkingen kunnen trapsgewijze hebben
plaats gehad, of ook wel een weinig plotseling, zooals in het vroeger
gegeven voorbeeld van kolibri’s nabij Bogota, van welke alleen bij
sommige individu’s „de middelste staartvederen fraaie groene punten
hebben.” Bij het wijfje van de Urosticte merkte ik uiterst kleine of
rudimentaire witte punten op aan de buitenste van de vier middelste
zwarte staartvederen, zoodat wij hier een aanwijzing hebben van de eene
of andere soort van verandering in het gevederte van deze soort. Indien
wij de mogelijkheid toestemmen, dat de middelste staartvederen van de
mannetjes in witheid verschillen, is er niets vreemds in, dat tusschen
dergelijke afwijkingen door de andere sekse bij de voortplanting een
keus wordt gedaan. De witte punten verhoogen in verbinding met de
kleine witte oorpluimen, ongetwijfeld, gelijk de Hertog van Argyll
toegeeft, de schoonheid van het mannetje; de witheid wordt blijkbaar
door andere vogels op prijs gesteld, gelijk mag worden afgeleid uit
dergelijke gevallen als het sneeuwwitte mannetje van den klokvogel. Men
moet de mededeeling van den heer R. Heron niet vergeten, dat namelijk
zijn pauwinnen, toen haar de toegang tot den gevlekten pauw was
afgesloten, met geen ander mannetje wilden paren en dat jaar geen
jongen voortbrachten. Het is ook niet vreemd, dat bij Urosticte juist
afwijkingen in de staartvederen ter wille van de versiering bij de
voortplanting zijn uitgekozen; want het onmiddellijk daarop volgende
geslacht in de Familie ontleent den naam Metallura aan de pracht van
deze vederen. Wij bezitten daarenboven goede bewijzen, dat de kolibri’s
zich bijzondere moeite geven om met hun staartvederen te pronken. De
heer Belt zegt [213], na de schoonheid van Florisuga mellivora te
hebben beschreven: „Ik heb het wijfje op een tak zien zitten en twee
mannetjes tegenover haar, die met hun bekoorlijkheden pronkten. Het
eene schoot omhoog als een vuurpijl, spreidde daarop plotseling zijn
sneeuwwitten staart uit gelijk een omgekeerde parachute, daalde
langzaam tegenover haar naar beneden, draaide zich langzaam om, om zijn
voor- en achterzijde te toonen ... De uitgespreide witte staart besloeg
meer ruimte dan al het overige van den vogel en speelde blijkbaar de
hoofdrol bij de vertooning. Terwijl het eene mannetje nederdaalde,
schoot het andere omhoog en kwam langzaam met uitgespreiden staart naar
beneden. Het spel eindigde met een gevecht tusschen de beide acteurs;
maar, of de schoonste of de strijdlustigste de bevoorrechte minnaar
werd, is mij onbekend.” Na het bijzondere gevederte van Urosticte te
hebben beschreven, voegt de heer Gould er bij: „dat versiering en
verscheidenheid het eenige doel is, daarvoor koester ik voor mij zelf
slechts weinig twijfel.” [214] Indien dit wordt toegegeven, kunnen wij
begrijpen, dat de mannetjes die op de bevalligste en nieuwste wijze
waren uitgedost, een voordeel moeten hebben verkregen, niet in den
gewonen strijd om het leven, maar in de mededinging met andere
mannetjes, en derhalve een grooter nakomelingschap hebben nagelaten om
hun nieuw verkregen schoonheid te erven.
AANTEEKENINGEN.
(1) De Australiërs voeren somtijds, als het volle maan is, in de
schaduw der gomboomen fantastische dansen uit, waarbij zij allerlei
vreemde geluiden maken, terwijl hun handen en enkels met ratelend loof
zijn versierd en hun lichamen als geraamten beschilderd: zij noemen
deze dansen Karobberee. „Corroborying places” zal dus beteekenen de
plaatsen waar de Karobberee wordt uitgevoerd; zoodat dan de
liefdevertooningen van Menura Alberti door de inboorlingen met hun
eigen Karobberee worden vergeleken.
(2) Als een voorbeeld van de hooge ontwikkeling der geestvermogens van
sommige vogels, wijzen wij op het in het „Album der Natuur”, 1864, blz.
190, en 1865, blz. 223, medegedeelde omtrent „een verstandige duif”,
die na een paar malen jongen te hebben verloren, doordat deze uit het
nest kropen en doodvielen, een derde maal de pooten van haar jong, om
het te beletten uit het nest te kruipen, met allerlei draden, vezels,
enz. zoo stevig vastbond, dat er zelfs knoopen in waren en men de
schaar moest te hulp roepen om het los te maken.
(3) Een schitterend roode, tot de aniline-kleuren behoorende verfstof.
(4) „If reason be excluded”; wij begrijpen deze bijvoeging niet, nadat
Darwin het geheel derde en vierde hoofdstuk van dit werk heeft gewijd
aan een uitvoerig betoog, dat „het geestelijk verschil tusschen den
mensch en de hoogere dieren, hoe groot het ook zij, zeker slechts een
verschil in hoeveelheid en niet in hoedanigheid is” (Deel I, blz. 214),
en nadat hij in het begin van dit hoofdstuk, de geestvermogens der
vogels besprekende, heeft gezegd: „Hun rede wordt gewoonlijk en
wellicht terecht voor weinig ontwikkeld gehouden.” Een wezen dat een
weinig ontwikkelde rede bezit, verschilt in dit opzicht niet
fundamenteel, maar slechts in graad (quantitatief) van den mensch: men
kan niet zeggen, dat aan zulk een wezen de rede ontbreekt. Uit het in
aanteekening 2 omtrent duiven en in aanteekening 8 van hoofdstuk III
omtrent papegaaien aangevoerde, meenen wij daarenboven te mogen
besluiten, dat Darwin het verstand der vogels wel wat te laag schat!