Het is somtijds moeilijk zich eenige meening te vormen over de vraag,

of zekere geringe verschillen tusschen de seksen van vogels eenvoudig

het gevolgd zijn van hun vatbaarheid voor afwijking (veranderlijkheid,

variabiliteit) met tot ééne der seksen beperkte erfelijkheid, zonder de

hulp van de seksueele teeltkeus, dan wel of zij door de werking dezer

laatste zijn vermeerderd. Ik beroep mij hier niet op de tallooze

voorbeelden, dat het mannetje pronkt met prachtige kleuren en andere

versierselen waarin het wijfje slechts in geringe mate deelt; want het

is bijna zeker, dat deze gevallen het gevolg daarvan zijn, dat het

mannetje oorspronkelijke kenmerken heeft verkregen en die later in

meerdere of mindere mate op het wijfje heeft overgeplant. Wat moeten

wij echter besluiten ten opzichte van zekere vogels bij welke, bij

voorbeeld, de oogen bij de beide seksen eenigermate in kleur

verschillen? [202] In sommige gevallen verschillen de oogen sterk; zoo

zijn bij ooievaars van het geslacht Xenorhynchus die van het mannetje

zwartachtig bruin, terwijl die van het wijfje guttegom-geel zijn; bij

vele Neushorenvogels (Buceros) hebben, gelijk ik van den heer Blyth

[203] hoor, de mannetjes hoog karmozijnroode en de wijfjes witte oogen.

Bij den Buceros bicornis zijn de achterrand van den helm en een streep

op den kam van den snavel bij het mannetje zwart, doch bij het wijfje

niet. Moeten wij nu veronderstellen, dat deze zwarte merken en de

karmozijnen kleur van de oogen bij de mannetjes door seksueele

teeltkeus zijn bewaard gebleven of vermeerderd? Dit is zeer

twijfelachtig; want de heer Bartlett toonde mij in den Londenschen

dierentuin, dat de binnenzijde van den bek van dezen Buceros bij het

mannetje zwart en bij het wijfje vleeschkleurig is; en dit werkt niet

in op hun uiterlijk aanzien of schoonheid. Ik nam in Chili [204] waar,

dat het regenboogvlies (iris) van den Condor, als hij omtrent een jaar

oud is, donkerbruin is, maar op volwassen leeftijd bij het mannetje in

geelachtig bruin en bij het wijfje in levendig rood verandert. Het

mannetje bezit ook een kleinen, overlangschen, loodkleurigen,

vleeschachtigen kam. Bij vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) dient

de kam in hooge mate tot versiering en neemt gedurende de vrijage

levendige kleuren aan; maar wat moeten wij denken van den dofgekleurden

kam van den Condor, die in onze oogen volstrekt geen versiersel is? De

zelfde vraag kan worden gedaan ten opzichte van onderscheidene andere

kenmerken, zooals de knobbels aan de basis van de Chineesche gans

(Anser cygnoides), die bij het mannetje veel grooter dan bij het wijfje

zijn. Geen zeker antwoord kan op deze vragen worden gegeven; maar wij

behooren voorzichtig te zijn met de verzekering, dat de knobbels en

verschillende vleezige aanhangsels niet aantrekkelijk voor het wijfje

kunnen zijn, wanneer wij bedenken, dat bij wilde menschenrassen

onderscheidene afgrijselijke misvormingen—diepe litteekens met

opgezwollen vleezige randen op het gelaat, een met stokken of beenderen

doorboord neusschot, wijd opengerekte gaten in de ooren of lippen—allen

als versierselen worden bewonderd.

Hetzij onbelangrijke verschillen tusschen de seksen, zooals de juist

opgenoemde, al dan niet door de seksueele teeltkeus zijn bewaard, zoo

moeten toch die verschillen, even zoo goed als alle andere,

oorspronkelijk afhankelijk zijn van de wetten der variatie. Volgens het

beginsel van correlatieve ontwikkeling varieert het gevederte dikwijls

op verschillende deelen van het lichaam, of over het geheele lichaam,

op de zelfde wijze. Wij zien hiervan goede voorbeelden bij sommige

hoenderrassen. Bij al de rassen zijn de vederen van den hals en de

lendenen van het mannetje verlengd en worden sikkelvederen genoemd;

wanneer nu beide seksen een vederkuif verkrijgen, hetgeen een nieuw

kenmerk in het geslacht (genus) is, worden de vederen van de kuif van

het mannetje sikkelvedervormig, klaarblijkelijk volgens het beginsel

van correlatie, terwijl die op den kop van het wijfje van den gewonen

vorm zijn. Ook de kleur van de sikkelvederen die de kuif van het

mannetje vormen, staat dikwijls in verband met die van de sikkelvederen

aan den hals en de lendenen, zooals men kan zien door deze vederen te

vergelijken bij de goud- en zilvergevlekte Kuifhoenders, het Houdan- en

het Crève-coeur-ras. Bij sommige natuurlijke soorten kunnen wij

volkomen het zelfde verband zien tusschen de kleuren van deze zelfde

vederen, zooals bij de mannetjes van de prachtige Goudlakensche en

Amherst-fazanten.

Het maaksel van elke individueele veder veroorzaakt, dat over het

algemeen elke verandering in haar kleur symmetrisch is; wij zien dit

bij de verschillende gestreepte, gevlekte en gepenseelde hoenderrassen,

en volgens het beginsel van correlatie worden de vederen over het

geheele lichaam dikwijls op de zelfde wijze gewijzigd. Wij zijn

daardoor in staat zonder veel moeite rassen aan te fokken, wier

gevederte bijna even symmetrisch van teekening en kleur is, als dat van

natuurlijke soorten. Bij gestreepte en gevlekte hoenders zijn de

gekleurde randen van de vederen scherp begrensd; maar bij een bastaard,

door mij opgekweekt uit een zwarten Spaanschen haan, wiens vederen een

groenen weêrschijn hadden, en een witte strijdhen, waren al de vederen

groenachtig zwart, behalve aan hun uiteinden die geelachtig wit waren;

maar tusschen de witte uiteinden en de zwarte gronddeelen was er op

elke veder een symmetrische, gekromde, donkerbruine gordel. In sommige

gevallen bepaalt de schacht van de veder de verdeeling van de kleuren;

zoo was bij de lichaamsvederen van een bastaard van dezen zelfden

Spaanschen haan en een zilvergevlekte Kuifhen de schacht en een nauwe

ruimte aan elke zijde daarvan groenachtig zwart, en deze werd omgeven

door een regelmatigen gordel van donkerbruin, omzoomd met bruinachtig

wit. In deze gevallen zien wij vederen een symmetrische schakeering

verkrijgen, evenals die welke zooveel bevalligheid verleenen aan het

gevederte van vele natuurlijke soorten. Ik heb ook een verscheidenheid

(variëteit) van de gewone duif opgemerkt, wier vleugelbalken

symmetrisch door drie lichte schakeeringen waren omzoomd, in plaats van

eenvoudig zwart op een leiblauwen grond te zijn, zooals bij de

stamsoort.

Bij vele groote groepen van vogels kan men opmerken, dat het gevederte

bij elke soort verschillend is gekleurd, maar dat toch zekere vlekken,

teekeningen en strepen, hoewel eveneens verschillend gekleurd, bij al

de soorten bewaard zijn gebleven. Soortgelijke gevallen komen bij de

duivenrassen voor, die gewoonlijk de beide vleugelbalken behouden,

hoewel zij rood, geel, wit, zwart of blauw gekleurd kunnen zijn,

terwijl het overige gevederte van de eene of andere geheel

verschillende kleur is. Ziehier een merkwaardig geval waarin sommige

teekeningen bewaard zijn gebleven, hoewel op bijna volkomen omgekeerde

wijze gekleurd als in den natuurstaat; de oorspronkelijke duif heeft

een blauwen staart waaraan de buitenste helft van de naar buiten

gekeerde baarden van de twee buitenste staartvederen wit zijn gekleurd;

en nu is er een onder-ras dat een witten in plaats van een blauwen

staart heeft, doch waarvan juist dat kleine gedeelte zwart is, dat bij

de stamsoort wit is. [205]

Vormingswijze en veranderlijkheid (variabiliteit) van de Oogvlekken

(Ocelli) op het gevederte van Vogels.—Daar geen versierselen schooner

zijn dan de oogvlekken (ocelli) op de vederen van onderscheidene

Vogels, op het haarkleed van sommige Zoogdieren, op de schubben van

Reptielen en Visschen, op de huid van Amphibiën, op de vleugels van

vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) en andere Insekten, verdienen zij

bijzondere opmerking. Een oogvlek (ocellus) bestaat uit een vlek,

omsloten door een ring van een andere kleur, gelijk de pupil van het

oog door het regenboogvlies (iris); doch de centrale vlek wordt

dikwijls ook nog omringd door bijkomende gelijkmiddelpuntige

(concentrische) gordels. De oogvlekken op de staartdekvederen van den

pauw leveren daarvan een welbekend voorbeeld en eveneens die op de

vleugels van den dagpauwoogvlinder (Vanessa). De heer Triton heeft mij

de beschrijving van een Zuid-Afrikaanschen nachtvlinder (Gynanisa

Isis), met onzen nachtpauwoogvlinder verwant, gegeven, bij welken een

prachtige oogvlek bijna de geheele oppervlakte van elken achtervleugel

beslaat; zij bestaat uit een zwart middelpunt, een half doorschijnende

halvemaanvormige teekening omsluitende, omringd door opeenvolgende

okergele, zwarte, okergele, vleeschkleurige, witte, vleeschkleurige,

bruine en witachtige gordels. Hoewel wij de trappen niet kennen, langs

welke deze verwonderlijk schoone en samengestelde versierselen zich

hebben ontwikkeld, is het proces, ten minste bij insekten,

waarschijnlijk eenvoudig geweest; want, gelijk de heer Trimen mij

schrijft, „is geen kenmerk dat alleen op teekening en kleur betrekking

heeft, bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo onstandvastig als de

oogvlekken, zoowel in aantal als in grootte.” De heer Wallace die het

eerst mijn aandacht op dit onderwerp vestigde, toonde mij een rij

voorwerpen van ons gewone bruine zandoogje (Hipparchia Janira),

talrijke overgangen van een eenvoudige kleine zwarte vlek tot een

bevallig geschakeerde oogvlek vertoonende. Bij een Zuid-Afrikaansche

kapel (Cyllo Leda, Linn.), tot de zelfde Familie behoorende, zijn de

oogvlekken nog veranderlijker. Bij sommige voorwerpen (A, Fig. 49) zijn

groote ruimten op het bovenvlak der vleugels zwart gekleurd en

omsluiten onregelmatige witte teekeningen; en van dezen staat af kan

men een onafgebroken reeks overgangsvormen volgen tot een tamelijk

volkomen oogvlek (A1) en dit is het gevolg van de samentrekking der

onregelmatige gekleurde vlekken. Bij een andere reeks voorwerpen kan

men den overgang volgen van uiterst kleine puntjes, door een nauwelijks

zichtbare zwarte lijn omgeven (B), tot volkomen symmetrische en groote

oogvlekken (B1). [206] In gevallen als deze, vereischt de ontwikkeling

van een volkomen oogvlek geen lange reeks afwijkingen of langdurige

inwerkingen der teeltkeus.

Bij vogels en vele andere dieren schijnt uit de vergelijking van

verwante soorten te volgen, dat cirkelvormige vlekken dikwijls ontstaan

uit het afbreken en de samentrekking der strepen. Bij den

Tragopan-fazant vertegenwoordigen flauwe witte lijnen bij het wijfje de

fraaie witte vlekken van het mannetje [207]; en iets van dien zelfden

aard kan bij de beide seksen van den Argus-fazant worden waargenomen.

Hoe dit ook moge zijn, de schijn begunstigt zeer het geloof, dat, van

den eenen kant, een donkere vlek dikwijls wordt gevormd, doordat de

kleurstof naar een centraal punt wordt getrokken uit een omringenden

gordel die aldus lichter wordt gemaakt. En, van den anderen kant, dat

een witte vlek dikwijls wordt gevormd, doordat de kleurstof uit een

centraal punt wordt weggedreven, zoodat zij zich opeenhoopt in een

omringenden donkerder gordel. In elk dier beide gevallen is de vorming

van een oogvlek het gevolg. De kleurstof schijnt in een vrij

standvastige hoeveelheid aanwezig te zijn, maar wordt, hetzij

middelpuntzoekend (centripetaal), of middelpuntvliedend (centrifugaal)

verdeeld.

De vederen van het gewone parelhoen leveren een goed voorbeeld van

witte vlekken door donkerder gordels omringd, en overal waar de witte

vlekken groot zijn en dicht bij elkander staan, vloeien de omringende

donkere gordels ineen. In den zelfden vleugelveder van den Argus-fazant

kan men donkere vlekken zien, die door een bleeken, en witte vlekken

die door een donkeren gordel worden omringd. De vorming van een oogvlek

in haar eenvoudigsten staat schijnt dus een eenvoudige zaak te zijn.

Door welke verdere stappen de meer samengestelde oogvlekken die door

opeenvolgende gekleurde ringen worden omgeven, zijn ontstaan, wil ik

niet beweren, dat ik kan verklaren. Als wij ons echter de van gekleurde

gordels voorziene vederen van het bastaardkroost van verschillend

gekleurde hoenders, en de buitengewone veranderlijkheid (variabiliteit)

der oogvlekken bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) herinneren, kan de

vorming van deze schoone versierselen moeilijk een zeer ingewikkeld

proces zijn, en hangt waarschijnlijk van de eene of andere geringe en

trapsgewijze verandering in den aard der weefsels af.

Trapsgewijze Overgangen van Secundaire Seksueele Kenmerken.—Gevallen

van trapsgewijzen overgang zijn belangrijk voor ons, daar zij

aantoonen, dat het ten minste mogelijk is, dat hoogst samengestelde

versierselen door kleine opeenvolgende trappen zijn verkregen. Om de

werkelijke trappen te ontdekken, langs welke het mannetje van den eenen

of anderen bestaanden vogel zijn prachtige kleuren of andere

versierselen heeft verkregen, zouden wij de lange lijn van zijn oude en

uitgestorven voorouders moeten aanschouwen, en dit is blijkbaar

onmogelijk. Wij kunnen echter wellicht in het algemeen een leiddraad

daartoe verkrijgen door al de soorten van een groep, wanneer het een

groote is, te vergelijken; want eenige daarvan zullen waarschijnlijk,

ten minste gedeeltelijk, sporen van hun vroegere kenmerken hebben

behouden. In plaats van in vervelende bijzonderheden te treden omtrent

onderscheidene groepen bij welke treffende gevallen van trapsgewijzen

overgang zouden kunnen worden vermeld, schijnt het het beste plan om

een of twee sterk sprekende gevallen te nemen, bij voorbeeld dat van

den pauw, om te ontdekken of er op die wijze eenig licht kan worden

geworpen op de stappen door welke deze vogel zoo prachtig is versierd.

De pauw is voornamelijk zoo merkwaardig door de buitengewone lengte van

zijn staartdekvederen, terwijl de staart zelf niet zeer verlengd is. De

baarden staan langs bijna de geheele lengte van deze vederen elk

afzonderlijk of zijn ontleed; dit is echter ook het geval met de

vederen van vele soorten, en met sommige verscheidenheden (variëteiten)

van het tamme hoen en de tamme duif. De baarden vereenigen zich nabij

het einde van de schacht om de ovale schijf of de oogvlek te vormen,

die zeker een van de schoonste zaken is, die in de wereld bestaan. Deze

bestaat uit een iriseerend, donkerblauw, tandvormig ingesneden

middelpunt, omringd door een rijken groenen gordel, welke op zijn beurt

wordt omgeven door een breeden koperachtig bruinen gordel, door vijf

andere smalle gordels van eenigszins verschillende iriseerende

schakeeringen omsloten. Een klein kenmerk in de schijf verdient

wellicht opmerking; de baarden zijn over een ruimte langs één der

gelijkmiddelpuntige concentrische gordels in meerdere of mindere mate

ontbloot van hun zijdelingsche takjes, zoodat een deel van de schijf

door een bijna doorschijnenden gordel wordt omgeven, die er een in

hooge mate afgewerkt uiterlijk aan geeft. Ik heb echter elders [208]

een volkomen overeenkomstige afwijking in de sikkelvederen van een

onder-verscheidenheid (sub-variëteit) van den strijdhaan beschreven,

bij welke de metaalglans bezittende uiteinden van het lagere deel van

de veder worden gescheiden door een symmetrisch gevormden

doorschijnenden gordel, gevormd door de naakte deelen van de baarden.

De onderrand of basis van het donkerblauwe midden van de oogvlek is op

de lijn van de schacht diep ingekerfd. Ook de omringende gordels

vertoonen, gelijk men op de teekening Fig. 50 kan zien, sporen van

inkervingen of liever afbrekingen. Deze inkervingen komen zoowel bij

den Indischen (Pavo cristatus) als bij den Javaanschen pauw (P.

muticus) voor; en zij schenen mij toe bijzondere aandacht te verdienen,

als waarschijnlijk in verband staande met de ontwikkeling van de

oogvlek; maar gedurende langen tijd kon ik hun beteekenis niet gissen.

Indien wij het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling aannemen, moeten

er vroeger vele soorten hebben bestaan, die elken opeenvolgenden trap

vertoonden tusschen de verwonderlijk verlengde staartdekvederen van den

pauw en de korte staartdekvederen van alle gewone vogels; en ook

tusschen de prachtige oogvlekken van den eersten, en de eenvoudige

oogvlekken of eenvoudig gekleurde vlekken van andere vogels; en evenzoo

met de andere kenmerken van den pauw. Laat ons de verwante

Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) beschouwen, om te zien, of

daaronder ook wellicht nog de eene of andere overgangsvorm bestaat. De

soorten en ondersoorten van Polyplectron bewonen landen in de nabijheid

van het vaderland van den pauw; en zij gelijken zoozeer op dezen vogel,

dat zij soms pauw-fazanten worden genoemd. De heer Bartlett heeft mij

medegedeeld, dat zij ook in haar stem en in sommige van haar gewoonten

op den pauw gelijken. Gedurende de lente pronken de mannetjes, gelijk

boven is beschreven, voor de vergelijkenderwijze dof gekleurde wijfjes,

spreiden hun staart en vleugelvederen die met talrijke oogvlekken zijn

versierd, uit en zetten ze op. Ik verzoek den lezer nogmaals de

afbeelding van een Polyplectron (Fig. 51) te beschouwen. Bij P.

Napoleonis zijn de oogvlekken tot den staart beperkt, en de rug is rijk

metaalglanzend blauw, in welke opzichten deze vogel tot den Javaanschen

pauw nadert; P. Hardwickii bezit een eigenaardige kuif, eenigszins op

die van deze soort van pauw gelijkende. De oogvlekken op de vleugels en

den staart van de onderscheidene soorten van Polyplectron zijn, hetzij

cirkelvormig of ovaal, en bestaan uit een fraaie, iriseerende,

groenachtig blauwe of groenachtig purperen schijf, met een zwarten

rand. Bij P. chinquis gaat deze rand in bruin over, dat met roomkleur

is omzoomd, zoodat de oogvlek hier wordt omringd door verschillend,

hoewel niet levendig gekleurde, gelijkmiddelpuntige (concentrische)

gordels. De ongewone lengte der staartdekvederen is bij Polyplectron

een ander zeer opmerkenswaardig kenmerk; want bij sommige soorten

bezitten zij de helft en bij andere twee derden van de lengte van de

ware staartdekvederen. De staartdekvederen zijn van oogvlekken

voorzien, evenals bij den pauw. De verschillende soorten van

Polyplectron naderen dus klaarblijkelijk in de lengte van haar

staartdekvederen, in de gordels van haar oogvlekken, en in sommige

andere kenmerken trapsgewijze tot den pauw.

Niettegenstaande deze toenadering maakte de eerste soort van

Polyplectron, die ik onderzocht, bijna, dat ik van elk verder onderzoek

afzag; want niet alleen vond ik, dat de ware staartvederen die bij den

pauw geheel effen zijn, met oogvlekken waren versierd, maar ook dat de

oogvlekken op al de vederen fundamenteel van die van den pauw

verschillen, doordat er twee op de zelfde veder waren (Fig. 52), één

aan elke zijde van de schacht. Ik besloot hieruit, dat de vroegere

stamouders van den pauw in geenen deele op een Polyplectron hadden

geleken. Doch mijn onderzoek voortzettende, merkte ik op, dat bij

sommige soorten de beide oogvlekken zeer dicht bij elkander stonden;

dat zij elkander in de staartvederen van P. Hardwickii aanraakten, en

eindelijk, dat zij in de staartdekvederen van deze zelfde soort en ook

in die van P. malaccense (Fig. 53) werkelijk samenvloeiden. Daar alleen

het middelste gedeelte samenvloeit, blijft er een inkerving zoowel aan

het boven- als aan het ondereinde over, en de omringende gekleurde

gordels zijn ook ingekerfd. Op die wijze wordt op elke staartpen een

enkele oogvlek gevormd, die echter duidelijk haar dubbelen oorsprong

verraadt. Deze samenvloeiende oogvlekken verschillen van de

enkelvoudige oogvlekken van den pauw, doordat zij aan beide einden, in

plaats van alleen aan het benedeneinde, zijn ingekerfd. De verklaring

van dit verschil is echter niet moeilijk; bij sommige soorten van

Polyplectron staan de beide ovale oogvlekken op de zelfde veder

evenwijdig aan elkander; bij andere soorten (zooals bij P. chinquis)

convergeeren zij naar het eene einde toe; nu zou de gedeeltelijke

samenvloeiing van twee convergeerende oogvlekken blijkbaar een diepere

inkerving aan het divergeerende dan aan het convergeerende uiteinde

achterlaten. Het is ook blijkbaar, dat, indien de convergentie sterk

uitgesproken en de samenvloeiing volkomen was, de inkerving aan het

bovenste einde een neiging zou bezitten om geheel te worden

uitgewischt.

De staartvederen zijn bij beide soorten van pauw geheel zonder

oogvlekken, en dit staat blijkbaar daarmede in verband, dat zij worden

bedekt en verborgen door de lange staartdekvederen. In dit opzicht

verschillen zij aanmerkelijk van de staartvederen van Polyplectron, die

bij de meeste soorten zijn versierd met nog grootere oogvlekken dan de

staartdekvederen. Daardoor werd ik er toe gebracht om de staartvederen

van de onderscheidene soorten van Polyplectron zorgvuldig te

onderzoeken, om te ontdekken, of de oogvlekken bij de eene of andere

van haar eenige neiging vertoonden om te verdwijnen, en tot mijn groote

voldoening mocht ik daarin slagen. Op de middelste staartvederen van P.

Napoleonis zijn de beide oogvlekken aan elke zijde van de schacht

volkomen ontwikkeld; maar de binnenste oogvlek wordt hoe langer hoe

minder duidelijk op de meer naar buiten gelegen staartvederen, totdat

alleen een schaduw of rudimentair spoor er van op de binnenzijde van de

buitenste veder overblijft. Bij P. malaccense vloeien daarenboven,

gelijk wij zagen, de oogvlekken op de staartdekvederen samen; en deze

vederen zijn van ongewone lengte, daar zij twee derden van de lengte

van de staartvederen bezitten, zoodat zij in beide deze opzichten op de

staartdekvederen van den pauw gelijken. Nu zijn bij deze soort alleen

de beide middelste staartdekvederen elk van twee levendig gekleurde

oogvlekken voorzien, terwijl de oogvlekken van de binnenzijden van al

de andere staartvederen geheel zijn verdwenen. Bijgevolg naderen de

staartdekvederen en staartvederen van deze soort van Polyplectron in

maaksel en versiering zeer tot de overeenkomstige vederen van den pauw.

Voorzoover derhalve het beginsel van trapsgewijzen overgang licht werpt

op de stappen door welke de pauw zijn prachtigen staart heeft

verkregen, is nauwelijks iets meer benoodigd. Wij kunnen ons een

voorvader van den pauw voorstellen in een toestand die bijna juist

inligt tusschen den bestaanden pauw, met zijn verbazend verlengde

staartdekvederen met enkelvoudige oogvlekken versierd, en een gewonen

hoenderachtigen vogel met korte, slechts eenigszins gekleurde vlekken

vertoonende staartdekvederen, en wij zullen dan voor het oog onzes

geestes een vogel zien verrijzen, die staartdekvederen bezit, welke

kunnen worden opgezet en uitgespreid, met twee gedeeltelijk

samenvloeiende oogvlekken versierd, en die bijna lang genoeg zijn om de

staartvederen te verbergen,—welke laatsten hun oogvlekken reeds

gedeeltelijk hebben verloren; om kort te gaan, wij zullen een

Polyplectron zien. De inkerving van de middelste schijf en de

omringende gordels van de oogvlek bij de beide soorten van pauw schijnt

mij duidelijk ten voordeele dezer beschouwingswijze te pleiten; en deze

inrichting is anders onverklaarbaar. De mannetjes van Polyplectron zijn

ongetwijfeld zeer fraaie vogels; maar hun schoonheid kan, gelijk ik

vroeger in den Londenschen Dierentuin opmerkte, als zij van een kleinen

afstand worden gezien, niet worden vergeleken met die van den pauw.

Vele vrouwelijke voorouders van den pauw moeten gedurende een lange

reeks van geslachten deze meerdere schoonheid op prijs hebben gesteld;

want zij hebben door voortdurend aan de fraaiste mannetjes de voorkeur

te geven, den pauw den prachtigsten van alle levende vogels gemaakt.

(6)

Argus-Fazant.—Een ander uitnemend geval ter onderzoeking leveren de

oogvlekken op de vleugelslagpennen van den Argus-fazant, die op zoo

wondervolle wijze zijn geschakeerd, dat zij op in holten liggende

ballen gelijken, en die derhalve van gewone oogvlekken verschillen.

Niemand zal, dunkt mij, de schakeering die de bewondering van vele

ervaren kunstenaars heeft opgewekt, toeschrijven aan het toeval—aan den

toevalligen samenloop van atomen kleurstof. Dat deze versierselen

zouden zijn gevormd door de teeltkeus van vele opeenvolgende

afwijkingen van welke geen enkele oorspronkelijk bestemd was om het

bal-en-holte effect voort te brengen, schijnt even ongeloofelijk, als

dat een van Raphael’s Madonna’s zou zijn gevormd door een toevallige

keus uit kladschilderijen van een lange opeenvolging van jonge

kunstenaars van welke geen enkele oorspronkelijk het voornemen had om

een menschelijk figuur te teekenen. Om te ontdekken op welke wijze de

oogvlekken zich hebben ontwikkeld, kunnen wij geen lange reeks van

voorouders, noch ook onderscheidene nauw verwante vormen vergelijken;

want die bestaan in den tegenwoordigen tijd niet. Gelukkig zijn echter

de verschillende vederen van den vleugel voldoende om ons een leiddraad

tot oplossing van het vraagstuk te geven, en zij bewijzen ons

overtuigend, dat een trapsgewijze overgang van een eenvoudige vlek tot

een voleindigde bal-en-holte oogvlek ten minste mogelijk is.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 10 / 39 段