weinige mede te deelen, dat ik ten opzichte der vrijage van het
pluimgedierte te weten ben gekomen. Ik heb over dit onderwerp lange
brieven van de heeren Hewitt en Tegetmeier en bijna een geheele
verhandeling van wijlen den heer Brent ontvangen. Iedereen zal
toegeven, dat deze heeren, zoo algemeen bekend door de werken die zij
hebben uitgegeven, zorgvuldige en ondervindingrijke waarnemers zijn.
Zij gelooven niet, dat de wijfjes aan zekere mannetjes wegens de
schoonheid van hun gevederte de voorkeur geven; maar men moet den
kunstmatigen toestand waarin zij lang hebben verkeerd, eenigszins in
rekening brengen. De heer Tegetmeier is overtuigd, dat een strijdhaan,
hoewel misvormd, daar hij door het afsnijden zijner vleeschlappen tot
ridder is geslagen („dubbed”), even gaarne zal worden aangenomen als
een haan die al zijn natuurlijke versierselen nog bezit. De heer Brent
echter veronderstelt, dat de schoonheid van het mannetje er toe
bijdraagt om het wijfje te bekoren; en haar toestemming is
noodzakelijk. De heer Hewitt is overtuigd, dat de vereeniging in geenen
deele aan het bloote toeval wordt overgelaten; want het wijfje geeft
bijna onveranderlijk de voorkeur aan het krachtigste, strijdlustigste
en vurigste mannetje; het is daarom bijna nutteloos, gelijk hij
opmerkt, „om te beproeven kuikens van een of ander zuiver ras te
verkrijgen, als een strijdhaan in goede gezondheid en toestand op de
plaats rondloopt; want bijna elke hen zal, als zij het rek verlaat, tot
den strijdhaan haar toevlucht nemen, zelfs al doet deze volstrekt geen
moeite om den haan van haar eigen ras weg te jagen.” Onder gewone
omstandigheden schijnen de hennen en hanen tot een wederkeerige
verstandhouding te komen door middel van zekere gebaren van welke de
heer Brent mij een beschrijving heeft gegeven. De hennen zullen echter
dikwijls de gedienstige oplettendheden van de jonge hanen versmaden.
Oude hennen en hennen van een strijdlustigen aard hebben, gelijk de
zelfde schrijver mij meldt, een afkeer van vreemde hanen, en zullen
zich niet aan hen overgeven, voordat zij in het gevecht het onderspit
hebben moeten delven. Ferguson beschrijft echter, hoe een twistzieke
hen zwichtte voor de teedere liefkoozingen van een Shanghaihaan. [179]
Er is reden om aan te nemen, dat duiven van beiderlei sekse bij
voorkeur met vogels van het zelfde ras paren; en duivenkot-duiven
hebben een afkeer van alle door kunstmatige teeltkeus sterk gewijzigde
rassen. [180] De heer Harrison Weir hoorde eenigen tijd geleden van een
geloofwaardig waarnemer die blauwe duiven houdt, dat deze alle anders
gekleurde verscheidenheden, zooals witte, roode en gele, wegjagen; en
van een anderen waarnemer, dat men er ondanks herhaalde proefnemingen
niet in kon slagen een donkerbruine postduif met een zwarten doffer te
doen paren, maar dat zij zulks dadelijk deed met een donkerbruinen
doffer.
Ook de heer Tegetmeier had een vrouwelijk blauw meeuwtje („turbit”),
dat hardnekkig weigerde te paren met twee mannetjes van het zelfde
duivenras, die achtereenvolgens weken lang met haar werden opgesloten;
maar, naar buiten gelaten, paarde zij onmiddellijk met de eerste de
beste blauwe Engelsche Pagadet-duif („dragon”). Daar zij een kostbare
vogel was, werd zij toen vele weken lang opgesloten met een
zilverkleurig (d.i. zeer bleek blauw) mannetje, en paarde daarmede ten
laatste. Over het algemeen schijnt de kleur echter op het paren van
duiven weinig invloed te hebben. De heer Tegetmeier heeft op mijn
verzoek eenige zijner vogels met magenta (3) gevlekt, maar de andere
sloegen daar weinig acht op.
Nu en dan gevoelen de vrouwelijke duiven een sterken tegenzin tegen
bepaalde doffers, zonder dat zich daarvoor eenige oorzaak laat
aanwijzen. Zoo getuigen de heeren Boitard en Corbié, wier ondervinding
zich over een tijdperk van vijf-en-veertig jaren uitstrekte: „Quand une
femelle éprouve de l’antipathie pour un mâle avec lequel on veut
l’accoupler, malgré tous les feux de l’amour, malgré l’alpiste et le
chenevis dont on la nourrit pour augmenter son ardeur, malgré un
emprisonnement de six mois et même d’un an, elle refuse constamment ses
caresses; les avances empressées, les agaceries, les tournoiements, les
tendres roucoulements, rien ne peut lui plaire ni l’émouvoir; gonflée,
boudeuse, blottie dans un coin de sa prison, elle n’en sort que pour
boire et manger, ou pour repousser avec une espèce de rage des caresses
devenues trop pressantes.” [181] Van den anderen kant heeft de heer
Harrison Weir zelf waargenomen en van onderscheidene duivenfokkers
gehoord, dat een vrouwelijke duif soms plotseling een sterken smaak
voor een bijzonderen doffer aan den dag legt en haar eigen doffer voor
hem verlaat. Sommige wijfjes zijn, volgens een ander ondervindingrijk
waarnemer, Riedel [182], van een losbandig karakter, en geven aan bijna
elken vreemdeling de voorkeur boven haar eigen doffer. Sommige
verliefde doffers die door onze Engelsche liefhebbers „gay birds”
worden genoemd, zijn zoo voorspoedig in hun liefdesavonturen, dat zij,
gelijk de heer H. Weir mij meldt, afzonderlijk moeten worden
opgesloten, uithoofde van het nadeel dat zij veroorzaken.
Volgens Audubon maken in de Vereenigde Staten wilde kalkoensche hanen
„somtijds het hof aan de tamme kalkoensche hennen, en worden door deze
over het algemeen met groot genoegen aangenomen.” Zoodat deze hennen
blijkbaar aan de wilde hanen de voorkeur geven boven haar eigen hanen.
[183]
Zie hier een nog merkwaardiger geval. Sir R. Heron teekende gedurende
vele jaren de gewoonten van de pauwen op, die hij in grooten getale
aanfokte. Hij betuigt, dat „de pauwinnen dikwijls een sterke voorliefde
voor een bijzonderen pauw aan den dag leggen. Zij waren allen zoo
verzot op een ouden gevlekten pauw, dat zij één jaar, toen hij
afzonderlijk opgesloten, hoewel nog in het gezicht was, voortdurend
waren vergaderd dicht bij de getraliede wanden van zijn gevangenis en
een zwartvleugel-pauw niet wilden toelaten haar aan te raken. Toen hij
in den herfst werd losgelaten, maakte de oudste der pauwinnen hem
dadelijk het hof, en was voorspoedig in haar vrijage. Het volgende jaar
werd hij in een stal opgesloten, en toen maakten al de pauwinnen het
hof aan zijn medeminnaar.” [184] Deze medeminnaar was een verlakte of
zwartvleugelige pauw, die in onze oogen een fraaier vogel is dan de
gewone soort.
Lichtenstein die een goed waarnemer was en aan de Kaap de Goede Hoop
uitnemend in de gelegenheid was om waarnemingen te doen, verzekerde
Rudolphi, dat de vrouwelijke weduwvogel (Chera progne) het mannetje
verloochent, wanneer hij van de lange staartvederen is beroofd,
waarmede hij gedurende den paartijd is versierd. Ik vermoed, dat deze
waarneming moet zijn gedaan op vogels in gevangen staat. [185] Ziehier
nog een ander treffend geval. Dr. Jaeger [186], directeur van den
dierentuin te Weenen, verhaalt, dat een mannelijke zilverlakensche
fazant die de overwinning over de andere mannetjes had behaald en de
erkende minnaar van de wijfjes was, van zijn tot sieraad strekkend
gevederte werd beroofd. Hij werd daarop dadelijk door een medeminnaar
vervangen, die de overhand verkreeg en daarna den troep aanvoerde.
Het is een opmerkelijk feit, omdat het bewijst, hoe belangrijk de kleur
is bij de vrijage der vogels, dat de heer Boardman, gedurende vele
jaren een welbekend liefhebber en waarnemer van vogels in de
Noordelijke Vereenigde Staten, gedurende den langen tijd, dat hij
waarnemingen deed, nooit een albino met een anderen vogel heeft zien
paren; toch had hij menigmaal gelegenheid vele albino’s, tot
verschillende soorten behoorende, waar te nemen. [187] Men kan moeilijk
volhouden, dat albino’s niet in staat zijn zich in den natuurstaat
voort te planten, daar zij zulks in gevangen staat met het grootste
gemak kunnen. Het schijnt dus, dat wij het feit, dat zij niet paren,
daaraan moeten toeschrijven, dat zij door hun normaal gekleurde
kameraden worden afgewezen.
Niet alleen oefent het wijfje een keus uit, maar in sommige gevallen
maakt zij het mannetje het hof, of vecht soms om zijn bezit. Sir R.
Heron verhaalt, dat bij pauwen de eerste stappen altijd door het wijfje
worden gedaan; iets van den zelfden aard heeft volgens Audubon met de
oude wijfjes van den wilden kalkoen plaats. Bij den grooten auerhaan
fladderen de wijfjes om het mannetje heên, terwijl hij op een der
vergaderplaatsen bezig is met pronken, en zoeken zijn aandacht te
trekken. [188] Wij hebben gezien, dat een getemde wilde eend een
onwilligen pijlstaartwoerd verleidde, na hem lang het hof te hebben
gemaakt. De heer Bartlett gelooft, dat de Lophophorus, evenals vele
andere Hoenderachtige Vogels, van nature veelwijvig is; doch twee
wijfjes kunnen niet met één mannetje in de zelfde kooi worden
geplaatst, omdat zij zooveel met elkander vechten. Het volgende
voorbeeld van medeminnarij wekt meer verwondering, daar het betrekking
heeft op goudvinken die gewoonlijk voor hun geheele leven paren. De
heer Jenner Weir bracht een dof gekleurd en leelijk wijfje in zijn
volière, en zij viel dadelijk een ander gepaard wijfje zoo onbarmhartig
aan, dat deze laatste moest worden weggenomen. Het nieuwe wijfje gaf
zich nu alle moeite om de liefde van het mannetje te verwerven, en
slaagde daarin ten laatste, want zij paarde met hem; maar na eenigen
tijd ontving zij haar rechtvaardige straf, want toen zij ophield
strijdlustig te zijn, plaatste de heer Weir het oude wijfje weder in de
volière, en het mannetje verliet toen zijn nieuw liefje en keerde tot
zijn oude terug.
In alle gewone gevallen is het mannetje zoo vurig, dat hij elk wijfje
zal aannemen, en niet, voorzoover wij kunnen oordeelen, aan het eene
boven het andere de voorkeur geeft; maar uitzonderingen op dezen regel
schijnen, zooals wij later zullen zien, in eenige weinige groepen voor
te komen. Bij tamme vogels heb ik slechts van één geval gehoord, waarin
de mannetjes eenige voorliefde vertoonen voor bijzondere wijfjes,
namelijk, dat van den huishaan die, volgens de hooge autoriteit van den
heer Hewitt, aan de jonge hennen de voorkeur boven de oude geeft.
Daarentegen is de heer Hewitt overtuigd, dat, wanneer men
bastaardvereenigingen tot stand brengt tusschen den mannelijken fazant
en gewone hennen, de fazant onveranderlijk aan de oudere vogels de
voorkeur geeft. Haar kleur schijnt in het minst geen invloed op hem te
hebben, maar hij is „hoogst grillig in zijn genegenheid.” [189] Wegens
de eene of andere onverklaarbare oorzaak toont hij den meest
volstrekten afkeer van sommige hennen, welken geen zorg van den kant
van den fokker kan te boven komen. Sommige hennen zijn, gelijk de heer
Hewitt mij meldt, volstrekt onaantrekkelijk, zelfs voor de mannetjes
van haar eigen soort, zoodat zij met verscheidene hanen gedurende een
geheel jaargetijde kunnen worden gehouden, en niet één ei van veertig
of vijftig zal blijken te zijn bevrucht. Bij de ijseend (Harelda
glacialis) „heeft men daarentegen opgemerkt”, zegt de heer Eckström,
„dat aan sommige wijfjes veel meer het hof werd gemaakt dan aan de
overige. Men ziet toch dikwijls een individu door zes of acht verliefde
mannetjes omringd.” Of deze getuigenis geloofbaar is, weet ik niet,
maar de inlandsche jagers schoten deze wijfjes om ze op te zetten en
dan als lokvogels te gebruiken. [190]
Ten opzichte van vrouwelijke vogels die een voorliefde voor bijzondere
mannetjes vertoonen, moeten wij bedenken, dat wij alleen kunnen
beoordeelen, of er een keus wordt uitgeoefend, als wij ons in onze
verbeelding in de zelfde positie verplaatsen. Als een bewoner van een
andere planeet in de gelegenheid was om een aantal boerenknapen op een
kermis te zien, bezig met een meisje het hof te maken en over haar te
twisten, gelijk vogels op een hunner vergaderplaatsen, zou hij alleen
in staat zijn af te leiden, dat zij het vermogen bezat om een keus te
doen, door de moeite die de vrijers deden om haar te behagen en met hun
opschik te pronken. Nu staat het bewijs bij vogels, als volgt: zij
hebben scherpe waarnemingsvermogens, en schijnen eenigen smaak te
hebben voor het schoone, zoowel wat kleur als wat geluid aangaat. Het
is zeker, dat de wijfjes nu en dan, wegens onbekende oorzaken, den
sterksten afkeer en voorliefde voor bepaalde mannetjes aan den dag
leggen. Als de seksen in kleur of in andere versiersels verschillen,
zijn de mannetjes op zeldzame uitzonderingen na het sterkst versierd,
hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk gedurende den paartijd. Zij geven
zich alle moeite om hun onderscheidene versierselen ten toon te
spreiden, oefenen hun stemmen en voeren vreemdsoortige vertooningen uit
in tegenwoordigheid van de wijfjes. Zelfs goed gewapende mannetjes die
men zou hebben kunnen denken, dat, wat hun voorspoed in de liefde
aanging, alleen van het gevecht afhankelijk waren, zijn in de meeste
gevallen sterk versierd; en hun versierselen zijn verkregen ten koste
van eenig verlies in strijdkracht. In andere gevallen zijn versierselen
verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor roofvogels en
verscheurende dieren. Bij onderscheidene soorten komen individu’s van
beide seksen op de zelfde plaats samen, en hun vrijage is een
langdurige zaak. Er is zelfs reden om te vermoeden, dat de mannetjes en
wijfjes in de zelfde streek er niet altijd in slagen om elkander te
behagen en te paren.
Wat moeten wij dus uit deze feiten en overwegingen besluiten? Spreidt
het mannetje zijn bekoorlijkheden met zooveel praal en wedijver ten
toon zonder eenig doel? Zijn wij niet gerechtigd om te gelooven, dat
het wijfje een keus doet, en dat zij de liefdesbetuigingen aanneemt van
het mannetje dat haar het meest behaagt? Het is niet waarschijnlijk,
dat zij met bewustheid overlegt; maar zij wordt het meest opgewekt of
aangetrokken door de fraaiste, welluidendste of dapperste mannetjes.
Ook behoeft niet te worden verondersteld, dat het wijfje elke gekleurde
streep of vlek bestudeert, dat de pauwin, bij voorbeeld, elke
bijzonderheid in den prachtigen staart van den pauw bewondert,—zij
wordt waarschijnlijk slechts getroffen door het algemeen effect. Na
echter te hebben gehoord met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant
zijn sierlijke primaire vleugel-slagpennen tentoonspreidt en zijn van
oogvlekken voorziene siervederen juist opricht in de stelling waarin
zij het meeste effect maken; of ook, hoe de mannelijke distelvink
beurtelings zijn met gouden vlekken pronkende vleugels tentoonspreidt,
mogen wij ons niet al te zeer overtuigd houden, dat het wijfje niet op
elke bijzonderheid van de schoonheid let. Wij kunnen, gelijk reeds is
opgemerkt, alleen beoordeelen, of er een keus wordt gedaan, uit de
analogie van onzen eigen geest; en als men de rede uitsluit (4),
bestaat er geen fundamenteel verschil tusschen de geestvermogens der
vogels en de onze. Uit deze verschillende overwegingen mogen wij
afleiden, dat de paring der vogels niet aan het toeval is overgelaten;
maar dat die mannetjes welke door hun verschillende bekoorlijkheden het
best in staat zijn om het wijfje te behagen of haar op te wekken, onder
gewone omstandigheden worden aangenomen. Indien men dit aanneemt, is
het niet zeer moeilijk om te begrijpen, hoe de mannelijke vogels
trapsgewijze hun tot sieraad dienende kenmerken hebben verkregen. Alle
dieren vertoonen individueele verschillen, en evenals de mensch zijn
tamme vogels kan wijzigen door voor de voortteling die individu’s uit
te kiezen, welke hem het fraaist schijnen, zal ook de gewone of zelfs
toevallige voorliefde van het wijfje voor de meer aantrekkelijke
mannetjes bijna zeker hun wijziging hebben geleid; en dergelijke
wijzigingen zullen in den loop van den tijd kunnen zijn geklommen tot
bijna elke hoogte die vereenigbaar was met het bestaan van de soort.
Veranderlijkheid (variabiliteit) der Vogels, en in het bijzonder van
hun secundaire Seksueele Kenmerken.—Veranderlijkheid (vatbaarheid voor
afwijking, variabiliteit) en erfelijkheid zijn de grondslagen voor het
werk der teeltkeus. Dat tamme vogels veel afwijkingen hebben vertoond
en hun afwijkingen zijn overgeërfd, is zeker. Dat vogels in den
natuurstaat individueele verschillen vertoonen, wordt door iedereen
aangenomen en dat zij somtijds tot onderscheidene rassen zijn
gewijzigd, gemeenlijk aangenomen. [191] Er zijn tweeërlei soort van
afwijkingen, namelijk die welke wij in onze onwetendheid voor een zelf
ontstaan houden en die welke in direct verband staan tot de omringende
levensvoorwaarden, zoodat alle of bijna alle individu’s van de zelfde
soort op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd.
Gevallen van de laatste soort zijn voor eenige jaren waargenomen door
den heer J. A. Allen [192], die aantoont, dat in de Vereenigde Staten
vele soorten van vogels allengs sterker worden gekleurd, naarmate men
meer zuidwaarts komt, en lichter gekleurd, naarmate men westwaarts de
dorre vlakten van het binnenland nadert. Beide seksen schijnen over het
algemeen op de zelfde wijze te worden aangedaan, maar soms de eene
sekse meer dan de andere. Dit resultaat is niet onvereenigbaar met het
geloof, dat de kleuren van vogels voornamelijk het gevolg zijn van de
opeenhooping van achtereenvolgende afwijkingen door seksueele
teeltkeus; want zelfs nadat de seksen zeer verschillend zijn geworden,
zou het klimaat een gelijke werking op de beide seksen kunnen
uitoefenen, of een grooter werking op de eene sekse dan op de andere,
ten gevolge van eenig verschil in gestel.
Individueele verschillen tusschen de leden van de zelfde soort geeft
men algemeen toe, dat in den natuurstaat voorkomen. Plotselinge en
sterk uitgesproken afwijkingen zijn zeldzaam, en het is zeer
twijfelachtig, of zij dikwijls door teeltkeus zijn bewaard gebleven en
dan op volgende geslachten zijn overgeplant. [193] Desniettemin kan het
wellicht de moeite waard zijn, de weinige gevallen die ik in staat was
te verzamelen, en die voornamelijk op de kleur betrekking hebben
(eenvoudig albinisme en melanisme uitgesloten zijnde (5)), hier mede te
deelen.
De heer Gould neemt, gelijk algemeen bekend is, slechts zelden het
bestaan van verscheidenheden (variëteiten) aan; want hij houdt zeer
kleine verschillen voor soortskenmerken; nu verhaalt hij [194], dat in
den omtrek van Bogota zekere kolibri’s, tot het geslacht Cynanthus
behoorende, in twee of drie rassen of verscheidenheden zijn verdeeld,
die van elkander verschillen door de kleur van den staart,—„daar bij
sommige al de staartvederen blauw zijn, terwijl bij andere de punten
van de acht middelste fraai groen zijn.” Het schijnt, dat er in dit en
in de volgende gevallen geen tusschenbeide liggende overgangsvormen
zijn waargenomen. Alleen bij de mannetjes van een der Australische
parkieten zijn „de dijen bij sommige scharlakenrood, bij andere
grasgroen.” Bij een anderen parkiet uit het zelfde land, „is de dwars
over de vleugeldekvederen loopende band bij sommige individu’s levendig
geel, terwijl hij bij andere rood gekleurd is.” [195] In de Vereenigde
Staten hebben eenige weinige mannetjes van den scharlakenrooden Tanager
(Tanagra rubra) „een fraaien dwarsband van gloeiend rood over de
kleinere vleugeldekvederen” [196]; maar deze afwijking schijnt
eenigszins zeldzaam te zijn, zoodat het bewaard blijven er van door
seksueele teeltkeus alleen onder ongewoon gunstige omstandigheden zou
volgen. In Bengalen heeft de gekuifde wespendief (Pernis cristata)
hetzij een kleine, of in het geheel geen kuif op zijn kop; zulk een
gering verschil zou echter niet waard zijn geweest om te worden
opgeteekend, zoo niet deze zelfde soort in zuidelijk Indië „op het
achterste gedeelte van den kop een goed uitgedrukte, uit verscheidene
trapsgewijze langer wordende vederen bestaande kuif” [197], had
bezeten.
Het volgende geval is in sommige opzichten nog belangwekkender. Een
gevlekte verscheidenheid (variëteit) van de raaf, waarvan de kop, borst
en onderbuik, en gedeeltelijk ook de vleugels en staartvederen wit
zijn, is tot de Faröer beperkt. Zij is daar niet zeer zeldzaam; want
Graba zag gedurende zijn bezoek van acht tot tien levende voorwerpen.
Hoewel de kenmerken van deze verscheidenheid niet volkomen standvastig
(constant) zijn, is er toch door onderscheidene uitstekende
vogelkenners (ornithologen) een afzonderlijke soortnaam aan gegeven.
Het feit, dat de gevlekte vogels met veel gedruisch werden nagezeten en
vervolgd door de andere raven van het eiland, was de hoofdoorzaak, die
er Brünnich toe bracht om te besluiten, dat zij soortelijk verschillend
waren; maar men weet nu, dat dit een dwaling was. [198]
In onderscheidene deelen van de noordelijke zeeën wordt een
merkwaardige verscheidenheid (variëteit) van den gewonen zeekoet (Uria
troile) gevonden, en op de Faröer behoort, volgens de schatting van
Graba, één van elke vijf vogels tot deze verscheidenheid. Zij wordt
gekenmerkt door een zuiver witten ring rondom het oog, met een kromme
smalle witte streep, 3,75 centimeter lang, die van uit den ring naar
achteren voortloopt. Dit in het oog loopende kenmerk veroorzaakt, dat
deze vogel door onderscheidene vogelkenners (ornithologen) als een
afzonderlijke soort is gerangschikt onder den naam van U. lacrymans;
maar men weet nu, dat het een bloote verscheidenheid is. Zij paart
dikwijls met de gewone soort, en toch zijn er nimmer tusschenbeide
liggende overgangsvormen gezien; en dit is ook niet te verwonderen,
want afwijkingen die plotseling verschijnen, worden dikwijls, gelijk ik
elders [199] heb aangetoond, hetzij onveranderd, hetzij in het geheel
niet overgeplant. Wij zien dus, dat twee verschillende vormen van de
zelfde soort in de zelfde streek naast elkander kunnen bestaan, en wij
kunnen niet betwijfelen, dat, wanneer de eene eenig groot voordeel
boven den anderen had bezeten, hij zich spoedig zou hebben vermeerderd
ten koste en met uitsluiting van den andere. Indien, bij voorbeeld, de
mannelijke gevlekte raven, in plaats van door hun kameraden te worden
vervolgd en verjaagd, in hooge mate aantrekkelijk waren geweest,
evenals de bovenvermelde gevlekte pauw, voor de gewone zwarte wijfjes,
zou hun aantal spoedig zijn toegenomen. En dit zou een geval van
seksueele teeltkeus zijn geweest. [200]
Wat de kleine individueele verschillen die in meerdere of mindere mate
aan al de individu’s van de zelfde soort gemeen zijn, aangaat, hebben
wij alle reden om te gelooven, dat zij verreweg het belangrijkst zijn
voor het werk der teeltkeus. Secundaire seksueele kenmerken zijn bij
uitstek onderhevig aan afwijking, zoowel bij dieren in den natuurstaat
als bij getemde dieren. [201] Er is ook reden om aan te nemen, gelijk
wij in ons achtste hoofdstuk hebben gezien, dat afwijkingen meer
geneigdheid hebben om zich bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke
sekse voor te doen. Al deze omstandigheden zijn in hooge mate gunstig
voor de seksueele teeltkeus. Of op die wijze verkregen kenmerken op
ééne sekse of op beide seksen worden overgeplant, hangt, gelijk ik in
het volgende hoofdstuk hoop aan te toonen, in de meeste gevallen
uitsluitend af van den vorm van erfelijkheid, die bij de groepen in
kwestie de overhand heeft.