De jachtopzichter van den heer Lubbock heeft herhaaldelijk, maar

hoevele malen kon hij niet zeggen, één van een paar Vlaamsche gaaien

(Garrulus glandarius) geschoten, en het miste nooit, of kort daarna

vond hij den overlever opnieuw gepaard. De weleerw. heer W. D. Fox, de

heer F. Bond en anderen hebben één van een paar kraaien (Corvus corone)

geschoten; maar het nest werd weldra opnieuw bewoond. Deze vogels zijn

vrij algemeen; maar Falco peregrinus is zeldzaam, en toch getuigt de

heer Thompson, dat, wanneer in Ierland „hetzij een oud mannetje of een

wijfje in den paartijd wordt gedood (hetgeen geen ongewone

omstandigheid is), in zeer weinig dagen een ander gezel wordt gevonden,

zoodat de nesten, niettegenstaande dergelijke gebeurlijkheden, zeker

zijn hun aandeel jongen te leveren.” De heer Jenner Weir wist, dat het

zelfde gebeurde met Falco peregrinus te Beachy Head. De zelfde

waarnemer meldt mij, dat drie torenvalken (Falco tinnunculis), allen

mannetjes, achtereenvolgens werden gedood, terwijl zij het zelfde nest

bezochten; twee daarvan waren in vollen vederdos, en de derde in het

gevederte van het vorige jaar. Een geloofwaardig jachtopzichter in

Schotland verzekerde den heer Birkbeck, dat zelfs bij den zeldzamen

gouden arend (Aquila chrysaëtos), wanneer de eene is gedood, spoedig

een andere wordt gevonden. Evenzoo heeft men waargenomen, dat bij den

kerkuil (Strix flammea) „de overlever weldra een gezel vond en het

ongeluk voorbijging.”

White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij,

dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen,

als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden

verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde

wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig

van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de

musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten

beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een

wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen

achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen,

betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje.

Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de

schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en

hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren

zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat

zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig

geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van

den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in

kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den

loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten,

wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit

mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar

spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten;

’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom

doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de

troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal

werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende

verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te

schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden;

maar het verlies werd dadelijk hersteld. Gedurende één jaargetijde

hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels

van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit

mannetjes als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet

zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen

opgekweekt. [164]

Deze feiten zijn zeker opmerkelijk. Hoe komt het, dat zoovele vogels in

staat zijn om een verloren gezel dadelijk te vervangen? Eksters,

Vlaamsche gaaien, kraaien, patrijzen en sommige andere vogels worden

gedurende het voorjaar nooit alleen gezien, en deze leveren op het

eerste gezicht het moeilijkst te verklaren geval op. Vogels van de

zelfde sekse leven echter, hoewel natuurlijk niet wezenlijk gepaard,

somtijds bij paren of in kleine troepjes, zooals bekend is, dat met

duiven en patrijzen het geval is. Somtijds leven de vogels ook bij

drietallen, zooals bij spreeuwen, kraaien, papegaaien en patrijzen is

waargenomen. Bij patrijzen zijn voorbeelden bekend zoowel van twee

wijfjes die met één mannetje, als van twee mannetjes die met één wijfje

leefden. In alle dergelijke gevallen is het waarschijnlijk, dat de

vereeniging gemakkelijk zou worden verbroken. Men kan de mannetjes van

sommige vogels nu en dan met hun liefdezang zien voortgaan lang na den

gewonen tijd, hetgeen aantoont, dat zij een gezellin hebben verloren of

nimmer verkregen. De dood van één van een paar, hetzij door ongeval of

door ziekte, zou den anderen vogel vrij en alleen overlaten; en er is

reden om te gelooven, dat vrouwelijke vogels gedurende den paartijd

bijzonder onderhevig zijn aan een vroegtijdigen dood. Evenzoo zouden

vogels wier nesten verwoest waren geworden of onvruchtbare paren, of

achterlijke individu’s, er gemakkelijk toe komen om hun gezellen te

verlaten, en zouden waarschijnlijk blijde zijn, als zij eenig deel

konden nemen aan de genoegens en de plichten van de opkweeking van

jongen, al waren die hun eigen ook niet. [165] Dergelijke

gebeurlijkheden als deze verklaren waarschijnlijk de meeste der

voorgaande gevallen. [166] Desniettemin is het een vreemd feit, dat er

in ééne en de zelfde streek, gedurende het toppunt van den paartijd,

altijd zoovele mannetjes en wijfjes gereed zouden staan om het verlies

van een gepaarden vogel te vergoeden. Waarom paren dergelijke

overgebleven vogels niet onmiddellijk met elkander? Hebben wij niet

enige reden om te vermoeden, en dit vermoeden is bij den heer Jenner

Weir opgekomen, dat het, daar de vrijage bij vele vogels een langdurige

en vervelende zaak schijnt te zijn, nu en dan gebeurt, dat zekere

mannetjes en wijfjes er gedurende den eigenlijken paartijd niet in

slagen om elkanders liefde op te wekken, en bij gevolg niet paren? Dit

vermoeden zal iets minder onwaarschijnlijk voorkomen, nadat wij zullen

hebben gezien, welk een sterken tegenzin en voorkeur vrouwelijke vogels

nu en dan jegens bijzondere mannetjes toonen.

Geestvermogens der Vogels en hun smaak voor het schoone.—Voor wij

verder de vraag bespreken, of de wijfjes de meest aantrekkelijke

mannetjes uitkiezen, of zich afgeven met den eersten den besten dien

zij ontmoeten, zal het raadzaam zijn kortelijks de geestvermogens der

vogels te beschouwen. Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht,

voor weinig ontwikkeld gehouden; maar toch kunnen eenige feiten worden

aangevoerd [167], die tot een tegenovergesteld besluit leiden. Weinig

ontwikkelde redeneerende vermogens zijn echter, gelijk wij bij den

mensch zien, vereenigbaar met sterke genegenheid, een scherp

waarnemingsvermogen en smaak voor het schoone, en het is met deze

laatste hoedanigheden, dat wij hier hebben te maken. Men heeft dikwijls

gezegd, dat papegaaien zich zoo sterk aan elkander hechten, dat,

wanneer de eene sterft, de andere gedurende langen tijd kwijnt; maar de

heer Jenner Weir denkt, dat bij de meeste vogels de sterkte van hun

genegenheid voor elkander zeer overdreven is geworden. Desniettemin

heeft men, als één van een paar in den natuurstaat werd doodgeschoten,

den overlever dagen achtereen een klaagtoon hooren voortbrengen; en de

heer St. John [168] deelt verscheidene feiten mede, waaruit de

wederkeerige gehechtheid van gepaarde vogels blijkt. De heer Bennet

verhaalt [169], dat in China, nadat een woerd van het fraaie

madarijnras was gestolen, de eend ontroostbaar bleef, hoewel haar

vlijtig het hof werd gemaakt door een anderen madarijn-woerd die al

zijn bekoorlijkheden voor haar tentoonspreidde. Na verloop van drie

weken kreeg men den gestolen woerd terug, en dadelijk herkende het paar

elkander met de uiterste vreugde. Spreeuwen kunnen echter, gelijk wij

hebben gezien, op een enkelen dag driemaal over het verlies van hun

gezel worden getroost. In den Londenschen Dierentuin hebben papegaaien

hun vroegere meesters duidelijk herkend na een tijdsverloop van eenige

maanden. Duiven hebben zulk een uitnemend geheugen voor plaatsen, dat

men ze na een tijdsverloop van negen maanden naar hun vroegere woningen

heeft zien terugkeeren, en toch hoor ik van den heer Harrison Weir,

dat, als men een paar dat in den natuurstaat levenslang met elkander

zou blijven leven, in den winter gedurende eenige weinige weken van

elkander scheidt en met andere vogels doet paren, de beide vogels, als

men ze weder bij elkander brengt, zelden, zoo ooit, elkander herkennen.

Vogels geven soms blijken van welwillende gevoelens; zij zullen de

verlaten jongen zelfs van andere soorten voeden; maar dit moet wellicht

als een vergissing van het instinkt worden beschouwd. Zij zullen ook,

gelijk in een vroeger gedeelte van dit werk is aangetoond, volwassen

vogels van hun eigen soort, die blind zijn geworden, voeden. De heer

Buxton geeft een merkwaardig verhaal van een papegaai die zorg droeg

voor een door de vorst beschadigden en verminkten vogel van een andere

soort, zijn vederen schoon maakte en hem verdedigde tegen de aanvallen

van de andere papegaaien die vrij in zijn tuin omzwierven. Het is een

nog merkwaardiger feit, dat deze vogels blijkbaar eenig medegevoel

toonen voor de genoegens hunner makkers. Toen een paar kakatoe’s een

nest in een acaciaboom maakten, „was het koddig om te zien, welk een

buitensporig belang de anderen van de zelfde soort in die zaak

stelden.” Deze papegaaien gaven ook bewijzen van onbegrensde

nieuwsgierigheid en bezaten blijkbaar het „denkbeeld van eigendom en

bezit.” [170]

Vogels bezitten scherpe waarnemingsvermogens. Iedere gepaarde vogel

herkent natuurlijk zijn gezel. Audubon verhaalt, dat van de

spotlijsters der Vereenigde Staten (Mimus polyglottus) een zeker aantal

gedurende het geheele jaar in Louisiana blijven, terwijl de anderen

naar de oostelijke staten verhuizen; deze laatsten worden bij hun

terugkomst dadelijk door hun zuidelijke broeders herkend en altijd

aangevallen. Vogels in gevangen staat onderscheiden verschillende

personen, gelijk wordt bewezen door den sterken en blijvenden tegenzin

of genegenheid die zij, schijnbaar zonder eenige reden, voor zekere

individu’s vertoonen. Ik heb daarvan talrijke voorbeelden gehoord bij

Vlaamsche gaaien, patrijzen, kanarievogels en vooral goudvinken. De

heer Hussey heeft beschreven, op hoe buitengewone wijze een tamme

patrijs iedereen herkende, en zijn genegenheid en afkeer waren zeer

sterk. De vogel scheen „verzot op levendige kleuren, en men kon geen

nieuwe japon aantrekken of nieuwe muts opzetten zonder zijn aandacht op

te wekken.” [171] De heer Hewitt heeft zorgvuldig de gewoonten van

eenige eenden (van voor korten tijd getemde vogels afstammende)

beschreven die bij de nadering van een wilden hond of kat hals over kop

naar het water snelden en zich uitputten in hun pogingen om te

ontsnappen; maar des heeren Hewitt’s eigen honden of katten kenden zij

zoo goed, dat zij vlak bij hen gingen liggen om zich in de zon te

koesteren. Zij vluchtten altijd weg voor een vreemdeling en even zoo

ook voor de dame die hen verzorgde, als deze de eene of andere groote

verandering in haar kleeding maakte. Audubon verhaalt, dat hij een

wilden kalkoen opkweekte en temde, die altijd wegliep voor elken

vreemden hond; deze vogel ontsnapte in het woud, en eenige dagen later

zag Audubon, gelijk hij dacht, een wilden kalkoen en liet er zijn hond

jacht op maken; maar tot zijn verwondering liep de vogel niet weg, en

viel de hond, toen hij er bij kwam, den vogel niet aan; want zij

herkenden elkander wederkeerig als oude vrienden. [172] (2)

De heer Jenner Weir is overtuigd, dat vogels bijzondere aandacht wijden

aan de kleuren van andere vogels, somtijds uit ijverzucht, en somtijds

als een teeken van verwantschap. Zoo zette hij een rietgors (Emberiza

schoeniclus), die zijn zwarten kop had verkregen, in zijn vogelhuis

(volière) en geen der vogels sloeg op den nieuw aangekomene acht,

behalve een goudvink, die ook een zwarten kop heeft. Deze goudvink was

een zeer rustige vogel en had vroeger nooit met een zijner kameraden,

een andere rietgors die nog geen zwarten kop had gekregen, daaronder

begrepen, twist gehad; maar de rietgors met een zwarten kop werd zoo

ongenadig behandeld, dat hij uit het vogelhuis (volière) moest worden

genomen. De heer Weir was ook genoodzaakt er een roodborstje uit te

nemen, daar dit alle vogels die eenig rood in hun gevederte hadden,

maar geen andere soorten, heftig aanviel; het doodde werkelijk een

roodborstigen kruisbek en bijna ook een distelvink. Hij heeft van den

anderen kant ook opgemerkt, dat sommige vogels, als zij pas in zijn

vogelhuis (volière) werden gebracht, naar de soorten toe vlogen, die in

kleur het meest op hen geleken, en zich aan hun zijde neêrzetten.

Daar mannelijke vogels met zooveel zorg met hun schoon gevederte en

andere versierselen in tegenwoordigheid van de wijfjes pronken, is het

blijkbaar waarschijnlijk, dat deze de schoonheid harer minnaars

waardeeren. Het is echter moeilijk om directe bewijzen te verkrijgen

van hun vermogen om schoonheid te waardeeren. Wanneer vogels hun eigen

beeld in een spiegel aanstaren (waarvan vele voorbeelden zijn

opgeteekend), kunnen wij niet met zekerheid zeggen, dat dit niet uit

ijverzucht op een onderstelden mededinger is, hoewel dit niet het

besluit van sommige waarnemers is. In andere gevallen is het moeilijk

te onderscheiden tusschen bloote nieuwsgierigheid en bewondering. Het

is wellicht het eerste gevoel dat, gelijk Lord Lilford getuigt [173],

den kemphaan tot elk helder gekleurd voorwerp trekt, zoodat hij op de

Jonische eilanden „op een levendig gekleurden zakdoek zal neêrschieten,

zonder op herhaalde schoten te letten.” De gewone leeuwerik wordt uit

de lucht naar omlaag gelokt en in grooten getale gevangen, door een

kleinen spiegel dien men in beweging brengt, zoodat hij in de zon

glinstert. Is het bewondering of nieuwsgierigheid, die er den ekster,

de raaf en sommige andere vogels toe brengt, om schitterende

voorwerpen, zooals zilveren sieraden of juweelen, te stelen en te

verbergen?

De heer Gould zegt, dat sommige kolibri’s de buitenzijde hunner nesten

„uiterst smaakvol” versieren; „zij hechten daaraan instinktmatig fraaie

platte stukken van korstmossen vast, de grootste in het midden en de

kleinere op het deel dat aan den tak is vastgehecht. Nu en dan wordt

een fraaie veder er aan de buitenzijde ingevlochten of op vastgemaakt

terwijl de schacht daarbij steeds zoo wordt geplaatst, dat de vlag aan

de buitenzijde uitsteekt.” Het beste bewijs van een smaak voor het

schoone wordt echter opgeleverd door de drie reeds vermelde geslachten

van Australische priëelvogels. Hun priëelen (Fig. 48), waarin de seksen

samenkomen en vreemde vertooningen uitvoeren, worden op verschillende

wijze gebouwd; maar, wat ons het meest aangaat, is, dat zij door de

onderscheidene soorten op verschillende wijze worden versierd. De

Priëelvogel verzamelt levendig gekleurde voorwerpen, zooals de blauwe

staartvederen van parkieten, gebleekte beenderen en schelpen die hij

tusschen de twijgen steekt, of aan den ingang schikt. De heer Gould

vond in een priëel een net bewerkte steenen tomahawk en een reepje

blauw katoen, blijkbaar uit een legerplaats der inboorlingen

weggenomen. Deze voorwerpen worden door de vogels, wanneer zij aan het

spel zijn, voortdurend opnieuw geschikt en rond gedragen. Het priëel

van den gevlekten priëelvogel „is fraai bekleed met groote grashalmen,

zoo gerangschikt, dat de toppen elkander bijna ontmoeten, en de

versierselen zijn zeer overvloedig.” Ronde steentjes worden gebruikt om

de grashalmen op hun plaats te houden en om uiteenloopende paadjes te

maken, die naar het priëel leiden. De steentjes en schelpen worden

dikwijls van een grooten afstand aangevoerd. De regentvogel versiert,

volgens de beschrijving van den heer Ramsay, zijn kort priëel met

gebleekte slakkenhuizen, tot vijf of zes soorten behoorende, en met

„bessen van verschillende kleuren, blauw, rood en zwart, die het,

wanneer zij versch zijn, een zeer fraai aanzien geven. Behalve deze

waren er onderscheidene pas opgepikte bladeren en jonge scheuten van

een bleekroode kleur, terwijl het geheel stellig smaak voor het schoone

bewees.” Wel mag de heer Gould zeggen: „deze sterk versierde

vergaderplaatsen moeten worden beschouwd als de meest wondervolle

voorbeelden van de bouwkunst der vogels, die tot dusver zijn ontdekt”;

en, gelijk wij zien, verschilt ongetwijfeld de smaak der onderscheidene

soorten. [174]

Voorkeur door de Wijfjes jegens bijzondere Mannetjes getoond.—Na deze

voorafgaande opmerkingen omtrent het onderscheidingsvermogen en den

smaak van vogels, zal ik alle mij bekende feiten mededeelen, die

betrekking hebben op de voorkeur, door het wijfje voor bijzondere

mannetjes getoond. Het is zeker, dat verschillende soorten van vogels

in den natuurstaat nu en dan met elkander paren en bastaarden

voortbrengen. Vele voorbeelden zouden daarvan kunnen worden aangehaald:

zoo verhaalt Macgillivray hoe een mannelijke merel en een vrouwelijke

lijster, „op elkander verliefd werden”, en jongen voortbrachten. [175]

Verscheidene jaren geleden zijn achttien gevallen opgeteekend van het

voorkomen in Groot-Brittannië van bastaarden tusschen het korhoen en

den fazant [176]; maar de meeste dezer gevallen kunnen wellicht worden

verklaard, doordat enkele vogels geen van hun eigen soort vinden om

mede te paren. Bij andere vogels zijn, gelijk de heer Jenner Weir reden

heeft te gelooven, bastaarden soms het gevolg van den toevalligen

omgang tusschen vogels die in elkanders onmiddellijke nabijheid hun

nest bouwen. Deze opmerkingen zijn echter niet toepasselijk op de vele

opgeteekende voorbeelden van tamme vogels, tot verschillende soorten

behoorende, die volkomen betooverd door elkander waren, hoewel zij in

gezelschap van individu’s hunner eigen soort leefden. Zoo verhaalt

Waterton [177], dat een wijfje, tot een toom van drie-en-twintig

Canada-ganzen behoorende, met een eenzaam levende mannelijke rotgans

paarde, hoewel deze zoozeer in uiterlijk en grootte van haar

verschilde, en dat zij bastaardkroost voortbrachten. Van een mannelijke

smient (Mareca penelope), met een wijfje van de zelfde soort levende,

is het bekend, dat hij met een pijlstaarteend (Querquedula acuta)

paarde. Lloyd beschrijft de opmerkelijke wederkeerige gehechtheid van

een mannelijke schildeend (Tadorna vulpanser) en een gewone eend. Nog

vele voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd; en de

weleerw. heer E. S. Dixon merkt op, dat „zij die vele verschillende

soorten van ganzen tegelijkertijd hebben gehouden, wel weten, welke

onverklaarbare genegenheden zij dikwijls voor elkander opvatten, en dat

zij even gaarne paren en jongen voortbrengen met individu’s van een ras

dat schijnbaar het meest verschillend van hen is, als met hun eigen

ras.”

De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat hij tegelijkertijd een paar

Chineesche ganzen (Anser cygnoides) en een gewonen ganzerik met drie

ganzen heeft bezeten. De beide soorten leefden elk geheel op zich zelf,

tot de Chineesche ganzerik een van de gewone ganzen verleidde om met

hem te leven. Daarenboven waren van de jonge vogels, opgekweekt uit de

eieren der gewone ganzen, slechts vier zuiver, terwijl de achttien

anderen bastaarden bleken te zijn; zoodat de Chineesche ganzerik veel

grooter bekoorlijkheden schijnt te hebben bezeten, dan de gewone

ganzerik. Ik wil nog slechts één ander geval mededeelen: de heer Hewitt

verhaalt, dat een in gevangen staat opgekweekte wilde eend, „na een

paar jaren met haar eigen woerd te hebben geleefd, hem op eens

verstootte, toen ik een mannelijke pijlstaarteend in het water

plaatste. Het was blijkbaar een geval van liefde op het eerste gezicht;

want zij zwom naar den nieuw aangekomene heên en overlaadde hem met

liefkozingen, hoewel hij blijkbaar verontrust door en afkeerig van haar

liefdesbetuigingen scheen. Van dat uur af vergat zij haar ouden

minnaar. De winter ging voorbij en in de volgende lente scheen de

pijlstaartwoerd te zijn overgehaald door haar liefkozingen; want zij

nestelden te zamen en brachten zeven of acht jongen voort.”

Wat de bekoring in deze verschillende gevallen mag zijn geweest,

behalve eenvoudig de nieuwheid, kunnen wij zelfs niet gissen. De kleur

komt echter soms in het spel; want als men bastaarden wil verkrijgen

van het sijsje (Fringilla spinus) en den kanarievogel, slaagt men,

volgens Bechstein, verreweg het best, als men vogels van de zelfde

kleur bij elkander zet. De heer Jenner Weir zette een vrouwelijken

kanarievogel in zijn vogelhuis (volière), waarin zich mannelijke

kneutjes, distelvinken, sijsjes, groenlingen, vinken en andere vogels

bevonden om te zien, welken zij zou kiezen; maar er was nooit eenige

twijfel en de groenling behaalde de zegepraal. Zij paarden en brachten

bastaardkroost voort.

Bij de leden van de zelfde soort trekt het feit, dat het wijfje liever

met het eene mannetje paart dan met het andere, niet zoo gemakkelijk de

aandacht, als wanneer dit tusschen verschillende soorten plaats heeft.

Dergelijke gevallen kunnen het best worden waargenomen bij tamme of

opgesloten vogels; maar deze zijn dikwijls door overvloedig voedsel

weelderig gemaakt en hun instinkten zijn dikwijls uitermate bedorven.

Van dit laatste feit zou ik voldoende bewijzen kunnen geven ten

opzichte van duiven, en vooral van hoenders, doch zij kunnen hier niet

worden medegedeeld. Bedorven instinkten kunnen wellicht ook eenige van

de bastaardvereenigingen verklaren, waarop boven is gezinspeeld; maar

in vele van deze gevallen waren de vogels in de gelegenheid zich

vrijelijk over groote vijvers te verspreiden, en is er geen reden om te

veronderstellen, dat zij onnatuurlijk werden geprikkeld door

overvloedig voedsel.

Ten opzichte van vogels in den natuurstaat is de eerste en meest voor

de hand liggende veronderstelling die iedereen zal invallen, dat het

wijfje zich in den paartijd aan het eerste mannetje het beste dat zij

ontmoet, overgeeft; maar zij is ten minste in de gelegenheid om een

keus te doen, daar zij bijna onveranderlijk door vele mannetjes wordt

vervolgd. Audubon—en wij moeten bedenken, dat hij een lang leven

doorbracht met in de bosschen der Vereenigde Staten rond te zwerven en

daar waarnemingen omtrent de vogels te doen—betwijfelt niet, dat het

wijfje met overleg haar gezel kiest; zoo zegt hij van een specht

sprekende, dat het wijfje door een half dozijn vroolijke vrijers wordt

gevolgd, die voortgaan met vreemdsoortige vertooningen uit te voeren,

„totdat zij aan een van hen duidelijk de voorkeur geeft.” Het wijfje

van den roodvleugeligen spreeuw (Agelaius phoeniceus) wordt ook door

onderscheidene mannetjes vervolgd, „totdat zij, moede wordende,

neêrstrijkt, hun liefdebetuigingen ontvangt, en weldra een keus doet.”

Hij beschrijft ook hoe onderscheidene mannelijke nachtzwaluwen

herhaaldelijk met verbazende snelheid door de lucht duiken, zich

daarbij plotseling omkeeren, en op die wijze een vreemdsoortig geluid

voortbrengen; „maar zoodra het wijfje een keus heeft gedaan, worden

onmiddellijk de andere mannetjes weggejaagd.” Bij een van de gieren

(Cathartes aura) van de Vereenigde Staten verzamelen zich troepen van

acht of tien of meer mannetjes en wijfjes op omgevallen boomstammen,

„de sterkste begeerte om wederkeerig te behagen aan den dag leggende”,

en na vele liefkozingen vliegt elk mannetje met zijn gezellin weg.

Audubon nam ook de wilde vluchten van Canada-ganzen (Anser Canadensis)

zorgvuldig waar, en geeft een levendige beschrijving van hun

liefdevertooningen; hij zegt, dat de vogels die te voren gepaard waren

geweest, „hun vrijage in de maand Januari hernieuwden, terwijl de

anderen alle dagen uren lang met elkander vochten en coquetteerden,

totdat allen voldaan schenen met de keus die zij hadden gedaan, waarna,

hoewel zij te zamen bleven, iedereen gemakkelijk kon opmerken, dat de

paren zorgvuldig in stand werden gehouden. Ik heb ook opgemerkt, dat,

hoe ouder de vogels waren, hoe korter het voorspel van hun vrijage

duurde. De jongelieden en de oude vrijsters gingen, hetzij uit spijt,

of omdat zij ongaarne door het gewoel werden gestoord, rustig zijwaarts

en legden zich op eenigen afstand van de overige neder.” [178] Vele

gelijksoortige getuigenissen ten opzichte van andere vogels zouden aan

dezen zelfden waarnemer kunnen worden ontleend.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 8 / 39 段