Wij zullen nu overgaan tot mannelijke vogels die volstrekt in geen

hooge mate zijn versierd, maar desniettemin bij hun vrijage de weinige

bekoorlijkheden die zij hebben, zooveel mogelijk tentoonspreiden. Deze

gevallen zijn in sommige opzichten merkwaardiger dan de voorgaande en

zijn slechts weinig opgeteekend. Ik kan de volgende feiten mededeelen,

uitgezocht uit een groot aantal belangrijke aanteekeningen, mij door

den heer Jenner Weir gezonden, die lang vogels van vele soorten, al de

Britsche Vinken (Fringillidae) en Gorzen (Emberizidae) insluitende,

bezat. De goudvink gaat, als hij zijn hof maakt, tegenover het wijfje

staan en zet dan zijn borst op, zoodat veel meer van de karmozijnroode

vederen worden gezien dan anders het geval zou zijn. Tegelijkertijd

draait en buigt hij zijn zwarten staart op potsierlijke wijze van de

eene zijde naar de andere. Het mannetje van den gewonen vink gaat ook

tegenover het wijfje staan en vertoont zoo zijn roode borst en „blauwe

klok” („blue bell”), zooals de (Engelsche) vogelvangers zijn kop

noemen; tegelijkertijd spreidt hij zijn vleugels een weinig uit, zoodat

de zuiver witte banden op de schouders in het gezicht vallen. Het

gewone kneutje zet zijn rozenroode borst op, spreidt zijn bruine

vleugels en staart uit, zoodat zij zich zoo voordeelig mogelijk

voordoen, doordat hun witte randen in het gezicht komen. Wij moeten

echter niet te overijld besluiten, dat de vleugels worden uitgespreid

om te pronken, daar sommige vogels, wier vleugels niet fraai zijn, ook

zoo handelen. Dit is het geval met den huishaan, maar het is altijd de

vleugel aan de van het wijfje afgekeerde zijde, die wordt uitgespreid

en tegelijkertijd over den grond geschuurd. Het mannetje van den

distelvink gedraagt zich anders dan alle andere vinken; zijn vleugels

zijn fraai, daar de schouders zwart en de donkergepunte vleugelvederen

witgevlekt en met goudgeel omzoomd zijn. Als hij het wijfje het hof

maakt, zwaait hij zijn lichaam van de eene zijde naar de andere en

draait snel zijn een weinig uitgespreide vleugels eerst naar de eene en

dan naar de andere zijde, hetgeen het effect van een goud-geflikker

maakt. Geen andere Britsche vink draait zich, gelijk de heer Weir mij

mededeelt, gedurende zijn vrijage op deze wijze van de eene zijde naar

de andere, zelfs niet het nauw verwante mannelijke sijsje; want het zou

daardoor zijn schoonheid niet verhoogen.

De meeste Britsche Gorzen zijn effen gekleurde vogels, doch in de lente

krijgen de kopvederen van den mannelijken rietgors (Emberiza

schoeniclus) een fraaie zwarte kleur door het afvallen van de vuil

gekleurde punten; en deze kopvederen worden gedurende de vrijage

opgezet. De heer Weir heeft twee soorten van Australische rijstvogels

(Amadina) in zijn bezit gehad; de A. castanotis is een zeer kleine en

zedig gekleurde vogel, met een donkeren staart, witten romp, en

gitzwarte bovenste staartdekvederen, terwijl elk van deze laatsten is

geteekend met drie groote opzichtige ovale witte plekken. [154] Het

mannetje van deze soort spreidt, wanneer hij het wijfje het hof maakt,

deze gedeeltelijk gekleurde staartdekvederen eenigszins uit en doet ze

op een zeer bijzondere wijze trillen. Het mannetje van Amadina Lathami

gedraagt zich geheel anders, en spreidt voor het wijfje zijn prachtig

gevlekte borst, scharlakenrooden romp en scharlakenroode bovenste

staartdekvederen ten toon. Ik kan hier op gezag van Dr. Jerdon

bijvoegen, dat de Indische Bulbul (Pycnonotus haemorrhous)

karmozijnroode onderste staartdekvederen heeft, en men zou wellicht

denken, dat de schoonheid van deze vederen nimmer goed ten toon kon

worden gespreid, maar de vogel „spreidt ze, als hij opgewekt is,

dikwijls zijdelings uit, zoodat zij zelfs van boven kunnen worden

gezien.” [155] De gewone duif heeft iriseerende vederen op de borst, en

iedereen moet hebben opgemerkt, hoezeer het mannetje zijn borst opzet,

terwijl hij het wijfje het hof maakt, en op die wijze deze vederen op

zijn voordeeligst doet uitkomen. Een van de fraaie duiven met

bronskleurige vleugels van Australië (Ocyphaps lophotes) gedraagt zich,

volgens de mij door den heer Weir gegeven beschrijving, geheel anders;

het mannetje buigt, terwijl hij voor het wijfje staat, zijn kop bijna

tot den grond toe neder, spreidt zijn staart uit en steekt dien

loodrecht omhoog, en spreidt zijn vleugels half uit. Daarna beweegt hij

langzaam zijn lichaam beurtelings op en neêr, zoodat de iriseerende

metaalglanzende vederen allen tegelijk worden gezien en in de zon

schitteren.

Er is nu een voldoend aantal feiten medegedeeld om aan te toonen,

hoeveel zorg de mannelijke vogels aanwenden om met hun verschillende

bekoorlijkheden te pronken, en zij doen dit met de uiterste

bekwaamheid. Terwijl zij hun vederen gladstrijken, hebben zij

veelvuldig de gelegenheid om zich zelf te bewonderen en te bestudeeren,

hoe zij het best hun schoonheid zullen tentoonspreiden. Daar echter al

de mannetjes van ééne en de zelfde soort op volkomen de zelfde wijze

pronken, schijnt het, dat handelingen die oorspronkelijk wellicht met

voordacht werden verricht, instinktmatig zijn geworden. Indien dit zoo

is, behoeven wij de vogels niet van zelfbewuste ijdelheid te

beschuldigen; doch als wij een pauw met zijn uitgespreide en sidderende

staartvederen zien pronken, schijnt hij het ware zinnebeeld van trots

en ijdelheid.

De verschillende versierselen die door de mannetjes worden bezeten,

zijn zeker voor hen van het hoogste belang, want zij zijn in sommige

gevallen verkregen ten koste van een groote belemmering van het vlieg-

of loopvermogen. De Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis), bij welke

gedurende den paartijd een der primaire vleugel-slagpennen zich tot een

uiterst langen wimpel ontwikkelt, wordt daardoor zeer in zijn vlucht

vertraagd, ofschoon hij op andere tijden opmerkelijk snel vliegt. Men

zegt, dat de „onhandelbare grootte” van de secundaire

vleugel-slagpennen van den mannelijken Argus-fazant „den vogel bijna

geheel van zijn vliegvermogen berooven.” De schoone siervederen van

mannelijke Paradijsvogels hinderen hen gedurende een sterken wind. De

uiterst lange staartvederen van de mannelijke weduwvogels (Vidua) van

Zuid-Afrika maken „hun vlucht zwaar”; maar zoodra deze zijn afgeworpen,

vliegen zij even goed als de wijfjes. Daar de vogels altijd broeien in

den tijd waarin het voedsel overvloedig is, hebben de mannetjes

waarschijnlijk bij het zoeken van voedsel geen last van de belemmering

van hun bewegingsvermogen; maar het kan moeilijk worden betwijfeld, dat

zij meer kans hebben om door roofvogels te worden neêrgeveld. Evenmin

kunnen wij betwijfelen, dat de lange staart van den pauw en de lange

staart en vleugelvederen van den Argus-fazant hen een meer gemakkelijke

prooi voor de eene of andere op den loer liggende tijgerkat moeten

maken, dan anders het geval zou zijn. Het kan zelfs niet missen, dat de

levendige kleuren van vele mannelijke vogels hen aan hun vijanden van

allerlei soort in ’t oog doen vallen. Vandaar komt waarschijnlijk,

gelijk de heer Gould heeft opgemerkt, dat dergelijke vogels over het

algemeen schuw van aard zijn alsof zij zich bewust zijn, dat hun

schoonheid een bron van gevaar is, en veel moeilijker zijn te ontdekken

of te naderen, dan de somber gekleurde en vergelijkenderwijze makke

wijfjes, of dan de jonge en nog niet versierde mannetjes. [156]

Het is een nog opmerkenswaardiger feit, dat de mannetjes van sommige

vogels, die van bijzondere wapenen voor het gevecht zijn voorzien, en

die in den natuurstaat zoo strijdlustig zijn, dat zij elkander dikwijls

dooden, lijden onder het bezit van zekere versierselen. De bezitters

van strijdhanen korten de sikkelvormige vederen in en snijden den kam

en de kwabben van hun hanen af; en men zegt dan, dat de vogels tot

ridder geslagen („dubbed”) zijn. Een niet tot ridder geslagen

(„undubbed”) haan is, gelijk de heer Tegetmeier met aandrang opmerkt,

„vreeselijk in het nadeel: de kam en kwabben bieden aan zijn

tegenstander een gemakkelijk punt om vast te houden aan, en daar een

haan altijd treft, waar hij vast heeft, heeft hij zijn vijand, wanneer

hij hem eens heeft gegrepen, geheel in zijn macht. Zelfs als men

veronderstelt dat de vogel niet wordt gedood, is het bloedverlies dat

door een niet tot ridder geslagen haan wordt geleden, veel grooter dan

dat van een haan die zulks wel is.” [157] Jonge kalkoensche hanen

houden elkander bij het vechten bij de vleeschlappen vast, en ik

vermoed, dat de oude vogels op de zelfde wijze vechten. Men zal mij

wellicht tegenwerpen, dat de kam en de vleeschlappen geen versiering

zijn, en den vogels daartoe niet kunnen dienen; maar zelfs in onze

oogen wordt de schoonheid van den glanzend zwarten Spaanschen haan veel

verhoogd door zijn wit gelaat en karmozijnrooden kam; en niemand die

ooit de prachtige blauwe vleeschlappen van den mannelijken

Tragopan-fazant heeft gezien, als zij gedurende de vrijage zijn

opgezwollen, kan een oogenblik betwijfelen, dat schoonheid het doel is.

Uit de voorgaande feiten zien wij duidelijk, dat de siervederen en

andere versierselen van het mannetje van het hoogste belang voor hem

moeten zijn, en wij zien verder, dat in sommige gevallen schoonheid

zelfs nog belangrijker is dan voorspoed in het gevecht.

AANTEEKENINGEN.

(1) Darwin noemt Cairina moschata „the musk-duck”; ook de meest gewone

Nederlandsche naam is muskuseend. Het is met deze drie namen als met

het oude lucus a non lucendo, daar de vogel nimmer een spoor van

muskusgeur verspreidt [158], in tegenstelling van de verwante

Australische muskuseend (Biziura lobata), die haar naam met eere draagt

(vergelijk blz. 37). Zie mijn aant. op Hoofdstuk VIII van het

„Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 351.

(2) Blasius en Keyzerling hebben, op grond van de onderzoekingen van

Johannes Müller, de Orde der Insessores in twee afdeelingen verdeeld,

namelijk die der Oscines of eigenlijke Zangvogels en die der Clamatores

of Schreeuwvogels. Hun stelsel is later door A. Wagner voltooid.

Behalve door verschillende andere meer of min belangrijke kenmerken

onderscheiden de Oscines zich van de Clamatores door het bezit van een

waren zangtoestel. Tot de Oscines brengt men dan de Families der

Lijsters (Turdidae), Zangers (Sylviadae), Kwikstaarten (Motacillidae),

Zwaluwen (Hirundinidae), Vliegenvangers (Muscicapidae), Klauwieren

(Laniadae), Honigvogels (Nectarinidae), Kruipvogels (Certhiadae),

Meezen (Paridae), Vinken (Fringillidae), Leeuwerikken (Alaudidae),

Spreeuwen (Sturnidae), Kraaivogels (Corvidae) en Paradijsvogels

(Paradisiadae); tot de Clamatores de Families der Eriodoridae (waartoe

ook de prachtige Liervogel (Menura Superba) van Nieuw-Holland behoort),

der Anabatidae, der Snatervogels (Colopteridae of Cotingidae),

Nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Gierzwaluwen (Cypselidae), Kolibri’s

(Trochilidae), Hopvogels (Upupidae), Bijenvreters (Meropidae),

IJsvogels (Halcyonidae), Scharrelaars (Coraciadae) en Neushorenvogels

(Bucerotidae).

Niet alleen zingen echter vele der Oscines, b.v. de door Darwin

aangehaalde Kraaivogels en de Paradijsvogels nimmer, maar tot de

Clamatores behooren zelfs onderscheidene geslachten (b.v. de

Klokvogels, Chasmorhynchus), die een fraaie zangstem bezitten, hoewel

de zangtoestel der Oscines hun ontbreekt. Daarenboven bezitten sommige

Families der Clamatores ongetwijfeld een grootere natuurlijke

verwantschap tot sommige Families der Oscines, dan tot die hunner eigen

afdeeling (b.v. de Anabatidae en Eriodoridae tot de Certhiadae, de

Cypselidae en Caprimulgidae tot de Hirundinidae enz.) en omgekeerd. De

verdeeling van de Orde der Insessores in Zangvogels en Schreeuwvogels

is dus geen natuurlijke.

(3) Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd

(larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het

eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogels niet tot

voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijk

onderste strottenhoofd (larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen

op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi)

splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis

garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en

derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende

vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels

nog een derde (de membrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een

dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen

worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der

Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het

stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze

zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit

twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.

(4) Merops apiaster.

(5) Zie Deel I, blz. 143, aant. 14.

(6) „Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de

binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde

cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om

de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn),

aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen

(concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de

zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in

de atmospheer zwevende ijskristalletjes.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.

Keus door het wijfje uitgeoefend.—Langdurigheid der

vrijage.—Ongepaarde vogels.—Geestvermogens en smaak voor het

schoone.—Voorkeur of afkeer van het wijfje ten opzichte van

bijzondere mannetjes.—Veranderlijkheid (variabiliteit) van

Vogels.—De afwijkingen (variaties) ontstaan soms plotseling.—Wetten

der veranderlijkheid (variabiliteit).—Vorming van oogvlekken

(ocelli).—Overgangen van kenmerken.—Geval van den pauw,

Argus-fazant en Urosticte.

Als de seksen verschillen in schoonheid, in zangvermogen of in het

voortbrengen van hetgeen ik instrumentale muziek heb genoemd, is het

bijna altijd het mannetje dat het wijfje overtreft. Deze hoedanigheden

zijn, zooals wij straks zagen, klaarblijkelijk hoogst belangrijk voor

het mannetje. Als zij slechts voor een gedeelte van het jaar worden

verkregen, is dit altijd kort voor den paartijd. Alleen het mannetje

pronkt zorgvuldig met zijn verschillende bekoorlijkheden en voert

dikwijls vreemde vertooningen op den grond of in de lucht in

tegenwoordigheid van het wijfje uit. Elk mannetje verjaagt, of doodt,

als hij kan, al zijn medeminnaars. Hieruit mogen wij besluiten, dat het

doel van het mannetje is om het wijfje er toe te brengen met hem te

paren, en om dit doel te bereiken, tracht hij haar op onderscheidene

wijzen op te wekken of te bekoren; en dit is de meening van allen die

de gewoonten van levende vogels met zorg hebben bestudeerd. Er blijft

echter een vraag over, die een hoogst belangrijke beteekenis heeft voor

de seksueele teeltkeus, namelijk of elk mannetje van de zelfde soort

het wijfje in even hooge mate opwekt en aantrekt, dan wel of zij een

keus doet en aan zekere mannetjes de voorkeur geeft. Het laatste kan

bevestigend worden beantwoord op grond van vele directe en indirecte

bewijzen. Het is veel moeilijker te beslissen, welke hoedanigheden de

keus van het wijfje bepalen; maar wij hebben hier wederom eenige

directe en indirecte bewijzen, dat het in groote mate de uitwendige

aantrekkelijkheden van het mannetje zijn, hoewel ongetwijfeld zijn

kracht, moed en andere geestvermogens in het spel komen. Wij zullen met

de indirecte bewijzen beginnen.

Langdurigheid der Vrijage.—De lange tijd gedurende welken beide seksen

van zekere vogels den eenen dag voor en den anderen na op een vaste

plaats samenkomen, hangt ongetwijfeld gedeeltelijk daarvan af, dat de

vrijage een langdurige zaak is, en gedeeltelijk van de herhaling der

paring. Zoo duren in Skandinavië de „balzen” of „leks” van de

korhoenders van het midden van Maart af, gedurende de geheele maand

April tot in Mei toe. Niet minder dan veertig of vijftig, of zelfs meer

vogels komen op de „leks” te zamen; en de zelfde plaats wordt dikwijls

gedurende achtereenvolgende jaren bezocht. De „lek” van den grooten

auerhaan duurt van het einde van Maart tot het midden of zelfs het

einde van Mei. In Noord-Amerika „duren de patrijzendansen” van Tetrao

phasianellus „een maand of langer.” Andere soorten van Boschhoenders

zoowel in Noord-Amerika als in Siberië [159] hebben omtrent de zelfde

gewoonten. De vogelaars ontdekken de hoogten waar de kemphanen

samenkomen, doordat het gras er kaal is geloopen, en dit bewijst, dat

de zelfde plaats gedurende langen tijd wordt bezocht. De Indianen van

Guiana zijn goed bekend met de schoongemaakte open plaatsen waar zij

verwachten de schoone Rotshanen („Cocks of the Rock”) te vinden; en de

inboorlingen van Nieuw-Guinea kennen de boomen waar van tien tot

twintig mannelijke Paradijsvogels in hun vollen vedertooi te zamen

komen. In dit laatste geval is niet uitdrukkelijk vermeld, dat de

wijfjes zich op de zelfde boomen verzamelen; doch de jagers zullen

waarschijnlijk, als het hun niet bijzonder wordt gevraagd, haar

tegenwoordigheid niet vermelden, daar haar vellen geen waarde hebben.

Kleine troepjes van een Afrikaanschen wevervogel (Ploceus) komen

gedurende den paartijd samen en voeren uren lang hun bevallige

bewegingen uit. Groote getallen van de poelsnip (Scolopax major)

verzamelen zich gedurende de schemering in een moeras, en de zelfde

plaats wordt met het zelfde doel gedurende achtereenvolgende jaren

bezocht; men kan ze daarop zien rondloopen, „gelijk even zoovele groote

ratten”, hun vederen opzettende, met hun vleugels kleppende en de

vreemdste geluiden voortbrengende. [160]

Sommige van de bovenvermelde vogels, namelijk het korhoen, het groote

auerhoen, het fazanten-boschhoen, de kemphaan, de poelsnip, en wellicht

eenige andere, leven, naar men gelooft, in veelwijverij. Men zou hebben

kunnen denken, dat bij dergelijke vogels de sterkere mannetjes

eenvoudig de zwakkere weggejaagd, en dan op eens zoovele wijfjes, als

mogelijk was, in bezit zouden hebben genomen; indien het echter voor

het mannetje noodzakelijk was, om het wijfje op te wekken of haar te

behagen, kunnen wij den langen duur der vrijage en het samenkomen van

zoovele individu’s van beide seksen op de zelfde plaats begrijpen.

Sommige soorten die strikt eenwijvig zijn, „houden

bruiloftsbijeenkomsten”; dit schijnt het geval te zijn in Skandinavië

met een van de Sneeuwhoenders, wiens „leks” van het midden van Maart

tot het midden van Mei duren. In Australië vormt de liervogel (Menura

superba) „kleine ronde heuvels”, en de Menura Alberti graaft zich

ondiepe holen, of, gelijk zij door de inboorlingen worden genoemd,

„corroborying places” (1) uit, waar men gelooft, dat beide seksen

bijeenkomen. De bijeenkomsten van M. superba zijn dikwijls zeer

talrijk; en onlangs is een verhaal publiek gemaakt [161] door een

reiziger die in een vallei beneden hem, dicht met struiken begroeid,

„een gedruisch” hoorde, „dat hem volkomen in verbazing bracht”: naar

beneden klauterende, zag hij tot zijn verwondering omtrent

honderdvijftig prachtige liervogels, „in slagorde gerangschikt, met

onbeschrijfelijke woede met elkander vechten.” De priëelen van de

priëelvogels worden gedurende den paartijd door beide seksen bezocht;

„daarin komen de mannetjes samen en strijden met elkander om de gunst

van het wijfje, en daarin komen de wijfjes samen en coquetteeren met de

mannetjes.” Bij twee der geslachten wordt het zelfde priëel vele jaren

achtereen bezocht. [162]

De weleerw. heer W. Darwin Fox heeft mij medegedeeld, dat de eksters

(Corvus pica, Linn.) uit alle deelen van het Delamere-woud bijeen

plachten te komen om het groote eksterhuwelijk te vieren. Eenige jaren

geleden waren deze vogels buitengewoon talrijk, zoodat een

jachtopziener er op éénen morgen negentien doodde en een ander met een

enkel schot zeven bij elkander zittende vogels tegelijk doodde. Terwijl

zij zoo talrijk waren, hadden zij de gewoonte om zeer vroeg in de lente

op bijzondere plaatsen samen te komen, waar men ze in troepen kon zien,

snappende, somtijds vechtende, in de boomen heên en weêr dribbelende,

en vliegende. De geheele zaak werd door de vogels klaarblijkelijk

beschouwd als van het hoogste belang. Kort na de bijeenkomst scheidden

zij allen, en de heer Fox en anderen merkten op, dat zij dan voor het

jaargetijde waren gepaard. In de eene of andere streek waar een soort

niet zeer talrijk is, kunnen natuurlijk geen groote bijeenkomsten

worden gehouden, en de zelfde soort heeft wellicht in verschillende

landen verschillende gewoonten. Ik heb bij voorbeeld nergens

medegedeeld gevonden, dat de korhoenders in Schotland geregelde

bijeenkomsten houden, en toch zijn die bijeenkomsten in Duitschland en

Skandinavië zoo wel bekend, dat zij bijzondere namen dragen.

Ongepaarde Vogels.—Uit de nu medegedeelde feiten mogen wij besluiten,

dat bij vogels, tot zeer verschillende groepen behoorende, de vrijage

dikwijls een langdurige, teedere en lastige zaak is. Er is zelfs reden

om te vermoeden, hoe onwaarschijnlijk dit ook in het eerst moge

schijnen, dat sommige mannetjes en wijfjes van de zelfde soort, de

zelfde streek bewonende, elkander niet altijd behagen en bijgevolg niet

paren. Vele verhalen zijn publiek gemaakt van hetzij het mannetje of

het wijfje van een paar, dat was doodgeschoten, en spoedig door een

ander werd vervangen. Dit is veelvuldiger waargenomen bij den ekster,

dan bij eenigen anderen vogel, wellicht ten gevolge van zijn opzichtig

uiterlijk en nest. De vermaarde Jenner verhaalt, dat in Wiltshire één

van een paar dagelijks niet minder dan zevenmaal achtereen werd

doodgeschoten, „maar alles te vergeefs, want de overblijvende ekster

vond weldra een ander gezel”; en het laatste paar kweekte hun jongen

op. Over het algemeen wordt den volgenden dag een gezel gevonden; maar

de heer Thompson deelt een geval mede, waarin er een reeds op den avond

van den zelfden dag werd vervangen. Zelfs nadat de eieren zijn

uitgebroeid, zal er, indien een der oude vogels wordt gedood, dikwijls

een gezel worden gevonden; dit geschiedde na verloop van twee dagen in

een geval, onlangs door een van Sir J. Lubbock’s opzichters

waargenomen. [163] De eerste en meest voor de hand liggende

onderstelling is, dat de mannelijke eksters veel talrijker moeten zijn

dan de vrouwelijke, en dat in de bovenvermelde gevallen, zoowel als in

vele andere die nog zouden kunnen worden medegedeeld, alleen de

mannetjes waren gedood. Dit schijnt in sommige gevallen steek te

houden; want de jachtopzichters in het Delamere-woud verzekerden den

heer Fox, dat de eksters en kraaien die zij vroeger achtereenvolgens in

grooten getale nabij hun nesten doodden, allen mannetjes waren, en zij

verklaarden dit feit, doordat de mannetjes gemakkelijker werden gedood,

terwijl zij aan de op de eieren zittende wijfjes voedsel brachten.

Macgillivray geeft echter, op autoriteit van een uitnemend waarnemer,

een voorbeeld van drie eksters, achtereenvolgens op het zelfde nest

gedood, die allen wijfjes waren; en een ander geval van zes eksters

achtereenvolgens gedood, terwijl zij op de zelfde eieren zaten, hetgeen

het waarschijnlijk maakt, dat zij allen wijfjes waren, hoewel het

mannetje, gelijk ik van den heer Fox hoor, op de eieren zal gaan

zitten, als het wijfje is gedood.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 7 / 39 段