Wat de vogels aangaat, die jaarlijks een dubbele ruiing ondergaan, zoo

zijn er, ten eerste, eenige soorten, bij voorbeeld snippen,

zwaluw-plevieren (Glareola) en wulpen bij welke de beide seksen op

elkander gelijken en in geen der jaargetijden van kleur veranderen. Ik

weet niet, of het wintergevederte dikker en warmer is dan het

zomergevederte, hetgeen, wanneer er geen kleurverandering plaats

grijpt, de meest waarschijnlijke oorzaak van een dubbele ruiing schijnt

te zijn. Ten tweede zijn er vogels, bij voorbeeld zekere soorten van

Ruiters (Totanus) en andere Steltloopers (Grallatores), waarvan de

seksen op elkander gelijken, maar een eenigszins verschillend zomer- en

wintergevederte hebben. Het verschil in kleur is echter in deze

gevallen zoo gering, dat het moeilijk een voordeel voor hen kan zijn,

en mag dan wellicht worden toegeschreven aan de verschillende

levensvoorwaarden waaraan de vogels gedurende de beide jaargetijden

zijn blootgesteld. Ten derde zijn er vele andere vogels bij welke de

seksen op elkander gelijken, doch die zeer verschillend zijn in hun

zomer- en in hun wintergevederte. Ten vierde zijn er vogels bij welke

de seksen van elkander in kleur verschillen, doch de wijfjes, hoewel

tweemaal ruiende, het geheele jaar door de zelfde kleuren behouden,

terwijl de mannetjes een kleurverandering, en soms, zooals met zekere

trapganzen het geval is, een groote kleurverandering ondergaan. Ten

vijfde en ten laatste zijn er vogels bij welke de seksen zoowel in

zomer- als in wintergevederte van elkander verschillen, doch het

mannetje bij elk terugkeerend jaargetijde een grootere verandering

ondergaat dan het wijfje, waarvan de kemphaan (Machetes pugnax) een

goed voorbeeld oplevert.

Wat de oorzaak of het doel aangaat van de verschillen in kleur tusschen

het zomer- en wintergevederte, zoo kan dit wellicht in sommige

gevallen, gelijk in dat van het sneeuwhoen [142], gedurende beide

jaargetijden tot bescherming dienen. Als het verschil gering is, mag

het wellicht, gelijk reeds is opgemerkt, aan de directe werking der

levensvoorwaarden worden toegeschreven. Bij vele vogels kan het echter

nauwelijks worden betwijfeld, of het zomergevederte dient tot

versiering, zelfs wanneer beide seksen gelijk zijn. Wij mogen

besluiten, dat dit het geval is met vele reigers, zilverreigers enz.;

want zij verkrijgen hun schoone siervederen alleen gedurende den

paartijd. Daarenboven zijn dergelijke siervederen, kuiven enz., hoewel

beide seksen ze bezitten, nu en dan een weinig meer ontwikkeld bij het

mannetje dan bij het wijfje; en zij gelijken op de vederen en

versierselen die bij andere vogels alleen door de mannetjes worden

bezeten. Het is ook bekend, dat opsluiting dikwijls, door in te werken

op het voortplantingsstelsel van mannelijke vogels, de ontwikkeling van

hun secundaire seksueele kenmerken verhindert, maar geen onmiddellijken

invloed heeft op eenig ander kenmerk, en de heer Bartlett meldt mij,

dat acht of negen voorwerpen van den kanoetstrandlooper (Tringa

canutus) in den Londenschen dierentuin hun onversierd wintergevederte

het geheele jaar door behielden, uit welk feit wij mogen afleiden, dat

het zomergevederte, hoewel aan beide seksen gemeen, in de natuur van

het uitsluitend mannelijke gevederte van vele andere vogels deelt.

[143]

Uit de voorgaande feiten, meer bijzonder uit de omstandigheid, dat bij

zekere vogels geen van beide seksen gedurende een der beide

jaarlijksche ruiingen van kleur verandert, of zoo weinig verandert, dat

de verandering hun moeilijk eenigermate van dienst kan zijn, en dat bij

andere soorten de wijfjes, hoewel zij tweemaal ruien, toch het geheele

jaar door de zelfde kleuren behouden, mogen wij besluiten, dat de

gewoonte om tweemaal in het jaar te ruien, niet is verkregen, opdat het

mannetje gedurende den paartijd er sierlijk uit zou zien, maar dat van

de dubbele ruiing, oorspronkelijk met eenig ander doel verkregen, later

in sommige gevallen partij is getrokken om een bruiloftskleed te

verkrijgen.

Het schijnt op het eerste gezicht een verwonderlijke omstandigheid, dat

bij nauw verwante vogels sommige soorten geregeld tweemaal ’s jaars

ruien en andere slechts eenmaal. Het sneeuwhoen, bij voorbeeld, ruit

tweemaal of zelfs driemaal ’s jaars, en het korhoen slechts eenmaal;

sommige van de prachtig gekleurde Honigvogels (Nectariniae) van Indië

en sommige ondergeslachten van donker gekleurde Piepers (Anthus) hebben

een dubbele, en andere slechts een enkele jaarlijksche ruiing. [144] De

overgangen in de wijze van ruien, die men weet, dat bij onderscheidene

vogels voorkomen, toonen ons echter, hoe soorten, of geheele groepen

van soorten, oorspronkelijk hun dubbele jaarlijksche ruiing verkregen,

of na eens die gewoonte te hebben verkregen, haar daarna weder kunnen

hebben verloren. Bij zekere trapganzen en Plevierachtige Vogels is de

voorjaarsruiing ver van volkomen, daar sommige vederen worden

vernieuwd, terwijl andere alleen van kleur veranderen. Er is ook reden

om te gelooven, dat bij zekere trapganzen en Ralachtige Vogels die

eigenlijk een dubbele jaarlijksche ruiing ondergaan, sommige van de

oudere mannetjes hun bruiloftsgevederte het geheele jaar door behouden.

Soms worden gedurende de lente slechts eenige weinige gewijzigde

vederen bij het gevederte gevoegd, zooals het geval is met de

schijfvormige staartvederen van zekere Indische drongo-klauwieren

(Bhringa), en met de verlengde vederen op den rug, hals en kop van

zekere reigers. Door dergelijke trapsgewijze overgangen zou de

voorjaarsruiing hoe langer hoe vollediger kunnen worden, totdat

eindelijk een volkomen dubbele ruiing was verkregen. Men kan ook

aantoonen, dat er een overgang bestaat in de lengte van tijd gedurende

welken elk der beide jaarlijksche gevederten wordt behouden, zoodat het

eene er toe kan komen om het geheele jaar te worden behouden, omdat het

andere volkomen verloren gaat. Zoo houdt de kemphaan (Machetes pugnax)

zijn halskraag in het voorjaar slechts twee maanden lang. Het mannetje

van den weduwvogel (Chera progne) verkrijgt in Natal zijn schoon

gevederte en lange staartvederen in December of Januari en verliest ze

in Maart, zoodat zij slechts gedurende omtrent drie maanden behouden

blijven. De meeste soorten die een dubbele ruiing ondergaan, behouden

hun tot versiering dienende vederen omstreeks zes maanden. Het mannetje

van het wilde hoen (Gallus bankiva) behoudt echter de sikkelvormige

vederen aan zijn hals gedurende negen of tien maanden; en wanneer deze

worden afgeworpen, zijn de daaronder liggende zwarte vederen van den

hals geheel aan het gezicht blootgesteld. Maar bij den tammen

afstammeling van deze soort worden de sikkelvormige vederen aan den

hals onmiddellijk door nieuwe vervangen, zoodat wij hier ten opzichte

van een deel van het gevederte zien, hoe in den getemden staat een

dubbele ruiing in een enkele is overgegaan. [145]

Het is algemeen bekend, dat het mannetje van de gewone eend (Anas

boschas) na den paartijd zijn mannelijk gevederte gedurende een tijd

van drie maanden verliest, gedurende welken hij dat van het wijfje

aanneemt. De mannelijke pijlstaarteend (Anas acuta) verliest zijn

gevederte voor den korteren tijd van zes weken of twee maanden, en

Montagu merkt op, dat „deze dubbele ruiing binnen een zoo korten tijd

een hoogst buitengewone omstandigheid is, die elke menschelijke

redeneering schijnt te tarten.” Hij echter, die aan de trapsgewijze

wijziging der soorten gelooft, zal volstrekt geen verwondering

gevoelen, als hij overgangen van allerlei aard vindt. Als de mannelijke

pijlstaarteend zijn nieuw gevederte binnen een nog korter tijdperk

verkreeg, zouden de nieuwe mannelijke vederen bijna noodzakelijk met de

oude, en beide met sommige die aan het wijfje eigen zijn, worden

vermengd; en dit schijnt met het mannetje van een verwante soort,

namelijk den pinduiker (Merganser serrator) het geval te zijn, want men

zegt, dat de mannetjes „een verandering van gevederte ondergaan, die

hen tot op zekere hoogte aan het wijfje gelijk maakt. Door een kleine

nieuwe versnelling van het proces zou de dubbele ruiing geheel verloren

gaan.” [146]

Sommige mannelijke vogels worden, zooals boven is medegedeeld, in de

lente levendiger gekleurd, niet door een voorjaarsruiing, maar hetzij

door een werkelijke kleurverandering in de vederen of doordat de dof

gekleurde randen daarvan worden afgeworpen. Aldus veroorzaakte

kleurveranderingen kunnen langeren of korteren tijd duren. Zoo

verspreidt zich in de lente over het geheele gevederte van Pelacanus

onocrotalus een fraaie rozeroode tint, met citroenkleurige vlekken op

de borst; maar de heer Sclater getuigt, dat deze kleuren „niet lang

duren, daar zij over het algemeen omstreeks zes weken of twee maanden,

nadat zij zijn verkregen, weder verdwijnen.” Sommige soorten van vinken

werpen de randen van hun vederen in de lente af en worden dan

levendiger gekleurd, terwijl andere vinken geen dergelijke verandering

ondergaan. Zoo prijkt Fringilla tristis van de Vereenigde Staten

(zoowel als vele andere Amerikaansche soorten) alleen met haar

levendige kleuren, als de winter voorbij is, terwijl onze distelvink

welke met dezen vogel nauwkeurig in levenswijze, en ons sijsje dat er

nog nauwkeuriger in maaksel mede overeenkomt, een dergelijke

verandering niet ondergaan. Een verschil van dezen aard in het

gevederte van verwante soorten is echter niet te verwonderen; want het

gewone kneutje dat tot de zelfde Familie behoort, prijkt in Engeland

alleen gedurende den zomer met een karmozijnen voorhoofd en borst,

terwijl het in Madera deze kleuren gedurende het geheele jaar houdt.

[147]

Het Pronken van Mannelijke Vogels met hun Gevederte.—De mannetjes

pronken ijverig met hun versierselen van allerlei soort, hetzij zij hen

bestendig of slechts tijdelijk behouden, en gebruiken ze blijkbaar om

de wijfjes op te wekken, aan te trekken of te bekoren. Soms zullen de

mannetjes echter met hun versierselen pronken, hoewel zij niet in

tegenwoordigheid van de wijfjes zijn, zooals nu en dan geschiedt met

Boschhoenders op hun balz-plaatsen, en zooals bij den pauw kan worden

opgemerkt. Deze laatste vogel verlangt echter blijkbaar iemand die naar

hem ziet, en zal zijn pracht, zooals ik dikwijls heb gezien, voor

kippen of zelfs voor biggen ten toon spreiden. [148] Alle

natuuronderzoekers die nauwkeurig acht hebben gegeven op de gewoonten

van vogels, hetzij in den natuurstaat of in tammen staat, zijn eenparig

van oordeel, dat de mannetjes er behagen in scheppen om met hun

schoonheid te pronken. Audubon spreekt er dikwijls van, dat het

mannetje op onderscheidene wijze het wijfje tracht te bekoren. De heer

Gould zegt, na eenige bijzonderheden van een mannelijken kolibri te

hebben beschreven, dat hij niet twijfelt, of dit dier bezit het

vermogen om ze op de voordeeligste wijze voor het wijfje ten toon te

spreiden. Dr. Jerdon [149] drukt er op, dat het schoone gevederte van

het mannetje dient „om het wijfje te betooveren en aan te trekken.” De

heer Bartlett drukte zich in den Londenschen Dierentuin omtrent dit

onderwerp in de sterkste bewoordingen tegen mij uit.

Het moet een heerlijk gezicht zijn, als men in de bosschen van Indië

„plotseling twintig of dertig pauwen ontmoet, terwijl de mannetjes hun

prachtige staarten ten toon spreiden en in al den luister van hun

hoogmoed voor de gestreelde wijfjes pronken.” De wilde kalkoensche haan

richt zijn schitterend gevederte op, spreidt zijn fraai gebandeerden

staart en gestreepte vleugelvederen uit, en, alles te zamen genomen,

maakt hij met zijn opgezette, karmozijnroode en blauwe vleeschlappen

een trotsch, schoon in onze oogen potsierlijk figuur. Gelijksoortige

feiten zijn reeds medegedeeld omtrent verschillende soorten van

Boschhoenders. Laten wij thans tot een andere Orde overgaan. De

mannelijke Rupicola crocea (Fig. 44) is een van de schoonste vogels van

de wereld; hij is prachtig oranje, en sommige zijner vederen zijn op

merkwaardige wijze afgeknot en donzig. Het wijfje is bruinachtig groen,

geschakeerd met rood en heeft een veel kleiner vederkam. Sir R.

Schomburgk heeft hun vrijage beschreven; hij vond een hunner

vergaderplaatsen, waarop zich tien mannetjes en één wijfje bevonden. De

ruimte was van vier tot vijf voet in doorsnede, en schijnt van elk

sprietje gras gezuiverd en gelijk gemaakt te zijn geworden, alsof het

door menschenhanden was geschied. Een mannetje „voerde vertooningen uit

tot blijkbaar vermaak van onderscheidene andere, nu eens zijn vleugels

uitspreidende, zijn kop opheffende of zijn staart als een waaier

uitspreidende, dan weder al pronkende rondloopende met een huppelenden

gang, totdat hij vermoeid was, als wanneer hij een zekere soort van

geluid maakte en door een ander werd afgelost. Aldus traden drie van

hen achtereenvolgens in het strijdperk en gingen daarna vol

zelfvoldoening heên om te rusten.” De Indianen wachten om hun huiden te

verkrijgen, nabij een der vergaderplaatsen, tot de vogels ijverig aan

het dansen zijn, en kunnen dan met hun vergiftige pijlen

achtereenvolgens vier of vijf mannetjes dooden. [150] Bij de

Paradijsvogels komen een dozijn of meer in hun vollen vedertooi

prijkende mannetjes in een boom te zamen om een danspartij te houden,

zooals de inboorlingen het noemen, en wanneer zij hierin rondvliegen,

hun vleugels en uitnemend fraaie siervederen opheffen en deze doen

trillen, schijnt de geheele boom, gelijk de heer Wallace opmerkt, vol

golvende vederen te zijn. Terwijl zij daarmede bezig zijn, zijn zij er

zoo in verdiept, dat een bekwaam boogschutter ze bijna allen kan

neêrschieten. Men zegt, dat als men deze vogels in Insulinde in

gevangen staat houdt, zij zeer zorg dragen om hun vederen schoon te

houden, ze dikwijls uitspreiden en nazien en elke vuile vlek wegnemen.

Een waarnemer die verscheidene levende paren bezat, betwijfelde niet,

dat het pronken van het mannetje tot doel had om het wijfje te behagen.

[151]

Gedurende zijn vrijage spreidt de goudlakensche fazant (Thaumalea

picta) niet slechts zijn prachtigen halskraag uit en licht dien op,

maar hij draait hem, gelijk ik zelf heb gezien, schuin naar het wijfje

toe, aan welke zijde dit ook moge staan, blijkbaar, opdat een groot

oppervlak voor haar moge worden tentoongesteld. [152] De heer Bartlett

heeft een mannelijken Polyplectron (Fig. 45) gedurende zijn vrijage

waargenomen en mij een voorwerp getoond, opgezet in de houding die het

dier dan aanneemt. De staart- en vleugelvederen van dezen vogel zijn

met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd, gelijk die op den staart van

een pauw. Als nu een pauw pronkt, spreidt hij den staart uit en richt

hem op een vlak dat loodrecht staat op de lengteas van zijn lichaam;

want hij staat tegenover het wijfje en moet tegelijkertijd zijn rijk

blauwe keel en borst vertoonen. De borst van Polyplectron is echter dof

gekleurd en de oogvlekken (ocelli) zijn bij dezen vogel niet tot de

staartvederen beperkt. Bij gevolg staat Polyplectron niet tegenover het

wijfje, maar richt zijn staartvederen een weinig schuins op en spreidt

ze ook een weinig schuins uit, de uitgespreide vleugels aan den zelfden

kant een weinig omlaag en die aan den tegenovergestelden kant een

weinig omhoog houdende. In deze houding zijn de oogvlekken (ocelli)

over het geheele lichaam voor de oogen van het bewonderende wijfje in

één groot daarmede dicht bezet vlak tentoongesteld. Naar welke zijde

zij zich ook moge wenden, worden de uitgespreide vleugels en de schuins

gehouden staart naar haar toe gekeerd. Het mannetje van den

Tragopan-fazant handelt op bijna de zelfde wijze; want hij richt de

vederen van het lichaam, ofschoon niet den vleugel zelf, op aan de

zijde die aan den anderen kant dan het wijfje ligt, en die anders

verborgen zou blijven, zoodat bijna al de met fraaie vlekken prijkende

vederen tegelijkertijd ten toon worden verspreid.

Het geval van den Argus-fazant is nog treffender. De verbazend

ontwikkelde secundaire vleugel-slagpennen die tot het mannetje zijn

beperkt, zijn met een rij van twintig tot drie-en-twintig oogvlekken

(ocelli) versierd, waarvan elk meer dan twee en een halven centimeter

in doorsnede heeft. De vederen zijn ook bevallig beteekend met dwarse

donkere strepen en rijen van vlekken, gelijk aan die op de huid van een

tijger en van een luipaard met elkander vereenigd. Deze fraaie

versierselen zijn verborgen, totdat het mannetje daarmede voor het

wijfje pronkt. Hij steekt dan zijn staart omhoog en breidt zijn

vleugelvederen uit tot een grooten, bijna loodrechten, cirkelvormigen

waaier of schild, die vóór het lichaam wordt gehouden. De hals en kop

worden naar ééne zijde gehouden, zoodat zij door den waaier worden

verborgen; maar om het wijfje waarvoor hij pronkt, te zien, steekt de

vogel soms zijn kop tusschen twee lange vleugelslagpennen heên (gelijk

de heer Bartlett heeft gezien) en ziet er dan potsierlijk uit. Dit moet

bij den vogel in den natuurstaat veelvuldig de gewoonte zijn, want de

heer Bartlett en zijn zoon vonden, eenige ongeschonden huiden, uit de

Oost gezonden, onderzoekende, een plaats tusschen twee der slagpennen,

die zeer was uitgerafeld, alsof de kop er dikwijls doorheen was

gestoken. De heer Wood meent, dat het mannetje ook aan ééne zijde het

wijfje kan begluren voorbij den rand van den waaier.

De oogvlekken (ocelli) zijn zoo fraai geschakeerd, dat zij, gelijk de

Hertog van Argyll opmerkt [153], den indruk maken van een naar buiten

uitspringenden bal die los in een holte ligt. Toen ik echter het

voorwerp in het Britsch Museum zag, dat is opgezet met uitgespreide en

omlaag gehouden vleugels, was ik zeer teleurgesteld; want de oogvlekken

maakten den indruk van plat of zelfs hol te zijn. De heer Gould maakte

mij het geval echter spoedig duidelijk; want hij hield de slagpennen

rechtop, in den stand waarin zij bij het pronken in de natuur zouden

worden tentoongesteld. Zoodra nu de vleugel-slagpennen in dezen stand

worden gehouden en het licht er van boven op schijnt, vertoont zich het

volle effect van de schakeering, en gelijk elke oogvlek op het

versiersel dat een bal en een holte wordt genoemd. Deze vederen zijn

aan onderscheidene kunstenaars vertoond en allen hebben hun bewondering

uitgedrukt over de volkomenheid der schakeering. Men mag wel vragen:

zouden zoo kunstig geschakeerde versierselen kunnen zijn gevormd door

middel der seksueele teeltkeus? Het zal echter gepast zijn het antwoord

op die vraag uit te stellen, totdat wij in het volgende hoofdstuk over

het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling (gradatie) handelen.

De primaire vleugel-slagpennen die bij de meeste Hoenderachtige Vogels

eenvormig zijn gekleurd, zijn bij den Argus-fazant niet minder

wondervolle voorwerpen dan de secundaire vleugel-slagpennen. Zij zijn

van een zachtbruine kleur met talrijke donkere vlekken waarvan elk uit

twee of drie zwarte punten bestaat, die door een donkeren gordel worden

omringd. Het voornaamste versiersel is echter een ruimte, evenwijdig

aan de donkerblauwe schacht die in omtrek een volkomen tweede veder

vormt, in de ware veder gelegen. Dit binnenste gedeelte is lichter

kastanjebruin gekleurd, en dicht bezaaid met kleine witte punten. Ik

heb zulk een veder aan onderscheidene personen vertoond en velen hebben

haar nog meer bewonderd dan de bal-en-holte-vederen, en hebben

verklaard, dat zij meer op een voortbrengsel van de kunst dan van de

natuur geleek. Nu liggen deze vederen bij alle gewone gelegenheden

volkomen verborgen, maar worden geheel tentoongespreid, tegelijk met de

lange secundaire slagpennen, wanneer zij allen te zamen worden

uitgespreid om den grooten waaier of schild te vormen.

Het geval van den Argus-fazant is in hooge mate belangwekkend, omdat

het een goed bewijs levert, dat de meest verfijnde schoonheid kan

dienen om het wijfje te bekoren en voor geen ander doel. Wij moeten

besluiten, dat dit het geval is, daar de primaire vleugel-slagpennen

nooit, en de slagpennen met bal-en-holte-versiersels niet in haar volle

schoonheid worden vertoond, behalve wanneer het mannetje de houding van

zijn vrijage aanneemt. De Argus-fazant bezit geen schitterende kleuren,

zoodat zijn voorspoed in de liefde afhangt van de aanzienlijke grootte

van zijn slagpennen en van het sierlijke patroon der daarop uitgevoerde

teekeningen. Velen zullen verklaren, dat het geheel ongeloofelijk is,

dat een vrouwelijke vogel in staat zou zijn om fraaie schakeeringen en

uitstekende patronen naar waarde te schatten. Het is ongetwijfeld een

verwonderlijk feit, dat zij deze bijna menschelijke mate van smaak zou

bezitten, hoewel zij misschien meer het algemeene effect, dan elke

afzonderlijke bijzonderheid bewondert. Hij die denkt, dat hij veilig de

hoegrootheid van het onderscheidingsvermogen en den smaak van de lagere

dieren kan nagaan, moge ontkennen, dat de vrouwelijke Argus-fazant een

zoo verfijnde schoonheid naar waarde kan schatten; maar hij zal dan

zijn gedwongen om aan te nemen, dat de buitengewone houdingen die het

mannetje gedurende de vrijage aanneemt, waardoor de verwonderlijke

schoonheid van zijn gevederte in het volle licht komt, doelloos zijn,

en dit is een besluit waartoe ik, eens voor al, nimmer zal komen.

Hoewel zoo vele fazanten en verwante Hoenderachtige Vogels zorgvuldig

hun schoon gevederte voor de wijfjes tentoonspreiden, is het

opmerkelijk, dat dit, gelijk de heer Bartlett mij mededeelt, niet het

geval is met den geoorden en met Wallich’s fazant (Crosoptilon auritum

en Phasianus Wallichii), zoodat deze vogels bewust schijnen te zijn,

dat zij slechts op weinig schoonheid kunnen bogen. De heer Bartlett

heeft van geen van deze beide soorten van fazanten de mannetjes ooit

zien vechten, hoewel hij niet zoo goed in de gelegenheid was om

Wallich’s fazant, als om den geoorden fazant waar te nemen. Ook de heer

Jenner Weir bevindt, dat alle mannelijke vogels die een rijk of sterk

sprekend gevederte hebben, twistzieker zijn dan de dof gekleurde

soorten die tot de zelfde groep behooren. De distelvink is bij

voorbeeld veel strijdlustiger dan het kneutje, en de merel of zwarte

lijster dan de gewone lijster. Die vogels welke op zekere vaste tijden

van het jaar een verandering in hun gevederte ondergaan, worden

eveneens veel strijdlustiger in het tijdperk waarin zij het fraaist

zijn versierd. Ongetwijfeld vechten de mannetjes van sommige dof

gekleurde vogels wanhopend met elkander; het schijnt echter, dat de

seksueele teeltkeus, wanneer zij veel invloed heeft gehad en aan de

mannetjes van de eene of andere soort levendige kleuren gegeven, ook

zeer dikwijls een sterke neiging tot strijdlustigheid ten gevolge heeft

gehad. Wij zullen bijna overeenkomstige gevallen ontmoeten, als wij de

Zoogdieren behandelen. Daarentegen zijn bij de Vogels het vermogen om

te zingen en schitterende kleuren slechts zelden beide tegelijk door de

mannetjes van de zelfde soort verkregen; maar in dit geval zou het

verkregen voordeel volkomen het zelfde zijn geweest, namelijk voorspoed

in het bekoren van het wijfje. Desniettemin moet worden erkend, dat bij

de mannetjes van verscheidene schitterend gekleurde vogels de vederen

op bijzondere wijze zijn gewijzigd om daarmede instrumentale muziek

voort te brengen, hoewel de schoonheid daarvan niet kan worden

vergeleken, ten minste volgens onzen smaak, met die van de vocale

muziek van vele zangvogels.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 6 / 39 段