deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn;
maar in de volgende gevallen zijn zekere vederen bijzonder gewijzigd
met het uitdrukkelijke doel om de geluiden voort te brengen. Het
trommelende, of blatende, of hinnikende, of donderende geluid, zooals
het door verschillende waarnemers wordt uitgedrukt, dat door de gewone
watersnip (Scolopax gallinago) wordt gemaakt, moet iedereen hebben
verwonderd, die het ooit heeft gehoord. De vogel vliegt, gedurende den
paartijd, tot „een hoogte van wellicht duizend voet”, en na een tijd
lang in zigzag heên en weder te hebben gevlogen, daalt hij volgens een
gebogen lijn, met uitgespreiden staart en trillende vleugels, met
verwonderlijke snelheid naar de aarde neder. Het geluid wordt alleen
gedurende deze snelle nederdaling voortgebracht. Niemand was in staat
de oorzaak te verklaren, totdat de heer Meves opmerkte, dat de
buitenste vederen aan elke zijde van den staart een bijzonderen vorm
hebben (Fig. 27), daar zij een stijve sabelvormige schacht bezitten,
met schuinsche baarden van ongewone lengte, terwijl de vlaggen sterk
met elkander zijn verbonden. Hij bevond, dat hij door op deze vederen
te blazen of door ze aan een langen dunnen stok vast te maken en ze
snel door de lucht te zwaaien, het trommelend geluid, door den levenden
vogel gemaakt, volkomen kon nabootsen. Beide seksen zijn van deze
vederen voorzien; maar zij zijn over het algemeen grooter bij het
mannetje dan bij het wijfje, en geven bij het eerste een lager toon.
Bij sommige soorten, zooals bij S. frenata (Fig. 28), zijn vier
vederen, en bij S. javensis (Fig. 29) niet minder dan acht vederen aan
elken kant van den staart sterk gewijzigd. De vederen van verschillende
soorten geven, als zij door de lucht worden gezwaaid, verschillende
tonen; de Scolopax Wilsonii van de Vereenigde Staten maakt een zwiepend
geluid, als hij met snelheid naar de aarde nederdaalt. [119]
Bij het mannetje van Chamaepetes unicolor (een groote Hoenderachtige
Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel naar
het einde toe gebogen en veel dunner dan bij het wijfje. Bij een
verwanten vogel, de Penelope nigra, nam de heer Salvin een mannetje
waar, dat, terwijl hij naar beneden vloog met uitgestrekte vleugels,
een soort van krakend, ruischend geluid maakte, gelijk dat van een boom
die omvalt. [120] Alleen bij het mannetje van de Indische trapganzen
(Sypheotides auritus) loopen de primaire slagpennen van de vleugels
zeer puntig toe; en het is bekend, dat het mannetje van een verwanten
vogel een gonzend geluid voortbrengt, terwijl hij aan het wijfje het
hof maakt. [121] Bij een zeer verschillende groep van vogels, namelijk
de Kolibri’s, zijn alleen bij de mannetjes van sommige soorten de
schachten van hun primaire vleugelslagpennen sterk verbreed of de
vlaggen plotseling naar het uiteinde toe uitgesneden. Bij het mannetje
van Selasphorus platycercus is, bij voorbeeld, als hij volwassen is, de
eerste primaire vleugelslagpen (Fig. 30) op die wijze uitgesneden.
Terwijl hij van bloem tot bloem vliegt, maakt hij „een schril bijna
fluitend geluid” [122]; maar het scheen den heer Salvin toe, dat dit
geluid niet met opzet werd gemaakt.
Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht van Pipra of Manakin
eindelijk zijn de secundaire vleugel-slagpennen bij de mannetjes op nog
opmerkelijker wijze gewijzigd, zooals door den heer Sclater is
beschreven. Bij de schitterend gekleurde P. deliciosa hebben de drie
eerste secundaire vleugel-slagpennen dikke schachten en zijn naar het
lichaam toe gekromd; bij de vierde en vijfde (Fig. 32) is de
verandering grooter en bij de zesde (Fig. 33) en zevende (Fig. 34) „is
de schacht in buitengewone mate verdikt, zoodat zij een stevigen,
hoornachtigen klomp vormt.” Ook de vlag is geheel van gedaante
veranderd, in vergelijking met de overeenkomstige slagpennen (Fig. 35,
36, 37) van het wijfje. Zelfs de beenderen van den vleugel, die deze
vreemde slagpennen bij het mannetje ondersteunen, zijn, volgens den
heer Fraser, zeer verdikt. Deze kleine vogels maken een buitengewoon
geluid, waarvan de eerste „hooge noot niet ongelijk is aan een
zweepslag.” [123]
De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale,
door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd
voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden
voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een
hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en
worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het
is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten
van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of
voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een
welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de
gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende
geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige
vogels gedurende hun vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen,
schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe
kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden
de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of
dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en
zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken
graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke
geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor
voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in
de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het
getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den
specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende
geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het
gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene
soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende
soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten
naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij
bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille
noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker
merkt op [124], dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft
aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier
afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven
elke andere de voorkeur geeft.”
Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van
sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds
hier en daar gesproken, zoodat er slechts weinig behoeft te worden
bijgevoegd. In Noordelijk Amerika verzamelen zich zekere Bosch-hoenders
(Tetrao phasianellus) gedurende den paartijd elken morgen in groote
menigte op een daartoe gekozen vlakke plaats, en loopen daar
voortdurend in de rondte in een cirkel van ongeveer 15 of 20 voet
middellijn, zoodat de grond geheel kaal is gesleten, gelijk een
heksenkring. Bij deze „Patrijzendansen”, zooals zij door de jagers
worden genoemd, nemen de vogels de vreemdsoortigste houdingen aan, en
loopen rond, sommige van rechts naar links, andere in de
tegenovergestelde richting. Audubon beschrijft de mannetjes van zekere
reigersoort (Ardea herodias), die op hun lange pooten met groote
waardigheid voor de wijfjes heên en weder loopen, en zoo hun
mededingers uitdagen. Van een van de walgelijke Aasgieren (Cathartes
jota) getuigt de zelfde natuuronderzoeker, dat „de gebaren en de parade
van het mannetje in ’t begin van het jaargetijde der liefde uiterst
grappig zijn.” Sommige vogels voeren hun liefdevertooningen uit in de
lucht, in plaats van op den grond, zooals wij bij den zwarten
Afrikaanschen wevervogel hebben gezien. Gedurende de lente verheft zich
onze kleine inlandsche grasmusch (Sylvia cinerea) dikwijls eenige
weinige voeten of ellen boven het kreupelhout in de lucht en „fladdert
met een afwisselende en fantastische beweging, gedurig zingende, rond,
en daalt daarna weder neêr op den tak waarop zij zat.” De groote
Engelsche trapgans neemt onbeschrijfelijk koddige houdingen aan,
terwijl hij het wijfje het hof maakt, gelijk hij door Wolf is
afgebeeld. Een verwante Indische trapgans (Otis bengalensis) verheft
zich daarbij loodrecht in de lucht, snel met zijn vleugels klepperende,
zijn kuif overeind doende rijzen en de vederen van zijn nek en borst
opzettende, en daalt daarna weder op den grond neder; hij herhaalt die
beweging achtereenvolgens verscheidene malen, tegelijkertijd een
bijzonder geluid makende. De wijfjes die toevallig in de nabijheid
zijn, „gehoorzamen aan deze springlustige oproeping”, en als zij
naderen, laat hij zijn vleugels zakken, en spreidt zijn staart uit
gelijk een kalkoensche haan. [125]
Het merkwaardigste geval wordt echter opgeleverd door drie verwante
geslachten van Australische vogels, de vermaarde
Priëelvogels—ongetwijfeld gezamenlijk afstammelingen van de eene of
andere oude soort die het eerst het vreemde instinkt verkreeg om
priëeltjes te bouwen om daarin hun liefde-vertooningen te volbrengen.
De priëelen (Fig. 38), die, zooals wij later zullen zien, zeer zijn
opgesierd met vederen, schelpen, beenderen en bladeren, worden op den
grond gebouwd, alleen met het doel om daarin te vrijen; want hun nesten
worden in boomen gebouwd. Beide seksen helpen de priëelen bouwen; maar
het mannetje is de voornaamste werkman. Zoo sterk is dit instinkt, dat
het in gevangen staat wordt uitgeoefend, en de heer Strange heeft de
gewoonten beschreven van eenige Satijnvogels (5) die hij in zijn
vogelhuis (volière) in Nieuw Zuid·Wallis hield. [126] „Somtijds zal het
mannetje het wijfje door het geheele vogelhuis nazitten, dan naar het
priëel gaan, een fraaie veder of een groot blad oppikken, een
merkwaardig soort van geluid maken, al zijn vederen opzetten, rondom
het priëel loopen en zoo opgewekt worden, dat zijn oogen op het punt
schijnen van uit zijn kop te springen”; hij gaat voort door eerst den
eenen, daarna den anderen vleugel te openen, een lagen fluitenden toon
voort te brengen, en schijnt, evenals de gewone huishaan, bezig met
iets van den grond op te pikken, totdat eindelijk het wijfje hupsch
naar hem toe komt. Kapitein Stokes heeft de levenswijze en
„speelhuizen” van een andere soort, den Grooten Priëelvogel,
beschreven, dien hij „zich zag vermaken met achteruit en vooruit te
vliegen, een schelp beurtelings aan beide zijden vastpakkende en die in
zijn bek door den ingang dragende.” Deze merkwaardige priëelen, alleen
gemaakt als zalen van bijeenkomst, waar beide seksen zich vermaken en
elkander het hof maken, moeten den vogels veel arbeid kosten. Het
priëel van de soort met vaalbruine borst is bij voorbeeld bijna 12
decimeter lang, 41,5 hoog en staat op een dik terras van twijgen.
Versiering.—Ik zal eerst de gevallen bespreken, waarin de mannetjes
hetzij uitsluitend of in veel hooger mate zijn versierd dan de wijfjes;
en in een volgend hoofdstuk die waarin beide seksen evenzeer zijn
versierd, en eindelijk de zeldzame gevallen waarin het wijfje iets
levendiger is gekleurd dan het mannetje. Evenals bij de kunstmatige
versierselen die door wilde en beschaafde menschen worden gebruikt, aan
het hoofd, zoo is ook bij de natuurlijke versierselen der vogels de kop
de hoofdzetel van de versiering. [127] In de versierselen heerscht,
gelijk in het begin van dit hoofdstuk is vermeld, een verwonderlijke
verscheidenheid. De siervederen van het voorhoofd of de achterzijde van
het hoofd bestaan uit vederen van verschillenden vorm, die soms kunnen
worden ten toon gesteld. Nu en dan komen sierlijke vederbossen aan de
ooren voor (Fig. 39). De kop is soms bedekt met fluweelachtig dons,
gelijk die van den fazant, of hij is naakt en levendig gekleurd of hij
draagt vleeschachtige aanhangsels, draden of met uit vaste stof
gevormde knobbels. Ook de keel is soms met een baard of met
vleeschlappen of lellen voorzien. Dergelijke aanhangsels zijn over het
algemeen levendig gekleurd en dienen ongetwijfeld tot versiering, al
verhoogen zij in onze oogen niet altijd de schoonheid; want, terwijl
het mannetje bezig is met het wijfje het hof te maken, zwellen zij
dikwijls op en verkrijgen levendiger kleuren, gelijk in het geval van
den kalkoenschen haan. Op zulke tijden zwellen de vleeschachtige
aanhangsels aan den kop van den mannelijken Tragopan-fazant (Ceriornis
Temminckii) op tot een groote strook aan de keel en tot twee horens,
een aan elke zijde van de prachtige kuif; en deze bezitten dan de
levendigste blauwe kleur die ik ooit heb gezien. De Afrikaansche
Neushorenvogel (Buccros Abyssinicus) blaast den scharlakenrooden, op
een blaas gelijkenden vleeschlap aan zijn hals op, en zijn vleugels
omlaag houdende en zijn staart uitspreidende, „maakt hij wezenlijk een
voornaam figuur.” [128] Zelfs het regenboogvlies (iris) van het oog is
soms bij het mannetje levendiger gekleurd dan bij het wijfje; en dit is
veelvuldig het geval met den snavel, bij voorbeeld bij onze gewone
merel of zwarte lijster. Bij een andere soort van Neushorenvogel
(Buceros corrugatus) zijn de geheele snavel en de verbazend groote helm
bij het mannetje opzichtiger gekleurd dan bij het wijfje, en „de
schuinsche groeven op de zijden van de onderkaak zijn uitsluitend aan
het mannetje eigen.” [129]
Ook de kop draagt dikwijls vleezige of ook wel draadvormige aanhangsels
en vaste uitwassen. Indien deze niet aan beide seksen gemeen zijn, zijn
zij altijd tot de mannetjes beperkt. De vaste uitwassen zijn uitvoerig
beschreven door Dr. W. Marshall [130], die aantoont, dat zij zijn
gevormd, hetzij van spongieus been met huid bedekt, of van huid- en
andere weefsels. Bij zoogdieren rusten ware horens altijd op de
voorhoofdsbeenderen, maar bij vogels zijn verschillende beenderen tot
dit doel gewijzigd; en bij soorten van de zelfde groep kunnen de
uitsteeksels beenpitten hebben, of die geheel missen, met
tusschenliggende ontwikkelingstrappen welke deze beide uitersten
verbinden. Gelijk Dr. Marshall terecht opmerkt, hebben dus variaties
van de meest verschillende soort gediend tot ontwikkeling door
seksueele teeltkeus van deze tot versiering dienende aanhangsels.
De mannetjes zijn dikwijls versierd met verlengde vederen die op bijna
elk deel van het lichaam ontspringen. De vederen aan de keel en op de
borst zijn dikwijls ontwikkeld tot fraaie halskragen en de
staartvederen zijn dikwijls verlengd, zooals wij bij de
staartdekvederen van den pauw en bij den staart van den Argus-fazant
zien. Het lichaam van dezen laatsten vogel is niet grooter dan dat van
een hoen, en toch is de lengte van de punt van den snavel tot het
uiteinde van den staart niet minder dan 1 meter 6 decimeter. [131] De
vleugelvederen zijn lang zoo veelvuldig niet verlengd als de
staartvederen; want de verlenging daarvan zou voor het vliegen nadeelig
zijn. Toch zijn de van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene secundaire
vleugelslagpennen van den mannelijken Argus-fazant omtrent 9 decimeter
lang; en bij een kleine Afrikaansche nachtzwaluw (Cosmetornis
vexillarius) bereikt een der primaire vleugelslagpennen gedurende den
paartijd een lengte van 65 centimeter, terwijl de vogel zelf slechts 25
centimeter lang is. Bij een ander nauw verwant geslacht van
nachtzwaluwen zijn de schachten van de verlengde vleugelslagpennen
naakt, behalve aan het einde waar zich een schijfvormige vlag bevindt.
[132] In weder een ander geslacht van nachtzwaluwen zijn de
staartvederen zelfs nog verbazender ontwikkeld, zoodat wij zien, hoe de
mannetjes van nauw verwante vogels de zelfde soort van versiering
verkrijgen door de ontwikkeling van geheel verschillende vederen.
Het is een merkwaardig feit, dat de vederen van tot verschillende
groepen behoorende vogels op bijna volkomen de zelfde bijzondere wijze
zijn gewijzigd. Zoo zijn de vleugelslagpennen bij een der bovenvermelde
nachtzwaluwen naakt langs de schacht en eindigen in een schijfvormige
vlag; of zijn, zooals zij somtijds worden genoemd, lepel- of
raketvormig. Vederen van deze soort komen ook voor in den staart van
een Motmot (Eumomota superciliaris), van een ijsvogel, vink, kolibri,
papegaai, onderscheidene Indische Drongo-klauwieren, Dicrurus en
Edolius, bij een waarvan de schijf verticaal staat, en in den staart
van sommige Paradijsvogels. Bij deze laatste vogels versieren
soortgelijke, van fraaie oogvlekken (ocelli) voorziene vederen den kop,
evenals ook bij sommige Hoenderachtige Vogels het geval is. Bij een
Indische trapgans (Sypheotides auritus) eindigen ook de vederen waaruit
de, omtrent 1 decimeter lange, vederbossen aan de ooren bestaan, in
schijven. [133] De vlag van de vederen is ook bij onderscheidene zeer
verschillende vogels draad- of donsachtig, b.v. bij sommige Reigers,
Ibissen, Paradijsvogels en Hoenderachtige Vogels. In andere gevallen
verdwijnt de vlag, en blijven de schachten naakt; en deze bereiken in
den staart van Paradisea apoda een lengte van 85 centimeter. [134]
Wanneer kleinere vederen op die wijze zijn ontbloot, zien zij er uit
als borstels, zooals op de borst van den kalkoenschen haan. Gelijk de
mensch er toe komt om elke voorbijgaande mode in de kleeding te
bewonderen, zoo schijnt ook bij de vogels elke soort van verandering in
het maaksel of de kleur van de vederen van het mannetje door het wijfje
te zijn bewonderd. Het feit, dat de vederen in zeer verschillende
groepen op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd, is ongetwijfeld
oorspronkelijk het gevolg geweest van de omstandigheid, dat al de
vederen bijna het zelfde maaksel en de zelfde ontwikkelingswijze hadden
en bijgevolg geneigd waren op de zelfde wijze te varieeren. Wij zien
dikwijls neiging tot overeenkomstige verandering in het gevederte van
onze tot verschillende soorten behoorende tamme rassen. Zoo hebben zich
bij onderscheidene soorten kuiven gevormd. Bij een uitgestorven
verscheidenheid van den kalkoen bestond de kuif uit naakte schachten
met donzige uiteinden, zoodat zij tot op zekere hoogte op de boven
beschreven raketvormige vederen geleken. Bij sommige duiven- en
hoenderrassen zijn de vederen donsachtig met eenige neiging in de
schachten om naakt te worden. Bij de Sebastopol-gans zijn de
schoudervederen zeer verlengd, gekruld of zelfs spiraalvormig
ineengerold, met donzige randen. [135]
Ten opzichte der kleur behoeft hier nauwelijks iets te worden gezegd;
want iedereen weet, hoe prachtig de kleuren der vleugels zijn, en hoe
harmonisch zij zijn samengevoegd. De kleuren zijn dikwijls
metaalglanzend en iriseerend. Cirkelvormige vlekken worden dikwijls
omringd door een of meer verschillend geschakeerde gordels, en worden
in oogvlekken (ocelli) veranderd. Er behoeft hier ook niet veel te
worden gezegd over de wondervolle verschillen tusschen de seksen, noch
over de uiterste schoonheid van de mannetjes van vele vogels. De gewone
pauw levert een treffend voorbeeld. Vrouwelijke paradijsvogels zijn
donker gekleurd en van alle versierselen ontbloot, terwijl de mannetjes
waarschijnlijk de meest versierde van alle vogels zijn en daarin
zooveel verscheidenheid vertoonen, dat men ze moet zien om ze naar
waarde te schatten. De verlengde goudoranjekleurige siervederen die van
onder de vleugels van Paradisea apoda ontspringen (zie Fig 40; P.
rubra, een veel minder fraaie soort, voorstellende), vormen volgens de
beschrijving, als zij verticaal worden opgericht en in trilling
gebracht, een soort van halo (6), in het midden waarvan de kop „er
uitziet als een kleine smaragden zon waarvan de stralen door de
siervederen worden gevormd.” [136] Bij een andere bijzonder fraaie
soort is de kop naakt „en van een rijk kobaltblauw, overkruist door
verscheidene lijnen van zwarte fluweelachtige vederen.” [137]
De mannetjes der Kolibri’s (Fig. 42 en 43) wedijveren in schoonheid
bijna met de Paradijsvogels, gelijk iedereen zal toegeven, die de
prachtige werken van den heer Gould of zijn rijke verzameling heeft
gezien. Het is zeer opmerkelijk, op hoevele verschillende wijzen deze
vogels zijn versierd. Bijna elk deel van hun vederbos is daartoe
gebruikt en gewijzigd; en de wijzigingen zijn, gelijk de heer Gould mij
toonde, bij sommige soorten, tot bijna elke ondergroep behoorende, tot
een verwonderlijk uiterste gedreven. Dergelijke gevallen gelijken
merkwaardig veel op die welke wij bij onze tamme liefhebberijvogels
zien, die door den mensch tot versiering zijn opgekweekt; sommige
individu’s varieerden oorspronkelijk in het eene kenmerk, en andere tot
de zelfde soort behoorende individu’s in een ander kenmerk; en deze
zijn door den mensch aangegrepen en tot het uiterste
vermeerderd,—gelijk bij voorbeeld de staart van de Pauwduif, de kuif
van de Jacobijner-duif, de bek en vleeschlap van de Postduif en zoo
verder. Het eenige verschil tusschen deze gevallen is, dat in het eene
geval de uitslag het gevolg is van de teeltkeus van den mensch, terwijl
zij in het andere, zooals bij de Kolibri’s, Paradijsvogels enz., het
gevolg is van seksueele teeltkeus,—dat is van het door de wijfjes voor
de voortteling uitkiezen van de fraaiste mannetjes.
Ik zal slechts éénen anderen vogel vermelden, merkwaardig door de
uitermate groote tegenstelling (contrast) in kleur tusschen de seksen,
namelijk den Klokvogel (Chasmorhynchus niveus) van Zuid-Amerika, wiens
geluid kan worden onderscheiden op den afstand van omtrent 4½
kilometer, en iedereen in verbazing brengt, die het voor het eerst
hoort. Het mannetje is zuiver wit, terwijl het wijfje donkergroen is;
en de eerste kleur is bij het land bewonende soorten, van matige
grootte en van vreedzame levenswijze, zeer zeldzaam. Het mannetje bezit
ook, volgens de beschrijving van Waterton, een spiraalvormige buis,
omtrent 7½ centimeter lang, die uit het grondvlak van den snavel
ontspringt. Zij is gitzwart en dicht bezet met kleine donsachtige
veêrtjes. Deze buis kan met lucht worden opgeblazen door een verbinding
met het verhemelte; en als zij niet is opgeblazen, hangt zij aan de
eene zijde naar beneden. Het geslacht bestaat uit vier soorten, waarvan
de mannetjes zeer verschillend zijn, terwijl de wijfjes, gelijk door
den heer Sclater in een hoogst belangwekkende verhandeling is
beschreven, zeer veel op elkander gelijken, en dus een uitnemend
voorbeeld opleveren van den gewonen regel, dat binnen de grenzen van
eene en de zelfde groep de mannetjes meer van elkander verschillen dan
de wijfjes. Bij een tweede soort (C. nudicollis) is het mannetje
eveneens sneeuwwit, met uitzondering van een breede strook naakte huid
aan de keel en rondom de oogen, welke gedurende den paartijd een
schoone groene kleur heeft. Bij een derde soort (C. tricarunculatus)
zijn alleen de kop en de hals van het mannetje wit, terwijl het overige
van het lichaam kastanjebruin is, en het mannetje van deze soort is
voorzien van drie draadvormige aanhangsels die de halve lengte van het
lichaam bezitten,—waarvan er een uit het grondvlak van den snavel en de
beide andere uit de hoeken van den bek ontspringen. [138]
Het gekleurde gevederte en sommige andere versierselen van de
mannetjes, als zij volwassen zijn, worden, hetzij levenslang behouden
of periodiek vernieuwd gedurende den zomer en den paartijd. In dat
jaargetijde veranderen de snavel en de naakte huid aan den kop
veelvuldig van kleur, gelijk bij sommige reigers, ibissen, meeuwen, een
van de zooeven vermelde klokvogels enz. Bij den witten ibis worden de
wangen, de voor opblazing vatbare huid aan de keel en het grondgedeelte
van den snavel dan karmozijnrood. [139] Bij een van de Ralachtige
vogels, Gallicrex cristatus, ontwikkelt zich gedurende dat zelfde
tijdperk een roode lel op den kop van het mannetje. Evenzoo is het
gelegen met een dunnen, hoornachtigen kam op den snavel van een der
pelikanen, P. erythrorhynchus; want na den paartijd worden deze
hoornachtige kammen afgeworpen gelijk de horens van den kop der herten,
en men vond de kust van een eiland in een meer in Nevada met deze
merkwaardige afgeworpen deelen bedekt. [140]
Kleurveranderingen in het gevederte, die met het jaargetijde in
betrekking staan, hangen ten eerste van een dubbele jaarlijksche
ruiing, ten tweede van een werkelijke kleurverandering van de vederen
zelven, en ten derde van het op vaste tijden afwerpen van hun dof
gekleurde randen, of van een in meerdere of mindere mate vereenigde
werking van deze drie oorzaken af. Het afwerpen van de daarvoor vatbare
randen kan worden vergeleken met het door zeer jonge vogels afwerpen
van hun dons; want het dons ontspruit in de meeste gevallen uit de
toppen van de eerste ware vederen. [141]