Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van

sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonge

mannetjes van den wilden kalkoen en de Boschhoenders [85] zijn, wanneer

zij elkander ontmoeten, steeds bereid om te vechten. De

tegenwoordigheid van het wijfje is de teterrima belli causa. De

Bengaleesche knapen doen de aardige kleine mannetjes van den amadavat

(Estrelda amandava) met elkander vechten door drie kleine kooien op een

rij te zetten, met een wijfje in het midden; na korten tijd worden de

mannetjes in vrijheid gelaten, waarvan onmiddellijk een wanhopend

gevecht het gevolg is. [86] Wanneer vele mannetjes op de zelfde vaste

plaats samenkomen en met elkander vechten, zooals in het geval van de

Boschhoenders en onderscheidene andere vogels, worden zij gewoonlijk

vergezeld van de wijfjes [87] die later met de overwinnaars paren. In

sommige gevallen gaat de paring aan het gevecht vooraf, in plaats van

er op te volgen; zoo „maken”, volgens Audubon [88], „verscheidene

mannetjes van de Virginische nachtzwaluw (Caprimulgus Virginianus), op

een in hooge mate onderhoudende wijze het wijfje het hof, en zoodra zij

haar keus heeft gedaan, vervolgt haar beminde alle ongenoodigde gasten

en jaagt ze uit zijn gebied weg.” Over het algemeen beproeven de

mannetjes met alle macht hun medeminnaars weg te jagen of te dooden,

voordat zij paren. Het schijnt echter, dat de wijfjes niet zonder

uitzondering aan den overwinnaar de voorkeur geven. De heer W.

Kowalevsky heeft mij ten minste verzekerd, dat de groote auerhen soms

wegsluipt met een jong haantje dat niet met de oude hanen in het

strijdperk durfde treden; op de zelfde wijze als nu en dan ook plaats

vindt met de hinden van het edelhert in Schotland. Als twee mannetjes

in tegenwoordigheid van een wijfje vechten, verkrijgt de overwinnaar

ongetwijfeld gewoonlijk het voorwerp zijner begeerlijkheid; doch

sommige van deze gevechten worden veroorzaakt door rondzwervende

mannetjes die beproeven den vrede van een reeds vereenigd paar te

verstoren. [89]

Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de

paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetje

afhangt; want dergelijke mannetjes prijken gewoonlijk met verschillende

versierselen die dikwijls gedurende den paartijd schitterender worden

en met veel ijver voor de wijfjes worden tentoongespreid. De mannetjes

trachten hun gezellinnen ook te bekoren door liefdetonen, zang en

vertooningen; en de vrijage is in vele gevallen een langdurige zaak.

Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de wijfjes onverschillig zijn

voor de bekoorlijkheden van de andere sekse, of dat zij altijd

genoodzaakt zijn zich aan de overwinnende mannetjes te onderwerpen. Het

is waarschijnlijker, dat de wijfjes door sommige mannetjes worden

bekoord, hetzij voor of na het gevecht, en zoo onbewust aan hen de

voorkeur geven. In het geval van Tetrao umbellus gaat een goed

waarnemer [90] zoo ver van aan te nemen, dat de gevechten van de

mannetjes „allen slechts schijnvertooningen zijn, die zij verrichten om

zich op de voordeeligst mogelijke wijze te vertoonen aan de

bewonderende wijfjes die zich daaromheên verzamelen; want het is mij

nooit gelukt een verminkten held, en zelden om meer dan een gebroken

veder te vinden.” Ik zal op dit onderwerp moeten terugkomen, maar kan

er hier bijvoegen, dat bij het Prairiehoen (Tetrao cupido) van de

Vereenigde Staten, omtrent een twintigtal mannetjes zich op een

bijzondere plaats verzamelen, en rondstappende de geheele lucht doen

weergalmen van hun vreemdsoortige geluiden. Op het eerste antwoord van

een wijfje beginnen de mannetjes woedend te vechten en de zwakkere

wijken; maar daarna zoeken, volgens Audubon, zoowel de overwonnenen als

de overwinnaars naar een wijfje, zoodat òf de wijfjes een keus moeten

doen, òf de strijd moet worden hernieuwd. Evenzoo leveren de mannetjes

van een der Veldspreeuwen der Vereenigde Staten (Sturnella ludoviciana)

elkander woedende gevechten; maar op het gezicht van een wijfje vliegen

zij haar allen achterna, alsof zij dol waren. [91]

Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om

verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees,

angst, zegepraal, of alleen geluk. Zij wordt blijkbaar somtijds

gebruikt om schrik te verwekken, zooals bij het sissend geluid dat

sommige nestvogeltjes maken. Audubon [92] verhaalt, dat hij een tammen

nachtreiger (Ardea nycticorax) heeft bezeten, die gewoon was zich te

verbergen als er een kat aankwam, en dan „plotseling opsprong en een

der vreeselijkste geluiden maakte, blijkbaar behagen scheppende in den

angst en de vlucht van de kat.” De gewone huishaan klokt tegen de hen,

en de hen tegen haar kuikens, als zij een lekker hapje hebben gevonden.

Als de hen een ei heeft gelegd, „herhaalt zij den zelfden toon zeer

dikwijls, en besluit met den zesden hoogeren dien zij gedurende

langeren tijd aanhoudt” [93]; en geeft op die wijze haar vreugde te

kennen. Sommige sociale vogels roepen elkander blijkbaar te hulp, en

daar zij van den eenen boom op den anderen vliegen, wordt de vlucht bij

elkander gehouden, doordat het eene getjilp op het andere antwoordt.

Gedurende de nachtelijke verhuizingen van ganzen en andere watervogels,

kan men soms in de duisternis boven zijn hoofd schelklinkende geluiden

van de voorhoede hooren, waarop geluiden van de achterhoede antwoorden.

Sommige geluiden dienen tot waarschuwing voor gevaar, en worden, zooals

de jager te zijnen koste gewaar wordt, door de zelfde soort en door

andere verstaan. De huishaan kraait en de kolibri tjilpt om zijn

zegepraal over een overwonnen mededinger te verkondigen. De ware zang

echter van de meeste vogels en onderscheidene vreemde geluiden worden

voornamelijk voortgebracht gedurende den paartijd, en dienen tot

bekoring of eenvoudig als een loktoon voor de andere sekse.

Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen

omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers

hebben er ooit geleefd, die zorgvuldiger waren dan Montagu, en deze

hield vol, dat „de mannetjes der zangvogels en van vele andere over het

algemeen niet naar het wijfje zoeken, maar daarentegen hun bezigheid in

de lente is, om op de eene of andere in het oog vallende plaats te gaan

zitten en daar hun volle en verliefde klanken te doen weêrklinken,

welke het wijfje instinktmatig kent, en die haar zich naar die plaats

doen begeven om haar gezel uit te kiezen.” [94] De heer Jenner Weir

deelt mij mede, dat zulks bij den nachtegaal ongetwijfeld het geval is.

Bechstein die gedurende zijn geheele leven vogels hield, verzekert,

„dat de vrouwelijke kanarievogel altijd den besten zanger uitkiest, en

dat in den natuurstaat de vrouwelijke vink uit een honderdtal mannetjes

altijd dat uitzoekt, wiens tonen haar het meest behagen.” [95] Er kan

geen twijfel bestaan, dat vogels nauwkeurig acht geven op elkanders

zang. De heer Weir heeft mij een geval verhaald van een goudvink

waaraan men een Duitsche wals had leeren fluiten en die zulk een goed

zanger was, dat hij tien guinjes (ƒ 124,40) kostte; toen deze vogel

voor het eerst werd gebracht in een kamer waarin andere vogels werden

gehouden, en begon te zingen, plaatsten zich al de andere, bestaande

uit ongeveer twintig kneutjes en kanarievogels, aan den kant hunner

kooien, welke het dichtst bij hem was, en luisterden met de grootste

belangstelling naar den nieuwen zanger. Vele natuuronderzoekers

gelooven, dat de zang der vogels bijna geheel „het gevolg van

ijverzucht en naijver” is en niet dient om hun gezellinnen te bekoren.

Dit was de meening van Daines Barrington en White van Selborne, die

beiden hun opmerkzaamheid bijzonder op dit punt vestigden. [96]

Barrington neemt echter aan, dat een „uitstekende zang van de vogels

een verbazend overwicht over andere geeft”, zooals de vogelvangers wel

weten.

Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen

eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan

weddenschappen aan, wiens vogel het langst zal zingen, en de heer

Yarrell deelde mij mede, dat een zangvogel van den eersten rang

somtijds zal zingen, tot hij nagenoeg dood of, volgens Bechstein [97],

geheel en al dood nedervalt, wegens het breken van een vat in de

longen. Wat er ook de oorzaak van moge zijn, mannelijke vogels sterven,

gelijk ik van den heer Weir hoor, dikwijls plotseling gedurende het

jaargetijde van den zang. Dat de gewoonte van te zingen somtijds geheel

onafhankelijk van de liefde is, is duidelijk; want men heeft

opgeteekend [98], dat een onvruchtbare bastaard (hybride) van een

kanarievogel zong, toen hij zich zelf in een spiegel zag, en daarop op

zijn eigen beeld toeschoot; hij viel eveneens met woede aan op een

vrouwelijke kanarie, toen deze in de zelfde kooi werd gezet. Van de

ijverzucht, door het zingen opgewekt, maken de vogelvangers voortdurend

gebruik; een mannetje dat goed zingt, wordt verborgen en beschermd,

terwijl een opgezette vogel, omringd van met lijm besmeerde twijgen,

aan het gezicht wordt blootgesteld. Op deze wijze heeft een man, gelijk

de heer Weir mij mededeelt, in den loop van een enkelen dag vijftig, en

eens zeventig mannelijke vinken gevangen. Het vermogen en de neiging om

te zingen verschillen bij de vogels zoozeer, dat, hoewel de prijs van

een gewonen mannelijken vink slechts zes stuivers is, de heer Weir

éénen vogel zag, voor welken de vogelvanger zes-en-dertig gulden vroeg;

terwijl de proef, of een vogel werkelijk een goed zanger is, daarin

bestaat, dat hij moet doorgaan met zingen, wanneer de kooi rondom het

hoofd van den eigenaar wordt gezwaaid.

Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te

bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad

verwachten, dat dit te zamen zou gaan, evenals versiering en

strijdlustigheid. Sommige schrijvers echter beweren, dat de zang van

het mannetje niet kan dienen om het wijfje te bekoren, daar de wijfjes

van eenige weinige soorten, zooals de kanarievogel, het roodborstje, de

leeuwerik en de goudvink, vooral, gelijk Bechstein opmerkt, wanneer zij

in den weduwenstaat verkeeren, zeer welluidende tonen voortbrengen. In

sommige van deze gevallen kan de gewoonte om te zingen gedeeltelijk

daaraan worden toegeschreven, dat de wijfjes sterk zijn gevoed en

opgesloten [99]; want hierdoor komt er storing in al de gewone, met de

voortplanting der soort in verband staande functies. Reeds vele

voorbeelden zijn gegeven van de gedeeltelijke overbrenging van

secundaire mannelijke kenmerken op het wijfje, zoodat het volstrekt

niet is te verwonderen, als de wijfjes van sommige soorten het vermogen

bezitten om te zingen. Men heeft ook beweerd, dat het gezang van het

mannetje niet als een bekoring kan dienen, omdat de mannetjes van

sommige soorten, van het roodborstje bij voorbeeld, gedurende den

herfst zingen. [100] Niets is echter meer gewoon, dan dat dieren

behagen scheppen om aan het instinkt gehoor te geven, dat zij op een

anderen tijd met eenig wezenlijk nuttig doel volgen. Hoe dikwijls zien

wij vogels die gemakkelijk vliegen, klaarblijkelijk voor hun genoegen

door de lucht glijden en zeilen. De kat speelt met de gevangen muis en

de waterraaf (cormorant) met den gevangen visch. De wevervogel

(Ploceus) vermaakt zich, als hij in een kooi is opgesloten, met netjes

bladeren van gras tusschen de traliën van zijn kooi te weven. Vogels

die gewoon zijn gedurende den paartijd te vechten, zijn over het

algemeen op alle tijden bereid om te vechten; en de groote auerhanen

houden soms hun balzen of leks op de gewone vergaderplaats gedurende

den herfst. [101] Het is dus volstrekt niet te verwonderen, als

mannelijke vogels voortgaan met voor hun eigen genoegen te zingen, als

het jaargetijde der liefde voorbij is.

Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is

aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan

vogels onderscheidene deuntjes leeren en zelfs de onwelluidende

huismusch heeft men geleerd om als een kneutje te zingen. Zij

verkrijgen den zang van hun pleegvaders [102] en somtijds dien van hun

naburen. [103] Alle gewone zangvogels behooren tot de Orde der

Roestvogels (Insessores), en hun stemorganen zijn veel samengestelder

dan die van de meeste andere vogels; toch is het een vreemd feit, dat

sommige Roestvogels (Insessores), zooals raven, kraaien en eksters, de

tot zingen dienende inrichting bezitten [104], hoewel zij nimmer

zingen, en in den natuurstaat hun stemmen niet in eenigszins groote

mate wijzigen. (2) Hunter verzekert [105], dat bij de ware zangvogels

de spieren van het strottenhoofd (larynx) (3) bij de mannetjes sterker

zijn dan bij de wijfjes; maar op deze geringe uitzondering na is er

geen verschil tusschen de stemorganen der beide seksen, hoewel de

mannetjes der meeste soorten zooveel beter en aanhoudender zingen dan

de wijfjes.

Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het

Australische geslacht Menura moet hiervan echter worden uitgezonderd;

want de Menura Alberti die omtrent de grootte van een half volwassen

kalkoen heeft, bootst niet slechts andere vogels na, maar zijn eigen

gefluit is ook uiterst fraai en afwisselend. De mannetjes komen samen

en vormen „verlustigingsplaatsen”, waar zij zingen, hun staarten omhoog

stekende en uitspreidende gelijk pauwen. [106] Het is ook merkwaardig,

dat de vogels die zingen, zelden met schitterende kleuren of andere

sieraden zijn versierd. Van onze Britsche vogels zijn, met uitzondering

van den goudvink en den distelvink, de beste zangers effen gekleurd. De

ijsvogel, bijenvreter (4), hop, spechten, enz., brengen krijschende

geluiden voort; en de schitterende vogels der keerkringslanden zijn

bijna nooit zangers. [107] Schitterende kleuren en vermogen om te

zingen schijnen elkander dus te vervangen. Wij kunnen begrijpen, dat,

als er bij het gevederte geen afwijkingen in levendigheid van kleur

voorkwamen, of als levendige kleuren gevaarlijk waren voor de soort,

andere middelen moesten worden gebruikt om de wijfjes te bekoren; en

het welluidend worden van de stem zou een dergelijk middel aanbieden.

Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen.

Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig. 25) heeft het mannetje twee

naakte, oranjekleurige zakken, aan elke zijde van den hals één; en deze

worden sterk opgeblazen, als het mannetje gedurende den paartijd een

vreemdsoortig hol geluid voortbrengt, dat op grooten afstand hoorbaar

is. Audubon bewees, dat het geluid in nauw verband staat met dezen

toestel die ons herinnert aan de luchtzakken aan beide zijden van den

bek van de mannetjes van sommige kikvorschen; want hij bevond, dat het

geluid veel verminderde, als men in een der zakken van een tammen vogel

een prik gaf, en dat het bijna geheel ophield, als men in beide een

prik gaf. Het wijfje heeft „een omtrent gelijksoortige, hoewel

kleinere, met een naakte huid bedekte plek aan den hals, doch deze is

niet voor opblazing vatbaar.” [108] Bij het mannetje van een andere

soort van Boschhoen (Tetrao urophasianus) is, als hij het wijfje het

hof maakt, zijn naakte gele slokdarm (oesophagus) opgeblazen tot een

verbazende grootte, daar hij ten volle half zoo groot is als het

lichaam; en hij brengt dan onderscheidene knarsende, lage, holle tonen

voort. Met recht opstaande nekvederen, de vleugels naar beneden

houdende en over den grond schurende, en zijn langen puntigen staart

als een waaier uitspreidende, pronkt hij in alle potsierlijke

houdingen. De slokdarm van het wijfje vertoont volstrekt niets

opmerkelijks. [109]

Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote

keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis

tarda) en van ten minste vier andere soorten niet dient om water op te

nemen, zooals men vroeger veronderstelde; maar dat hij in verband staat

met een bijzonder geluid dat gedurende den paartijd wordt voortgebracht

en op de lettergreep „ok” gelijkt. Als de vogel dit geluid voortbrengt,

neemt hij de meest buitengewone houdingen aan. Het is een vreemd feit,

dat bij de mannetjes van de zelfde soort de zak niet bij alle

individu’s is ontwikkeld. [110] Een op een kraai gelijkende vogel die

Zuid-Amerika bewoont (Cephalopterus ornatus, Fig. 26), wordt de

Regenschermvogel genoemd wegens zijn verbazend groote kuif, bestaande

uit naakte witte schachten die van boven in donkerblauwe vederen

eindigen, die hij overeind kan zetten tot een groot koepeldak van niet

minder dan 12½ centimeter middellijn, dat den geheelen kop bedekt. Deze

vogel heeft aan den hals een lang, dun, cylindervormig, vleeschachtig

aanhangsel dat dicht met op schubben gelijkende, blauwe vederen is

bedekt. Het dient waarschijnlijk gedeeltelijk tot versiering, maar

gedeeltelijk ook tot een resoneerenden toestel; want de heer Bates

bevond, dat het in verband staat „met een ongewone ontwikkeling van de

luchtpijp (trachea) en de stemorganen.” Het zet zich uit, wanneer de

vogel zijn verwonderlijk lagen, luiden en lang aanhoudenden fluitenden

toon voortbrengt. De kuif en het halsaanhangsel zijn bij het wijfje

rudimentair. [111]

De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn

buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide

seksen. In sommige gevallen is de luchtpijp (trachea) gewonden als een

jachthoren en diep in het borstbeen (sternum) ingesloten. Bij de wilde

zwaan (Cygnus ferus) is zij bij het volwassen mannetje dieper

ingesloten dan bij het wijfje of het jonge mannetje. Bij het mannetje

van den grooten zaagbek (Merganser) is het verbreede gedeelte van de

luchtpijp van een bijkomend (additioneel) paar spieren voorzien. [112]

De beteekenis van deze verschillen tusschen de seksen van vele

Eendachtige Vogels (Anatidae) is echter geheel onbekend; want het

mannetje bezit niet altijd de luidste stem; zoo sist het mannetje bij

de gewone eend, terwijl het wijfje luide kwaakt. [113] Bij beide seksen

van een van de Kraanvogels (Grus virgo) dringt de luchtpijp in het

borstbeen door, maar vertoont „zekere seksueele wijzigingen.” Bij het

mannetje van den zwarten ooievaar bestaat er ook een goed uitgedrukt

seksueel verschil in de lengte en buiging van de longpijpen (bronchi).

[114] Zoodat in deze gevallen hoogst belangrijke organen volgens de

sekse zijn gewijzigd.

Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en

tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht,

dienen om de wijfjes te bekoren of alleen om haar te roepen. Het zacht

gekir van de tortelduif en van vele duiven mag men vermoeden, dat aan

de wijfjes behaagt. Als het wijfje van den wilden kalkoen in den morgen

haar roepstem doet hooren, antwoordt het mannetje met een geluid dat

verschilt van dat hetwelk hij maakt, wanneer hij met opgezette vederen,

ruischende vleugels en opgezwollen vleeschlappen voor haar blaast en

pronkt. [115] Het „spel” van den korhaan dient ontwijfelbaar om het

wijfje te roepen; want het is bekend, dat daardoor vier of vijf hennen

van een afstand zijn gelokt naar een gevangen haan; maar daar de

korhaan zijn „spel” uren lang gedurende een reeks van dagen voortzet,

en in het geval van den grooten auerhaan „met een uitersten hartstocht”

(„with an agony of despair”), worden wij er toe gebracht om te

veronderstellen, dat de hennen die reeds tegenwoordig zijn, daardoor

worden bekoord. [116] Het is bekend, dat de stem van den gewonen roek

gedurende den paartijd verandert en daarom op de eene of andere wijze

met de sekse samenhangt. [117] Wat zullen wij echter zeggen van het

krijschende geschreeuw van, bij voorbeeld, sommige soorten van

papegaaien; hebben deze vogels een even slechten smaak voor muzikale

tonen, als zij blijkbaar voor kleuren hebben, te oordeelen naar het

onharmonische contrast van hun geel en blauw gevederte? Het is

inderdaad mogelijk, dat de luide stemmen van vele mannelijke vogels het

gevolg zijn, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen, van de

overgeërfde gevolgen van het voortdurend gebruik van hun stemorganen,

als zij worden opgewekt door de sterke hartstochten van liefde,

ijverzucht en toorn; op dit punt zullen wij echter moeten terugkomen,

als wij de viervoetige dieren behandelen.

Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de

mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets

uit, dat instrumentale muziek kan worden genoemd. Pauwen en

Paradijsvogels rammelen met de schachten der vederen tegen elkander en

de trillende beweging dient blijkbaar slechts om geluid voort te

brengen; want zij kan moeilijk de schoonheid van hun gevederte

verhoogen. Kalkoensche hanen schuren hun vleugels tegen den grond, en

sommige soorten van Boschhoenders brengen op die wijze een gonzend

geluid voort. Een ander Noord-Amerikaansch Boschhoen, de Tetrao

umbellus, klopt, wanneer hij, met opgezetten staart en met zijn

halskraag pronkende, „zijn opschik laat bewonderen door de wijfjes die

in de nabuurschap verborgen liggen”, snel met zijn „naar beneden

gehouden vleugels tegen den stam van een omgevallen boom”, of volgens

Audubon, tegen zijn eigen lichaam; het aldus voortgebrachte geluid

wordt door sommigen met een verwijderden donder en door anderen met een

snellen roffel op een trommel vergeleken. Het wijfje trommelt nooit,

„maar vliegt dadelijk naar de plaats, waar het mannetje daarmede bezig

is.” In het Himalaya-gebergte „maakt” het mannetje van de Kalij-fazant

„dikwijls met zijn vleugels een eigenaardig trommelend geluid, niet

ongelijk aan dat hetwelk wordt voortgebracht door een stijf stuk doek

heên en weder te schudden.” Op de westkust van Afrika verzamelen zich

de kleine wevervogels (Ploceus?) in een klein troepje in het

kreupelhout rondom een kleine open plaats, en zingen en glijden door de

lucht met trillende vleugels „die een snel ratelend geluid maken,

gelijk een kindertafel.” De eene vogel voor, de andere na, gaan

hiermede gezamenlijk uren lang door, maar alleen gedurende den

paartijd. In dat zelfde jaargetijde maken de mannetjes van sommige

Nachtzwaluwen (Caprimulgus) een zeer vreemd geluid met hun vleugels. De

onderscheidene soorten van Spechten pikken met hun snavels tegen een

schelklinkenden tak, en maken daarbij een zoo snelle trillende

beweging, „dat de kop op twee plaatsen tegelijk schijnt te zijn.” Het

aldus voortgebrachte geluid is op aanmerkelijken afstand hoorbaar, maar

kan niet worden beschreven; en ik houd mij overtuigd, dat de oorzaak

daarvan nooit zou worden vermoed door iemand die het voor de eerste

maal hoorde. Daar dit trillende geluid voornamelijk gedurende den

paartijd wordt gemaakt, heeft men het voor een liefde-zang gehouden;

maar het is wellicht eigenlijk meer een liefde-roepstem. Men heeft

waargenomen, dat het wijfje, als zij uit haar nest werd gejaagd, op die

wijze haar mannetje riep, die op de zelfde wijze antwoordde en weldra

voor den dag kwam. De hop (Upupa epops) eindelijk vereenigt vocale en

instrumentale muziek; want gedurende den paartijd ademt deze vogel,

gelijk de heer Swinhoe zag, eerst lucht in, klopt daarna met den bek

loodrecht omlaag tegen een steen of boomstam, „en dan brengt de

uitgeademde, door den kogelvormigen snavel geperste lucht den juisten

toon voort.” Als het mannetje geluid maakt zonder met zijn bek te

kloppen, is de toon geheel verschillend. [118]

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 4 / 39 段