Cataphracti: Dactylopterus, Trigla, Cottus scorpius.

Sciaenoidei: Sciaena aquila, Corvina ronchus, C. ocellata,

C. dentex, Otolithus regalis, Pristipoma jubelini, Pr. crocro,

Pr. coro, Pr. guoraca, Pogonias chromis, Pr. fasciatus.

Scomberoidei: Zeus faber.

Pediculati: Batrachus grunniens.

Cyprinoidei: Cyprinus tinca, Cyp. barbus, Cobitis fossilis, C. taenia.

Siluroidei: Sinodontis (waarbij ook Doras kan worden gevoegd).

Scelerodermi: Balistes.

Gymnodontes: Diodon, Tetraodon, Orthragoriscus.

Bij Synodontis schijnt het geluid te ontstaan door de beweging der

sterke stekels van de borstvinnen; bij Dactylopterus volitans C. V. en

orientalis ontstaat het door het openen der kieuwdeksels en beweging

daarbij in het slaapgewricht, bij Trigla en Zeus faber waarschijnlijk

door trillende bewegingen van de spieren der zwemblaas. Bij Cottus

scorpius nam Landois proefondervindelijk waar, dat het knorrende geluid

ontstond door krachtige beweging van de spieren van den schoudergordel,

versterkt door de resonantie van de groote mondholte. Bij de

Sciaenoïden of Ombervisschen waartoe ook de door Darwin vermelde

Sciaena aquila (de Umbrina der Italiaansche visschers) behoort,

schijnen geluiden te worden voortgebracht door ongelijkmatige drukking

of samentrekking der zwemblaas die bij hen van aanhangsels is voorzien,

zoodat de lucht bij de verplaatsing nauwe doorgangen ontmoet. Het

geluid dezer visschen schijnt dan ook meer van dat van een fluit of

orgel, dan van dat van een trommel, waarmede Darwin het vergelijkt, te

hebben. Het geluid van Pogonias wordt door sommigen bij klokkengelui,

door anderen bij het gekwaak van groote kikvorschen, door wederom

anderen bij het geluid van trommels vergeleken. Bij Balistes vetula

ontstaat het geluid volgens Sörensen door stootswijs achteruitbewegen

der stekels van de voorste rugvin. Op grond van waarnemingen en

ontleedkundig onderzoek van Zuid-Amerikaansche Siluroïden en

Characiniden besluit Sörensen, dat de zwemblaas ook een trommelend

geluid kan geven, als zij door een hard, trillend gedeelte van het

skelet wordt getroffen. Bij Doras maculatus komt de overbrenging der

trillingen van de zwemblaas op het omgevende medium tot stand door een

bewegelijk gedeelte der huid, dat beenplaten omvat, onder welke geen

spieren liggen, zoodat zij onmiddellijk op de zwemblaas rusten.

Möbius („Sitzungsber. K. Akad. d. Wiss. Berlin”, Phys. math. Klasse,

XLVI, 14 Nov. 1889) hoorde op Mauritius Balistes aculeatus een luid

trommelend geluid voortbrengen en zag tegelijkertijd een kleine plaats

der huid, dicht achter de kieuwopening, levendig trillen. In dat

gedeelte der huid liggen beenplaten. Het geluid ontstaat door snel

opeenvolgende samentrekkingen van de achterste en voorste segmenten der

zijdelingsche spieren van den romp, waardoor het postilaviculare in

trilling wordt gebracht. Deze worden op de wanden van de dicht

daarnaast liggende zwemblaas en haar luchtinhoud overgebracht, hierdoor

en door het medetrillen van de veerkrachtige dunne plaat van de

clavicula zelf versterkt en tevens door de zwemblaas op bovengenoemde

huidbeenplaten, waarmede zij rechtstreeks in aanraking is, en daardoor

op het omringende medium overgebracht.

Het nut van het geluid is in dit en in vele andere gevallen

waarschijnlijk, dat het vijanden doet schrikken. Bij de

Zuid-Amerikaansche Siluroïden is het echter in den rijtijd het sterkst

en wordt het dan door geheele scharen dezer dieren tegelijk

voortgebracht. Sörensen onderstelt daarom, dat het bij deze als

lokmiddel voor seksueele doeleinden dient.

In de rivier Pontianak op Borneo schijnen geluidgevende visschen voor

te komen, wier tonen door de inboorlingen aan geesten worden

toegeschreven.

Ik heb eens een pas uit het water gehaalden gewonen snoek (Esox Lucius)

een schor, kuchend geluid hooren geven, dat uit het inwendige van het

dier scheen voort te komen.

Dufossé vermeldt in een zeer uitvoerige verhandeling („Ann. des

sciences natur., Zoologie”, 1874, T. XX) 52 Europeesche visschen die

geluid maken. Visschen bij welke het geluid ontstaat door trillingen

van de spieren der zwemblaas, kunnen ook verschillende opvolgende tonen

voortbrengen, hetgeen hij bij een soort van zang vergelijkt.

(3) De hier bedoelde soort is de zoogenaamde „Bull-Frog”, letterlijk

„Os-Kikvorsch”, der Noord-Amerikanen. Deze kikvorschen (hun

wetenschappelijke naam is Rana mugeens) bereiken een lengte van 4

decimeter (van de punt van den snoet tot het einde der uitgestrekte

achterpooten gemeten) en hun gekwaak is zoo luid, dat men het op een

uur afstands kan hooren.

(4) De mannelijke schildpadden zijn doorgaans kleiner dan de wijfjes;

hierin komen zij dus met de visschen (verg. blz. 6) en de slangen

(vergelijk blz. 26) overeen. Wat het verschil in schakeering aangaat,

op laatstgenoemde blz. tusschen de beide seksen van de Engelsche adder

aangegeven, moet ik nog opmerken, dat bij onze inlandsche, soortelijk

niet van de Engelsche verschillende adder de grondkleur bij de wijfjes

roodbruin, bij de volwassen mannetjes zilver- of witachtig grijs is,

dat bij de jongen in het bruinachtige trekt. Het regenboogvlies (iris)

is bij de jonge wijfjes geel, bij de oude wijfjes vuurrood, bij de

mannetjes donkerrood.

(5) Het kan voor een zwak dier dikwijls voordeeliger zijn als vergiftig

te worden herkend, dan zijn gif te gebruiken. Wat helpt het een

koraalslang, bij voorbeeld, die door een mensch wordt doodgetrapt, of

zij hem een doodelijken beet toebrengt. Blijkbaar is het voordeeliger

voor haar, als zij door haar opzichtige kleur wordt opgemerkt, en dus

uit vrees niet doodgetrapt; zoo kunnen m.i. de schitterende

(waarschuwende) kleuren van vele gifslangen en insekten en ook de ratel

der ratelslang enz. het best worden verklaard.

(6) Daar de werking der seksueele teeltkeus in nauw verband staat met

de ontwikkeling der geestvermogens, vergelijke men „Album der Natuur”,

1865, blz. 191; men zal dan zien, dat de geestvermogens bij de

hagedissen veel ontwikkelder zijn dan men waarschijnlijk zou hebben

verwacht.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.

Seksueele verschillen.—Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere

wapenen.—Stemorganen.—Instrumentale muziek.—Liefdespel en

dansen.—Versierselen, blijvende en tijdelijke.—Dubbele en

enkelvoudige jaarlijksche ruitijd.—Het pronken der mannetjes met

hun versierselen.

Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend

en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker

veranderingen van maaksel veroorzaken, dan bij eenige andere Klasse van

dieren. Ik zal daarom dit onderwerp zeer uitgebreid behandelen.

Mannelijke vogels bezitten soms, hoewel niet dikwijls, bijzondere

wapens om met elkander te vechten. Zij bekoren de wijfjes door vocale

en instrumentale muziek van de meest verschillende soort. Zij zijn

versierd met allerlei soort van kammen, vleeschlappen, uitwassen,

horens, door lucht uitgezette zakken, kuiven, naakte schachten, pluimen

en verlengde vederen die op bevallige wijze op allerlei plaatsen van

het lichaam ontspringen. De snavel en het naakte vel aan den kop, en de

vederen zijn dikwijls prachtig gekleurd. De mannetjes maken somtijds

aan de wijfjes het hof door te dansen, of door fantastische

vertooningen op den grond of in de lucht uit te voeren. Er bestaat op

zijn minst één voorbeeld, dat het mannetje een muskusachtigen geur

verspreidt, die, gelijk wij mogen veronderstellen, dient om het wijfje

te bekoren of op te wekken; want de heer Ramsay [68], die uitmuntende

waarnemer, zegt van de Australische muskuseend (Biziura lobata), dat

„de geur dien het mannetje gedurende den zomer verspreidt, tot die

sekse is beperkt, en bij sommige individu’s het geheele jaar

voortduurt; ik heb nooit, zelfs niet in den paartijd, een wijfje

geschoten, dat eenigszins naar muskus rook.” Zoo sterk is die geur

gedurende den paartijd dat men hem kan ruiken, lang voor men den vogel

kan zien. [69] Over het geheel schijnen de vogels de meest aesthetische

van alle dieren te zijn, met uitzondering natuurlijk van den mensch, en

zij hebben bijna den zelfden smaak voor het schoone als wij. Dit blijkt

uit het behagen dat wij in het gezang der vogels scheppen, en doordat

onze vrouwen, zoowel beschaafde als wilde, haar hoofden met geleende

vederen bedekken en edelgesteenten gebruiken, die nauwelijks

schitterender zijn gekleurd, dan de naakte huid en de vleeschlappen van

zekere vogels.

Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder

hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de

seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze;

want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in

de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslacht Eustephanus

behoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor

verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould

mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij

verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander

geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den

rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van

dien van het wijfje. Bij de merkwaardige Neomorpha van Nieuw-Zeeland is

er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft

den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en

sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich

met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de

blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen

waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner

Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een

weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes

gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen

vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die

zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich

meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met

een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen,

hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe

kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze

gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke kolibri’s, is het

mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de

mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later

aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.

Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en

gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien

dit elken zomer bij onze roodborstjes en huismusschen. De kleinste van

alle vogels, namelijk de kolibri, is ook de meest twistzieke. De heer

Gosse [70] beschrijft een gevecht waarbij een paar kolibri’s elkander

met den snavel vastgrepen en in het rond draaiden tot zij bijna op den

grond vielen, en de heer Montes de Oca zegt, van een ander geslacht

sprekende, dat twee mannetjes elkander zelden ontmoeten, zonder dat er

een woedend gevecht in de lucht plaats grijpt, en als men ze in kooien

houdt, „eindigt hun gevecht meestal daarmede, dat de tong van een van

beide wordt gespleten, die dan met zekerheid moet sterven, daar hij

zich niet meer kan voeden.” [71] Onder de Moerasvogels „vechten de

mannetjes van het waterhoentje (Gallinula chloropus) in den paartijd

hevig om de wijfjes; zij staan bijna rechtop in het water en trappen

met hun pooten.” Men heeft er twee op die wijze een half uur lang zien

vechten, totdat de een den kop van den ander beet kreeg, die zou zijn

gedood als de waarnemer niet tusschenbeide was gekomen; het wijfje

stond er al dien tijd als een rustige toeschouwster naar te kijken.

[72] De mannetjes van een verwanten vogel (Gallicrex cristatus) zijn,

gelijk de heer Blyth mij meldt, een derde grooter dan de wijfjes, en

zijn gedurende den paartijd zoo strijdlustig, dat de inboorlingen van

oostelijk Bengalen hen houden om ze met elkander te laten vechten. Men

houdt in Indië onderscheidene andere vogels met het zelfde doel, bij

voorbeeld de Bulbuls (Pycnonotush aemorrhous), „die met grooten moed

vechten.” [73]

De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig. 22) is

bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen

de mannetjes die veel grooter zijn dan de wijfjes, alle dagen te zamen

op een bijzondere plaats waar de wijfjes van plan zijn haar eieren te

leggen. De vogelaars ontdekken die plaatsen, doordat het gras er een

weinig kaal is getrapt. Hier vechten zij zeer hevig gelijk strijdhanen,

en grijpen elkander met hun snavel en slaan elkander met hun vleugels.

De groote halskraag van vederen staat dan recht overeind en „sleept”,

volgens Kolonel Montagu, „over den grond als een schild om de meer

teedere deelen te beschermen”, en dit is het eenige mij bekende

voorbeeld bij vogels van het eene of andere deel dat als een schild

dient. De halskraag van vederen dient echter wegens zijn menigvuldige

en rijke kleuren waarschijnlijk voornamelijk tot versiering. Gelijk de

meeste strijdlustige vogels schijnen zij bijna altijd bereid te zijn om

te vechten; en als zij in enge gevangenschap met elkander leven, dooden

zij elkander veelvuldig; maar Montagu nam waar, dat hun

strijdlustigheid gedurende de lente, wanneer de lange vederen op den

hals volkomen zijn ontwikkeld, grooter wordt; en in dien tijd doet de

minste beweging van dezen of genen afzonderlijken vogel een algemeen

gevecht ontstaan. [74] Van de strijdlustigheid van de zwemvogels zullen

twee voorbeelden voldoende zijn: in Guiana „hebben gedurende den

paartijd bloedige gevechten plaats tusschen de mannetjes van de wilde

muskuseend (Cairina moschata) (1); en waar deze gevechten hebben plaats

gehad, is de rivier over eenigen afstand met vederen bedekt.” [75]

Vogels die slecht geschikt schijnen te zijn om te vechten, leveren

elkander woedende gevechten; zoo jagen bij den pelikaan de sterkere

mannetjes de zwakkere weg, met hun monsterachtige snavels bijtende en

krachtige slagen met hun vleugels uitdeelende. De mannelijke snippen

vechten te zamen „elkander met hun snavels plukkende en stootende op de

vreemdsoortigste wijze die men zich kan voorstellen.” Van eenige

weinige soorten gelooft men, dat zij nooit vechten; dit is, volgens

Audubon, het geval met een van de spechten van de Vereenigde Staten

(Picus auratus), hoewel „de wijfjes door zelfs een half dozijn van haar

vroolijke minnaars worden gevolgd.” [76]

De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is

ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun

medeminnaars en is door seksueele teeltkeus verkregen. Het verschil in

grootte tusschen de seksen is bij verscheidene Australische soorten tot

een uiterste gedreven: zoo zijn toch volgens metingen de mannelijke

muskuseend (Biziura) en de mannelijke Cincloramphus cruralis (met onze

Piepers verwant) tweemaal zoo groot als hun respectieve wijfjes. [77]

Bij vele andere vogels zijn de wijfjes grooter dan de mannetjes; en,

zooals vroeger is opgemerkt, is de verklaring die men daarvan dikwijls

geeft, namelijk, dat de wijfjes het meeste werk hebben met het voeden

harer jongen, niet voldoende. In eenige weinige gevallen hebben de

wijfjes, zooals wij later zullen zien, haar grootere gestalte en

meerdere kracht blijkbaar verkregen met het doel om andere wijfjes te

overwinnen en het bezit van de mannetjes te verkrijgen.

De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in

veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om

met hun medeminnaars te vechten, namelijk van sporen die met vreeselijk

gevolg kunnen worden gebruikt. Een geloofwaardig schrijver [78] heeft

opgeteekend, dat in Derbyshire een wouw neêrschoot op een strijdhen die

van haar kuikens vergezeld was, waarop de haan haar te hulp snelde, en

zijn spoor recht door het oog en den schedel van den aanvaller

heêndreef. De spoor werd met moeite uit den schedel getrokken en daar

de wouw, ofschoon dood, zijn tegenstander nog omkneld hield, waren de

beide vogels stevig aaneengesloten; maar de haan bleek, nadat men hem

had losgemaakt, slechts zeer weinig letsel te hebben bekomen. De

onoverwinnelijke moed van den strijdhaan is bekend: een heer die langen

tijd geleden ooggetuige was geweest van het volgende wreede tooneel,

verhaalde mij, dat de beide pooten van zulk een haan door een of ander

toeval gedurende het hanengevecht waren gebroken, en de eigenaar een

weddenschap aanging, dat, indien de pooten zoo konden worden gespalkt,

dat de vogel weder overeind kon staan, hij voort zou gaan met vechten.

Dit werd dadelijk gedaan en de vogel vocht met onbezweken moed, totdat

hij doodelijk werd getroffen. In Ceylon is een nauwverwante en wilde

soort, de Gallus Stanleyi, bekend als een wanhopig vechter, „zoodat één

der strijders dikwijls dood wordt gevonden.” [79] Een Indische

patrijssoort (Ortygornis gularis), waarvan het mannetje van sterke en

scherpe sporen is voorzien, is zoo twistziek, „dat de litteekens van

vroegere gevechten de borst misvormen van bijna elken vogel dien men

doodt.” [80]

De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet

van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd

woedende gevechten. De groote auerhaan en korhaan (Tetrao urogallus en

T. tetrix) die beide in veelwijverij leven, hebben geregeld vaste

plaatsen waar zij gedurende vele weken in grooten getale samenkomen om

met elkander te vechten en hun bekoorlijkheden voor de wijfjes ten toon

te spreiden. De heer W. Kowalevsky meldt mij, dat hij in Rusland de

sneeuw overal met bloed doortrokken heeft gezien op de plaatsen waar de

auerhanen hadden gevochten; en de korhanen „doen de vederen in alle

richtingen wegstuiven”, als verscheidene „elkander een koninklijk

gevecht leveren.” De oudere Brehm geeft een merkwaardig verhaal van het

„Balzen”, zooals de liefde-dans of liefde-zang van den korhaan in

Duitschland wordt genoemd. De vogel maakt bijna zonder ophouden de

vreemdsoortigste geluiden: hij houdt zijn staart in de hoogte en

spreidt dien uit gelijk een waaier, hij licht zijn kop en hals op,

waarvan al de vederen overeind staan, en steekt zijn vleugels van het

lichaam af. Daarop maakt hij eenige weinige sprongen in verschillende

richtingen, somtijds in een cirkel, en drukt het onderste gedeelte van

zijn snavel zoo hard tegen den grond, dat de kinvederen worden

afgeschaafd. Gedurende deze bewegingen slaat hij met zijn vleugels en

draait voortdurend in de rondte. Hoe vuriger hij wordt, des te

levendiger wordt hij, totdat ten laatste de vogel als razend schijnt te

zijn. Op dergelijke tijden zijn de korhanen zoo in hun dans verdiept,

dat zij bijna blind en doof worden, hoewel minder dan de auerhaan,

zoodat de eene vogel voor en de andere na op de zelfde plaats kan

worden doodgeschoten, of zelfs met de hand gevangen. Na deze vertooning

te hebben volbracht, beginnen de mannetjes te vechten; en de zelfde

korhaan zal, om zijn kracht tegen verscheidene tegenstanders te

beproeven, in den loop van éénen morgen verscheiden Balz-plaatsen

bezoeken, die gedurende alle jaren de zelfde blijven. [81]

De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een

krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de

weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een

kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat

zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de

spits van den St. Janstoren nederlieten.

De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het

algemeen slechts één spoor, maar Polyplectron (Fig. 23) heeft er twee

of meer aan elken poot; en bij een der Bloedfazanten (Ithaginis

cruentus) heeft men vijf sporen opgemerkt. De sporen zijn meestal tot

het mannetje beperkt, en worden bij het wijfje door eenvoudige knobbels

of rudimenten vertegenwoordigd; maar de wijfjes van den Javaanschen

pauw (Pavo muticus) en, naar de heer Blyth mij heeft medegedeeld, van

den kleinen vuurruggigen fazant (Euplocamus erythrophthalmus) bezitten

sporen. Bij Galloperdix hebben de mannetjes gewoonlijk twee sporen en

de wijfjes slechts ééne spoor aan elken poot. [82] Men mag daarom de

sporen gerust beschouwen als een mannelijk kenmerk, hoewel zij nu en

dan in meerdere of mindere mate op de wijfjes worden overgeplant.

Gelijk de meeste andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen de

sporen vele afwijkingen in aantal en ontwikkeling bij ééne en de zelfde

soort.

Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans

(Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbels”,

en deze vertoonen ons waarschijnlijk de eerste stappen door welke zich

bij andere verwante vogels ware sporen hebben ontwikkeld. Bij de

spoorvleugelige gans, Plectropterus gambensis, hebben de mannetjes veel

grooter sporen dan de wijfjes; en zij gebruiken ze, naar mij de heer

Bartlett heeft medegedeeld, om met elkander te vechten, zoodat in dit

geval de vleugelsporen tot seksueele wapens dienen; volgens Livingstone

echter, worden zij voornamelijk tot verdediging der jongen gebruikt. De

kamichi (Palamedea, Fig. 24) is aan elken vleugel met een paar sporen

gewapend, en deze zijn zulke geduchte wapenen, dat een enkele steek

daarmede een hond huilende op de vlucht heeft gejaagd. Het blijkt

echter niet, dat de sporen in dit geval of in dat van sommige met

vleugelsporen gewapende Ralachtige Vogels bij het mannetje grooter zijn

dan bij het wijfje. [83] Bij sommige Plevierachtige Vogels moeten

echter de vleugelsporen als een seksueel kenmerk worden beschouwd. Zoo

wordt bij onzen gewonen kievit (Vanellus cristatus) de knobbel op den

vleugelschouder gedurende den paartijd meer vooruitstekend, en het is

bekend, dat de mannetjes met elkander vechten. Bij sommige soorten van

Lobivanellus ontwikkelt zich een soortgelijke knobbel gedurende den

paartijd „tot een korte horenachtige spoor.” Bij den Australischen L.

lobatus hebben beide seksen sporen, maar deze zijn veel grooter bij de

mannetjes dan bij de wijfjes. Bij een verwanten vogel, den Hoplopterus

armatus, nemen de sporen gedurende den paartijd niet in grootte toe;

maar men heeft die vogels in Egypte zien vechten, op de zelfde wijze

als onze kieviten, door zich in de lucht plotseling om te draaien en

zijdelings op elkander neêr te schieten, somtijds met noodlottig

gevolg. Op de zelfde wijze jagen zij ook andere vijanden weg. [84]

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 3 / 39 段