klaarblijkelijk tot bescherming, zooals de helder groene tinten van
boomkikvorschen en de donkere gespikkelde schakeeringen van vele op den
grond levende soorten. Bij de meest opzichtig gekleurde pad die ik ooit
zag, namelijk Phryniscus nigricans [43], was het bovendeel van het
lichaam zoo zwart als inkt, terwijl de voetzolen en sommige deelen van
den onderbuik vlekken van het schoonste vermiljoen vertoonden. Hij
kroop op kale zandvlakten of open grasvlakten van La Plata onder een
brandende zon, en kon het oog van geen schepsel dat daar voorbijkwam,
ontgaan. Deze kleuren zijn voor deze pad wellicht voordeelig door haar
aan alle roofvogels kenbaar te maken, als een walgelijk voedsel; want
iedereen weet, dat deze dieren een giftige stof afscheiden, die den bek
van een hond doet schuimen, alsof hij een aanval van watervrees kreeg.
Ik stond te meer verbaasd over de opzichtige kleuren van deze pad,
omdat ik vlak daarbij een hagedis (Proctotretus multimaculatus) vond,
die, wanneer zij bevreesd was, haar lichaam plat maakte, haar oogen
sloot, en dan wegens haar donkere kleur nauwelijks van het haar
omringende zand kon worden onderscheiden.
In Nicaragua is er een kleine kikvorsch, „gekleed in een schitterende
roode en blauwe livrei”, die zich niet verbergt gelijk de meeste andere
soorten, maar overdag rondspringt, en de heer Belt [44] zegt, dat,
zoodra hij zag, hoe volkomen veilig het dier zich voelde, hij overtuigd
was, dat het oneetbaar was. Na verscheidene vergeefsche pogingen
slaagde hij er in een jonge eend er toe te brengen om er een beet te
pakken, maar deze wierp hem dadelijk weg en „liep rond met zijn kop
stootende, alsof hij beproefde een onaangenamen smaak te verdrijven.”
Ten opzichte van seksueele kleurverschillen, zijn Dr. Günther van
kikvorschen of padden geen sterk sprekende voorbeelden bekend; hij kan
echter dikwijls het mannetje van het wijfje onderscheiden, doordat de
kleuren van het eerste een weinig levendiger zijn. Ook kent Dr. Günther
geen enkel voorbeeld van sterk in ’t oog loopende verschillen in
uitwendig maaksel tusschen de seksen, behalve de verhevenheden die zich
gedurende den rijtijd aan de voorpooten van het mannetje ontwikkelen,
waardoor hij in staat wordt gesteld het wijfje vast te houden. [45]
Megalophrys montana [46] (Fig. 11–14) levert het beste voorbeeld van
een zekere mate van verschil in maaksel tusschen de seksen; want aan de
punt van den neus en de oogleden van het mannetje bevinden zich
driehoekige verlengsels die door huidlappen worden gevormd, en op den
rug bevindt zich een kleine zwarte knobbel,—kenmerken die bij het
wijfje ontbreken of slechts zwak zijn ontwikkeld. Het is te
verwonderen, dat kikvorschen en padden geen sterker uitgedrukte
seksueele verschillen zouden hebben verkregen; want hoewel het
koudbloedige dieren zijn, hebben zij sterke hartstochten. Dr. Günther
deelt mij mede, dat hij menigmaal een ongelukkige wijfjespad dood en
verstikt vond ten gevolge van de zeer nauwe omhelzingen van drie of
vier mannetjes. Professor Hoffman te Giessen heeft kikvorschen
waargenomen, die gedurende den rijtijd den geheelen dag vochten, en zoo
hevig, dat het lichaam van een hunner werd opengescheurd.
Deze dieren vertoonen echter één belangwekkend seksueel verschil,
namelijk in het muzikaal vermogen dat het mannetje bezit; om echter van
muziek te spreken, als men de wanluidende en oorverdoovende klanken
bedoelt, die de mannetjes der reuzenkikvorschen (3) en van sommige
andere soorten voortbrengen, schijnt, volgens onzen smaak, een
bijzonder ongepaste uitdrukking. Desniettemin is het gezang van sommige
kikvorschen ongetwijfeld aangenaam. Nabij Rio Janeiro placht ik
dikwijls in den avond naar het gezang van een aantal kleine
boomkikvorschen (Hylae) te zitten luisteren, die, dicht bij het water
op de grashalmen gezeten, zachte piepende harmonische tonen
voortbrachten. De verschillende tonen worden door de mannetjes
gewoonlijk gedurende den rijtijd voortgebracht, zooals in het geval van
het gekwaak van onzen gewonen kikvorsch. [47] In overeenstemming met
dit feit zijn de stemorganen der mannetjes meer ontwikkeld dan die der
wijfjes. Bij sommige geslachten zijn alleen de mannetjes voorzien van
zakken die zich in het strottenhoofd (larynx) openen. [48] Bij den
groenen kikvorsch (Rana esculenta), bij voorbeeld „zijn de zakken
alleen aan het mannetje eigen, en worden, als zij gedurende het kwaken
met lucht zijn gevuld, groote bolvormige blazen die elk aan ééne zijde
van den kop, dicht bij de hoeken van den mond uitsteken.” Het gekwaak
van het mannetje wordt daardoor bijzonder krachtig gemaakt, terwijl dat
van het wijfje slechts een zacht knorrend geluid is. [49] De
stemorganen verschillen bij de onderscheidene geslachten der familie
zeer in maaksel; en in alle gevallen mag hun ontwikkeling aan seksueele
teeltkeus worden toegeschreven.
REPTIELEN.
Chelonia.—Bij de schildpadden komen geen sterk uitgesproken seksueele
verschillen voor. Bij sommige soorten is de staart van het mannetje
langer dan die van het wijfje. Bij sommige is het plastron of
buikschild van het mannetje eenigszins uitgehold met het oog op den rug
van het wijfje. Het mannetje van den slijkschildpad der Vereenigde
Staten (Chrysemys picta) heeft aan zijn voorpooten tweemaal grooter
klauwen dan het wijfje; en deze worden bij de paring der seksen
gebruikt. Bij de groote landschildpad der Galapagos-eilanden (Testudo
nigra) zegt men, dat de mannetjes een grootere lichaamsgestalte
verkrijgen dan de wijfjes; gedurende den paartijd, en op geen anderen
tijd, maakt het mannetje een heesch blaffend geluid dat op een afstand
van meer dan 100 ellen kan worden gehoord; het wijfje gebruikt
daarentegen haar stem nooit. [50] (4)
Crocodilia.—Bij de krokodillen verschillen de seksen niet merkbaar in
kleur; en het is mij ook niet bekend, of de mannetjes met elkander
vechten, hoewel dit waarschijnlijk is; want sommige soorten maken
verbazende vertooningen voor de wijfjes. Bartram [51] beschrijft de
wijze waarop de mannelijke alligator de genegenheid van het wijfje
zoekt te verwerven door midden in het water te plassen en te brullen,
„tot barstens toe opgezwollen, met opgelichten kop en staart, draait
hij op de oppervlakte van het water rond, gelijk een Indiaansch
opperhoofd die zijn oorlogsbedrijven verhaalt.” Gedurende den paartijd
ontwikkelen de onder de kaken der krokodillen gelegen klieren een
muskaatachtigen geur die zich over de plaatsen verspreidt, waar zij
zich ophouden. [52]
Ophidia.—Over de slangen heb ik weinig te zeggen. Dr. Günther deelt mij
mede, dat de mannetjes altijd kleiner zijn dan de wijfjes, en over het
algemeen langer en dunner staart hebben; maar hij kent geen ander
verschil in hun uiterlijk maaksel. Ten opzichte der kleur kan Dr.
Günther bijna altijd het mannetje van het wijfje onderscheiden door
zijn sterker uitgesproken tinten; zoo is de zwarte zigzagvormige band
op den rug van het mannetje van de Engelsche adder scherper begrensd
dan bij het wijfje. Het verschil is veel grooter bij de ratelslangen
van N. Amerika, waarvan het mannetje, gelijk de oppasser in den
Londenschen dierentuin mij toonde, dadelijk van het wijfje kan worden
onderscheiden, doordat hij over het geheele lichaam meer donkergeel
heeft. In Zuid-Afrika vertoont Bucephalus capensis een soortgelijk
verschil; want het wijfje „bezit op de zijden nooit zooveel gele
schakeeringen als het mannetje.” [53] Het mannetje van den Indischen
Dipsas cynodon is daarentegen zwartachtig bruin met gedeeltelijk
zwarten buik, terwijl het wijfje roodachtig of gedeeltelijk
olijfkleurig is met een ’t zij eenvormig gelen of met zwart gemarmerden
buik. Bij Tragops dispar uit het zelfde land is het mannetje helder
groen en het wijfje bronskleurig. [54] Ongetwijfeld dienen de kleuren
van vele slangen tot bescherming, zooals de groene tinten van
boomslangen en de verschillende gespikkelde schakeeringen van soorten
die op zandige plaatsen leven; maar bij vele soorten, b.v. bij de
gewone Engelsche slang of adder, is het twijfelachtig of haar kleuren
dienen om haar te verbergen, en nog twijfelachtiger is dit bij de vele
inlandsche soorten die uiterst fraai zijn gekleurd. De kleuren van
sommige soorten zijn zeer verschillend bij volwassen en jonge
voorwerpen. [55]
Gedurende den rijtijd scheiden aan hun anus gelegen klieren een sterk
riekende stof af [56]; en het zelfde is het geval met dergelijke
klieren bij de hagedissen, en, zooals wij hebben gezien, met onder de
kaken gelegen klieren bij de krokodillen. Daar de mannetjes der meeste
dieren de wijfjes zoeken, dienen deze riekende stoffen afscheidende
klieren waarschijnlijk meer om het wijfje op te wekken en te bekoren,
dan om haar den weg te wijzen naar de plaats waar het mannetje is te
vinden. [57] Hoewel de mannetjes der slangen zoo vadsig schijnen, zijn
zij toch verliefd van gestel; want men heeft waargenomen, hoe vele van
hen zich rondom het zelfde wijfje en zelfs rondom het lijk van een
wijfje opeendrongen. Het is niet bekend, of zij uit minnenijd met
elkander vechten. Hun verstandelijke vermogens zijn hooger ontwikkeld,
dan men a priori zou hebben verwacht. In den Londenschen dierentuin
leeren zij spoedig geen aanval te doen op de ijzeren staaf waarmede
haar kooien schoon worden gemaakt; en Dr. Keen van Philadelphia meldt
mij, dat eenige slangen welke hij bezat, na vier of vijf malen een
strik leerden vermijden, waarmede zij in den beginne gemakkelijk werden
gevangen. Een uitnemend waarnemer, de heer E. Layard [58], zag op
Ceylon een brilslang haar kop door een nauw gat steken en een pad
inzwelgen. „Met deze belemmering kon zij zich niet terugtrekken; dit
bemerkende spuwde zij met weêrzin het lekkere hapje weêr uit, dat begon
weg te kruipen; dit was meer dan haar slangenphilosophie kon verdragen;
zij greep de pad opnieuw, maar nogmaals was de slang, na hevige
pogingen om te ontsnappen, gedwongen om haar prooi te laten varen.
Ditmaal had zij echter geleerd; de pad werd bij een poot gegrepen,
medegetrokken en daarna in zegepraal opgeslokt.”
De oppasser in den Londenschen dierentuin is stellig overtuigd, dat
sommige slangen, bij voorbeeld Crotalus en Python, hem van alle andere
personen onderscheiden. Cobra’s, te zamen in de zelfde kooi gehouden,
schijnen eenige gehechtheid voor elkander te gevoelen. [59]
Uit het feit, dat slangen een weinig redeneerend vermogen en sterke
hartstochten bezitten, volgt echter nog niet, dat zij ook met
voldoenden smaak zijn begaafd om de schitterende kleuren van haar
gezellen zoodanig te bewonderen, dat dit leidt tot verfraaiing van de
soort door seksueele teeltkeus. Desniettemin is het moeilijk zich op
eenige andere wijze rekenschap te geven van de buitengewone schoonheid
van sommige soorten; bij voorbeeld van de koraalslangen van
Zuid-Amerika, die een schitterend roode kleur met zwarte en gele
dwarsbanden bezitten. Ik herinner mij nog zeer goed, hoezeer ik
verbaasd was over de schoonheid van de eerste koraalslang die ik in
Brazilië over een pad zag kruipen. Slangen welke op deze bijzondere
wijze zijn gekleurd, worden, zooals de heer Wallace op autoriteit van
Dr. Günther verzekert [60], nergens anders ter wereld gevonden dan in
Zuid-Amerika, en daar komen er niet minder dan vier geslachten van
voor. Een daarvan, Elaps, is vergiftig; van een tweede, zeer
verschillend geslacht, is het twijfelachtig, of het vergiftig is, en de
beide andere zijn volkomen onschadelijk. De soorten die tot deze
geslachten behooren, bewonen de zelfde streken en gelijken zoozeer op
elkander, dat niemand, „dan een natuuronderzoeker de onschadelijke van
de vergiftige soorten zou kunnen onderscheiden.” De heer Wallace
gelooft daarom, dat de onschadelijke soorten haar kleuren tot
bescherming hebben gekregen volgens het beginsel van nabootsing; want
zij moeten natuurlijk door haar vijanden voor gevaarlijk worden
aangezien. De oorzaak van de schitterende kleuren van de vergiftige
Elaps blijft dan echter nog onverklaard, en deze bestaat wellicht in de
seksueele teeltkeus. (5)
Slangen brengen nog andere geluiden voort dan sissen. De doodelijke
Echis carinata heeft op haar zijden eenige schuine rijen schubben van
een bijzonder maaksel met gezaagde randen; en, als deze slang toornig
wordt, wrijft zij deze schubben tegen elkander, hetgeen „een
merkwaardig, lang aanhoudend, bijna sissend geluid” voortbrengt. [61]
Wat het ratelen van de ratelslang aangaat, hebben wij ten minste eenig
rechtstreeksch bericht; want Professor Aughey getuigt [62], dat hij bij
twee gelegenheden, zelf niet gezien wordende, op een kleinen afstand
een opgerolde ratelslang bespiedde, met opgerichten kop, die een half
uur lang met korte tusschenpoozingen voortdurend ratelde; eindelijk zag
hij een andere slang naderen, en toen zij bij elkander waren, paarden
zij. Hierdoor werd hij overtuigd, dat een van de doeleinden van den
ratel is om de seksen bij elkander te brengen. Ongelukkig vergewiste
hij zich niet, of het het mannetje dan wel het wijfje was, dat stil
bleef liggen en de andere slang riep. Doch uit bovenstaand feit volgt
in geenen deele, dat deze slangen den ratel niet kunnen gebruiken voor
andere doeleinden, als een waarschuwing voor dieren die haar anders
zouden aanvallen enz. Ook kan ik de verschillende verhalen niet geheel
en al betwijfelen, die men heeft gedaan ten bewijze, dat zij daarmede
haar prooi van vrees verlammen. Sommige andere slangen maken ook een
bepaald geluid door haar staart snel tegen de omringende planten te
doen trillen; en ik heb dit zelf Trigonocephalus in Zuid-Amerika hooren
doen.
Lacertilia.—De mannetjes van sommige, waarschijnlijk van vele
hagedissen vechten uit minnenijd met elkander. Zoo is de boombewonende
Anolis cristatellus uit Zuid-Amerika uiterst strijdlustig. „Gedurende
de lente en het eerste gedeelte van den zomer ontmoeten twee volwassen
mannetjes elkander zelden zonder gevecht. Als zij elkander het eerst
zien, buigen zij hun koppen drie of vier malen op en neder, en zetten
tegelijkertijd den kraag of zak dien zij onder aan de keel hebben, op;
hun oogen fonkelen van woede, en na hun staarten gedurende eenige
weinige seconden van de eene zijde naar de andere golvend te hebben
bewogen, als om hun krachten te verzamelen, storten zij zich woedend op
elkander, rollen over elkander heen en houden elkander stevig met de
tanden vast. De strijd eindigt gewoonlijk daarmede, dat een der
strijders zijn staart verliest, die dikwijls door den overwinnaar wordt
verslonden.” Het mannetje van deze soort is aanmerkelijk grooter dan
het wijfje [63], en dit is, voor zoover Dr. Günther kon nagaan, de
algemeene regel bij alle soorten van hagedissen.
De seksen verschillen dikwijls zeer in uitwendige kenmerken. Het
mannetje van den bovenvermelden Anolis is voorzien van een kam die over
den rug en den staart loopt en willekeurig kan worden opgezet; van
dezen kam vertoont echter het wijfje geen spoor. Bij de Indische
Cophotis Ceylanica bezit het wijfje op den rug een kam, hoewel die veel
minder is ontwikkeld dan bij het mannetje, en evenzoo is het, gelijk
Dr. Günther mij mededeelt, met de wijfjes van vele leguanen, kameleons
en andere hagedissen. Bij sommige soorten is echter de kam bij beide
seksen even goed ontwikkeld, zooals bij Iguana tuberculata. Bij het
geslacht Sitana zijn alleen de mannetjes van een grooten keelzak
voorzien (Fig. 15), die evenals een waaier kan worden opgevouwen en
blauw, zwart en rood is gekleurd. Met deze prachtige kleuren pronkt hij
alleen gedurende den paartijd. Het wijfje bezit zelfs geen rudiment van
dit aanhangsel. Bij Anolis cristatellus bestaat, volgens den heer
Austen, de keelzak die helderrood met geel gemarmerd is, ook, hoewel in
rudimentairen toestand, bij het wijfje. Hier zien wij, evenals in
zoovele vroeger vermelde gevallen, bij soorten tot de zelfde groep
behoorende, het zelfde kenmerk tot de mannetjes beperkt, of meer
volkomen ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of bij beide
seksen gelijkelijk ontwikkeld. De kleine hagedissen van het geslacht
Draco, die de lucht doorklieven op haar door haar ribben ondersteunde
valschermen, en wier kleurenpracht elke beschrijving te boven gaat,
zijn aan hun keel van door uitbreidingen der huid gevormde aanhangsels
voorzien, „op de keelkwabben van hoenderachtige vogels gelijkende.”
Deze worden opgezet als het dier wordt geprikkeld. Zij komen bij beide
seksen voor, maar zijn het best ontwikkeld bij het mannetje, wanneer
dit tot volwassen leeftijd is gekomen; het middelste aanhangsel is dan
soms tweemaal zoo lang als de kop. Bij de meeste soorten loopt ook een
lage kam boven over den hals; en deze is bij de volwassen mannetjes
veel meer ontwikkeld, dan bij de wijfjes of de jonge mannetjes. [64]
Er zijn andere en veel merkwaardiger verschillen tusschen de seksen van
zekere hagedissen. Het mannetje van Ceratophora aspera draagt op het
uiteinde van zijn snoet een aanhangsel dat de halve lengte van den kop
bezit. Het is cylindervormig, met schubben bedekt, buigzaam en
blijkbaar vatbaar om te worden opgericht (erectiel); bij het wijfje is
het geheel rudimentair. Bij een tweede soort van het zelfde geslacht
vormt een eindschub een kleinen horen op den top van het buigzame
aanhangsel; en bij een derde soort (C. Stoddartii, Fig. 16 en 17) is
het geheele aanhangsel in een horen veranderd, die gewoonlijk van een
witte kleur is, maar een purperachtige tint aanneemt, als het dier
wordt geprikkeld. Bij het volwassen mannetje van deze laatste soort
heeft de horen 1¼ centimeter lengte, maar bij het wijfje en de jongen
is hij van zeer geringe grootte. Deze aanhangsels kunnen, gelijk Dr.
Günther mij opmerkte, met de kammen van hoenderachtige vogels worden
vergeleken, en dienen blijkbaar tot sieraad.
Bij het geslacht Chameleon komen wij tot het toppunt van verschil
tusschen de beide seksen. Het bovenste gedeelte van den schedel van het
mannetje van Chameleon bifurcus (Fig. 18), een bewoner van Madagascar,
is verlengd tot twee groote, stevige, beenige uitwassen, evenals de
overige deelen van den kop met schubben bedekt, en van deze wondervolle
wijziging van maaksel vertoont het wijfje (Fig. 19) slechts een
rudiment. Evenzoo draagt het mannetje van Chameleon Owenii (Fig. 20)
van de Westkust van Amerika op zijn snoet en voorhoofd drie
merkwaardige horens waarvan het wijfje (Fig. 21) geen spoor bezit. Deze
horens bestaan uit een beenig uitwas met een gladde schede bedekt, die
een deel uitmaakt van de algemeene bekleeding van het lichaam, zoodat
zij in maaksel overeenkomen met die van een rund, geit of ander
holhoornig herkauwend dier. Hoewel de drie horens zoozeer in uiterlijk
van de beide groote schedeluitwassen van Chameleon bifurcus
verschillen, kunnen wij nauwelijks betwijfelen, dat zij in de
huishouding dezer beide dieren tot het zelfde algemeene doel dienen. De
eerste onderstelling die iedereen zal invallen, is, dat zij door de
mannetjes worden gebruikt om met elkander te vechten; en, daar deze
dieren zeer twistziek [65] zijn, is deze meening waarschijnlijk juist.
De heer T. W. Wood meldt mij ook, dat hij eens twee voorwerpen van C.
pumilus bespiedde, die op een boomtak hevig met elkaâr vochten; zij
bewogen hun koppen in het rond en trachtten elkander te bijten; daarop
rustten zij een tijd lang en zetten later den strijd voort.
Bij vele soorten van hagedissen verschillen de seksen een weinig in
kleur, daar de tinten en strepen van de mannetjes helderder en scherper
zijn begrensd dan die van de wijfjes. Dit is bij voorbeeld het geval
met den bovenvermelden Cophotis en met Acanthodactylus capensis van
Zuid-Afrika. Bij een Cordylus-soort uit dit laatste land, is het
mannetje hetzij veel rooder of groener dan het wijfje. Bij den
Indischen Calotes nigrilabris is er tusschen de seksen een grooter
verschil in kleur; bij het mannetje zijn ook de lippen zwart, terwijl
die van het wijfje groen zijn. Bij onze gewone kleine hagedis (Zootoca
vivipara) zijn „de ondervlakte van het lichaam en het grondvlak van den
staart bij het mannetje helder oranje met zwarte vlekken; bij het
wijfje zijn deze deelen bleek grijsachtig groen zonder vlekken.” [66]
Wij hebben gezien, dat bij Sitana alleen de mannetjes een keelzak
bezitten, en deze is prachtig blauw, zwart en rood gekleurd. Bij
Proctotretus tenuis uit Chili is alleen het mannetje met blauwe, groene
en koperroode vlekken geteekend. [67] Ik verzamelde in Zuid-Amerika
veertien soorten van dit geslacht en hoewel ik verzuimde de seksen aan
te teekenen, nam ik waar, dat alleen sommige individu’s met
smaragdgroene vlekken waren geteekend, terwijl andere oranjekleurige
kelen hadden, en dit waren in beide gevallen ongetwijfeld de mannetjes.
Bij de voorgaande soorten zijn de mannetjes levendiger gekleurd dan de
wijfjes; bij vele hagedissen zijn echter beide seksen op de zelfde
sierlijke of zelfs prachtige wijze gekleurd, en er is geen reden om te
onderstellen, dat dergelijke opzichtige kleuren tot bescherming dienen.
Bij sommige hagedissen dient echter de groene kleur ongetwijfeld om ze
te verbergen en een voorbeeld is reeds in het voorbijgaan gegeven van
ééne soort van Proctotretus, die volkomen gelijkt op het zand waarop
zij leeft. Over het geheel mogen wij vrij veilig besluiten, dat de
schoone kleuren van vele hagedissen, even goed als verschillende
aanhangsels en andere vreemde wijzigingen van maaksel door de mannetjes
zijn verkregen tot versiering ten gevolge van de seksueele teeltkeus en
hetzij alleen door hun mannelijk kroost of door beide seksen zijn
overgeërfd. De seksueele teeltkeus schijnt bij de Reptielen inderdaad
een even belangrijke rol te hebben gespeeld als bij de Vogels. De
minder opzichtige kleuren van de wijfjes in vergelijking van die der
mannetjes kunnen echter niet, zooals de heer Wallace gelooft, dat bij
vogels het geval is, worden verklaard door het blootgesteld zijn der
wijfjes aan gevaar gedurende de uitbroeding der jongen. (6)
AANTEEKENINGEN.
(1) In de groote bosch-moerassen of zwampen van onze kolonie Suriname
leeft een soort van visch die aldaar de Kwi-Kwi wordt genoemd (de
wetenschappelijke naam van het dier is mij onbekend), welke uit gras en
biezen nestjes bouwt, die door een sterk biesje zoodanig aan een in het
water groeienden rietstengel zijn bevestigd, dat zij bij rijzing of
daling van het water op en neder kunnen gaan. In deze nestjes legt het
wijfje haar eieren en sluit daarna de opening in het water met een
soort van taai slijm dicht. Deze eieren worden langzamerhand zoo groot
als kleine knikkers en zijn dan een geliefkoosd aas voor een soort van
wilde eenden die men in Suriname Doksie’s noemt. Het mannetje en het
wijfje van den Kwi-Kwi zwemmen echter voortdurend onder het net door om
dit en zijn inhoud te beschermen, zoodat, wanneer er Doksie’s op
afkomen, meestal een hevig gevecht volgt, waarbij deze laatsten
dikwijls ernstig worden gehavend, daar de Kwi-Kwi’s aan den kop met
twee zeer sterke en scherpe beweegbare stekels en scherpe tanden zijn
gewapend.
In een brief, dato 15 Dec. 1871, van St. Thomas, bericht Agassiz, dat
hij een ronden bal van Sargasso-wier had opgevischt, dat vischeieren
bevatte en het nest bleek te zijn van Chironectes pictus. De takjes van
het wier waren onderling stevig verbonden door veerkrachtige draden
(„Amer. Journ.”, Febr. 1872, blz. 154).
In het „Album der Natuur”, 1876, blz. 382, vindt men bijzonderheden
omtrent den nestbouw van den regenboogvisch uit Voor-Indië, een soort
van het geslacht Colisa. Tevens vindt men daarin vermeld, hoe het
mannetje met zijn kleurenpracht pronkt om het wijfje te bekoren, en
zorg draagt voor de jongen. In den jaargang 1877 van het zelfde
tijdschrift staat een artikel over den nestbouw van den Goerami
(Osphronemus olfax), een visch uit Indië, China en Java, en de zorg van
het mannetje voor de jongen. Beide artikelen steunen op waarnemingen
van den heer Carbonnier van Parijs.
In „Nature”, 19 Nov. 1874 (en daaraan ontleend in „Alb. d. Nat.”, 1875,
blz. 110) beschrijft Robert W. S. Mitchell een nest van een baarsachtig
vischje van het eiland Trinidad. De jongen werden door een der ouders
bewaakt.
Ook in ’t „Alb. d. Nat.”, 1861, blz. 144, wordt een kleine, tot de
Siluroïden behoorende visch uit Brazilië vermeld, die zijn jongen in
zijn keel- of kieuwholte medevoert.
(2) Johannes Müller („Archiv für Anatomie und Physiologie”, blz. 262)
telt uit de volgende families geluidgevende visschen op: