De tot dusver vermelde organen zijn bij het mannetje blijven

DE AFSTAMMING

VAN

DEN MENSCH

DE SEKSUEELE TEELTKEUS,

DOOR

CHARLES DARWIN.

NAAR DE TWEEDE HERZIENE EN VEEL VERMEERDERDE ENGELSCHE UITGAVE,

(13DE DUIZEND), OMGEWERKT EN VAN AANTEEKENINGEN VOORZIEN,

DOOR

DR. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

TWEEDE DEEL.

ARNHEM-NIJMEGEN—GEBR. E. & M. COHEN.

INHOUD.

DARWIN’S BIOLOGISCHE MEESTERWERKEN.

DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS.

TWEEDE DEEL.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VISSCHEN, AMPHIBIEËN EN

REPTIELEN.

Visschen: Vrijage en gevechten der mannetjes.—Meerdere

lichaamsgrootte der wijfjes.—Schitterende kleuren, tot versiering

dienende aanhangsels en andere vreemde kenmerken der mannetjes.—De

kleuren en aanhangsels worden door de mannetjes alleen gedurende

den rijtijd verkregen.—Visschen bij welke beide seksen schitterend

zijn gekleurd.—Beschermende kleuren.—De minder opzichtige kleuren

van het wijfje kunnen niet worden gerekend uit een beginsel van

bescherming te zijn verkregen.—Mannelijke visschen die nesten

bouwen en voor de eieren en jongen zorgen. Amphibieën: Verschillen

in maaksel en kleur tusschen de seksen.—Stemorganen. Reptielen:

Schildpadden.—Krokodillen.—Slangen; haar kleuren in sommige

gevallen beschermend.—Hagedissen; haar gevechten.—Tot versiering

dienende aanhangsels.—Vreemde verschillen in maaksel tusschen de

beide seksen.—Kleuren.—De seksueele verschillen bijna even groot

als bij de vogels blz. 1.

AANTEEKENINGEN 34.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.

Seksueele verschillen.—Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere

wapenen.—Stemorganen.—Instrumentale muziek.—Liefdespel en

dansen.—Versierselen, blijvende en tijdelijke.—Dubbele en

enkelvoudige jaarlijksche ruitijd.—Het pronken der mannetjes met

hun versierselen blz. 37.

AANTEEKENINGEN 94.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.

Keus door het wijfje uitgeoefend.—Langdurigheid der

vrijage.—Ongepaarde vogels.—Geestvermogens en smaak voor het

schoone.—Voorkeur of afkeer van het wijfje ten opzichte van

bijzondere mannetjes.—Veranderlijkheid (variabiliteit) van

vogels.—De afwijkingen (variaties) ontstaan soms plotseling.—Wetten

der veranderlijkheid (variabiliteit).—Vorming van oogvlekken

(ocelli).—Overgangen van kenmerken.—Geval van den pauw, Argus

fazant en Urosticte blz. 96.

AANTEEKENINGEN 146.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.

Onderzoek, waarom bij sommige soorten alleen de mannetjes, en bij

andere beide seksen schitterende kleuren vertoonen.—Over tot ééne

sekse beperkte erfelijkheid: toepassing daarvan op verschillende

deelen en op een schitterend gekleurd vederkleed.—Betrekking

tusschen nestbouw en kleur.—Verlies van het bruiloftskleed

gedurende den winter blz. 149.

AANTEEKENINGEN 173.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—SLOT.

Het gevederte der jonge vogels met betrekking tot de kenmerken van

het vederkleed van beide seksen op volwassen leeftijd.—Zes klassen

van gevallen.—Seksueele verschillen tusschen de mannetjes van

nauw-verwante of elkander vertegenwoordigende soorten.—Het wijfje

neemt soms de kenmerken van het mannetje aan.—Het gevederte der

jonge vogels met betrekking tot het zomer- en winterkleed der

volwassenen.—Over de toenemende schoonheid van de vogels op

aarde.—Beschermende kleuren.—Opzichtig gekleurde vogels.—Nieuwheid

op prijs gesteld.—Overzicht der vier laatste hoofdstukken over de

vogels blz. 175.

AANTEEKENINGEN 222.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.

Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen, tot hen

alleen beperkt.—Oorzaak van het ontbreken der wapenen bij het

wijfje.—Wapenen aan beide seksen gemeen, toch oorspronkelijk eerst

door het mannetje verkregen.—Andere gebruiken van dergelijke

wapenen.—Hun hooge belangrijkheid.—Meerdere grootte van het

mannetje.—Verdedigingsmiddelen.—Over de voorkeur, door elk der

beide seksen betoond bij de paring van viervoetige dieren

blz. 225.

AANTEEKENINGEN 256.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XVII.

OVER DE WIJZIGING VAN EEN RAS VAN SYRISCHE STRAATHONDEN DOOR MIDDEL

VAN SEKSUEELE TEELTKEUS, door Dr. van Dijck, met een inleiding door

Charles Darwin (vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings

of the Zool. Soc.”, 1882, blz. 367) blz. 260.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.—VERVOLG.

Stem.—Opmerkelijke seksueele bijzonderheden bij

Robben.—Geur.—Ontwikkeling van het haar.—Kleur van het haar en de

huid.—Abnormaal geval waarin het wijfje meer opgesierd is dan het

mannetje.—Kleur en versierselen, door seksueele teeltkeus

veroorzaakt.—Kleur, verkregen ter wille van de bescherming.—De

kleur is, al is zij aan beide seksen gemeen, toch dikwijls het

gevolg van seksueele teeltkeus.—Over het verdwijnen van vlekken en

strepen bij volwassen viervoetige dieren.—Over de kleuren en

versierselen der Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Overzicht

blz. 266.

AANTEEKENINGEN 302.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XVIII.

OVER SEKSUEELE TEELTKEUS BIJ APEN, door C. Darwin (vertaald uit

„Nature”, 9 November 1876, blz. 18) blz. 306.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.

Verschillen tusschen man en vrouw.—Oorzaken van die verschillen en

van sommige kenmerken die aan beide seksen gemeen

zijn.—Gevechten.—Verschillen in geestvermogens—en stem.—Over den

invloed der schoonheid op het bepalen der huwelijken bij den

mensch.—Opmerkzaamheid, door wilden aan versierselen gewijd.—Hun

begrippen van schoonheid bij de vrouw.—De neiging om elke

natuurlijke bijzonderheid te overdrijven blz. 311.

AANTEEKENINGEN 345.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.

Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens

een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de

oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij

beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus

gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de

werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het

feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de

gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar

op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der

huid.—Overzicht blz. 349.

AANTEEKENINGEN 376.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEEN OVERZICHT EN BESLUIT.

Hoofdbesluit: de mensch stamt af van den eenen of anderen lageren

vorm.—Wijze van ontwikkeling.—Stamboom van den

mensch.—Verstandelijke en zedelijke vermogens.—Seksueele

teeltkeus.—Slotaanmerkingen blz. 378.

AANTEEKENINGEN 395.

DE SEKSUEELE TEELTKEUS.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VISSCHEN, AMPHIBIEËN EN

REPTIELEN.

Visschen: Vrijage en gevechten der mannetjes.—Meerdere

lichaamsgrootte der wijfjes.—Schitterende kleuren, tot versiering

dienende aanhangsels en andere vreemde kenmerken der mannetjes.—De

kleuren en aanhangsels worden door de mannetjes alleen gedurende

den rijtijd verkregen.—Visschen bij welke beide seksen schitterend

zijn gekleurd.—Beschermende kleuren.—De minder opzichtige kleuren

van het wijfje kunnen niet worden gerekend uit een beginsel van

bescherming te zijn verkregen.—Mannelijke visschen die nesten

bouwen en voor de eieren en jongen zorgen. Amphibieën: Verschillen

in maaksel en kleur tusschen de seksen.—Stemorganen. Reptielen:

Schildpadden.—Krokodillen.—Slangen; haar kleuren in sommige

gevallen beschermend.—Hagedissen: haar gevechten.—Tot versiering

dienende aanhangsels.—Vreemde verschillen in maaksel tusschen de

beide seksen.—Kleuren.—De seksueele verschillen bijna even groot

als bij de vogels.

Wij zijn nu gekomen aan het groote Onder-Rijk der Gewervelde Dieren, en

zullen beginnen met de laagste Klasse, namelijk de Visschen. De

mannetjes der Plagiostomen (haaien, roggen) en Chimaeroïden bezitten

tangvormige organen welke dienen om het wijfje vast te houden, evenals

de verschillende organen van zoovele lagere dieren. Behalve de

tangvormige organen, hebben de mannetjes van vele roggen-groepen sterke

scherpe stekels op hun kop en verscheidene rijen langs „het bovendeel

van het buitenvlak hunner borstvinnen.” Deze worden gevonden bij de

mannetjes van sommige soorten bij welke al de andere deelen van het

lichaam glad zijn. Zij ontwikkelen zich slechts tijdelijk gedurende den

rijtijd; en Dr. Günther vermoedt, dat zij als grijpwerktuigen dienen

door de beide zijden van het lichaam naar binnen en naar beneden om te

buigen. Het is een opmerkelijk feit, dat bij sommige soorten, zooals

den gewonen rog (Raja clavata), de wijfjes en niet de mannetjes den rug

met groote haakvormige stekels hebben bezet. [1]

Alleen bet mannetje van den kapelaan (Mallotus villosus, een der

Zalmachtige Visschen, Salmonidae) is voorzien van een rij dicht bij

elkander gelegen, op borstels gelijkende schubben, met behulp waarvan

twee mannetjes, één aan elken kant, het wijfje vasthouden, terwijl zij

met groote snelheid over den zandigen bodem zwemt en daarop haar kuit

nederlegt. [2] De zeer verschillende Monacanthus scopas vertoont een

nagenoeg overeenkomstig orgaan. Het mannetje bezit, naar Dr. Günther

mij mededeelt, een bos stijve, rechte stekels, op de tanden van een kam

gelijkende, op beide zijden van den staart; en deze waren bij een

voorwerp van 15 centimeter lengte omstreeks 3¼ centimeter lang; het

wijfje heeft op de zelfde plaats een bos haren die kunnen worden

vergeleken met die van een tandenborstel. Bij een andere soort, M.

peronii, heeft het mannetje een borstel, gelijk aan dien welken het

wijfje van de voorgaande soort bezit, terwijl de staart bij het wijfje

aan beide zijden glad is. Bij sommige andere soorten van het zelfde

geslacht (genus) kan men opmerken, dat de staart bij het mannetje een

weinig ruw, en bij het wijfje volkomen glad is; en bij wederom andere

soorten eindelijk is de staart bij beide seksen aan beide zijden glad.

De mannetjes van vele visschen vechten om het bezit van de wijfjes. Zoo

is het mannetje van den driedoornigen stekelbaars (Gasterosteus

leiurus) beschreven als „dol van vreugde”, wanneer het wijfje uit haar

schuilplaats komt en het nest in oogenschouw neemt, dat hij voor haar

heeft gemaakt. „Hij schiet in alle richtingen om haar heên, daarna naar

de opeengestapelde bouwstoffen voor het nest, dan weder in een

oogenblik terug, en als zij niet vooruitgaat, tracht hij haar met zijn

snuit voort te duwen, en tracht daarop om haar met zijn staart en zijn

zijdelingschen doorn naar het nest te trekken.” [3] Men zegt, dat de

mannetjes meer dan één wijfje hebben [4]; zij zijn bijzonder moedig en

strijdzuchtig, terwijl „de wijfjes volkomen vreedzaam zijn.” Zij

vechten soms op wanhopige wijze; „want deze strijders zitten soms

gedurende verscheidene seconden aan elkander vast, telkens over

elkander heên tuimelende, tot hun krachten geheel schijnen te zijn

uitgeput.” Bij den ruwstaartigen stekelbaars (G. trachurus) zwemmen de

mannetjes bij het vechten rondom elkander, bijtende en elkander met hun

opgezetten zijdelingschen doorn beproevende te doorboren. De zelfde

schrijver voegt er bij [5]: „De beet van deze kleine furiën is zeer

vreeselijk. Zij gebruiken ook hun zijdelingsche doornen met zoo

noodlottig gevolg, dat ik heb gezien, hoe er een zijn tegenstander in

een gevecht geheel openreet, zoodat hij naar den bodem zonk en stierf.”

Als een visch is overwonnen, „verliest hij zijn moedige houding, zijn

vroolijke kleuren verflensen, en hij verbergt zijn ongeluk te midden

zijner vreedzame makkers; gedurende eenigen tijd blijft hij echter

bestendig een voorwerp van vervolging voor zijn overwinnaar.”

Het mannetje van den zalm is even strijdlustig als de kleine

stekelbaars, en het mannetje van de forel eveneens naar Dr. Günther mij

verzekert. De heer Shaw nam een hevig gevecht tusschen twee mannelijke

zalmen waar, dat den geheelen dag duurde; en de heer R. Buist,

Opperintendant der Visscherijen, deelt mij mede, dat hij van de brug te

Perth dikwijls heeft bespied, hoe de mannetjes hun mededingers

wegjaagden, terwijl de wijfjes kuit schoten. De mannetjes „vechten en

razen voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt

geschoten, en vele wonden elkander zoo, dat een groot aantal sterven,

daar men vele in een staat van uitputting en blijkbaar stervende naar

de banken in de rivier ziet zwemmen.” [6] De bestuurder van de vijvers

voor kunstmatige vischteelt te Stormontfield bezocht, naar de heer

Buist mij mededeelt, in Juni 1868 het noordelijk gedeelte van de Tyne,

en vond ongeveer 300 doode zalmen die op een enkele uitzondering na

allen mannetjes waren; en hij was overtuigd, dat zij hun leven in het

gevecht hadden verloren.

Het merkwaardigste bij den mannelijken zalm is, dat in den rijtijd,

behalve een geringe kleurverandering, „de onderkaak langer wordt, en er

zich een kraakbeenig uitsteeksel aan de punt daarvan ontwikkelt, dat,

als de kaken gesloten zijn, in een diepe holte tusschen de

tusschenkaaksbeenderen der bovenkaak wordt opgenomen” [7] (Fig. 1 en

2). Bij onzen zalm duurt deze verandering van maaksel slechts gedurende

den rijtijd; maar bij Salmo Lycaodon van N. W. Amerika blijft de

verandering, naar de heer J. K. Lord [8] gelooft, bestaan en is zij het

sterkst uitgedrukt bij oude mannetjes die reeds vroeger de rivieren

waren opgezwommen. Bij deze oude mannetjes ontwikkelen zich aan de

kaken verbazende groote hoekvormige verlengsels en groeien de tanden

tot geregelde stoottanden aan, die dikwijls meer dan 1,25 centimeter

lang zijn. Bij den Europeeschen zalm dient volgens den heer Lloyd [9]

het tijdelijke haakvormige deel om de kaken te versterken en te

beschermen, als het eene mannetje het andere met verwonderlijke

heftigheid aanvalt; de sterk ontwikkelde tanden van het mannetje van

den Amerikaanschen zalm kunnen bij de slagtanden van vele zoogdieren

worden vergeleken, en wijzen eer op een offensief, dan op een defensief

doel.

De zalm is niet de eenige visch bij wien de tanden bij de beide seksen

verschillen. Dit is ook het geval bij vele roggen. Bij den gewonen rog

(Raja clavata) heeft het mannetje scherpe, puntige, naar achteren

gerichte tanden, terwijl die van het wijfje breed en plat zijn en een

plaveisel vormen, zoodat deze tanden bij de beide seksen van ééne en de

zelfde soort meer verschillen, dan zij zulks gewoonlijk bij twee

verschillende geslachten van de zelfde familie doen. De tanden van het

mannetje worden eerst scherp, als hij volwassen is; in zijn jeugd zijn

zij breed en plat, evenals die van het wijfje. Zooals zoo dikwijls het

geval is met secundaire seksueele kenmerken, bezitten bij sommige

soorten van roggen, bij voorbeeld bij de vleet (R. batis) beide seksen,

als zij volwassen zijn, scherpe puntige tanden; hier schijnt dus een

kenmerk, eigen aan en oorspronkelijk verkregen door het mannetje, te

zijn overgegaan op de nakomelingen van beiderlei sekse. De tanden zijn

eveneens bij beide seksen puntig bij den gladden rog (R. maculata),

maar alleen als zij geheel volwassen zijn, terwijl de mannetjes ze op

jeugdiger leeftijd verkrijgen dan de wijfjes. Wij zullen later

soortgelijke gevallen ontmoeten bij sommige vogels waarbij het mannetje

het gevederte dat aan beide seksen op volwassen leeftijd gemeen is,

iets vroeger verkrijgt dan het wijfje. Bij andere soorten van roggen

bezitten de mannetjes, zelfs als zij oud zijn, nooit scherpe tanden, en

bij gevolg zijn beide seksen op volwassen leeftijd voorzien van breede

platte tanden gelijk die van de jongen en volwassen wijfjes bij de

bovenvermelde soorten. [10] Daar de roggen moedige, sterke en

vraatzuchtige visschen zijn, mogen wij vermoeden, dat de mannetjes hun

scherpe tanden noodig hebben om met hun mededingers te vechten; daar

zij echter vele deelen bezitten, die gewijzigd zijn en geschikt gemaakt

om het wijfje vast te houden, is het mogelijk, dat ook de tanden voor

dit doel worden gebruikt.

Wat de lichaamsgrootte aangaat, beweert de heer Carbonnier [11], dat

bij bijna alle visschen het wijfje grooter is dan het mannetje, en Dr.

Günther kent geen enkel voorbeeld, waarbij het mannetje werkelijk

grooter is dan het wijfje. Bij sommige Cyprinodonten is het mannetje

zelfs niet half zoo groot als het wijfje. Daar bij vele soorten van

visschen de mannetjes voortdurend met elkander vechten, is het vreemd,

dat zij door de uitwerkselen der seksueele teeltkeus niet over het

algemeen grooter en sterker dan de wijfjes zijn geworden. De mannetjes

hebben nadeel van hun geringe grootte, want volgens den heer Carbonnier

worden zij, als zij tot een vleeschetende soort behooren, soms door de

wijfjes van hun eigen soort, en ongetwijfeld door andere soorten

gegeten. Toeneming der lichaamsgrootte moet op de eene of andere wijze

belangrijker zijn voor de wijfjes, dan sterkte en kracht voor de

mannetjes bij het gevecht met andere mannetjes; en dit moet wellicht

worden verklaard door het voortbrengen van een grooter aantal eieren.

Bij vele soorten is alleen het mannetje met levendige kleuren versierd,

of zij zijn veel levendiger bij het mannetje dan bij het wijfje. Het

mannetje is soms ook van aanhangsels voorzien, waarvan hij voor de

gewone belangen van het leven even weinig nut schijnt te trekken, als

de pauw voor haar staartvederen. Ik ben de meeste der volgende feiten

aan de groote vriendelijkheid van Dr. Günther verschuldigd. Er is reden

om te vermoeden, dat bij vele tropische visschen de seksen in kleur en

maaksel verschillen, en hiervan bestaan ook eenige treffende

voorbeelden bij onze Britsche visschen. Het mannetje van den pitvisch

(Callionymus lyra) draagt in het Engelsch den naam van „gemmeous

dragonet” „wegens zijn schitterende, op die van edelgesteenten

gelijkende kleuren.” Als hij pas uit zee is opgehaald, vertoont het

lichaam verschillende tinten van geel, met helderblauwe strepen en

vlekken op den kop; de rugvinnen zijn bleek bruin met donkere

overlangsche banden, terwijl de buik-, staart- en aarsvinnen

blauwachtig zwart zijn. Het wijfje dat in het Engelsch den naam van

„sordid dragonet” draagt, werd door Linnaeus en vele latere

natuuronderzoekers voor een afzonderlijke soort gehouden; het is vuil

roodbruin gekleurd; terwijl de rugvin bruin is en de overige vinnen wit

zijn. De beide seksen verschillen ook in de betrekkelijke grootte van

kop en mond, en in de plaatsing der oogen [12], maar het meest in het

oog vallende verschil is de buitengewone lengte van het mannetje. De

jonge mannetjes gelijken in maaksel en kleur op de volwassen wijfjes.

In het geheele geslacht Callionymus [13] bezit het mannetje gewoonlijk

fraaier gekleurde vlekken dan het wijfje, en bij verscheidene soorten

is niet slechts de rugvin, maar ook de aarsvin van het mannetje sterk

verlengd.

Het mannetje van de zeedonderpad (Cottus scorpius) is dunner en kleiner

dan het wijfje. Zij verschillen ook zeer in kleur. Het is, zooals de

heer Lloyd [14] opmerkt, moeilijk „voor iedereen die dezen visch niet

heeft gezien gedurende den rijtijd, wanneer zijn kleuren het schoonst

zijn, om zich de mengeling van schitterende kleuren voor te stellen,

waarmede hij die in andere opzichten zoo misdeeld is, gedurende dien

tijd is versierd.” Bij Labrus mixtus (een soort van lipvisch) zijn

beide seksen schoon, hoewel verschillend van kleur; het mannetje is

oranje met helderblauwe strepen, en het wijfje helderrood met eenige

zwarte vlekken op den rug.

In de zeer verschillende familie der Cyprinodontidae—uitheemsche

zoetwatervisschen—verschillen de seksen soms zeer in onderscheidene

kenmerken. Bij het mannetje van Mollienesia petenensis [15] is de

rugvin zeer ontwikkeld en versierd met een rij groote, ronde, geoogde,

fraai gekleurde vlekken; terwijl de zelfde vin bij het wijfje kleiner

en anders is gevormd, en alleen onregelmatig gekromde bruine vlekken

vertoont. Bij het mannetje is ook de onderrand van de aarsvin een

weinig verlengd en donker gekleurd. Bij het mannetje van een verwanten

vorm (Xiphophorus Hellerii, Fig. 5 en 6), is de onderste rand van de

staartvin verlengd tot een lang draadvormig deel dat, naar ik van Dr.

Günther hoor, levendig gekleurde strepen vertoont. Dit draadvormige

deel bevat volstrekt geen spieren en kan blijkbaar den visch van geen

rechtstreeksch nut zijn. Evenals bij Callionymus gelijken de mannetjes,

zoolang zij jong zijn, in kleur en maaksel op de volwassen wijfjes.

Seksueele verschillen als deze kunnen met de meeste juistheid worden

vergeleken met die welke bij Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) zoo

veelvuldig zijn. [16]

Bij een met onzen meerval verwanten visch (Plecostomus barbatus, Fig. 7

en 8) die de zoete wateren van Zuid-Amerika bewoont [17], zijn de mond

en het tusschendeksel (interoperculum) omzoomd met een uit stijve haren

bestaanden baard waarvan het wijfje nauwelijks een spoor vertoont. Deze

haren bestaan uit de zelfde stof, als de schubben. Bij een andere soort

van het zelfde geslacht zijn aan het voorhoofdsdeel van den kop van het

mannetje zachte buigzame voelers bevestigd, die bij het wijfje

ontbreken. Deze voelers zijn verlengsels van de werkelijke huid en zijn

dus niet homoloog met de stijve haren van de vorige soort; maar het kan

moeilijk worden betwijfeld, dat beide voor het zelfde doel dienen. Wat

dit doel is, is moeilijk te gissen; versiering schijnt hier niet

waarschijnlijk, maar wij kunnen bijna niet veronderstellen, dat stijve

haren en buigzame voelers op eenige gewone wijze alleen voor de

mannetjes nuttig kunnen zijn. De Monacanthus scopas die mij in het

Britsch Museum door Dr. Günther werd getoond, levert een bijna

overeenkomstig geval op. Het mannetje heeft een bos stijve, rechte

stekels, op de tanden van een kam gelijkende, aan de zijden van den

staart; en deze waren bij één voorwerp 15 c.M. en bij de overige

ongeveer 3,75 c.M. lang; het wijfje heeft op de zelfde plaats een bos

borstels welke met die van een tandenborstel kunnen worden vergeleken.

Bij een andere soort, de M. peronii heeft het mannetje een borstel, op

dien van het wijfje der vorige soort gelijkende, terwijl de zijden van

den staart bij het wijfje glad zijn. Bij sommige andere soorten kan men

opmerken, dat het zelfde deel van den staart bij het mannetje

eenigszins ruw en bij het wijfje volkomen glad is, bij andere soorten

eindelijk is het bij de beide seksen glad. Bij den haringkoning

(Chimaera monstrosa), dat vreemdsoortige monster, heeft het mannetje op

de kruin van den kop een haakvormig been dat naar voren is gericht, en

waarvan het ronde uiteinde met stekels is bedekt; bij het wijfje

„ontbreekt deze kroon geheel”, maar waartoe zij dient, is volkomen

onbekend. [18]

De tot dusver vermelde organen zijn bij het mannetje blijvend, wanneer

hij tot volwassen leeftijd is gekomen; maar bij sommige Slijmvisschen

(Blennius) en een ander verwant geslacht [19] ontwikkelt zich alleen

gedurende den rijtijd een kam op den kop van het mannetje, en

tegelijkertijd worden hunne lichamen levendiger gekleurd. Er kan weinig

twijfel bestaan, dat deze kam als een tijdelijk seksueel versiersel

dient; want het wijfje vertoont er geen spoor van. Bij andere soorten

van het zelfde geslacht bezitten beide seksen een kam, en bij ten

minste ééne soort is geen van beide seksen daarvan voorzien. In dit

geval en in dat van den Monacanthus hebben wij goede voorbeelden,

hoezeer de seksueele kenmerken bij nauw verwante vormen kunnen

verschillen. Bij vele der Chromidae, bij voorbeeld bij Geophagus en

vooral bij Cichla, hebben de mannetjes, gelijk ik van Professor Agassiz

[20] hoor, een in het oog vallend uitsteeksel op het voorhoofd, dat bij

de wijfjes en jonge mannetjes geheel ontbreekt. Professor Agassiz voegt

erbij: „Ik heb deze visschen dikwijls waargenomen in den rijtijd,

wanneer het uitsteeksel het grootst is, en op andere tijden, wanneer de

beide seksen volstrekt geen verschil vertoonen in den vorm van den

omtrek van het profiel van den kop. Ik kon mij nimmer vergewissen, of

het tot eenig bijzonder doel dient, en de Indianen aan den

Amazonenstroom weten niets omtrent het gebruik er van.” Deze regelmatig

op vaste tijden verschijnende uitsteeksels gelijken op de vleezige

uitwassen op de koppen van vele vogels; maar of zij tot sieraad dienen,

moet thans nog twijfelachtig blijven.

De mannetjes van die visschen welke bestendig in kleur van de wijfjes

verschillen, worden, zooals ik van Professor Agassiz en Dr. Günther

hoor, gedurende den rijtijd dikwijls schitterender. Dit is eveneens het

geval met een menigte visschen bij welke de seksen op alle andere

tijden van het jaar de zelfde kleur hebben. De zeel, voren en baars

kunnen als voorbeelden hiervan worden gegeven. De mannelijke zalm is in

dien tijd van het jaar „op de kaken geteekend met oranjekleurige

strepen die hem het uiterlijk van een lipvisch (Labrus) geven, en ook

het lichaam krijgt een goudachtige oranjetint. De wijfjes zijn donker

van kleur en worden gewoonlijk zwartvisch („black fish”) genoemd.” [21]

Een soortgelijke en zelfs grootere verandering heeft plaats met de

reuzenforel (Salmo eriox); ook de mannetjes van Salmo umbla zijn in dat

jaargetijde iets levendiger gekleurd dan de wijfjes. [22] De kleuren

van Esox reticulatus, een soort van snoek uit de Vereenigde Staten,

vooral die van het mannetje, worden gedurende den rijtijd uiterst

levendig, schitterend en iriseerend. [23] Een ander treffend voorbeeld

uit vele levert ons het mannetje van den driedoornigen stekelbaars

(Gasterosteus leiurus), dat door den heer Warington [24] wordt

beschreven als in den rijtijd „boven alle beschrijving schoon.” De rug

en oogen van het wijfje zijn eenvoudig bruin en de buik wit. De oogen

van het mannetje daarentegen zijn „van het prachtigste groen en

bezitten een metaalglans gelijk de groene vederen van sommige

kolibri’s. De keel en buik zijn levendig karmozijnrood, de rug

aschachtig groen en de geheele visch ziet er uit, alsof hij eenigermate

doorschijnend was en door een inwendigen gloed werd verlicht.” Na den

rijtijd veranderen al deze kleuren, het rood van keel en buik

verkleurt, de rug wordt groener en de gloeiende tinten verdwijnen.

Wat de vrijage der visschen betreft, zijn andere feiten waargenomen,

sedert de eerste uitgaaf van dit boek verscheen, behalve het reeds

medegedeelde van de stekelbaars. De heer W. S. Kent zegt, dat het

mannetje van Labrus mixtus, dat, gelijk wij reeds hebben gezien, in

kleur van het wijfje verschilt, „een diepe holte in het zand van den

waterbak maakt en daarna op de meest overredende wijs een wijfje van de

zelfde soort tracht over te halen om die met hem te deelen,

achterwaarts en voorwaarts zwemmende tusschen haar en het voltooide

nest, en duidelijk de grootste begeerte te kennen gevende, dat zij hem

zal volgen.” De mannetjes van Cantharus lineatus worden gedurende den

rijtijd diep loodzwart, zij trekken zich dan van de overige visschen

terug en graven een gat dat tot nest dient. „Elk mannetje houdt nu

aandachtig de wacht over zijn respectief gat, en valt krachtig elken

anderen visch van de zelfde sekse aan en verjaagt dien. Jegens zijn

gezellen van de andere sekse gedraagt hij zich geheel anders; vele

daarvan zijn nu gezwollen van de kuit en deze zoekt hij door alle hem

ten dienste staande middelen in zijn gat te lokken en daar de

tienduizendtallen eieren te doen neêrleggen, waarmede zij zijn beladen

die hij dan met de grootste zorg bewaakt en beschermt.” [25]

Een treffender geval van vrijage en tevens van pronken, door de

mannetjes van een Chineesche Macropussoort heeft de heer Charbonnier

medegedeeld [26], die deze visschen zorgvuldig in gevangen staat heeft

bestudeerd. De mannetjes zijn meestal schoon gekleurd en fraaier dan de

wijfjes. Gedurende den paartijd vechten zij om het bezit der wijfjes en

spreiden bij de vrijage hun vinnen uit, die gevlekt en met levendig

gekleurde stralen versierd zijn, op de zelfde wijs, volgens den heer

Charbonnier, als de pauw zulks met zijn staart doet. Zij springen dan

ook met veel levendigheid rondom de wijfjes en schijnen door „l’étalage

de leurs vives couleurs chercher à attirer l’attention des femelles

lesquelles ne paraissaient pas indifférentes à ce manège; elles

nageaient avec une molle lenteur vers les mâles et semblaient se

complaire dans leur voisinage.” Nadat het mannetje zijn bruid heeft

gewonnen, maakt hij een schijfje schuim door lucht en slijm uit zijn

bek te blazen. Hij verzamelt daarop de bevruchte eieren die het wijfje

laat vallen, in zijn bek, en dit veroorzaakte den heer Charbonnier veel

ontsteltenis, daar hij dacht, dat zij zouden worden verslonden. Doch

het mannetje legt ze weldra neêr in het schijfje schuim en bewaakt ze

daarna, herstelt het schuim en draagt zorg voor de jongen, als zij zijn

uitgekomen. Ik vermeld deze bijzonderheden, omdat er, gelijk wij zullen

zien, visschen zijn, die hun eieren in hun bek uitbroeien; en zij die

niet gelooven in het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling, zouden

kunnen vragen hoe zulk een gewoonte kan zijn ontstaan; maar de

moeilijkheid is veel verminderd, als wij weten, dat er visschen zijn,

die de eieren aldus verzamelen en vervoeren; want indien er door de

eene of andere oorzaak vertraging ontstond in het nederleggen daarvan,

zou de gewoonte om ze in haar bek uit te broeden, kunnen worden

verkregen.

Laat ons terugkeeren tot ons onmiddellijk onderwerp. De zaak staat als

volgt: de wijfjes der visschen schieten, zoover ik na kan gaan, nooit

vrijwillig kuit dan in tegenwoordigheid van mannetjes; en de mannetjes

bevruchten de eieren nooit dan in tegenwoordigheid van wijfjes. De

mannetjes vechten om het bezit van de wijfjes. Bij vele soorten

gelijken de mannetjes in hun jeugd in kleur op de wijfjes, maar worden

als zij volwassen zijn, veel schitterender en behouden hun kleuren

levenslang. Bij andere soorten worden de mannetjes alleen gedurende het

jaargetijde der liefde levendiger gekleurd of op andere wijze fraaier

versierd dan de wijfjes. De mannetjes maken de wijfjes ijverig het hof

en doen, gelijk wij hebben gezien, in één geval moeite om met hun

schoonheid voor haar te pronken. Kan men gelooven, dat zij bij hun

vrijage aldus zouden handelen zonder eenig doel? En zulks zou het geval

zijn, tenzij de wijfjes eenige keus uitoefenen en voor de voortteling

die mannetjes uitzoeken, welke haar het meest behagen of opwekken.

Indien het wijfje zulk een keus uitoefent, worden al de bovenstaande

feiten omtrent het versierd zijn der mannetjes dadelijk begrijpelijk

door de seksueele teeltkeus.

Wij moeten nu in de eerste plaats onderzoeken, of deze

beschouwingswijze, door de wet van gelijke overerving van kenmerken

door beide seksen, kan worden uitgebreid tot die groepen bij welke de

mannetjes en de wijfjes in de zelfde of bijna de zelfde mate en wijze

zijn versierd. Bij zulk een geslacht als dat der Lipvisschen (Labrus),

dat eenige der prachtigste visschen van de wereld bevat, bij voorbeeld

de pauw-lipvisch (Labrus pavo), die met vergeeflijke overdrijving wordt

beschreven [27] als te bestaan uit schubben van gepolijst goud,

lazuursteen, robijnen, saffieren, smaragden en amethysten omsluitende,

mogen wij dit met veel waarschijnlijkheid aannemen; want wij hebben

gezien, dat bij ten minste ééne soort de seksen sterk in kleur

verschillen. Bij sommige visschen zijn wellicht, gelijk bij vele der

laagste dieren, prachtige kleuren het rechtstreeksch gevolg van den

aard hunner weefsels en van de omringende omstandigheden zonder eenige

hulp van de teeltkeus. De goudvisch (Cyprinus auratus) is wellicht, te

oordeelen naar de analogie van de gouden verscheidenheid van den

gewonen karper, een dergelijk geval, daar hij zijn prachtige kleuren

kan zijn verschuldigd aan een enkele, plotselinge verandering,

veroorzaakt door de voorwaarden waaraan deze visch in gevangen staat

onderworpen is geweest. Het is echter waarschijnlijker, dat deze

kleuren schitterender zijn gemaakt door kunstmatige teeltkeus, daar

deze soort in China sinds zeer langen tijd zorgvuldig is aangefokt.

[28] Onder natuurlijke omstandigheden schijnt het niet waarschijnlijk,

dat wezens zoo hoog georganiseerd als visschen, en die onder zoo

samengestelde omstandigheden leven, schitterende kleuren zouden

verkrijgen zonder door zulk een groote verandering eenig nadeel te

lijden of eenig voordeel te verwerven, en bijgevolg zonder de

tusschenkomst der natuurlijke teeltkeus.

Wat moeten wij derhalve besluiten ten opzichte der vele visschen van

welke beide seksen prachtig zijn gekleurd? De heer Wallace [29]

gelooft, dat de soorten die op riffen leven, waar overvloed van koralen

en andere levendig gekleurde organismen is, levendig worden gekleurd,

om aan de ontdekking door hun vijanden te ontsnappen, maar, voor zoover

ik mij herinner, loopen zij daardoor juist sterk in het oog. In de

zoete wateren der keerkringslanden zijn geen schitterend gekleurde

koralen of andere organismen, waarop de visschen kunnen gelijken, en

toch zijn vele soorten in den Amazonenstroom fraai gekleurd, en vele

der Indische vleeschvretende Karpervisschen (Cyprinidae) zijn met

„levendige overlangsche lijnen van verschillende kleuren” versierd.

[30] De heer M’Clelland gaat bij zijn beschrijving van deze visschen

zoo ver van te veronderstellen, „dat de bijzondere pracht hunner

kleuren” dient „om ze beter zichtbaar te maken voor ijsvogels,

zeezwaluwen en andere vogels die bestemd zijn om het aantal der

visschen te beperken”; maar tegenwoordig zullen weinig

natuuronderzoekers aannemen, dat het eene of andere dier opzichtig is

gemaakt om zijn eigen vernieling in de hand te werken. Het is mogelijk,

dat zekere visschen opzichtig zijn gemaakt om vogels en roofdieren te

waarschuwen (zooals bij de behandeling der rupsen is verklaard), dat

zij oneetbaar zijn; maar er is, geloof ik, geen geval bekend van

eenigen visch, ten minste van een zoetwatervisch, die door

vischvretende dieren als oneetbaar wordt versmaad. Over het geheel is

de waarschijnlijkste beschouwingswijze ten opzichte van visschen, bij

welke beide seksen schitterend zijn gekleurd, dat hun kleuren door de

mannetjes zijn verkregen als een seksueel sieraad, en in gelijke mate

door de andere sekse zijn overgeërfd.

Wij moeten nu overwegen, of het mannetje, wanneer het aanmerkelijk in

kleur of in andere versierselen van het wijfje verschilt, alleen is

gewijzigd, en die wijzigingen alleen door zijn mannelijke nakomelingen

zijn overgeërfd, dan wel, of ook het wijfje van haar zijde bijzonder is

gewijzigd en tot haar bescherming een niet in het oog loopende kleur

heeft verkregen, terwijl die wijzigingen alleen door de wijfjes werden

overgeërfd. Het is onmogelijk te betwijfelen, dat de kleur door vele

visschen tot bescherming is verkregen; niemand kan het gespikkelde

bovenvlak van een schol zien, zonder de gelijkenis daarvan op den

zandigen zeebodem, waarop het dier leeft, op te merken. Een der

treffendste voorbeelden die ooit zijn opgeteekend van een dier dat door

zijn kleur bescherming verkrijgt (voor zoover men naar bewaarde

voorwerpen mag oordeelen), is dat, door Dr. Günther [31] gegeven, van

een naaldvisch die door zijn roodachtige vlottende draden nauwelijks is

te onderscheiden van het zeewier waaraan hij zich met zijn grijpstaart

vasthoudt. De vraag die wij thans overwegen, is, of alleen de wijfjes

met dit doel zijn gewijzigd. De visschen leveren hieromtrent uitnemende

bewijzen. Wij kunnen begrijpen, dat de eene sekse niet in grooter mate

door de natuurlijke teeltkeus tot haar bescherming zal zijn gewijzigd

dan de andere, tenzij de eene sekse gedurende een langer tijdperk aan

gevaar is blootgesteld, of het vermogen om aan zulk gevaar te

ontsnappen, in mindere mate bezit dan de andere sekse; en het blijkt

niet, dat bij de visschen de seksen in deze opzichten verschillen. Voor

zoover er eenig verschil is, zijn de mannetjes, omdat zij over het

algemeen kleiner zijn en meer rondtrekken, aan grooter gevaar

blootgesteld dan de wijfjes; en toch zijn, als de seksen verschillen,

de mannetjes bijna altijd het opzichtigst gekleurd. De eieren worden

onmiddellijk bevrucht, nadat zij zijn gelegd, en als dit werk

verscheidene dagen duurt, zooals in het geval van den zalm [32], wordt

het wijfje gedurende dien geheelen tijd door het mannetje gevolgd.

Nadat de eieren zijn bevrucht, worden zij in de meeste gevallen door de

ouders onbeschermd achtergelaten, zoodat de mannetjes en de wijfjes,

wat het leggen der eieren aangaat, aan evenveel gevaar zijn

blootgesteld, en beide zijn even belangrijk voor de voortbrenging van

vruchtbare eieren; bijgevolg zullen de in meerdere of mindere mate

levendig gekleurde individu’s van elke sekse evenzeer zijn blootgesteld

om te worden vernield of bewaard te blijven, en beide zullen evenveel

invloed hebben op de kleuren van hun nakomelingschap of ras.

Zekere visschen, tot verschillende families behoorende, maken nesten;

en sommige dezer visschen dragen zorg voor hun jongen, als deze zijn

uitgebroeid. Beide seksen van den levendig gekleurden Crenilabrus massa

en melops werken te zamen aan den bouw hunner nesten uit zeewier,

schelpen, enz. [33] (1) De mannetjes van sommige visschen doen echter

al het werk, en belasten zich later uitsluitend met de zorg voor de

jongen. Dit is het geval met de dof gekleurde grondels [34], bij welke

de seksen, voor zoover bekend is, niet in kleur verschillen, en

eveneens met de stekelbaarzen (Gasterosteus), bij welke de mannetjes in

den rijtijd schitterende kleuren verkrijgen. Het mannetje van den

driedoornigen stekelbaars (Gasterosteus leiurus) vervult gedurende een

langen tijd de plichten van een baker met voorbeeldige zorg en

waakzaamheid, en is onophoudelijk bezig met de jongen op zachte wijze

naar het nest terug te leiden, als zij te ver afdwalen. Hij verjaagt

moedig alle vijanden met inbegrip der wijfjes van zijn eigen soort. Het

zou inderdaad geen geringe hulp voor het mannetje zijn als het wijfje,

zoodra zij de eieren had gelegd, dadelijk door den eenen of anderen

vijand werd verslonden: want hij is onophoudelijk genoodzaakt haar van

het nest weg te jagen. [35]

De mannetjes van sommige andere visschen die Zuid-Amerika en Ceylon

bewonen en tot twee verschillende orden behooren, hebben de zonderlinge

gewoonte om de door de wijfjes gelegde eieren in hun mond of kieuwholte

uit te broeien. [36] Bij de soorten van de Amazonenrivier, welke deze

gewoonte hebben, zijn de mannetjes, naar Prof. Agassiz zoo beleefd is

mij te berichten, „niet slechts over het algemeen levendiger gekleurd

dan de wijfjes, maar is dit verschil grooter gedurende den rijtijd dan

op eenig ander tijdstip.” De soorten van Geophagus handelen op de

zelfde wijze; en bij dit geslacht ontwikkelt zich een sterk in ’t oog

loopend uitsteeksel op het voorhoofd der mannetjes gedurende den

rijtijd. Bij de verschillende soorten van Chromidae kan men, gelijk

Professor Agassiz mij ook meldt, seksueele kleurverschillen waarnemen,

„hetzij zij hun eieren in het water tusschen de planten leggen, of ze

in holen in den grond neêrleggen en daar zonder er verder zorg voor te

dragen, aan hun lot overlaten, of ondiepe nesten in het rivierslijk

bouwen, waarop zij zich plaatsen, evenals onze Promotis doet. Hierbij

moet ik opmerken, dat deze uitbroeders tot de levendigst gekleurde

soorten in hun respectieve families behooren; Hygrogomis bij voorbeeld

is helder groen, met groote zwarte oogvlekken (ocelli), welke met het

schitterendste rood zijn omzoomd.” Of bij al de soorten van Chromidae

alleen het mannetje op de eieren zit, is niet bekend. Het is echter

duidelijk, dat het feit of de eieren worden beschermd of niet, weinig

of geen invloed heeft op de verschillen in kleur tusschen de seksen.

Het is verder duidelijk in alle gevallen waarin uitsluitend de

mannetjes zorg dragen voor de nesten en de jongen, dat de vernieling

van een groot aantal levendiger gekleurde mannetjes veel meer invloed

zou hebben op de kenmerken der soort, dan de vernieling van de

levendiger gekleurde wijfjes: want de dood van het mannetje gedurende

den broeitijd zou den dood van de jongen na zich slepen, zoodat deze

zijn eigenaardigheden niet konden erven; toch zijn juist in vele dezer

gevallen de mannetjes opzichtiger gekleurd dan de wijfjes.

Bij de meeste Troskieuwige Visschen, Lophobranchii (Naaldvisschen,

Zeepaardjes), hebben de mannetjes hetzij broedzakken of half bolvormige

holten aan den buik, waarin de door het wijfje gelegde eieren worden

uitgebroed. De mannetjes toonden ook groote gehechtheid aan hun jongen.

[37] De seksen verschillen gewoonlijk niet veel in kleur; Dr. Günther

gelooft echter, dat de mannelijke zeepaardjes iets levendiger zijn

gekleurd dan de wijfjes. Het geslacht Solenostoma levert echter een

merkwaardige uitzondering op [38]; want het wijfje is veel levendiger

gekleurd en gevlekt dan het mannetje, en zij alleen heeft een broedzak

en broedt de eieren uit, zoodat het wijfje van alle andere

Troskieuwigen in dit laatste opzicht, en van alle andere visschen

afwijkt, doordat zij levendiger is gekleurd dan het mannetje. Het is

onwaarschijnlijk, dat deze opmerkelijke dubbele omkeering een

toevallige overeenstemming zou zijn. Daar de mannetjes van verscheidene

visschen die uitsluitend voor de eieren en jongen zorgen, levendiger

zijn gekleurd dan de wijfjes, en daar hier het wijfje van Solenostoma

de zelfde zorg op zich neemt en levendiger is gekleurd dan het

mannetje, zou men hieruit kunnen afleiden, dat de opzichtige kleuren

van die sekse welke de belangrijkste van de twee is voor het welzijn

der jongen, op de eene of andere wijze tot bescherming moeten dienen.

Maar wegens de menigte visschen van welke de mannetjes, hetzij

voortdurend of op geregeld terugkeerende tijden, levendiger zijn

gekleurd dan de wijfjes, maar wier leven volstrekt niet belangrijker is

voor het welzijn van de jongen, dan dat van het wijfje, kan deze

meening moeilijk worden volgehouden. Als wij de vogels behandelen,

zullen wij soortgelijke gevallen ontmoeten, waarin een volledige

omkeering in de gewone eigenschappen van de twee seksen plaats heeft

gehad, en wij zullen dan de verklaring geven, die ons waarschijnlijk

toeschijnt, namelijk dat de mannetjes de meest aantrekkelijke wijfjes

voor de voortplanting hebben uitgekozen, in plaats dat de laatsten,

volgens den in het geheele Dierenrijk geldenden regel, de meest

aantrekkelijke mannetjes voor de voortplanting hebben uitgekozen.

Over het geheel mogen wij besluiten, dat bij de meeste visschen bij

welke de seksen in kleur of andere tot versiering dienende kenmerken

verschillen, de mannetjes oorspronkelijk van elkander afweken, en dat

hun variaties op de zelfde seksen werden overgebracht en door seksueele

teeltkeus opeengehoopt, omdat zij de wijfjes aantrokken of opwekten. In

vele gevallen zijn echter dergelijke kenmerken, hetzij gedeeltelijk of

geheel, op de wijfjes overgebracht. In andere gevallen wederom zijn

beide seksen op de zelfde wijze gekleurd ter wille van de bescherming;

maar er schijnt geen voorbeeld te bestaan, dat alleen bij het wijfje de

kleuren of andere kenmerken bijzonder voor dit doel zijn gewijzigd.

Het laatste punt dat behoort te worden opgemerkt, is, dat men in vele

deelen der wereld visschen kent, die bijzondere geluiden maken, welke

in sommige gevallen als muzikaal worden beschreven. Dr. Dufossé die van

dit onderwerp een bijzondere studie heeft gemaakt, zegt, dat de

geluiden in onderscheidene gevallen door verschillende visschen

willekeurig worden voortgebracht: door wrijving der beenderen van de

keel (pharynx),—door de trilling van zekere spieren welke zijn

vastgehecht aan de zwemblaas die als klankbord dient,—en door de

trilling van de spieren van de zwemblaas zelve. Op laatstgenoemde wijze

brengt de knorhaan (Trigla) zuivere en langgerekte tonen voort, die

zich bijna over een geheel octaaf uitstrekken. Doch het voor ons meest

belangwekkende geval is dat van twee soorten van lansvisch (Ophidium),

bij welke alleen de mannetjes van een geluid-voortbrengend orgaan zijn

voorzien, dat met de zwemblaas in verband staat. [39] (2) Men zegt, dat

het trommelend geluid der Ombervisschen (Umbrina) in de Europeesche

zeeën van uit een diepte van twintig vademen kan worden gehoord. De

visschers van La Rochelle verzekeren, dat alleen de mannetjes gedurende

den rijtijd het geluid maken, en dat het mogelijk is, hen door dit na

te bootsen, zonder aas te vangen. [40] Wegens deze laatste opgaaf, en

nog meer wegens het geval van Ophidium, is het bijna zeker, dat in deze

klasse, de laagste der Gewervelde Dieren, evenals bij zoo vele insekten

en spinnen, geluidgevende werktuigen, ten minste in sommige gevallen,

zich hebben ontwikkeld door seksueele teeltkeus, als een middel om de

seksen bij elkander te brengen.

AMPHIBIEËN.

Urodela.—Wij zullen eerst de gestaarte Amphibieën beschouwen. Bij de

salamanders verschillen de seksen dikwijls zeer, zoowel in kleur als in

maaksel. Bij sommige soorten ontwikkelen zich gedurende den rijtijd

klauwen aan de voorpooten van het mannetje; en in dien tijd zijn bij

het mannetje van den kleinen watersalamander (Triton Palmipes) de

achterpooten voorzien van een zwemvlies dat gedurende den winter bijna

geheel verdwijnt, zoodat hun pooten dan op die van het wijfje gelijken.

[41] Dit orgaan helpt ongetwijfeld het mannetje bij zijn ijverige

nasporingen en vervolging van het wijfje. Bij onze gewone

water-salamanders (Triton punctatus en cristatus) ontwikkelt zich

gedurende den rijtijd op den rug en den staart van het mannetje een

hooge, sterk getande kam die gedurende den winter verdwijnt (Fig. 9 en

10). Hij is, naar de heer St. George Mivart mij mededeelt, niet van

spieren voorzien, en kan daarom niet als bewegingsorgaan worden

gebruikt. Daar hij gedurende den tijd der vrijage met heldere kleuren

wordt omzoomd, kan het nauwelijks worden betwijfeld, dat hij tot een

mannelijk sieraad dient. Bij vele soorten vertoont het lichaam sterk

tegen elkander afstekende, hoewel donkere kleuren; en deze worden

gedurende den rijtijd levendiger. Zoo is b.v. het mannetje van onzen

gewonen kleinen watersalamander (Triton punctatus) „van boven

bruinachtig grijs, dat beneden in geel overgaat, hetwelk gedurende de

lente in een rijk helder oranje verandert, overal met ronde zwarte

vlekken beteekend.” De rand van den kam is dan omzoomd met helder rood

of violet. Het wijfje is gewoonlijk geelachtig bruin van kleur met

verspreide bruine vlekken, en de ondervlakte is dikwijls geheel effen.

[42] De jongen zijn donker van kleur. Wij mogen daarom besluiten, dat

de mannetjes hun sterk sprekende kleuren en tot versiering dienende

aanhangsels door seksueele teeltkeus hebben verkregen, en deze hetzij

alleen door de mannelijke nakomelingschap of door beide seksen werden

overgeërfd.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 2 (van 2) · 第 1 / 39 段