Vier benaauwde dagen.
De dag verliep verder zonder ongelukken. De laatste toebereidselen voor
het vertrek van Mulrady werden gemaakt. De wakkere matroos achtte zich
gelukkig, dat hij aan Zijne Edelheid dat bewijs van verknochtheid mogt
geven.
Paganel had zijn koelbloedigheid en gewone manieren teruggekregen. Zijn
blik bewees wel, dat hij zich sterk met iets bezig hield, maar hij
scheen besloten te hebben het voor zich te houden. Hij had zeker
gewigtige redenen voor die handelwijze; want de majoor hoorde hem
telkens herhalen, als iemand, die met zichzelven oneens is:
"Neen! neen! Zij zouden mij niet gelooven! En ook, wat zou het baten?
Het is te laat!"
Toen hij dit besluit genomen had, hield hij zich onledig met Mulrady de
noodige inlichtingen te geven om Melbourne te bereiken en met de kaart
voor zich gaf hij hem den weg op. Alle "tracks," dat is de paden van de
prairie, liepen op den weg van Locknow uit. Na tot aan de kust toe
steeds zuidwaarts geloopen te hebben, wendt die weg zich plotseling naar
Melbourne. Hij moest hem altijd houden en om den weg te bekorten zich
niet in een weinig bekend land wagen. Niets eenvoudiger dus dan dit
Mulrady kon niet verdwalen.
Gevaren waren er niet te wachten, zoodra hij maar eenige mijlen van de
legerplaats af was, waar Ben Joyce en zijn bende zeker in hinderlaag
lagen. Was hij hen eens voorbij, dan maakte Mulrady zich sterk, dat hij
de roovers snel vooruit komen en zijn belangrijke zending goed uitvoeren
zou.
Ten zes ure gebruikten allen gezamenlijk hun maal. Er viel een
stortregen. De tent leverde geen genoegzame beschutting meer op, en
allen hadden een schuilplaats in den wagen gezocht. Dat was bovendien
een veilige schuilhoek. De klei hield hem aan den grond geketend en hij
stond er zoo vast op als een fort op zijn fundeering. Het tuighuis
bestond uit zeven karabijnen en zeven revolvers, zoodat zij een vrij
langdurig beleg konden uitstaan, want er was geen gebrek aan kruid noch
levensmiddelen. Binnen zes dagen immers zou de _Duncan_ in de
Twofold-baai ten anker komen. Vier en twintig uren later zou de
bemanning aan den anderen oever der Sneeuw-rivier zijn, en al was de
overtogt dan nog onuitvoerbaar, dan zouden de roovers althans
genoodzaakt worden voor de overmagt te wijken. Maar daartoe was het
noodig, dat Mulrady in zijn gevaarvolle onderneming slaagde.
Ten acht ure was het pikdonker. Het oogenblik om te vertrekken was daar.
Het paard voor Mulrady werd voorgebragt. Zijn uit overmaat van
voorzigtigheid met linnen omwoelde pooten maakten geen leven op den
grond. Het dier scheen vermoeid, en toch hing aller redding af van de
vastheid en kracht zijner beenen. De majoor gaf Mulrady den raad het te
ontzien, zoodra hij buiten bereik der roovers was. Een oponthoud van een
halven dag beduidde niets, als hij maar behouden aankwam.
John Mangles gaf den matroos een revolver, dien hij met de uiterste zorg
had geladen. Dit is een geducht wapen in de hand van iemand, die niet
beeft; want zes schoten, die in eenige seconden op elkander volgen,
vegen gemakkelijk een door boosdoeners versperden weg schoon. Mulrady
sprong in den zadel.
"Zie hier den brief, dien gij aan Tom Austin moet overhandigen," zeide
Glenarvan. "Hij mag geen uur verzuimen. Hij moet naar de Twofold-baai
vertrekken en indien hij ons daar niet vindt, indien wij de
Sneeuw-rivier niet hebben kunnen oversteken, moet hij onmiddellijk naar
ons toekomen. En nu, ga, wakkere matroos! God zij met u!"
Glenarvan, lady Helena, Mary Grant, allen reikten Mulrady de hand. Dit
vertrek in een stikdonkeren en regenachtigen nacht, op een met gevaren
bezaaiden weg, door onbekende woeste streken, zou zeker op een minder
moedig hart, dan dat van den matroos, een diepen indruk hebben gemaakt.
"Vaarwel, mylord!" zeide hij met bedaarde stem, en weldra verdween hij
op een pad, dat langs den zoom van het woud liep.
Juist verdubbelde het geweld van den storm. De hooge takken der
gomboomen sloegen in de duisternis met dof geluid tegen elkander. Men
kon den val hooren van die dorre takken op den doorweekten bodem. Meer
dan één reuzenboom, wien het aan sappen ontbrak, maar die tot nog toe
overeind was gebleven, viel bij deze geweldige rukwinden. De wind huilde
door het krakende hout en vereenigde zijn akelig geloei met het brullen
van de Sneeuw-rivier. De groote wolken, die hij oostwaarts voortjoeg,
sleepten tot op den grond als lappen stoom. Een akelige duisternis
maakte den nacht nog afschuwelijker.
Na het vertrek van Mulrady kropen de reizigers in den wagen. Lady Helena
en Mary Grant, Glenarvan en Paganel bewoonden het voorvertrek, dat
luchtdigt gesloten was. In het andere hadden Olbinett, Wilson en Robert
een behoorlijk verblijf gevonden. De majoor en John Mangles waakten
buiten. Die maatregel van voorzigtigheid was noodig; want een aanval der
roovers was gemakkelijk en bij gevolg mogelijk.
De twee getrouwe wakers hielden dus de wacht en verdroegen geduldig de
windvlagen, die de nacht hun in het aangezigt sloeg. Hun blikken
trachtten door de duisternis heen te boren, die zeer gunstig voor
hinderlagen was; want het oor kon niets waarnemen onder de duizenderlei
geluiden van den storm, het gehuil van den wind, het rammelen der
takken, het vallen der boomstammen, het bruischen van het water, en al
dat oproer der natuur.
Toch werd de storm soms voor een oogenblikje door stilte vervangen. Dan
zweeg de wind, als om weder adem te scheppen. De Sneeuw-rivier alleen
kermde tusschen het onbewegelijke riet en de zwarte gordijn der
gomboomen. Dan scheen de stilte voor een oogenblik nog dieper. Dan
luisterden de majoor en John Mangles scherp toe.
In zulk een stil oogenblik hoorden zij een schel gefluit.
John Mangles liep hard naar den majoor.
"Hebt gij het gehoord?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Mac Nabbs "Is het een mensch of een dier?"
"Een mensch," verzekerde John Mangles.
Nu luisterden beiden. Het vreemde fluitje werd plotseling op nieuw
vernomen, en door iets, dat op een losbranding geleek, beantwoord, maar
bijna onhoorbaar, want de storm loeide weder met nieuw geweld. Mac Nabbs
en John Mangles konden elkander niet verstaan. Daarom plaatsten zij zich
onder den wind van den wagen.
Te gelijk werden de lederen gordijnen opgeligt en kwam Glenarvan bij
zijn makkers. Hij had, evenals zij, dat akelige fluiten gehoord en de
losbranding, die door de echo onder het wagenkleed herhaald werd.
"In welke rigting?" vroeg hij.
"Daar!" zeide John op het donkere pad wijzende, dat Mulrady had
ingeslagen.
"Op welken afstand?"
"De wind bragt het over," antwoordde John Mangles. "Het moet minstens
drie mijlen van hier zijn."
"Gaat mede!" zeide Glenarvan de karabijn over den schouder werpende.
"Wij gaan niet mede!" antwoordde de majoor. "Het is een list om ons van
den wagen weg te lokken."
"En als nu Mulrady eens onder de kogels dier ellendelingen gevallen is!"
hernam Glenarvan, de hand van Mac Nabbs vattende.
"Morgen zal dat wel blijken," antwoordde de majoor koeltjes, vast
besloten hebben Glenarvan te beletten een noodelooze onvoorzigtigheid te
begaan.
"Gij moogt de legerplaats niet verlaten, mylord!" zeide John; "ik zal
alleen gaan!"
"Gij evenmin!" hernam Mac Nabbs met nadruk. "Wilt gij ons dan één voor
één laten dooden, onze krachten verminderen, ons aan de genade dier
booswichten overleveren? Is Mulrady als hun offer gevallen, dan is dat
een ongeluk, dat wij niet moeten verzwaren. Mulrady is vertrokken, omdat
het lot hem heeft aangewezen. Was het lot op mij gevallen in plaats van
op hem, dan zou ik evengoed als hij vertrokken zijn; maar ik zou geen
hulp verlangd noch verwacht hebben."
De majoor had volkomen gelijk, toen hij Glenarvan en John Mangles
tegenhield. Een poging om den matroos te bereiken, in zulk een donkeren
nacht de roovers, die hier of daar in het kreupelhout verscholen waren,
te gemoet te gaan, was onverstandig en ook noodeloos. Het kleine
gezelschap van Glenarvan was niet talrijk genoeg om nog meer personen te
kunnen opofferen.
Maar Glenarvan scheen niet naar reden te willen luisteren. Hij omklemde
krampachtig zijn karabijn. Hij liep op en neer bij den wagen. Hij
luisterde naar het geringste gedruisch. Zijn blik poogde door die
akelige duisternis heen te boren. De gedachte martelde hem, dat een der
zijnen doodelijk gewond, hulpeloos nederlag, en te vergeefs riep om hen,
voor wie hij zich had opgeofferd. Mac Nabbs wist niet of hij er in
slagen zou hem tegen te houden, of Glenarvan, gehoor gevende aan de
inspraak van zijn hart, zich niet bloot zou stellen aan de kogels van
Ben Joyce.
"Edward!" zoo sprak hij hem aan, "bedaar! Luister naar een vriend. Denk
aan lady Helena, aan Mary Grant, aan allen, die nog bij u zijn! Maar
bovendien, waar wilt gij heengaan? Waar zult gij Mulrady terugvinden?
Twee mijlen van hier is hij aangevallen! Op welken weg? Welk pad zult
gij inslaan...."
Daar liet zich, als het ware om den majoor te beantwoorden, een
hulpgeschrei hooren.
"Luistert!" zeide Glenarvan.
Die kreet kwam van denzelfden kant, waar het schot was gevallen, geen
kwart mijl van hen af.
Glenarvan stiet Mac Nabbs op zij en wilde het pad reeds opgaan, toen
zich drie honderd schreden van den wagen deze woorden lieten hooren:
"Help! help!"
Het was een klagende en wanhopende stem. John Mangles en de majoor
ijlden in die rigting voort.
Eenige oogenblikken later bemerkten zij naast het kreupelhout een
menschelijke gedaante, die zich voortsleepte en jammerlijk kermde.
Het was Mulrady, gewond, stervende, misschien dood, en toen zijn makkers
hem optilden, voelden zij hun handen nat worden van bloed.
De regen verdubbelde, en de wind huilde in de takken der doode boomen.
Onder dat vreeselijke weder vevoerden Glenarvan, de majoor en John
Mangles het ligchaam van Mulrady.
Bij hun aankomst stonden allen op. Paganel, Robert, Wilson en Olbinett
verlieten den wagen, en lady Helena stond haar vertrek af aan den armen
Mulrady. De majoor trok het buis van den matroos uit, dat doornat was
van het bloed en den regen. Hij ontdekte de wond. De ongelukkige had een
dolksteek in de regterzijde gekregen.
Mac Nabbs verbond hem zeer goed. Hij kon niet zeggen, of het wapen de
edele deelen gekwetst had. Een straal helder rood bloed kwam er met
horten en stooten uit; de bleekheid en bewusteloosheid van den gekwetste
bewezen, dat de stoot goed raak was geweest. De majoor legde op de
gapende wond, die hij eerst met zuiver water uitwiesch, een dikken prop
van zwam en daarop pluksel, en bond er een zwachtel om. Zoo gelukte het
hem het bloed te stelpen. Mulrady werd op de zijde gelegd, waar hij
gewond was, met hoofd en borst in de hoogte, en lady Helena liet hem
eenige mondjesvol water drinken.
Na verloop van een kwartier maakte de gekwetste, die tot nog toe stil
gelegen had, een beweging. Hij opende even de oogen en mompelde eenige
onsamenhangende woorden. De majoor legde zijn oor op zijn mond en hoorde
hem herhalen:
"Mylord ... de brief ... Ben Joyce."
De majoor bragt die woorden over en zag zijn makkers aan. Wat wilde
Mulrady zeggen? Ben Joyce had den matroos aangevallen, maar waarom? Was
het niet alleen met het doel om hem op te houden en hem te verhinderen
de _Duncan_ te bereiken? Die brief....
Glenarvan doorzocht Mulrady's zakken. De brief aan Tom Austin
geadresseerd was er niet in!
De nacht werd in ongerustheid en angst doorgebragt. Ieder oogenblik
vreesde men, dat de gewonde zou sterven. Een heete koorts had hem
aangetast. Als twee zusters van barmhartigheid verlieten lady Helena en
Mary Grant hem niet. Nooit werd een zieke beter of door meewariger
handen verpleegd.
Het werd dag. De regen had opgehouden. Dikke wolken dreven nog laag in
de lucht. De grond was met gebroken takken bedekt. Ook de klei was door
die wolkbreuken weder doorweekt. Het werd moeijelijk om den wagen te
naderen; maar hij kon niet dieper inzakken.
John Mangles, Paganel en Glenarvan gingen bij het krieken van den dag op
verkenning uit rondom de legerplaats. Zij gingen het pad op, dat nog
bloedvlekken vertoonde. Zij vonden geen spoor meer van Ben Joyce of zijn
bende. Zij kwamen ter plaatse, waar de aanval geschied was. Daar lagen
twee lijken op den grond, door de kogels van Mulrady getroffen. Het een
was het lijk van den hoefsmid van Black-Point. Zijn door den dood
misvormd gelaat was ijselijk om te zien.
Glenarvan strekte zijn onderzoek niet verder uit. De voorzigtigheid
verbood hem zich te verwijderen. Hij keerde daarom naar den wagen terug,
in diep nadenken verzonken over het gevaarlijke van den toestand.
"Er valt niet aan te denken een anderen bode naar Melbourne te zenden,"
zeide hij.
"En toch moet het, mylord!" antwoordde John Mangles, "en ik wil trachten
het doel te bereiken dat mijn matroos heeft moeten opgeven."
"Neen, John! Gij hebt niet eens een paard om u die twee honderd mijlen
te dragen!"
Inderdaad, het paard van Mulrady, het eenige, dat nog over was, was niet
teruggekomen. Was het onder de kogels der moordenaars gevallen? Was het
in die woestijn verdwaald? Hadden de roovers zich er meester van
gemaakt?
"Wat er ook gebeure," hernam Glenarvan, "wij scheiden niet meer. Laten
wij acht, veertien dagen wachten, tot het water der Sneeuw-rivier zijn
gewonen stand heeft herkregen. Dan zullen wij met kleine dagreizen de
Twofold-baai bereiken, en van daar langs een veiligen weg de _Duncan_
bevel zenden om aan de kust te komen."
"Er zit niets anders op," sprak Paganel.
"Geen scheiding dus meer, mijne vrienden!" vervolgde Glenarvan. "Eén man
waagt te veel, wanneer hij zich alleen in die woestijn waagt, die door
bandieten onveilig gemaakt wordt. En nu, God redde onzen armen matroos
en behoede ons!"
Glenarvan had gelijk: vooreerst om iedere afzonderlijke poging te
verbieden, ten andere om geduldig aan de oevers der Sneeuw-rivier te
wachten, tot ze kon overgestoken worden. Naauwelijks vijf en dertig
mijlen scheidden hem van Delegete, de eerste grensstad van
Nieuw-Zuid-Wales, waar hij vervoermiddelen zou vinden om de Twofold-baai
te bereiken. Van daar zou hij naar Melbourne de bevelen aan de _Duncan_
per telegraaf afzenden.
Die maatregelen waren verstandig, maar ze werden wat laat genomen. Had
Glenarvan Mulrady niet op den weg naar Lucknow gezonden, wat al
ongelukken zouden dan verhoed zijn, gezwegen nog van den moord van den
matroos!
Toen hij in de legerplaats terugkwam, vond hij zijn reisgenooten wat
bedaarder. Zij schenen weer hoop gevat te hebben.
"Hij betert! hij betert!" riep Robert, die lord Glenarvan te gemoet
liep.
"Mulrady?"....
"Ja, Edward!" antwoordde lady Helena. "De ziekte heeft een keer genomen.
De majoor is geruster. Onze matroos zal leven."
"Waar is Mac Nabbs?" vroeg Glenarvan.
"Bij hem. Mulrady heeft hem willen spreken. Gij moet ze niet storen."
De gewonde was inderdaad voor een uur uit zijne verdooving ontwaakt en
de koorts was verminderd. Maar zoodra Mulrady het geheugen en de spraak
terugkreeg, had hij terstond naar lord Glenarvan, of, als die er niet
was, naar den majoor gevraagd. Toen Mac Nabbs zag, dat hij zoo zwak was,
wilde hij hem het spreken verbieden. Maar Mulrady drong er zoo sterk op
aan, dat de majoor hem zijn zin moest geven.
Weldra werden de gordijnen van den wagen op zijde geschoven en verscheen
de majoor. Hij ging naar zijn vrienden aan den voet van een gomboom,
waar de tent was opgeslagen. Op zijn doorgaans zoo koel gelaat stond een
levendige bekommering te lezen. Toen zijn oog op lady Helena en het
jonge meisje viel, drukte het een smartelijke droefheid uit.
Glenarvan ondervroeg hem, en zie hier kortelijk wat de majoor had
vernomen.
Na het verlaten van de legerplaats volgde Mulrady een der paden, die
Paganel had aangeduid. Hij haastte zich, althans zooveel als de
duisternis van den nacht toeliet. Naar zijn schatting had hij omtrent
een paar mijlen afgelegd, toen zich verscheidene mannen,--vijf geloofde
hij,--voor den kop van zijn paard wierpen. Het dier steigerde, Mulrady
greep zijn revolver en gaf vuur. Hij meende, dat twee der aanvallers
nedervielen. Bij het licht van het schot herkende bij Ben Joyce. Maar
dat was alles. Hij had geen tijd om zijn wapen geheel af te vuren. Hij
kreeg een duchtigen stoot in de regterzijde en viel van het paard.
Toch was hij nog niet geheel buiten kennis. De moordenaars dachten, dat
hij dood was. Hij voelde, dat men hem doorzocht. Daarop hoorde hij een
der roovers zeggen: "Ik heb den brief."--"Geef op," antwoordde Ben
Joyce, "nu is de _Duncan_ ons!"
Bij dit gedeelte van het verhaal van Mac Nabbs kon Glenarvan een gil
niet weerhouden.
Mac Nabbs ging voort.
"Vangt nu het paard op," zeide Ben Joyce. "Binnen twee dagen ben ik aan
boord van de _Duncan_, binnen zes in de Twofold-baai. Daar is de
verzamelplaats. Het gezelschap van den lord zit dan nog vast in de
moerassen der Sneeuw-rivier. Gaat bij de brug van Kemple-pier over de
rivier, begeeft u naar de kust en wacht mij daar. Ik zal wel gelegenheid
vinden u aan boord te brengen. Zoodra wij maar in zee zijn, zullen wij
met een schip als de _Duncan_ de heeren van den Indischen oceaan
zijn."--"Hoera voor Ben Joyce!" riepen de roovers. Het paard van Mulrady
werd voorgebragt, en Ben Joyce verdween in galop op den weg naar
Lucklow, terwijl de bende zuidoostelijk naar de Sneeuw-rivier trok.
Hoewel zwaar gekwetst, had Mulrady toch nog kracht genoeg om zich tot
drie honderd schreden van de legerplaats af voort te slepen, waar wij
hem bijna dood hebben opgenomen. "Zoo luidt het verhaal van Mulrady",
zeide Mac Nabbs. "Nu begrijpt gij, waarom de moedige matroos er zoo op
gesteld was om te spreken."
Deze mededeeling deed Glenarvan en de zijnen ontstellen.
"Zeeroovers! zeeroovers!" riep Glenarvan. "Mijn matrozen vermoord! Mijn
_Duncan_ in de handen dier bandieten!"
"Ja! want Ben Joyce zal het vaartuig overrompelen antwoordde de majoor,
"en dan...."
"Welnu! wij moeten vroeger aan de kust zijn dan die ellendelingen!"
zeide Paganel.
"Maar hoe komen wij over de Sneeuw-rivier?" vroeg Wilson.
"Evenals zij," antwoordde Glenarvan. "Zij gaan te Kemple-pier over de
brug, wij ook."
"Maar wat zal er van Mulrady worden?" vroeg lady Helena.
"Dien zullen wij dragen! wij zullen elkander aflossen! Ik kan toch mijne
geheele bemanning niet weerloos overlaten aan den troep van dien Ben
Joyce!"
Het denkbeeld om over de brug van Kemple-pier over de Sneeuw-rivier te
gaan was uitvoerbaar, maar gewaagd. De roovers konden zich op dat punt
vestigen en het verdedigen. Zij waren ten minste dertig tegen zeven!
Maar er zijn oogenblikken, waarin men niet telt, waarin men vooruit
moet, of men wil of niet.
"Mylord!" zeide nu John Mangles, "voor wij onze laatste kans wagen, voor
wij naar die brug gaan, is het voorzigtig ze te gaan verkennen. Dat neem
ik op mij."
"Ik ga mee, John!" zeide Paganel.
Toen dit voorstel aangenomen was, maakten John Mangles en Paganel zich
gereed om terstond heen te gaan. Zij moesten de Sneeuw-rivier afgaan,
haar oevers volgen tot de plaats toe, waar zij de door Ben Joyce
opgegeven brug bereikten, en zich vooral onttrekken aan het oog der
roovers, die de oevers zeker bezet hielden.
Van levensmiddelen voorzien en goed gewapend vertrokken de beide moedige
reisgenooten, en verdwenen weldra tusschen het hooge oeverriet.
Dien geheelen dag bleef men op hen wachten. 's Avonds waren zij nog niet
terug. Allen verkeerden in grooten angst.
Tegen elf ure kondigde Wilson eindelijk hun terugkomst aan. Paganel en
John Mangles waren doodmoede van dien marsch van tien mijlen.
"Die brug! Bestaat die brug?" vroeg Glenarvan, die hen te gemoet liep.
"Ja! een brug van slingerplanten," zeide John Mangles. "De roovers zijn
er inderdaad overgegaan. Maar...."
"Maar...." herhaalde Glenarvan, die een voorgevoel had van een nieuw
ongeluk.
"Zij hebben ze na hun overtogt verbrand," antwoordde Paganel.