XXI.

Vier benaauwde dagen.

De dag verliep verder zonder ongelukken. De laatste toebereidselen voor

het vertrek van Mulrady werden gemaakt. De wakkere matroos achtte zich

gelukkig, dat hij aan Zijne Edelheid dat bewijs van verknochtheid mogt

geven.

Paganel had zijn koelbloedigheid en gewone manieren teruggekregen. Zijn

blik bewees wel, dat hij zich sterk met iets bezig hield, maar hij

scheen besloten te hebben het voor zich te houden. Hij had zeker

gewigtige redenen voor die handelwijze; want de majoor hoorde hem

telkens herhalen, als iemand, die met zichzelven oneens is:

"Neen! neen! Zij zouden mij niet gelooven! En ook, wat zou het baten?

Het is te laat!"

Toen hij dit besluit genomen had, hield hij zich onledig met Mulrady de

noodige inlichtingen te geven om Melbourne te bereiken en met de kaart

voor zich gaf hij hem den weg op. Alle "tracks," dat is de paden van de

prairie, liepen op den weg van Locknow uit. Na tot aan de kust toe

steeds zuidwaarts geloopen te hebben, wendt die weg zich plotseling naar

Melbourne. Hij moest hem altijd houden en om den weg te bekorten zich

niet in een weinig bekend land wagen. Niets eenvoudiger dus dan dit

Mulrady kon niet verdwalen.

Gevaren waren er niet te wachten, zoodra hij maar eenige mijlen van de

legerplaats af was, waar Ben Joyce en zijn bende zeker in hinderlaag

lagen. Was hij hen eens voorbij, dan maakte Mulrady zich sterk, dat hij

de roovers snel vooruit komen en zijn belangrijke zending goed uitvoeren

zou.

Ten zes ure gebruikten allen gezamenlijk hun maal. Er viel een

stortregen. De tent leverde geen genoegzame beschutting meer op, en

allen hadden een schuilplaats in den wagen gezocht. Dat was bovendien

een veilige schuilhoek. De klei hield hem aan den grond geketend en hij

stond er zoo vast op als een fort op zijn fundeering. Het tuighuis

bestond uit zeven karabijnen en zeven revolvers, zoodat zij een vrij

langdurig beleg konden uitstaan, want er was geen gebrek aan kruid noch

levensmiddelen. Binnen zes dagen immers zou de _Duncan_ in de

Twofold-baai ten anker komen. Vier en twintig uren later zou de

bemanning aan den anderen oever der Sneeuw-rivier zijn, en al was de

overtogt dan nog onuitvoerbaar, dan zouden de roovers althans

genoodzaakt worden voor de overmagt te wijken. Maar daartoe was het

noodig, dat Mulrady in zijn gevaarvolle onderneming slaagde.

Ten acht ure was het pikdonker. Het oogenblik om te vertrekken was daar.

Het paard voor Mulrady werd voorgebragt. Zijn uit overmaat van

voorzigtigheid met linnen omwoelde pooten maakten geen leven op den

grond. Het dier scheen vermoeid, en toch hing aller redding af van de

vastheid en kracht zijner beenen. De majoor gaf Mulrady den raad het te

ontzien, zoodra hij buiten bereik der roovers was. Een oponthoud van een

halven dag beduidde niets, als hij maar behouden aankwam.

John Mangles gaf den matroos een revolver, dien hij met de uiterste zorg

had geladen. Dit is een geducht wapen in de hand van iemand, die niet

beeft; want zes schoten, die in eenige seconden op elkander volgen,

vegen gemakkelijk een door boosdoeners versperden weg schoon. Mulrady

sprong in den zadel.

"Zie hier den brief, dien gij aan Tom Austin moet overhandigen," zeide

Glenarvan. "Hij mag geen uur verzuimen. Hij moet naar de Twofold-baai

vertrekken en indien hij ons daar niet vindt, indien wij de

Sneeuw-rivier niet hebben kunnen oversteken, moet hij onmiddellijk naar

ons toekomen. En nu, ga, wakkere matroos! God zij met u!"

Glenarvan, lady Helena, Mary Grant, allen reikten Mulrady de hand. Dit

vertrek in een stikdonkeren en regenachtigen nacht, op een met gevaren

bezaaiden weg, door onbekende woeste streken, zou zeker op een minder

moedig hart, dan dat van den matroos, een diepen indruk hebben gemaakt.

"Vaarwel, mylord!" zeide hij met bedaarde stem, en weldra verdween hij

op een pad, dat langs den zoom van het woud liep.

Juist verdubbelde het geweld van den storm. De hooge takken der

gomboomen sloegen in de duisternis met dof geluid tegen elkander. Men

kon den val hooren van die dorre takken op den doorweekten bodem. Meer

dan één reuzenboom, wien het aan sappen ontbrak, maar die tot nog toe

overeind was gebleven, viel bij deze geweldige rukwinden. De wind huilde

door het krakende hout en vereenigde zijn akelig geloei met het brullen

van de Sneeuw-rivier. De groote wolken, die hij oostwaarts voortjoeg,

sleepten tot op den grond als lappen stoom. Een akelige duisternis

maakte den nacht nog afschuwelijker.

Na het vertrek van Mulrady kropen de reizigers in den wagen. Lady Helena

en Mary Grant, Glenarvan en Paganel bewoonden het voorvertrek, dat

luchtdigt gesloten was. In het andere hadden Olbinett, Wilson en Robert

een behoorlijk verblijf gevonden. De majoor en John Mangles waakten

buiten. Die maatregel van voorzigtigheid was noodig; want een aanval der

roovers was gemakkelijk en bij gevolg mogelijk.

De twee getrouwe wakers hielden dus de wacht en verdroegen geduldig de

windvlagen, die de nacht hun in het aangezigt sloeg. Hun blikken

trachtten door de duisternis heen te boren, die zeer gunstig voor

hinderlagen was; want het oor kon niets waarnemen onder de duizenderlei

geluiden van den storm, het gehuil van den wind, het rammelen der

takken, het vallen der boomstammen, het bruischen van het water, en al

dat oproer der natuur.

Toch werd de storm soms voor een oogenblikje door stilte vervangen. Dan

zweeg de wind, als om weder adem te scheppen. De Sneeuw-rivier alleen

kermde tusschen het onbewegelijke riet en de zwarte gordijn der

gomboomen. Dan scheen de stilte voor een oogenblik nog dieper. Dan

luisterden de majoor en John Mangles scherp toe.

In zulk een stil oogenblik hoorden zij een schel gefluit.

John Mangles liep hard naar den majoor.

"Hebt gij het gehoord?" vroeg hij.

"Ja," antwoordde Mac Nabbs "Is het een mensch of een dier?"

"Een mensch," verzekerde John Mangles.

Nu luisterden beiden. Het vreemde fluitje werd plotseling op nieuw

vernomen, en door iets, dat op een losbranding geleek, beantwoord, maar

bijna onhoorbaar, want de storm loeide weder met nieuw geweld. Mac Nabbs

en John Mangles konden elkander niet verstaan. Daarom plaatsten zij zich

onder den wind van den wagen.

Te gelijk werden de lederen gordijnen opgeligt en kwam Glenarvan bij

zijn makkers. Hij had, evenals zij, dat akelige fluiten gehoord en de

losbranding, die door de echo onder het wagenkleed herhaald werd.

"In welke rigting?" vroeg hij.

"Daar!" zeide John op het donkere pad wijzende, dat Mulrady had

ingeslagen.

"Op welken afstand?"

"De wind bragt het over," antwoordde John Mangles. "Het moet minstens

drie mijlen van hier zijn."

"Gaat mede!" zeide Glenarvan de karabijn over den schouder werpende.

"Wij gaan niet mede!" antwoordde de majoor. "Het is een list om ons van

den wagen weg te lokken."

"En als nu Mulrady eens onder de kogels dier ellendelingen gevallen is!"

hernam Glenarvan, de hand van Mac Nabbs vattende.

"Morgen zal dat wel blijken," antwoordde de majoor koeltjes, vast

besloten hebben Glenarvan te beletten een noodelooze onvoorzigtigheid te

begaan.

"Gij moogt de legerplaats niet verlaten, mylord!" zeide John; "ik zal

alleen gaan!"

"Gij evenmin!" hernam Mac Nabbs met nadruk. "Wilt gij ons dan één voor

één laten dooden, onze krachten verminderen, ons aan de genade dier

booswichten overleveren? Is Mulrady als hun offer gevallen, dan is dat

een ongeluk, dat wij niet moeten verzwaren. Mulrady is vertrokken, omdat

het lot hem heeft aangewezen. Was het lot op mij gevallen in plaats van

op hem, dan zou ik evengoed als hij vertrokken zijn; maar ik zou geen

hulp verlangd noch verwacht hebben."

De majoor had volkomen gelijk, toen hij Glenarvan en John Mangles

tegenhield. Een poging om den matroos te bereiken, in zulk een donkeren

nacht de roovers, die hier of daar in het kreupelhout verscholen waren,

te gemoet te gaan, was onverstandig en ook noodeloos. Het kleine

gezelschap van Glenarvan was niet talrijk genoeg om nog meer personen te

kunnen opofferen.

Maar Glenarvan scheen niet naar reden te willen luisteren. Hij omklemde

krampachtig zijn karabijn. Hij liep op en neer bij den wagen. Hij

luisterde naar het geringste gedruisch. Zijn blik poogde door die

akelige duisternis heen te boren. De gedachte martelde hem, dat een der

zijnen doodelijk gewond, hulpeloos nederlag, en te vergeefs riep om hen,

voor wie hij zich had opgeofferd. Mac Nabbs wist niet of hij er in

slagen zou hem tegen te houden, of Glenarvan, gehoor gevende aan de

inspraak van zijn hart, zich niet bloot zou stellen aan de kogels van

Ben Joyce.

"Edward!" zoo sprak hij hem aan, "bedaar! Luister naar een vriend. Denk

aan lady Helena, aan Mary Grant, aan allen, die nog bij u zijn! Maar

bovendien, waar wilt gij heengaan? Waar zult gij Mulrady terugvinden?

Twee mijlen van hier is hij aangevallen! Op welken weg? Welk pad zult

gij inslaan...."

Daar liet zich, als het ware om den majoor te beantwoorden, een

hulpgeschrei hooren.

"Luistert!" zeide Glenarvan.

Die kreet kwam van denzelfden kant, waar het schot was gevallen, geen

kwart mijl van hen af.

Glenarvan stiet Mac Nabbs op zij en wilde het pad reeds opgaan, toen

zich drie honderd schreden van den wagen deze woorden lieten hooren:

"Help! help!"

Het was een klagende en wanhopende stem. John Mangles en de majoor

ijlden in die rigting voort.

Eenige oogenblikken later bemerkten zij naast het kreupelhout een

menschelijke gedaante, die zich voortsleepte en jammerlijk kermde.

Het was Mulrady, gewond, stervende, misschien dood, en toen zijn makkers

hem optilden, voelden zij hun handen nat worden van bloed.

De regen verdubbelde, en de wind huilde in de takken der doode boomen.

Onder dat vreeselijke weder vevoerden Glenarvan, de majoor en John

Mangles het ligchaam van Mulrady.

Bij hun aankomst stonden allen op. Paganel, Robert, Wilson en Olbinett

verlieten den wagen, en lady Helena stond haar vertrek af aan den armen

Mulrady. De majoor trok het buis van den matroos uit, dat doornat was

van het bloed en den regen. Hij ontdekte de wond. De ongelukkige had een

dolksteek in de regterzijde gekregen.

Mac Nabbs verbond hem zeer goed. Hij kon niet zeggen, of het wapen de

edele deelen gekwetst had. Een straal helder rood bloed kwam er met

horten en stooten uit; de bleekheid en bewusteloosheid van den gekwetste

bewezen, dat de stoot goed raak was geweest. De majoor legde op de

gapende wond, die hij eerst met zuiver water uitwiesch, een dikken prop

van zwam en daarop pluksel, en bond er een zwachtel om. Zoo gelukte het

hem het bloed te stelpen. Mulrady werd op de zijde gelegd, waar hij

gewond was, met hoofd en borst in de hoogte, en lady Helena liet hem

eenige mondjesvol water drinken.

Na verloop van een kwartier maakte de gekwetste, die tot nog toe stil

gelegen had, een beweging. Hij opende even de oogen en mompelde eenige

onsamenhangende woorden. De majoor legde zijn oor op zijn mond en hoorde

hem herhalen:

"Mylord ... de brief ... Ben Joyce."

De majoor bragt die woorden over en zag zijn makkers aan. Wat wilde

Mulrady zeggen? Ben Joyce had den matroos aangevallen, maar waarom? Was

het niet alleen met het doel om hem op te houden en hem te verhinderen

de _Duncan_ te bereiken? Die brief....

Glenarvan doorzocht Mulrady's zakken. De brief aan Tom Austin

geadresseerd was er niet in!

De nacht werd in ongerustheid en angst doorgebragt. Ieder oogenblik

vreesde men, dat de gewonde zou sterven. Een heete koorts had hem

aangetast. Als twee zusters van barmhartigheid verlieten lady Helena en

Mary Grant hem niet. Nooit werd een zieke beter of door meewariger

handen verpleegd.

Het werd dag. De regen had opgehouden. Dikke wolken dreven nog laag in

de lucht. De grond was met gebroken takken bedekt. Ook de klei was door

die wolkbreuken weder doorweekt. Het werd moeijelijk om den wagen te

naderen; maar hij kon niet dieper inzakken.

John Mangles, Paganel en Glenarvan gingen bij het krieken van den dag op

verkenning uit rondom de legerplaats. Zij gingen het pad op, dat nog

bloedvlekken vertoonde. Zij vonden geen spoor meer van Ben Joyce of zijn

bende. Zij kwamen ter plaatse, waar de aanval geschied was. Daar lagen

twee lijken op den grond, door de kogels van Mulrady getroffen. Het een

was het lijk van den hoefsmid van Black-Point. Zijn door den dood

misvormd gelaat was ijselijk om te zien.

Glenarvan strekte zijn onderzoek niet verder uit. De voorzigtigheid

verbood hem zich te verwijderen. Hij keerde daarom naar den wagen terug,

in diep nadenken verzonken over het gevaarlijke van den toestand.

"Er valt niet aan te denken een anderen bode naar Melbourne te zenden,"

zeide hij.

"En toch moet het, mylord!" antwoordde John Mangles, "en ik wil trachten

het doel te bereiken dat mijn matroos heeft moeten opgeven."

"Neen, John! Gij hebt niet eens een paard om u die twee honderd mijlen

te dragen!"

Inderdaad, het paard van Mulrady, het eenige, dat nog over was, was niet

teruggekomen. Was het onder de kogels der moordenaars gevallen? Was het

in die woestijn verdwaald? Hadden de roovers zich er meester van

gemaakt?

"Wat er ook gebeure," hernam Glenarvan, "wij scheiden niet meer. Laten

wij acht, veertien dagen wachten, tot het water der Sneeuw-rivier zijn

gewonen stand heeft herkregen. Dan zullen wij met kleine dagreizen de

Twofold-baai bereiken, en van daar langs een veiligen weg de _Duncan_

bevel zenden om aan de kust te komen."

"Er zit niets anders op," sprak Paganel.

"Geen scheiding dus meer, mijne vrienden!" vervolgde Glenarvan. "Eén man

waagt te veel, wanneer hij zich alleen in die woestijn waagt, die door

bandieten onveilig gemaakt wordt. En nu, God redde onzen armen matroos

en behoede ons!"

Glenarvan had gelijk: vooreerst om iedere afzonderlijke poging te

verbieden, ten andere om geduldig aan de oevers der Sneeuw-rivier te

wachten, tot ze kon overgestoken worden. Naauwelijks vijf en dertig

mijlen scheidden hem van Delegete, de eerste grensstad van

Nieuw-Zuid-Wales, waar hij vervoermiddelen zou vinden om de Twofold-baai

te bereiken. Van daar zou hij naar Melbourne de bevelen aan de _Duncan_

per telegraaf afzenden.

Die maatregelen waren verstandig, maar ze werden wat laat genomen. Had

Glenarvan Mulrady niet op den weg naar Lucknow gezonden, wat al

ongelukken zouden dan verhoed zijn, gezwegen nog van den moord van den

matroos!

Toen hij in de legerplaats terugkwam, vond hij zijn reisgenooten wat

bedaarder. Zij schenen weer hoop gevat te hebben.

"Hij betert! hij betert!" riep Robert, die lord Glenarvan te gemoet

liep.

"Mulrady?"....

"Ja, Edward!" antwoordde lady Helena. "De ziekte heeft een keer genomen.

De majoor is geruster. Onze matroos zal leven."

"Waar is Mac Nabbs?" vroeg Glenarvan.

"Bij hem. Mulrady heeft hem willen spreken. Gij moet ze niet storen."

De gewonde was inderdaad voor een uur uit zijne verdooving ontwaakt en

de koorts was verminderd. Maar zoodra Mulrady het geheugen en de spraak

terugkreeg, had hij terstond naar lord Glenarvan, of, als die er niet

was, naar den majoor gevraagd. Toen Mac Nabbs zag, dat hij zoo zwak was,

wilde hij hem het spreken verbieden. Maar Mulrady drong er zoo sterk op

aan, dat de majoor hem zijn zin moest geven.

Weldra werden de gordijnen van den wagen op zijde geschoven en verscheen

de majoor. Hij ging naar zijn vrienden aan den voet van een gomboom,

waar de tent was opgeslagen. Op zijn doorgaans zoo koel gelaat stond een

levendige bekommering te lezen. Toen zijn oog op lady Helena en het

jonge meisje viel, drukte het een smartelijke droefheid uit.

Glenarvan ondervroeg hem, en zie hier kortelijk wat de majoor had

vernomen.

Na het verlaten van de legerplaats volgde Mulrady een der paden, die

Paganel had aangeduid. Hij haastte zich, althans zooveel als de

duisternis van den nacht toeliet. Naar zijn schatting had hij omtrent

een paar mijlen afgelegd, toen zich verscheidene mannen,--vijf geloofde

hij,--voor den kop van zijn paard wierpen. Het dier steigerde, Mulrady

greep zijn revolver en gaf vuur. Hij meende, dat twee der aanvallers

nedervielen. Bij het licht van het schot herkende bij Ben Joyce. Maar

dat was alles. Hij had geen tijd om zijn wapen geheel af te vuren. Hij

kreeg een duchtigen stoot in de regterzijde en viel van het paard.

Toch was hij nog niet geheel buiten kennis. De moordenaars dachten, dat

hij dood was. Hij voelde, dat men hem doorzocht. Daarop hoorde hij een

der roovers zeggen: "Ik heb den brief."--"Geef op," antwoordde Ben

Joyce, "nu is de _Duncan_ ons!"

Bij dit gedeelte van het verhaal van Mac Nabbs kon Glenarvan een gil

niet weerhouden.

Mac Nabbs ging voort.

"Vangt nu het paard op," zeide Ben Joyce. "Binnen twee dagen ben ik aan

boord van de _Duncan_, binnen zes in de Twofold-baai. Daar is de

verzamelplaats. Het gezelschap van den lord zit dan nog vast in de

moerassen der Sneeuw-rivier. Gaat bij de brug van Kemple-pier over de

rivier, begeeft u naar de kust en wacht mij daar. Ik zal wel gelegenheid

vinden u aan boord te brengen. Zoodra wij maar in zee zijn, zullen wij

met een schip als de _Duncan_ de heeren van den Indischen oceaan

zijn."--"Hoera voor Ben Joyce!" riepen de roovers. Het paard van Mulrady

werd voorgebragt, en Ben Joyce verdween in galop op den weg naar

Lucklow, terwijl de bende zuidoostelijk naar de Sneeuw-rivier trok.

Hoewel zwaar gekwetst, had Mulrady toch nog kracht genoeg om zich tot

drie honderd schreden van de legerplaats af voort te slepen, waar wij

hem bijna dood hebben opgenomen. "Zoo luidt het verhaal van Mulrady",

zeide Mac Nabbs. "Nu begrijpt gij, waarom de moedige matroos er zoo op

gesteld was om te spreken."

Deze mededeeling deed Glenarvan en de zijnen ontstellen.

"Zeeroovers! zeeroovers!" riep Glenarvan. "Mijn matrozen vermoord! Mijn

_Duncan_ in de handen dier bandieten!"

"Ja! want Ben Joyce zal het vaartuig overrompelen antwoordde de majoor,

"en dan...."

"Welnu! wij moeten vroeger aan de kust zijn dan die ellendelingen!"

zeide Paganel.

"Maar hoe komen wij over de Sneeuw-rivier?" vroeg Wilson.

"Evenals zij," antwoordde Glenarvan. "Zij gaan te Kemple-pier over de

brug, wij ook."

"Maar wat zal er van Mulrady worden?" vroeg lady Helena.

"Dien zullen wij dragen! wij zullen elkander aflossen! Ik kan toch mijne

geheele bemanning niet weerloos overlaten aan den troep van dien Ben

Joyce!"

Het denkbeeld om over de brug van Kemple-pier over de Sneeuw-rivier te

gaan was uitvoerbaar, maar gewaagd. De roovers konden zich op dat punt

vestigen en het verdedigen. Zij waren ten minste dertig tegen zeven!

Maar er zijn oogenblikken, waarin men niet telt, waarin men vooruit

moet, of men wil of niet.

"Mylord!" zeide nu John Mangles, "voor wij onze laatste kans wagen, voor

wij naar die brug gaan, is het voorzigtig ze te gaan verkennen. Dat neem

ik op mij."

"Ik ga mee, John!" zeide Paganel.

Toen dit voorstel aangenomen was, maakten John Mangles en Paganel zich

gereed om terstond heen te gaan. Zij moesten de Sneeuw-rivier afgaan,

haar oevers volgen tot de plaats toe, waar zij de door Ben Joyce

opgegeven brug bereikten, en zich vooral onttrekken aan het oog der

roovers, die de oevers zeker bezet hielden.

Van levensmiddelen voorzien en goed gewapend vertrokken de beide moedige

reisgenooten, en verdwenen weldra tusschen het hooge oeverriet.

Dien geheelen dag bleef men op hen wachten. 's Avonds waren zij nog niet

terug. Allen verkeerden in grooten angst.

Tegen elf ure kondigde Wilson eindelijk hun terugkomst aan. Paganel en

John Mangles waren doodmoede van dien marsch van tien mijlen.

"Die brug! Bestaat die brug?" vroeg Glenarvan, die hen te gemoet liep.

"Ja! een brug van slingerplanten," zeide John Mangles. "De roovers zijn

er inderdaad overgegaan. Maar...."

"Maar...." herhaalde Glenarvan, die een voorgevoel had van een nieuw

ongeluk.

"Zij hebben ze na hun overtogt verbrand," antwoordde Paganel.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 27 / 29 题