XXII.

Eden.

Het was nu geen tijd om te jammeren, maar om te handelen. Nu de brug van

Kemple-pier vernield was, moest men tot elken prijs de Sneeuw-rivier

over en voor den troep van Ben Joyce op de oevers der Twofold-baai

komen. De tijd werd dan ook niet met nutteloose praatjes verspild, en

reeds den volgenden dag, den 16den Januarij, gingen John Mangles en

Glenarvan de rivier onderzoeken, om den overtogt te bewerkstelligen.

Het onstuimige en door den regen gezwollen water daalde niet. Het kookte

met onbeschrijfelijke woede. Het te trotseeren was zoo goed als den dood

in den mond loopen. Met over elkander geslagen armen en gebukten hoofde

bleef Glenarvan roerloos staan.

"Wil ik beproeven den anderen oever zwemmende te bereiken?" zeide John

Mangles.

"Neen, John! wij zullen wachten!" antwoordde Glenarvan, terwijl hij met

de hand den wakkeren borst tegenhield.

En te zamen keerden zij naar de legerplaats terug. De dag werd in groote

bezorgdheid gesleten. Tienmaal keerde Glenarvan naar de Sneeuw-rivier

terug. Hij poogde een stout middel te bedenken om haar over te steken.

Maar te vergeefs. Al had een lavastroom tusschen haar oevers gevloeid,

dan kon zij niet onoverkomelijker geweest zijn.

In die verloren uren omringde lady Helena, door den majoor met raad

bijgestaan, Mulrady met de teederste zorgen. De matroos gevoelde, dat

hij herstelde. Mac Nabbs durfde verzekeren, dat geen enkel edel deel

gewond was. Het bloedverlies was genoegzaam om de zwakheid van den zieke

te verklaren. Als zijn wond gesloten, het bloeden gestelpt was, zouden

tijd en rust zijn volkomen genezing wel aanbrengen. Lady Helena had

verlangd, dat hij het voorvertrek van den wagen zou betrekken. Mulrady

was verlegen over zooveel goedheid.

Het meest bekommerde het hem, dat zijn toestand Glenarvan mogt ophouden,

en men moest hem beloven, dat men hem onder bewaking van Wilson in de

legerplaats zou achterlaten, wanneer de overtogt over de Sneeuw-rivier

mogelijk werd.

Ongelukkig was die overtogt evenmin dien dag uitvoerbaar als den

volgenden, den 17den Januari. Glenarvan was radeloos, nu hij zich zoo

zag ophouden. Lady Helena en de majoor deden te vergeefs hun best om hem

ter neder te zetten en tot geduld te vermanen. Geduld oefenen, wanneer

Ben Joyce misschien op hetzelfde oogenblik aan boord van het jagt kwam;

wanneer de _Duncan_ de touwen losgooide en hard stoomde om die

noodlottige kust te bereiken, en wanneer ieder oogenblik ze er digter

bijbragt?

John Mangles stond evenveel angst uit als Glenarvan. Met geweld iederen

hinderpaal uit den weg willende ruimen, bouwde hij op australische

manier een bootje van groote repen gomboomenschors. Die stukken, welke

zeer ligt waren, werden met houten hoepels verbonden en vormden een zeer

broos vaartuigje.

De kapitein en de matroos beproefden den 18den dat ranke bootje. Alles,

wat bekwaamheid, kracht, behendigheid en moed vermogten, wendden zij

aan. Maar naauwelijks waren zij op den stroom, of zij sloegen om, en

weinig scheelde het of die vermetele proef kostte hun het leven. Het

bootje werd in een draaikolk medegesleept en verdween. John Mangles en

Wilson waren nog geen tien vademen ver op die rivier gekomen, die door

den regen en het smelten der sneeuw gezwollen, wel een mijl breed was.

De 19de en 20ste Januarij verliepen in dien toestand. De majoor en

Glenarvan gingen vijf mijlen stroomopwaarts, zonder een doorwaadbare

plaats te vinden. Overal was het water even onstuimig, de stroom even

snel. De geheele zuidelijke helling der australische Alpen goot al haar

water in die eene bedding.

Men moest de hoop opgeven om de _Duncan_ te redden. Vijf dagen waren

sedert het vertrek van Ben Joyce verloopen. Het jagt moest thans aan de

kust en in de handen der roovers zijn!

Het was echter onmogelijk, dat die stand van zaken lang kon aanhouden.

Het tijdelijke wassen des waters wordt spoedig uitgeput en wel in

dezelfde reden als het geweld, waarmede het plaats heeft. Paganel

bespeurde dan ook in den morgen van den 21sten, dat de hoogte der rivier

boven den gewonen waterstand begon af te nemen. Hij deelde Glenarvan de

uitkomst zijner waarnemingen mede.

"Wat baat dat nu?" antwoordde Glenarvan; "het is toch te laat!"

"Dat is geen reden om ons verblijf in de legerplaats te verlengen."

"Ja," antwoordde John Mangles. "Morgen is de overtogt misschien

uitvoerbaar."

"En zal dat mijn ongelukkige matrozen redden?" riep Glenarvan.

"Uwe Edelheid! luister!" hernam John Mangles. "Ik ken Tom Austin. Hij

heeft uw bevelen moeten uitvoeren en vertrekken, zoodra zijn vertrek

mogelijk was. Maar wie zegt ons, dat de _Duncan_ gereed, haar averij

hersteld was, toen Ben Joyce te Melbourne kwam? En als het jagt eens

niet in zee heeft kunnen steken, als het één, twee dagen oponthoud heeft

gehad!"

"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde Glenarvan, "Wij moeten de

Twofold-baai bereiken. Wij zijn maar vijf en dertig mijlen van Delegete

af!"

"Ja," zeide Paganel, "en in die stad zullen wij snelle middelen van

vervoer vinden. Wie weet, of wij niet tijdig genoeg zullen komen om een

ongeluk te verhoeden?"

"Laten wij vertrekken!" riep Glenarvan.

Dadelijk gingen John Mangles en Wilson aan het werk om een fiksch

vaartuig te maken. De ondervinding had geleerd, dat geen stukken schors

bestand waren tegen de hevigheid van den stroom. John velde nu stammen

van gomboomen, waarvan hij een ruw, maar stevig vlot maakte. Dat werk

nam veel tijd weg, en de dag verliep, voor het voltooid was. Het kwam

eerst den volgenden dag gereed.

Nu was het water der Sneeuw-rivier merkelijk gezakt. De stortvloed werd

een rivier, maar de strooming bleef nog altijd zeer sterk. Echter hoopte

John, wanneer hij zich in de schuinte met den stroom liet afdrijven, den

tegenovergestelden oever te bereiken.

Om half een belastte ieder zich met zooveel levensmiddelen als hij kon

voor een tweedaagschen togt. Het overschot werd met den wagen en de tent

achtergelaten. Mulrady was wel genoeg om vervoerd te worden; zijn

herstel vorderde snel.

Ten een ure nam elk plaats op het vlot, dat nog aan den oever vastlag.

John Mangles had aan stuurboord een soort van riem aangebragt en aan

Wilson toevertrouwd, om het vaartuig tegen den stroom te steunen en het

sterk afdrijven te verminderen. Hij zelf zou achterop staande sturen met

een lompen wrikriem. Lady Helena en Mary Grant zaten midden op het vlot

bij Mulrady. Glenarvan, de majoor, Paganel en Robert omringden hen,

gereed om hun bijstand te verleenen.

"Is alles klaar, Wilson?" vroeg John Mangles den matroos.

"Ja, kapitein!" antwoordde Wilson, terwijl hij met forsche hand den riem

greep.

"Geef acht, en houd ons tegen den stroom."

John Mangles maakte het vlot los en stiet het op de golven der

Sneeuw-rivier. Alles ging een vijftien vademen ver goed. Wilson

verhinderde het afdrijven. Maar weldra kwam het vlot bij een draaikolk;

het draaide rond, zonder dat de riem of de wrikriem het in een regte

lijn konden houden. Ondanks alle inspanning, hadden Wilson en John

Mangles weldra van plaats verwisseld, waardoor de werking der riemen

werd opgeheven.

Men moest zich onderwerpen. Er bestond geen middel om die draaijende

beweging van het vlot tegen te gaan. Het draaide met duizelingwekkende

snelheid en dreef uit den koers. John Mangles stond met een bleek gelaat

en op elkander geklemde tanden naar het kokende water te zien.

Intusschen kwam het vlot in het midden van de Sneeuw-rivier. Het was nu

door den stroom een halve mijl van het punt van afvaart medegesleept.

Daar had de stroom een buitengewone kracht, en daar hij de kolken brak,

gaf hij aan het vaartuig wat vastheid.

John en Wilson grepen weder hun riemen, en het gelukte hun het vlot in

een schuine rigting voort te stuwen. Daardoor kwamen zij nabij den

linker-oever. Zij waren er nog maar vijftig vademen van af, toen de riem

van Wilson brak. Het vlot, niet langer gesteund, werd medegesleept. John

wilde het tegenhouden, op het gevaar af van zijn wrikriem te breken. Met

bebloede handen hielp Wilson hem.

Eindelijk zagen zij hun pogingen met den gewenschten uitslag bekroond.

Na een overtogt, die meer dan een half uur geduurd had, stiet het vlot

tegen den loodregten oever. De schok was hevig; de stammen weken, de

touwen braken, het water drong bruischend binnen. De reizigers hadden

maar even den tijd om zich vast te klemmen aan de struiken, die over het

water hingen. Zij haalden Mulrady en de twee vrouwen, die half doornat

waren, naar zich toe. Kortom, allen werden gered; maar het grootste

gedeelte der medegenomen levensmiddelen en de wapenen, uitgenomen de

karabijn van den majoor, dreven weg met het wrak van het vlot.

De overtogt was volbragt. Het kleine gezelschap stond bijna van alles

beroofd, vijf en dertig mijlen van Delegete af, in het hart dier

onbekende woestijnen op de grens van Victoria. Daar houden zich geen

kolonisten noch squatters op, de streek is onbewoond, alleen zwerven er

woeste woudloopers en roovers.

Men besloot zonder verwijl te vertrekken. Mulrady zag wel, dat hij tot

last zou zijn; hij verzocht, of hij blijven mogt, zelfs alleen, om hulp

uit Delegete af te wachten.

Glenarvan weigerde. Hij kon Delegete eerst in drie, de kust eerst in

vijf dagen bereiken, dat wil zeggen den 26sten Januarij. En den 16den

had de _Duncan_ Melbourne verlaten. Wat verscheelde hem nu nog een

vertraging van eenige uren?

"Neen, mijn vriend!" zeide hij, "ik wil niemand achterlaten. Wij zullen

een draagbaar maken en u ieder op zijn beurt dragen."

De draagbaar werd vervaardigd van gomboomentakken en met twijgen bedekt,

en of hij wilde of niet, Mulrady moest er plaats innemen. Glenarvan

wilde de eerste zijn om den matroos te dragen. Hij nam de draagbaar aan

het eene einde, Wilson aan het andere, en men ging op weg.

Welk een droevig schouwspel, en wat liep die reis, welke zoo goed

begonnen was, slecht af! Men zocht niet langer Harry Grant. Dit

vastland, waar hij niet was, waar hij nooit geweest was, dreigde

noodlottig te worden voor degenen, die zijn spoor zochten. En wanneer

zijn stoute landgenooten de australische kust bereikten, zouden zij er

niet eens de _Duncan_ vinden om hen naar het vaderland terug te brengen!

De eerste dag werd zwijgend en verdrietig doorgebragt. Om de tien

minuten loste men elkander af bij het dragen der baar. Alle makkers van

den matroos stonden zonder klagen die vermoeijenis uit, die nog toenam

door de hevige warmte.

Na slechts vijf mijlen te hebben afgelegd, legerde men zich 's avonds

bij een boschje gomboomen. Het overschot der levensmiddelen, die nog uit

de schipbreuk waren gered, diende tot avondeten. Maar verder kon men

alleen rekenen op de karabijn van den majoor.

De nacht was slecht, de regen kwam er bij, het scheen, alsof het maar

geen dag wilde worden. Men ging weer op weg. De majoor had geen

gelegenheid om één enkel schot te doen. Deze noodlottige streek was nog

erger dan de woestijn, want zelfs de dieren bezochten ze niet eens.

Gelukkig ontdekte Robert een trapganzen nest, en in dat nest een dozijn

groote eijeren, die Olbinett onder de heete asch braadde. Dit maakte met

eenige postelein, die in een hollen weg groeide, den 22sten het geheele

ontbijt uit.

De weg werd nu bijzonder moeijelijk en pijnlijk.

De zandvlakten waren digt begroeid met "spinifex," een doornstruik, die

te Melbourne "stekelvarken" genoemd wordt. De kleeren scheurden er van,

de beenen werden er tot bloedens toe door gewond. De moedige vrouwen

klaagden echter niet; zij stapten wakker voort, ten voorbeeld voor de

anderen, en moedigden hen aan door een woord of een blik.

's Avonds hield men stil aan den voet van den berg Bulla-Bulla, aan de

oevers van het stroompje Jungalla. Het avondeten zou schraal geweest

zijn, had Mac Nabbs niet eindelijk een groote rat geschoten, de "Mus

conditor," die den naam heeft een uitstekend voedsel te zijn. Olbinett

braadde ze, en ze zou haar naam nog beter verdiend hebben, wanneer ze

zoo groot was geweest als een schaap. Men moest het er echter mede doen

Ze werd tot op de beenderen toe afgekloven.

Wel vermoeid, maar nog altijd vol moed, gingen de reizigers den 23sten

weder op marsch. Nadat zij om den voet der bergs gegaan waren, kwamen

zij door groote weilanden, waarvan het gras uit walvischbaarden scheen

te bestaan. Het was een bosch van lansen, een verwarde hoop scherpe

bajonnetten, waarin men zich met de bijl of het vuur een weg moest

banen.

Dien morgen was er aan geen ontbijt te denken. Niets kan de dorheid dier

met kwartsbrokken bezaaide streek overtreffen. Niet alleen de honger,

maar ook de dorst deed zich sterk gevoelen. Een brandend heete lucht

maakte die marteling nog ondragelijker. Glenarvan en de zijnen legden

geen halve mijl in het uur af. Mogt dat gebrek aan spijs en drank tot

den avond duren, dan zouden zij op dien weg neder vallen om niet meer op

te staan.

Maar wanneer den mensch alles begeeft, wanneer hij zich hulpeloos en

verlaten ziet, wanneer hij niet anders denkt of zijn laatste uur heeft

geslagen, dan openbaart zich de tusschenkomst der Voorzienigheid.

Het water schonk Zij in "cephalotes" een soort van bekers met een

verkwikkend vocht gevuld, die aan de takken van koraalvormige struiken

hingen. Allen leschten hun dorst er mede en voelden, dat weer nieuwe

levenskrachten in hen werden opgewekt.

Het voedsel was het gewone der inlanders, wanneer er gebrek is aan wild:

insecten en slangen. Paganel ontdekte in de uitgedroogde bedding van een

stroompje een plant, wier uitmuntende eigenschappen hem dikwijls

beschreven waren door een der leden van de Maatschappij voor

aardrijkskunde.

Het was de "nardou," een bedekt bloeijend gewas van de familie der

waterlinzen, hetzelfde, waarmede Burke en King hun leven rekten in de

woestijnen van het binnenland. Onder zijn op klaver gelijkende bladeren

ontsproten verdroogde kiemkorrels. Die korrels, zoo groot als een lins,

werden tusschen twee steenen gekneusd, en gaven een soort van meel. Er

werd grof brood van gebakken, dat den honger eenigzins stilde. Die plant

was overvloedig te vinden. Olbinett kon dus te dezer plaatse een groote

hoeveelheid verzamelen, en zoo waren zij voor verscheidene dagen van

voedsel voorzien.

Den volgenden dag, den 24sten, legde Mulrady een gedeelte van den weg te

voet af. Zijn wond was geheel digt. De stad Delegete was nog maar tien

mijlen ver, en dien avond legerden zij zich op 149° lengte op de grens

van Nieuw-Zuid-Wales.

Een fijne en doordringende regen viel sedert eenige uren. Zij hadden in

de open lucht moeten blijven, wanneer John Mangles niet bij toeval een

verlaten en vervallen hut van houtzagers had ontdekt. Men moest zich

vergenoegen met dat ellendige krot van takken en riet. Wilson wilde vuur

aanleggen om het nardon-brood te bakken en ging het doode hout oprapen,

dat op den grond lag. Maar hij kon het niet aankrijgen. De groote

hoeveelheid aluinachtige stof, die het bevatte, belette de ontvlamming.

Het was het onbrandbare hout, dat Paganel had opgenoemd onder de

zonderlinge voortbrengselen van Australië.

Men moest het dus zonder vuur en brood doen, en in de vochtige kleeren

slapen, terwijl de spotvogels, in de hooge takken verborgen, die

ongelukkige reizigers schenen uit te jouwen.

Glenarvan's lijden liep inmiddels ten einde. Wel was het tijd. De beide

jeugdige vrouwen spanden zich geweldig in, maar haar krachten

verminderden van uur tot uur. Zij sleepten zich voort, loopen konden zij

niet meer.

Met het krieken van den volgenden dag vertrok men. Ten elf ure waren ze

te Delegete, in het graafschap Wellesley, vijftig mijlen van de

Twofold-baai.

Daar werd spoedig rijtuig genomen. Toen hij zoo digt bij de kust was,

herleefde de hoop in het hart van Glenarvan. Als de _Duncan_ maar een

beetje oponthoud had gehad, zou hij ze misschien nog vóór zijn! In

vieretwintig uren kon hij aan de baai zijn!

Na een versterkend maal gebruikt te hebben, vertrokken alle reizigers

ten twaalf ure in een postkoets zoo hard vijf sterke paarden maar loopen

konden. De postiljons, aangezet door de belofte van een vorstelijk

drinkgeld, joegen het snelle rijtuig over een goed onderhouden weg

voort. Zij verloren geen twee minuten op de pleisterplaatsen, die tien

mijlen van elkander verwijderd waren. Het scheen, dat Glenarvan hun het

vuur had in geblazen, dat hem verteerde.

Dien ganschen dag en nacht reed men zoo door met een snelheid van zes

mijlen in het uur.

Toen de zon den volgenden dag opging, kondigde een dof geruisch de

nabijheid van den Indischen oceaan aan.

Men moest de baai omrijden om op den zevenendertigsten breedtegraad den

oever te bereiken, juist ter plaatse waar Tom Austin de komst der

reizigers moest afwachten.

Toen de zee zigtbaar werd, rigtten allen hunne blikken verlangend

daarheen. Stoomde de _Duncan_ daar soms door een wonder der

Voorzienigheid op en neer, even als een maand vroeger bij kaap

Corrientes op de argentijnsche kust?

Niets was er te zien. De lucht en het water liepen aan den gezigteinder

ineen. Geen enkel zeil verlevendigde de ontzettende watervlakte.

Nog ééne hoop bleef er over. Misschien had Tom Austin gemeend het anker

in de Twofold-baai te moeten werpen; want de zee stond hol en geen schip

kon veilig wezen bij zulk een nabijheid van het strand.

"Naar Eden!" riep lord Glenarvan.

Dadelijk sloeg de postwagen regts den cirkelvormigen weg in, die langs

de oevers der baai liep, en rigtte zich naar het vijf mijlen verder

gelegen stadje Eden.

De postiljons hielden stil niet ver van het vaste licht, dat den ingang

der haven aanduidt. Eenige schepen lagen op de reede voor anker, maar

geen een had de vlag van Malcolm geheschen.

Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten uit het rijtuig, liepen naar

het tolkantoor, ondervroegen de beambten en zagen de lijst van de in de

laatste dagen aangekomen schepen in.

In den loop eener week was geen enkel vaartuig de baai binnengeloopen.

"Zou hij niet vertrokken zijn?" riep Glenarvan, die door een in het

menschelijke hart dikwijls voorkomende omkeering niet meer wilde

wanhopen. "Misschien zijn wij hem voor geweest!"

John Mangles schudde het hoofd. Hij kende Tom Austin. Zijn eerste

stuurman zou de uitvoering van een bevel geen tien dagen uitstellen.

"Ik wil weten, hoe de zaken staan," zeide Glenarvan. "Zekerheid is beter

dan twijfel!"

Een kwartier later werd een telegram gezonden aan den overman der

scheeps-agenten te Melbourne.

Daarna lieten de reizigers zich brengen naar het _Victoria_-hotel.

Ten twee ure kreeg lord Glenarvan een telegram van dezen inhoud:

Aan lord Glenarvan, Eden,

Twofold-baai.

"De _Duncan_ den 18den dezer vertrokken. Bestemming

onbekend."

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 28 / 29 题