Eden.
Het was nu geen tijd om te jammeren, maar om te handelen. Nu de brug van
Kemple-pier vernield was, moest men tot elken prijs de Sneeuw-rivier
over en voor den troep van Ben Joyce op de oevers der Twofold-baai
komen. De tijd werd dan ook niet met nutteloose praatjes verspild, en
reeds den volgenden dag, den 16den Januarij, gingen John Mangles en
Glenarvan de rivier onderzoeken, om den overtogt te bewerkstelligen.
Het onstuimige en door den regen gezwollen water daalde niet. Het kookte
met onbeschrijfelijke woede. Het te trotseeren was zoo goed als den dood
in den mond loopen. Met over elkander geslagen armen en gebukten hoofde
bleef Glenarvan roerloos staan.
"Wil ik beproeven den anderen oever zwemmende te bereiken?" zeide John
Mangles.
"Neen, John! wij zullen wachten!" antwoordde Glenarvan, terwijl hij met
de hand den wakkeren borst tegenhield.
En te zamen keerden zij naar de legerplaats terug. De dag werd in groote
bezorgdheid gesleten. Tienmaal keerde Glenarvan naar de Sneeuw-rivier
terug. Hij poogde een stout middel te bedenken om haar over te steken.
Maar te vergeefs. Al had een lavastroom tusschen haar oevers gevloeid,
dan kon zij niet onoverkomelijker geweest zijn.
In die verloren uren omringde lady Helena, door den majoor met raad
bijgestaan, Mulrady met de teederste zorgen. De matroos gevoelde, dat
hij herstelde. Mac Nabbs durfde verzekeren, dat geen enkel edel deel
gewond was. Het bloedverlies was genoegzaam om de zwakheid van den zieke
te verklaren. Als zijn wond gesloten, het bloeden gestelpt was, zouden
tijd en rust zijn volkomen genezing wel aanbrengen. Lady Helena had
verlangd, dat hij het voorvertrek van den wagen zou betrekken. Mulrady
was verlegen over zooveel goedheid.
Het meest bekommerde het hem, dat zijn toestand Glenarvan mogt ophouden,
en men moest hem beloven, dat men hem onder bewaking van Wilson in de
legerplaats zou achterlaten, wanneer de overtogt over de Sneeuw-rivier
mogelijk werd.
Ongelukkig was die overtogt evenmin dien dag uitvoerbaar als den
volgenden, den 17den Januari. Glenarvan was radeloos, nu hij zich zoo
zag ophouden. Lady Helena en de majoor deden te vergeefs hun best om hem
ter neder te zetten en tot geduld te vermanen. Geduld oefenen, wanneer
Ben Joyce misschien op hetzelfde oogenblik aan boord van het jagt kwam;
wanneer de _Duncan_ de touwen losgooide en hard stoomde om die
noodlottige kust te bereiken, en wanneer ieder oogenblik ze er digter
bijbragt?
John Mangles stond evenveel angst uit als Glenarvan. Met geweld iederen
hinderpaal uit den weg willende ruimen, bouwde hij op australische
manier een bootje van groote repen gomboomenschors. Die stukken, welke
zeer ligt waren, werden met houten hoepels verbonden en vormden een zeer
broos vaartuigje.
De kapitein en de matroos beproefden den 18den dat ranke bootje. Alles,
wat bekwaamheid, kracht, behendigheid en moed vermogten, wendden zij
aan. Maar naauwelijks waren zij op den stroom, of zij sloegen om, en
weinig scheelde het of die vermetele proef kostte hun het leven. Het
bootje werd in een draaikolk medegesleept en verdween. John Mangles en
Wilson waren nog geen tien vademen ver op die rivier gekomen, die door
den regen en het smelten der sneeuw gezwollen, wel een mijl breed was.
De 19de en 20ste Januarij verliepen in dien toestand. De majoor en
Glenarvan gingen vijf mijlen stroomopwaarts, zonder een doorwaadbare
plaats te vinden. Overal was het water even onstuimig, de stroom even
snel. De geheele zuidelijke helling der australische Alpen goot al haar
water in die eene bedding.
Men moest de hoop opgeven om de _Duncan_ te redden. Vijf dagen waren
sedert het vertrek van Ben Joyce verloopen. Het jagt moest thans aan de
kust en in de handen der roovers zijn!
Het was echter onmogelijk, dat die stand van zaken lang kon aanhouden.
Het tijdelijke wassen des waters wordt spoedig uitgeput en wel in
dezelfde reden als het geweld, waarmede het plaats heeft. Paganel
bespeurde dan ook in den morgen van den 21sten, dat de hoogte der rivier
boven den gewonen waterstand begon af te nemen. Hij deelde Glenarvan de
uitkomst zijner waarnemingen mede.
"Wat baat dat nu?" antwoordde Glenarvan; "het is toch te laat!"
"Dat is geen reden om ons verblijf in de legerplaats te verlengen."
"Ja," antwoordde John Mangles. "Morgen is de overtogt misschien
uitvoerbaar."
"En zal dat mijn ongelukkige matrozen redden?" riep Glenarvan.
"Uwe Edelheid! luister!" hernam John Mangles. "Ik ken Tom Austin. Hij
heeft uw bevelen moeten uitvoeren en vertrekken, zoodra zijn vertrek
mogelijk was. Maar wie zegt ons, dat de _Duncan_ gereed, haar averij
hersteld was, toen Ben Joyce te Melbourne kwam? En als het jagt eens
niet in zee heeft kunnen steken, als het één, twee dagen oponthoud heeft
gehad!"
"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde Glenarvan, "Wij moeten de
Twofold-baai bereiken. Wij zijn maar vijf en dertig mijlen van Delegete
af!"
"Ja," zeide Paganel, "en in die stad zullen wij snelle middelen van
vervoer vinden. Wie weet, of wij niet tijdig genoeg zullen komen om een
ongeluk te verhoeden?"
"Laten wij vertrekken!" riep Glenarvan.
Dadelijk gingen John Mangles en Wilson aan het werk om een fiksch
vaartuig te maken. De ondervinding had geleerd, dat geen stukken schors
bestand waren tegen de hevigheid van den stroom. John velde nu stammen
van gomboomen, waarvan hij een ruw, maar stevig vlot maakte. Dat werk
nam veel tijd weg, en de dag verliep, voor het voltooid was. Het kwam
eerst den volgenden dag gereed.
Nu was het water der Sneeuw-rivier merkelijk gezakt. De stortvloed werd
een rivier, maar de strooming bleef nog altijd zeer sterk. Echter hoopte
John, wanneer hij zich in de schuinte met den stroom liet afdrijven, den
tegenovergestelden oever te bereiken.
Om half een belastte ieder zich met zooveel levensmiddelen als hij kon
voor een tweedaagschen togt. Het overschot werd met den wagen en de tent
achtergelaten. Mulrady was wel genoeg om vervoerd te worden; zijn
herstel vorderde snel.
Ten een ure nam elk plaats op het vlot, dat nog aan den oever vastlag.
John Mangles had aan stuurboord een soort van riem aangebragt en aan
Wilson toevertrouwd, om het vaartuig tegen den stroom te steunen en het
sterk afdrijven te verminderen. Hij zelf zou achterop staande sturen met
een lompen wrikriem. Lady Helena en Mary Grant zaten midden op het vlot
bij Mulrady. Glenarvan, de majoor, Paganel en Robert omringden hen,
gereed om hun bijstand te verleenen.
"Is alles klaar, Wilson?" vroeg John Mangles den matroos.
"Ja, kapitein!" antwoordde Wilson, terwijl hij met forsche hand den riem
greep.
"Geef acht, en houd ons tegen den stroom."
John Mangles maakte het vlot los en stiet het op de golven der
Sneeuw-rivier. Alles ging een vijftien vademen ver goed. Wilson
verhinderde het afdrijven. Maar weldra kwam het vlot bij een draaikolk;
het draaide rond, zonder dat de riem of de wrikriem het in een regte
lijn konden houden. Ondanks alle inspanning, hadden Wilson en John
Mangles weldra van plaats verwisseld, waardoor de werking der riemen
werd opgeheven.
Men moest zich onderwerpen. Er bestond geen middel om die draaijende
beweging van het vlot tegen te gaan. Het draaide met duizelingwekkende
snelheid en dreef uit den koers. John Mangles stond met een bleek gelaat
en op elkander geklemde tanden naar het kokende water te zien.
Intusschen kwam het vlot in het midden van de Sneeuw-rivier. Het was nu
door den stroom een halve mijl van het punt van afvaart medegesleept.
Daar had de stroom een buitengewone kracht, en daar hij de kolken brak,
gaf hij aan het vaartuig wat vastheid.
John en Wilson grepen weder hun riemen, en het gelukte hun het vlot in
een schuine rigting voort te stuwen. Daardoor kwamen zij nabij den
linker-oever. Zij waren er nog maar vijftig vademen van af, toen de riem
van Wilson brak. Het vlot, niet langer gesteund, werd medegesleept. John
wilde het tegenhouden, op het gevaar af van zijn wrikriem te breken. Met
bebloede handen hielp Wilson hem.
Eindelijk zagen zij hun pogingen met den gewenschten uitslag bekroond.
Na een overtogt, die meer dan een half uur geduurd had, stiet het vlot
tegen den loodregten oever. De schok was hevig; de stammen weken, de
touwen braken, het water drong bruischend binnen. De reizigers hadden
maar even den tijd om zich vast te klemmen aan de struiken, die over het
water hingen. Zij haalden Mulrady en de twee vrouwen, die half doornat
waren, naar zich toe. Kortom, allen werden gered; maar het grootste
gedeelte der medegenomen levensmiddelen en de wapenen, uitgenomen de
karabijn van den majoor, dreven weg met het wrak van het vlot.
De overtogt was volbragt. Het kleine gezelschap stond bijna van alles
beroofd, vijf en dertig mijlen van Delegete af, in het hart dier
onbekende woestijnen op de grens van Victoria. Daar houden zich geen
kolonisten noch squatters op, de streek is onbewoond, alleen zwerven er
woeste woudloopers en roovers.
Men besloot zonder verwijl te vertrekken. Mulrady zag wel, dat hij tot
last zou zijn; hij verzocht, of hij blijven mogt, zelfs alleen, om hulp
uit Delegete af te wachten.
Glenarvan weigerde. Hij kon Delegete eerst in drie, de kust eerst in
vijf dagen bereiken, dat wil zeggen den 26sten Januarij. En den 16den
had de _Duncan_ Melbourne verlaten. Wat verscheelde hem nu nog een
vertraging van eenige uren?
"Neen, mijn vriend!" zeide hij, "ik wil niemand achterlaten. Wij zullen
een draagbaar maken en u ieder op zijn beurt dragen."
De draagbaar werd vervaardigd van gomboomentakken en met twijgen bedekt,
en of hij wilde of niet, Mulrady moest er plaats innemen. Glenarvan
wilde de eerste zijn om den matroos te dragen. Hij nam de draagbaar aan
het eene einde, Wilson aan het andere, en men ging op weg.
Welk een droevig schouwspel, en wat liep die reis, welke zoo goed
begonnen was, slecht af! Men zocht niet langer Harry Grant. Dit
vastland, waar hij niet was, waar hij nooit geweest was, dreigde
noodlottig te worden voor degenen, die zijn spoor zochten. En wanneer
zijn stoute landgenooten de australische kust bereikten, zouden zij er
niet eens de _Duncan_ vinden om hen naar het vaderland terug te brengen!
De eerste dag werd zwijgend en verdrietig doorgebragt. Om de tien
minuten loste men elkander af bij het dragen der baar. Alle makkers van
den matroos stonden zonder klagen die vermoeijenis uit, die nog toenam
door de hevige warmte.
Na slechts vijf mijlen te hebben afgelegd, legerde men zich 's avonds
bij een boschje gomboomen. Het overschot der levensmiddelen, die nog uit
de schipbreuk waren gered, diende tot avondeten. Maar verder kon men
alleen rekenen op de karabijn van den majoor.
De nacht was slecht, de regen kwam er bij, het scheen, alsof het maar
geen dag wilde worden. Men ging weer op weg. De majoor had geen
gelegenheid om één enkel schot te doen. Deze noodlottige streek was nog
erger dan de woestijn, want zelfs de dieren bezochten ze niet eens.
Gelukkig ontdekte Robert een trapganzen nest, en in dat nest een dozijn
groote eijeren, die Olbinett onder de heete asch braadde. Dit maakte met
eenige postelein, die in een hollen weg groeide, den 22sten het geheele
ontbijt uit.
De weg werd nu bijzonder moeijelijk en pijnlijk.
De zandvlakten waren digt begroeid met "spinifex," een doornstruik, die
te Melbourne "stekelvarken" genoemd wordt. De kleeren scheurden er van,
de beenen werden er tot bloedens toe door gewond. De moedige vrouwen
klaagden echter niet; zij stapten wakker voort, ten voorbeeld voor de
anderen, en moedigden hen aan door een woord of een blik.
's Avonds hield men stil aan den voet van den berg Bulla-Bulla, aan de
oevers van het stroompje Jungalla. Het avondeten zou schraal geweest
zijn, had Mac Nabbs niet eindelijk een groote rat geschoten, de "Mus
conditor," die den naam heeft een uitstekend voedsel te zijn. Olbinett
braadde ze, en ze zou haar naam nog beter verdiend hebben, wanneer ze
zoo groot was geweest als een schaap. Men moest het er echter mede doen
Ze werd tot op de beenderen toe afgekloven.
Wel vermoeid, maar nog altijd vol moed, gingen de reizigers den 23sten
weder op marsch. Nadat zij om den voet der bergs gegaan waren, kwamen
zij door groote weilanden, waarvan het gras uit walvischbaarden scheen
te bestaan. Het was een bosch van lansen, een verwarde hoop scherpe
bajonnetten, waarin men zich met de bijl of het vuur een weg moest
banen.
Dien morgen was er aan geen ontbijt te denken. Niets kan de dorheid dier
met kwartsbrokken bezaaide streek overtreffen. Niet alleen de honger,
maar ook de dorst deed zich sterk gevoelen. Een brandend heete lucht
maakte die marteling nog ondragelijker. Glenarvan en de zijnen legden
geen halve mijl in het uur af. Mogt dat gebrek aan spijs en drank tot
den avond duren, dan zouden zij op dien weg neder vallen om niet meer op
te staan.
Maar wanneer den mensch alles begeeft, wanneer hij zich hulpeloos en
verlaten ziet, wanneer hij niet anders denkt of zijn laatste uur heeft
geslagen, dan openbaart zich de tusschenkomst der Voorzienigheid.
Het water schonk Zij in "cephalotes" een soort van bekers met een
verkwikkend vocht gevuld, die aan de takken van koraalvormige struiken
hingen. Allen leschten hun dorst er mede en voelden, dat weer nieuwe
levenskrachten in hen werden opgewekt.
Het voedsel was het gewone der inlanders, wanneer er gebrek is aan wild:
insecten en slangen. Paganel ontdekte in de uitgedroogde bedding van een
stroompje een plant, wier uitmuntende eigenschappen hem dikwijls
beschreven waren door een der leden van de Maatschappij voor
aardrijkskunde.
Het was de "nardou," een bedekt bloeijend gewas van de familie der
waterlinzen, hetzelfde, waarmede Burke en King hun leven rekten in de
woestijnen van het binnenland. Onder zijn op klaver gelijkende bladeren
ontsproten verdroogde kiemkorrels. Die korrels, zoo groot als een lins,
werden tusschen twee steenen gekneusd, en gaven een soort van meel. Er
werd grof brood van gebakken, dat den honger eenigzins stilde. Die plant
was overvloedig te vinden. Olbinett kon dus te dezer plaatse een groote
hoeveelheid verzamelen, en zoo waren zij voor verscheidene dagen van
voedsel voorzien.
Den volgenden dag, den 24sten, legde Mulrady een gedeelte van den weg te
voet af. Zijn wond was geheel digt. De stad Delegete was nog maar tien
mijlen ver, en dien avond legerden zij zich op 149° lengte op de grens
van Nieuw-Zuid-Wales.
Een fijne en doordringende regen viel sedert eenige uren. Zij hadden in
de open lucht moeten blijven, wanneer John Mangles niet bij toeval een
verlaten en vervallen hut van houtzagers had ontdekt. Men moest zich
vergenoegen met dat ellendige krot van takken en riet. Wilson wilde vuur
aanleggen om het nardon-brood te bakken en ging het doode hout oprapen,
dat op den grond lag. Maar hij kon het niet aankrijgen. De groote
hoeveelheid aluinachtige stof, die het bevatte, belette de ontvlamming.
Het was het onbrandbare hout, dat Paganel had opgenoemd onder de
zonderlinge voortbrengselen van Australië.
Men moest het dus zonder vuur en brood doen, en in de vochtige kleeren
slapen, terwijl de spotvogels, in de hooge takken verborgen, die
ongelukkige reizigers schenen uit te jouwen.
Glenarvan's lijden liep inmiddels ten einde. Wel was het tijd. De beide
jeugdige vrouwen spanden zich geweldig in, maar haar krachten
verminderden van uur tot uur. Zij sleepten zich voort, loopen konden zij
niet meer.
Met het krieken van den volgenden dag vertrok men. Ten elf ure waren ze
te Delegete, in het graafschap Wellesley, vijftig mijlen van de
Twofold-baai.
Daar werd spoedig rijtuig genomen. Toen hij zoo digt bij de kust was,
herleefde de hoop in het hart van Glenarvan. Als de _Duncan_ maar een
beetje oponthoud had gehad, zou hij ze misschien nog vóór zijn! In
vieretwintig uren kon hij aan de baai zijn!
Na een versterkend maal gebruikt te hebben, vertrokken alle reizigers
ten twaalf ure in een postkoets zoo hard vijf sterke paarden maar loopen
konden. De postiljons, aangezet door de belofte van een vorstelijk
drinkgeld, joegen het snelle rijtuig over een goed onderhouden weg
voort. Zij verloren geen twee minuten op de pleisterplaatsen, die tien
mijlen van elkander verwijderd waren. Het scheen, dat Glenarvan hun het
vuur had in geblazen, dat hem verteerde.
Dien ganschen dag en nacht reed men zoo door met een snelheid van zes
mijlen in het uur.
Toen de zon den volgenden dag opging, kondigde een dof geruisch de
nabijheid van den Indischen oceaan aan.
Men moest de baai omrijden om op den zevenendertigsten breedtegraad den
oever te bereiken, juist ter plaatse waar Tom Austin de komst der
reizigers moest afwachten.
Toen de zee zigtbaar werd, rigtten allen hunne blikken verlangend
daarheen. Stoomde de _Duncan_ daar soms door een wonder der
Voorzienigheid op en neer, even als een maand vroeger bij kaap
Corrientes op de argentijnsche kust?
Niets was er te zien. De lucht en het water liepen aan den gezigteinder
ineen. Geen enkel zeil verlevendigde de ontzettende watervlakte.
Nog ééne hoop bleef er over. Misschien had Tom Austin gemeend het anker
in de Twofold-baai te moeten werpen; want de zee stond hol en geen schip
kon veilig wezen bij zulk een nabijheid van het strand.
"Naar Eden!" riep lord Glenarvan.
Dadelijk sloeg de postwagen regts den cirkelvormigen weg in, die langs
de oevers der baai liep, en rigtte zich naar het vijf mijlen verder
gelegen stadje Eden.
De postiljons hielden stil niet ver van het vaste licht, dat den ingang
der haven aanduidt. Eenige schepen lagen op de reede voor anker, maar
geen een had de vlag van Malcolm geheschen.
Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten uit het rijtuig, liepen naar
het tolkantoor, ondervroegen de beambten en zagen de lijst van de in de
laatste dagen aangekomen schepen in.
In den loop eener week was geen enkel vaartuig de baai binnengeloopen.
"Zou hij niet vertrokken zijn?" riep Glenarvan, die door een in het
menschelijke hart dikwijls voorkomende omkeering niet meer wilde
wanhopen. "Misschien zijn wij hem voor geweest!"
John Mangles schudde het hoofd. Hij kende Tom Austin. Zijn eerste
stuurman zou de uitvoering van een bevel geen tien dagen uitstellen.
"Ik wil weten, hoe de zaken staan," zeide Glenarvan. "Zekerheid is beter
dan twijfel!"
Een kwartier later werd een telegram gezonden aan den overman der
scheeps-agenten te Melbourne.
Daarna lieten de reizigers zich brengen naar het _Victoria_-hotel.
Ten twee ure kreeg lord Glenarvan een telegram van dezen inhoud:
Aan lord Glenarvan, Eden,
Twofold-baai.
"De _Duncan_ den 18den dezer vertrokken. Bestemming
onbekend."