Zealand aland.
Allen stonden als door den donder getroffen op het hooren van dien naam
Ben Joyce. Ayrton had zich plotseling overeind gerigt. In de hand had
hij een revolver. Een schot viel. Glenarvan werd door een kogel
getroffen. Buiten vielen geweerschoten.
John Mangles en de matrozen, van hun verrassing bekomen, wilden Ben
Joyce aanvallen; maar de vermetele roover was reeds verdwenen en had
zich bij zijne bende gevoegd, die op den zoom van het gombosch verspreid
was.
De tent leverde geen voldoende beschutting tegen de kogels op. Men moest
terugtrekken. Glenarvan, die slechts ligt gewond was, was weer
opgestaan.
"Naar den wagen! naar den wagen!" riep John Mangles, en hij sleepte lady
Helena en miss Grant mede, die weldra in veiligheid waren achter de
dikke gordijnen.
Daar grepen John, de majoor, Paganel en de matrozen hun karabijnen en
hielden zij zich gereed om den rovers tegenstand te bieden. Glenarvan en
Robert waren bij de dames gevlugt, terwijl Olbinett zich onder de
verdedigers schaarde.
Dit alles was met bliksemsnelheid geschied. John Mangles hield
naauwkeurig het oog op den zoom van het bosch. De losbrandingen hadden
terstond opgehouden bij de komst van Ben Joyce. Een diepe stilte verving
het knetterend geweervuur. Eenige witte rookwolkjes stegen nog omhoog
tusschen de takken der gomboomen. De hooge gastrolobium-struiken bleven
onbewegelijk. Niets was er te zien, wat een aanval kon doen wachten.
De majoor en John Mangles ondernamen een verkenningstogt tot aan de
groote boomen. De plaats was ontruimd. Talrijke voetstappen waren er te
zien, en eenige half verteerde proppen rookten op den grond. Als een
voorzigtig man trapte de majoor ze uit; want een enkele vonk was genoeg
om in dit bosch van drooge boomen een vreeselijken brand te doen
ontstaan.
"De roovers zijn weg," zeide John Mangles.
"Ja!" antwoordde de majoor, "en die verdwijning maakt mij ongerust. Ik
zag ze liever in het gezigt. Een tijger in het open veld is beter dan
een slang onder het gras. Wij zullen de struiken rondom den wagen nog
eens onderzoeken."
De majoor en John doorzochten den omtrek. Van den zoom van het bosch af
tot aan de oevers der Sneeuwrivier troffen zij geen enkelen roover aan.
De bende van Ben Joyce scheen weggevlogen te zijn als een zwerm
roofvogels. Die verdwijning was te zonderling om volkomen gerustheid in
te boezemen. Daarom besloot men goede wacht te houden. De wagen, een
ware in den modder gezakte sterkte, werd het middelpunt der legerplaats,
die twee mannen, welke elkander van uur tot uur aflosten, bewaakten.
Het eerste werk van lady Helena en Mary Grant was geweest de wond van
Glenarvan te verbinden. Op het oogenblik, dat haar man onder den kogel
van Ben Joyce viel, was lady Helena doodelijk ontsteld naar hem
toegeloopen. Haar angst bedwingende had vervolgens de moedige vrouw
Glenarvan naar den wagen gebragt. Daar werd de schouder van den
gekwetste ontbloot, en nu zag de majoor, dat de kogel wel het vleesch
opengereten maar geen inwendig letsel veroorzaakt had. Noch het been
noch de spieren schenen geraakt. De wond bloedde sterk; maar Glenarvan
bewoog de vingers van de hand en den voorarm om zijn vrienden gerust te
stellen aangaande de werking van het schot. Toen hij verbonden was,
wilde hij niet langer toelaten, dat men zich met hem bezig hield en kwam
het tot verklaringen.
Behalve Mulrady en Wilson, die buiten de wacht hielden, hadden de
reizigers zich zoo goed en kwaad als het ging in den wagen geplaatst. De
majoor werd uitgenoodigd om te spreken.
Voor hij zijn verhaal begon, bragt hij lady Helena op de hoogte van
hetgeen haar onbekend was, namelijk van de ontsnapping eener bende
veroordeelden uit Perth, van hun verschijning in het gebied van
Victoria, van hun medepligtigheid aan de spoorwegramp. Hij gaf haar het
nummer der _Australische en Nieuw-Zeelandsche courant_, dat hij te
Seymour had gekocht, en voegde er bij, dat de politie een prijs had
gezet op het hoofd van dien Ben Joyce, een geduchten struikroover, wien
een misdadige loopbaan van achttien maanden een schandelijke
vermaardheid had doen verkrijgen.
Maar hoe had Mac Nabbs dien Ben Joyce in den bootsman Ayrton herkend?
Dat was een geheim, dat allen wenschten opgehelderd te zien, en dat de
majoor ontsluijerde.
Van hun eerste ontmoeting af had Mac Nabbs Ayrton uit instinct
gewantrouwd. Twee of drie bijna niets beduidende voorvallen, een blik
tusschen den bootsman en den smid aan de Wimera-rivier gewisseld, de
aarzeling van Ayrton om de steden en vlekken door te rijden, zijn
aandrang om de _Duncan_ aan de kust te ontbieden, de raadselachtige dood
van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren, eindelijk een zeker gemis
van vrijmoedigheid in zijn gangen, al die bijkomende omstandigheden
hadden de achterdocht van den majoor opgewekt.
Toch zou hij tot geen regtstreeksche aanklagt hebben kunnen overgaan
zonder de voorvallen, die den vorigen nacht hadden plaats gehad.
Toen Mac Nabbs tusschen de hooge struiken doorsloop, kwam hij een halve
mijl van de legerplaats af in de nabijheid der verdachte schaduwen, die
zijn aandacht getrokken hadden. De lichtgevende planten verspreidden een
flaauw schijnsel in de duisternis.
Drie mannen zochten naar sporen op den grond en naar indruksels van
versche voetstappen, en onder hen herkende Mac Nabbs den hoefsmid van
Black-Point. "Zij zijn het," zeide de een.--"Ja," antwoordde de andere,
"daar is het klaverblad van de hoefijzers!"--"Het is hetzelfde van de
Wimera af."--"Al de paarden zijn dood."--"Het vergift is niet ver
weg."--"Er is genoeg om een geheele ruiterij van paarden te
berooven."--"Een nuttige plant, die gastrolobium."
Mac Nabbs vervolgde: "Daarna zwegen zij en verwijderden zich. Ik volgde
ze: ik wist er niet genoeg van. Weldra begon het gesprek weder: "Een
knappe kerel, die Ben Joyce!" zeide de smid, "een mooije bootsman met
zijn verzinsel van een schipbreuk! Als zijn plan slaagt is het een mooi
buitenkansje! Die duivelsche Ayrton!"--"Noem hem Ben Joyce, want hij
verdient zijn naam wel!" Thans verlieten die schurken het
gomboomenbosch. Ik wist, wat ik weten wilde, en keerde naar de
legerplaats terug, overtuigd, dat niet alle gedeporteerden in Australië
brave menschen worden, met het welnemen van Paganel!"
De majoor zweeg. Zijn makkers dachten in stilte na.
"Dus heeft Ayrton," zeide Glenarvan, die bleek werd van toorn, "ons hier
heen gelokt om ons te plunderen en te vermoorden!"
"Ja," antwoordde de majoor.
"En van de Wimera af volgt zijn bende ons spoor en bespiedt ons om een
gunstige gelegenheid af te wachten?"
"Ja."
"Maar dan is die ellendeling geen matroos van de _Britannia_? Dan heeft
hij zijn naam Ayrton gestolen, ook gestolen zijn aanstelling aan boord?"
Allen zagen naar Mac Nabbs, die deze vragen zeker reeds aan zichzelven
had voorgelegd.
"Ziehier," antwoordde hij even bedaard als altijd, "wat men met
zekerheid uit deze duistere zaak kan afleiden. Ik houd het er voor, dat
die man wezenlijk Ayrton heet. Ben Joyce is zijn bijnaam. Het is
ontegenzeggelijk, dat hij Harry Grant kent en dat hij bootsman op de
_Britannia_ geweest is. Die feiten, reeds bewezen door de naauwkeurige
inlichtingen, welke Ayrton ons heeft gegeven, worden bovendien bevestigd
door de gezegden der roovers, die ik u mededeelde. Laten wij ons dus
niet in met ijdele gissingen en houden wij het voor zeker, dat Ben Joyce
Ayrton en Ayrton Ben Joyce is, dat wil zeggen een matroos van de
_Britannia_, die een rooverhoofdman is geworden."
Allen berustten in de verklaringen van Mac Nabbs.
"En kunt gij mij nu ook zeggen," vroeg Glenarvan, "hoe en waarom de
bootsman van Harry Grant zich in Australië bevindt?"
"Hoe? dat weet ik niet," antwoordde Mac Nabbs, "en de politie verklaart
er even weinig van te weten als ik. Waarom? dat kan ik onmogelijk
zeggen. Daar schuilt een geheim achter, dat de toekomst zal ophelderen."
"De politie weet zelfs niet eens, dat Ayrton en Ben Joyce dezelfde
persoon is," zeide John Mangles.
"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde de majoor, "en zulk een
bijzonderheid zou haar nasporingen veel gemakkelijker kunnen maken."
"Dan had die ongelukkige," meende lady Helena, "zich met een misdadig
doel op de hoeve van Paddy O'Moore ingedrongen?"
"Dat is vrij zeker," antwoordde Mac Nabbs. "Hij had het een of ander
slecht plan met den Ier, toen zich een beter gelegenheid voor hem
opdeed. Het toeval heeft ons bij hem gebragt. Hij heeft het verhaal van
Glenarvan gehoord, de geschiedenis van de schipbreuk, en als een
vermetel man heeft hij terstond het voornemen opgevat om er zijn
voordeel mede te doen. De reis werd aanvaard. Aan de Wimera heeft hij
gemeenschap gehad met een der zijnen, den smid van Black-Point, en
duidelijke sporen van onzen weg achtergelaten. Zijn bende is ons
gevolgd. Een vergiftige plant heeft hem in staat gesteld langzaam onze
ossen en paarden te dooden. Toen de tijd daar was, heeft hij ons
vervolgens in de moerassen der Sneeuw-rivier doen wegzinken en aan de
roovers onder zijn bevel in handen gespeeld."
Alles was van Ben Joyce gezegd. Zijn verleden was door den majoor
ontsluijerd en de ellendeling verscheen in zijn ware gedaante, die van
een vermetel en geducht misdadiger. Nu zijn bedoelingen duidelijk waren
geworden, werd er van Glenarvan een buitengewone waakzaamheid geëischt.
Gelukkig was er minder te vreezen van den ontmaskerden bandiet dan van
den verrader.
Maar uit dien zuiver gestelden toestand volgde een ernstig bezwaar,
waaraan nog niemand gedacht had. Alleen Mary Grant had onder het gesprek
over het verledene een blik op de toekomst geslagen.
John Mangles was de eerste, die haar bleekheid en wanhoop opmerkte. Hij
begreep, wat er in haar binnenste omging.
"Miss Mary! miss Mary! Weent gij?" riep hij uit
"Weent gij, mijn kind?" vroeg lady Helena.
"Mijn vader, mevrouw! mijn vader!" nokte het meisje.
Zij kon niet meer spreken. Maar een lichtstraal viel plotseling in
ieders gemoed. Men begreep de smart van miss Mary, waarom de tranen
langs haar wangen biggelden, waarom de naam haars vaders op haar lippen
zweefde.
De ontdekking van Ayrtons verraad verijdelde alle hoop. Om Glenarvan te
misleiden had de roover een schipbreuk verzonnen. In het door Mac Nabbs
afgeluisterde gesprek hadden de roovers het duidelijk gezegd. Nooit was
de _Britannia_ verbrijzeld op de rotsen der Twofold-baai! Nooit had
Harry Grant een voet gezet op het vastland van Australië!
Andermaal had de verkeerde uitlegging van het document de zoekers der
_Britannia_ op een dwaalspoor gebragt!
Allen bewaarden een doodsch stilzwijgen bij dien wanhopenden toestand,
bij de smart der twee kinderen. Wie toch zou nog eenige troostende
woorden hebben gevonden? Robert schreide in de armen zijner zuster.
Paganel mompelde op spijtigen toon:
"Ach! rampzalig document! Gij moogt u beroemen, dat gij de hersens van
een twaalftal brave lieden op een zware proef hebt gesteld!"
En waarlijk boos op zichzelven sloeg de waardige aardrijkskundige zich
met de vuist voor het hoofd.
Vervolgens begaf Glenarvan zich naar Mulrady en Wilson, die buiten op
wacht stonden. Een diepe stilte heerschte over de geheele vlakte
tusschen den zoom van het bosch en de rivier. De groote onbewegelijke
wolken verbrijzelden zich tegen het hemelgewelf. In dezen in doodslaap
verzonken dampkring zou het geringste geluid zich onbelemmerd
voortgeplant hebben, en niets liet zich hooren. Ben Joyce en zijn bende
waren zeker vrij ver weggetrokken; want vlugten vogels, die op de lage
takken neerstreken, eenige kangoeroes, die bezig waren met rustig de
jonge spruitjes af te knagen, een paar kasuarissen, wier kop
vertrouwelijk tusschen de heesters uitstak, bewezen, dat de rust dier
vreedzame woestenij niet door de tegenwoordigheid van den mensch werd
gestoord.
"Hebt gij in dit uur niets gezien noch gehoord?" vroeg Glenarvan aan
zijn beide matrozen.
"Niets, Uwe Edelheid!" antwoordde Wilson. "De roovers zijn mijlen van
hier."
"Zij zijn zeker niet sterk genoeg geweest om ons aan te tasten," voegde
Mulrady er bij. "Die Ben Joyce heeft zeker eenige bandieten van zijn
slag willen werven onder de woudloopers, die aan den voet der Alpen
zwerven."
"Wel waarschijnlijk, Mulrady!" antwoordde Glenarvan. "Die schurken zijn
lafaards. Zij weten, dat wij gewapend en goed gewapend zijn. Misschien
wachten zij den nacht af om hun aanval te vernieuwen. Tegen het vallen
van den avond moeten wij onze waakzaamheid verdubbelen. Ach! konden wij
maar deze moerassige vlakte verlaten en onzen weg naar de kust
vervolgen! Maar de gezwollen waterstand sluit ons den weg af. Ik zou wel
zijn zwaarte aan goud willen betalen voor een vlot, dat ons op den
anderen oever kon brengen!"
"Waarom beveelt Uwe Edelheid ons niet dat vlot te vervaardigen? Aan hout
geen gebrek," zeide Wilson.
"Neen, Wilson!" antwoordde Glenarvan. "Die Sneeuw-rivier is geen rivier,
maar een bruischende bergstroom."
Thans voegden John Mangles, de majoor en Paganel zich bij Glenarvan. Zij
hadden pas de Sneeuw-rivier onderzocht. Het water was door de laatste
regens een voet boven de gewone hoogte gerezen. Het was een onstuimige
stroom, gelijk aan de stroomvallen van Amerika. Het was dolzinnig zich
op die schuimende watervlakte en die wilde golven te wagen, waarin
duizend draaikolken wielden, die ijselijke afgronden vormden.
John Mangles verklaarde den overtogt voor onmogelijk.
"Maar," vervolgde hij, "wij moeten hier niet werkeloos blijven staan.
Wat wij voor het verraad van Ayrton wilden doen is nu nog
noodzakelijker."
"Wat bedoelt gij, John?" vroeg Glenarvan.
"Ik bedoel, dat hulp hoog noodig is, en nu wij niet naar de Twofold-baai
kunnen gaan, moeten wij naar Melbourne. Een paard hebben wij nog. Geef
het mij, mylord! en ik ga naar Melbourne."
"Maar dat is een gewaagde onderneming, John!" zeide Glenarvan. "Nog
gezwegen van de gevaren verbonden aan een reis van twee honderd mijlen
door een onbekend land, maar de handlangers van Ben Joyce zullen thans
wel al de paden en den grooten weg bewaken!"
"Ik weet het, mylord! maar ik weet ook, dat het zoo niet kan blijven.
Ayrton verlangde slechts acht dagen om manschappen van de _Duncan_ hier
te brengen. Ik wil in zes dagen aan den oever der Sneeuw-rivier terug
zijn. Welnu! wat beveelt Uwe Edelheid?"
"Voor dat Glenarvan zijn gevoelen te kennen geeft," zeide Paganel, "moet
ik een opmerking maken. Naar Melbourne gaan, goed, maar John Mangles mag
aan dat gevaar niet blootgesteld worden. Hij is kapitein van de
_Duncan_, en als zoodanig mag hij zijn leven niet wagen. Ik zal in zijne
plaats gaan."
"Goed gesproken," antwoordde de majoor. "Maar waarom juist gij,
Paganel?"
"Zijn wij er dan ook niet!" riepen Mulrady en Wilson.
"Of denkt gij soms, dat ik bang ben voor een rid van twee honderd
mijlen!" hernam Mac Nabbs.
"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wanneer een onzer naar Melbourne gaan
moet, laat het lot hem dan aanwijzen. Paganel! schrijf onze namen
op...."
"Maar den uwen althans niet, mylord!" zeide John Mangles.
"Waarom niet?" vroeg Glenarvan.
"Zoudt gij u van lady Helena scheiden! Gij, en uw wond is nog niet eens
gesloten!"
"Glenarvan! gij moogt het gezelschap niet verlaten," zeide Paganel.
"Neen," sprak de majoor. "Uwe plaats is hier, Edward! gij moogt niet
vertrekken."
"Er zijn gevaren aan verbonden," antwoordde Glenarvan, "en daaraan wil
ik mij niet onttrekken. Schrijf op, Paganel! Mijn naam worde onder die
mijner makkers gemengd, en geve de Hemel, dat hij er het eerst uitkomt!"
Men bukte voor dien wil. Glenarvan's naam werd bij dien der anderen
gevoegd. Men ging tot de trekking over, en het lot viel op Mulrady. De
moedige matroos juichte van blijdschap.
"Mylord! ik ben gereed om te vertrekken," zeide hij.
Glenarvan drukte Mulrady's hand. Daarna keerde hij naar den wagen terug,
en liet de bewaking van de legerplaats over aan den majoor en John
Mangles.
Lady Helena kreeg terstond mededeeling van het besluit om een bode naar
Melbourne te zenden en van de beslissing van het lot. Zij sprak Mulrady
op hartroerende wijze aan. Hij stond bekend als dapper, schrander,
sterk, tegen vermoeijenis bestand, waarlijk, het lot had op geen
geschikter persoon kunnen vallen.
Het vertrek van Mulrady werd op acht ure bepaald, na de korte
avondschemering. Wilson nam op zich om voor het paard te zorgen. Hij
kwam op den inval om het verraderlijke ijzer, dat aan zijn linkerpoot
zat, weg te nemen en te vervangen door het ijzer van een der in dien
nacht gestorven paarden. De roovers konden dan het spoor van Mulrady
niet herkennen en hem ook niet volgen, omdat zij onbereden waren.
Terwijl Wilson daarmede bezig was, maakte Glenarvan den brief voor Tom
Austin gereed maar zijn gekwetste arm hinderde hem, en hij verzocht
Paganel om voor hem te schrijven. In diep gepeins verzonken, scheen de
geleerde onbewust te zijn van hetgeen om hem heen gebeurde.
Om de waarheid te zeggen dacht Paganel, bij die opeenvolging van
ongelukken, alleen aan de verkeerde uitlegging van het document. Hij
verplaatste de woorden om er een nieuwen zin van te maken, en bleef
gedompeld in de afgronden der uitlegging.
Hij hoorde niet eens de vraag van Glenarvan, die deze genoodzaakt was te
herhalen.
"Ha! heel goed! ik ben gereed!" antwoordde Paganel.
Onder het spreken kreeg Paganel werktuigelijk zijn zakboekje. Hij
scheurde er een wit blaadje uit, nam het potlood in de hand en maakte
zich gereed om te schrijven. Glenarvan begon den volgenden lastbrief op
te geven:
"Bevel aan Tom Austin om onverwijld in zee te steken en de _Duncan_ te
brengen...."
Paganel schreef deze laatste woorden juist op, toen zijn oog toevallig
viel op het nommer der _Australian and New-Zealand Gazette_, die op den
grond lag. Alleen de laatste lettergrepen waren zigtbaar op den titel
van het opgevouwen blad. Het potlood van Paganel rustte en hij scheen
Glenarvan, diens brief en diens opgave glad vergeten te zijn.
"Hoe is het, Paganel?" zeide Glenarvan.
"Ha!" riep de aardrijkskundige.
"Wat scheelt u?" vroeg de majoor.
"Niets! niets!" antwoordde Paganel.