XX.

Zealand aland.

Allen stonden als door den donder getroffen op het hooren van dien naam

Ben Joyce. Ayrton had zich plotseling overeind gerigt. In de hand had

hij een revolver. Een schot viel. Glenarvan werd door een kogel

getroffen. Buiten vielen geweerschoten.

John Mangles en de matrozen, van hun verrassing bekomen, wilden Ben

Joyce aanvallen; maar de vermetele roover was reeds verdwenen en had

zich bij zijne bende gevoegd, die op den zoom van het gombosch verspreid

was.

De tent leverde geen voldoende beschutting tegen de kogels op. Men moest

terugtrekken. Glenarvan, die slechts ligt gewond was, was weer

opgestaan.

"Naar den wagen! naar den wagen!" riep John Mangles, en hij sleepte lady

Helena en miss Grant mede, die weldra in veiligheid waren achter de

dikke gordijnen.

Daar grepen John, de majoor, Paganel en de matrozen hun karabijnen en

hielden zij zich gereed om den rovers tegenstand te bieden. Glenarvan en

Robert waren bij de dames gevlugt, terwijl Olbinett zich onder de

verdedigers schaarde.

Dit alles was met bliksemsnelheid geschied. John Mangles hield

naauwkeurig het oog op den zoom van het bosch. De losbrandingen hadden

terstond opgehouden bij de komst van Ben Joyce. Een diepe stilte verving

het knetterend geweervuur. Eenige witte rookwolkjes stegen nog omhoog

tusschen de takken der gomboomen. De hooge gastrolobium-struiken bleven

onbewegelijk. Niets was er te zien, wat een aanval kon doen wachten.

De majoor en John Mangles ondernamen een verkenningstogt tot aan de

groote boomen. De plaats was ontruimd. Talrijke voetstappen waren er te

zien, en eenige half verteerde proppen rookten op den grond. Als een

voorzigtig man trapte de majoor ze uit; want een enkele vonk was genoeg

om in dit bosch van drooge boomen een vreeselijken brand te doen

ontstaan.

"De roovers zijn weg," zeide John Mangles.

"Ja!" antwoordde de majoor, "en die verdwijning maakt mij ongerust. Ik

zag ze liever in het gezigt. Een tijger in het open veld is beter dan

een slang onder het gras. Wij zullen de struiken rondom den wagen nog

eens onderzoeken."

De majoor en John doorzochten den omtrek. Van den zoom van het bosch af

tot aan de oevers der Sneeuwrivier troffen zij geen enkelen roover aan.

De bende van Ben Joyce scheen weggevlogen te zijn als een zwerm

roofvogels. Die verdwijning was te zonderling om volkomen gerustheid in

te boezemen. Daarom besloot men goede wacht te houden. De wagen, een

ware in den modder gezakte sterkte, werd het middelpunt der legerplaats,

die twee mannen, welke elkander van uur tot uur aflosten, bewaakten.

Het eerste werk van lady Helena en Mary Grant was geweest de wond van

Glenarvan te verbinden. Op het oogenblik, dat haar man onder den kogel

van Ben Joyce viel, was lady Helena doodelijk ontsteld naar hem

toegeloopen. Haar angst bedwingende had vervolgens de moedige vrouw

Glenarvan naar den wagen gebragt. Daar werd de schouder van den

gekwetste ontbloot, en nu zag de majoor, dat de kogel wel het vleesch

opengereten maar geen inwendig letsel veroorzaakt had. Noch het been

noch de spieren schenen geraakt. De wond bloedde sterk; maar Glenarvan

bewoog de vingers van de hand en den voorarm om zijn vrienden gerust te

stellen aangaande de werking van het schot. Toen hij verbonden was,

wilde hij niet langer toelaten, dat men zich met hem bezig hield en kwam

het tot verklaringen.

Behalve Mulrady en Wilson, die buiten de wacht hielden, hadden de

reizigers zich zoo goed en kwaad als het ging in den wagen geplaatst. De

majoor werd uitgenoodigd om te spreken.

Voor hij zijn verhaal begon, bragt hij lady Helena op de hoogte van

hetgeen haar onbekend was, namelijk van de ontsnapping eener bende

veroordeelden uit Perth, van hun verschijning in het gebied van

Victoria, van hun medepligtigheid aan de spoorwegramp. Hij gaf haar het

nummer der _Australische en Nieuw-Zeelandsche courant_, dat hij te

Seymour had gekocht, en voegde er bij, dat de politie een prijs had

gezet op het hoofd van dien Ben Joyce, een geduchten struikroover, wien

een misdadige loopbaan van achttien maanden een schandelijke

vermaardheid had doen verkrijgen.

Maar hoe had Mac Nabbs dien Ben Joyce in den bootsman Ayrton herkend?

Dat was een geheim, dat allen wenschten opgehelderd te zien, en dat de

majoor ontsluijerde.

Van hun eerste ontmoeting af had Mac Nabbs Ayrton uit instinct

gewantrouwd. Twee of drie bijna niets beduidende voorvallen, een blik

tusschen den bootsman en den smid aan de Wimera-rivier gewisseld, de

aarzeling van Ayrton om de steden en vlekken door te rijden, zijn

aandrang om de _Duncan_ aan de kust te ontbieden, de raadselachtige dood

van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren, eindelijk een zeker gemis

van vrijmoedigheid in zijn gangen, al die bijkomende omstandigheden

hadden de achterdocht van den majoor opgewekt.

Toch zou hij tot geen regtstreeksche aanklagt hebben kunnen overgaan

zonder de voorvallen, die den vorigen nacht hadden plaats gehad.

Toen Mac Nabbs tusschen de hooge struiken doorsloop, kwam hij een halve

mijl van de legerplaats af in de nabijheid der verdachte schaduwen, die

zijn aandacht getrokken hadden. De lichtgevende planten verspreidden een

flaauw schijnsel in de duisternis.

Drie mannen zochten naar sporen op den grond en naar indruksels van

versche voetstappen, en onder hen herkende Mac Nabbs den hoefsmid van

Black-Point. "Zij zijn het," zeide de een.--"Ja," antwoordde de andere,

"daar is het klaverblad van de hoefijzers!"--"Het is hetzelfde van de

Wimera af."--"Al de paarden zijn dood."--"Het vergift is niet ver

weg."--"Er is genoeg om een geheele ruiterij van paarden te

berooven."--"Een nuttige plant, die gastrolobium."

Mac Nabbs vervolgde: "Daarna zwegen zij en verwijderden zich. Ik volgde

ze: ik wist er niet genoeg van. Weldra begon het gesprek weder: "Een

knappe kerel, die Ben Joyce!" zeide de smid, "een mooije bootsman met

zijn verzinsel van een schipbreuk! Als zijn plan slaagt is het een mooi

buitenkansje! Die duivelsche Ayrton!"--"Noem hem Ben Joyce, want hij

verdient zijn naam wel!" Thans verlieten die schurken het

gomboomenbosch. Ik wist, wat ik weten wilde, en keerde naar de

legerplaats terug, overtuigd, dat niet alle gedeporteerden in Australië

brave menschen worden, met het welnemen van Paganel!"

De majoor zweeg. Zijn makkers dachten in stilte na.

"Dus heeft Ayrton," zeide Glenarvan, die bleek werd van toorn, "ons hier

heen gelokt om ons te plunderen en te vermoorden!"

"Ja," antwoordde de majoor.

"En van de Wimera af volgt zijn bende ons spoor en bespiedt ons om een

gunstige gelegenheid af te wachten?"

"Ja."

"Maar dan is die ellendeling geen matroos van de _Britannia_? Dan heeft

hij zijn naam Ayrton gestolen, ook gestolen zijn aanstelling aan boord?"

Allen zagen naar Mac Nabbs, die deze vragen zeker reeds aan zichzelven

had voorgelegd.

"Ziehier," antwoordde hij even bedaard als altijd, "wat men met

zekerheid uit deze duistere zaak kan afleiden. Ik houd het er voor, dat

die man wezenlijk Ayrton heet. Ben Joyce is zijn bijnaam. Het is

ontegenzeggelijk, dat hij Harry Grant kent en dat hij bootsman op de

_Britannia_ geweest is. Die feiten, reeds bewezen door de naauwkeurige

inlichtingen, welke Ayrton ons heeft gegeven, worden bovendien bevestigd

door de gezegden der roovers, die ik u mededeelde. Laten wij ons dus

niet in met ijdele gissingen en houden wij het voor zeker, dat Ben Joyce

Ayrton en Ayrton Ben Joyce is, dat wil zeggen een matroos van de

_Britannia_, die een rooverhoofdman is geworden."

Allen berustten in de verklaringen van Mac Nabbs.

"En kunt gij mij nu ook zeggen," vroeg Glenarvan, "hoe en waarom de

bootsman van Harry Grant zich in Australië bevindt?"

"Hoe? dat weet ik niet," antwoordde Mac Nabbs, "en de politie verklaart

er even weinig van te weten als ik. Waarom? dat kan ik onmogelijk

zeggen. Daar schuilt een geheim achter, dat de toekomst zal ophelderen."

"De politie weet zelfs niet eens, dat Ayrton en Ben Joyce dezelfde

persoon is," zeide John Mangles.

"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde de majoor, "en zulk een

bijzonderheid zou haar nasporingen veel gemakkelijker kunnen maken."

"Dan had die ongelukkige," meende lady Helena, "zich met een misdadig

doel op de hoeve van Paddy O'Moore ingedrongen?"

"Dat is vrij zeker," antwoordde Mac Nabbs. "Hij had het een of ander

slecht plan met den Ier, toen zich een beter gelegenheid voor hem

opdeed. Het toeval heeft ons bij hem gebragt. Hij heeft het verhaal van

Glenarvan gehoord, de geschiedenis van de schipbreuk, en als een

vermetel man heeft hij terstond het voornemen opgevat om er zijn

voordeel mede te doen. De reis werd aanvaard. Aan de Wimera heeft hij

gemeenschap gehad met een der zijnen, den smid van Black-Point, en

duidelijke sporen van onzen weg achtergelaten. Zijn bende is ons

gevolgd. Een vergiftige plant heeft hem in staat gesteld langzaam onze

ossen en paarden te dooden. Toen de tijd daar was, heeft hij ons

vervolgens in de moerassen der Sneeuw-rivier doen wegzinken en aan de

roovers onder zijn bevel in handen gespeeld."

Alles was van Ben Joyce gezegd. Zijn verleden was door den majoor

ontsluijerd en de ellendeling verscheen in zijn ware gedaante, die van

een vermetel en geducht misdadiger. Nu zijn bedoelingen duidelijk waren

geworden, werd er van Glenarvan een buitengewone waakzaamheid geëischt.

Gelukkig was er minder te vreezen van den ontmaskerden bandiet dan van

den verrader.

Maar uit dien zuiver gestelden toestand volgde een ernstig bezwaar,

waaraan nog niemand gedacht had. Alleen Mary Grant had onder het gesprek

over het verledene een blik op de toekomst geslagen.

John Mangles was de eerste, die haar bleekheid en wanhoop opmerkte. Hij

begreep, wat er in haar binnenste omging.

"Miss Mary! miss Mary! Weent gij?" riep hij uit

"Weent gij, mijn kind?" vroeg lady Helena.

"Mijn vader, mevrouw! mijn vader!" nokte het meisje.

Zij kon niet meer spreken. Maar een lichtstraal viel plotseling in

ieders gemoed. Men begreep de smart van miss Mary, waarom de tranen

langs haar wangen biggelden, waarom de naam haars vaders op haar lippen

zweefde.

De ontdekking van Ayrtons verraad verijdelde alle hoop. Om Glenarvan te

misleiden had de roover een schipbreuk verzonnen. In het door Mac Nabbs

afgeluisterde gesprek hadden de roovers het duidelijk gezegd. Nooit was

de _Britannia_ verbrijzeld op de rotsen der Twofold-baai! Nooit had

Harry Grant een voet gezet op het vastland van Australië!

Andermaal had de verkeerde uitlegging van het document de zoekers der

_Britannia_ op een dwaalspoor gebragt!

Allen bewaarden een doodsch stilzwijgen bij dien wanhopenden toestand,

bij de smart der twee kinderen. Wie toch zou nog eenige troostende

woorden hebben gevonden? Robert schreide in de armen zijner zuster.

Paganel mompelde op spijtigen toon:

"Ach! rampzalig document! Gij moogt u beroemen, dat gij de hersens van

een twaalftal brave lieden op een zware proef hebt gesteld!"

En waarlijk boos op zichzelven sloeg de waardige aardrijkskundige zich

met de vuist voor het hoofd.

Vervolgens begaf Glenarvan zich naar Mulrady en Wilson, die buiten op

wacht stonden. Een diepe stilte heerschte over de geheele vlakte

tusschen den zoom van het bosch en de rivier. De groote onbewegelijke

wolken verbrijzelden zich tegen het hemelgewelf. In dezen in doodslaap

verzonken dampkring zou het geringste geluid zich onbelemmerd

voortgeplant hebben, en niets liet zich hooren. Ben Joyce en zijn bende

waren zeker vrij ver weggetrokken; want vlugten vogels, die op de lage

takken neerstreken, eenige kangoeroes, die bezig waren met rustig de

jonge spruitjes af te knagen, een paar kasuarissen, wier kop

vertrouwelijk tusschen de heesters uitstak, bewezen, dat de rust dier

vreedzame woestenij niet door de tegenwoordigheid van den mensch werd

gestoord.

"Hebt gij in dit uur niets gezien noch gehoord?" vroeg Glenarvan aan

zijn beide matrozen.

"Niets, Uwe Edelheid!" antwoordde Wilson. "De roovers zijn mijlen van

hier."

"Zij zijn zeker niet sterk genoeg geweest om ons aan te tasten," voegde

Mulrady er bij. "Die Ben Joyce heeft zeker eenige bandieten van zijn

slag willen werven onder de woudloopers, die aan den voet der Alpen

zwerven."

"Wel waarschijnlijk, Mulrady!" antwoordde Glenarvan. "Die schurken zijn

lafaards. Zij weten, dat wij gewapend en goed gewapend zijn. Misschien

wachten zij den nacht af om hun aanval te vernieuwen. Tegen het vallen

van den avond moeten wij onze waakzaamheid verdubbelen. Ach! konden wij

maar deze moerassige vlakte verlaten en onzen weg naar de kust

vervolgen! Maar de gezwollen waterstand sluit ons den weg af. Ik zou wel

zijn zwaarte aan goud willen betalen voor een vlot, dat ons op den

anderen oever kon brengen!"

"Waarom beveelt Uwe Edelheid ons niet dat vlot te vervaardigen? Aan hout

geen gebrek," zeide Wilson.

"Neen, Wilson!" antwoordde Glenarvan. "Die Sneeuw-rivier is geen rivier,

maar een bruischende bergstroom."

Thans voegden John Mangles, de majoor en Paganel zich bij Glenarvan. Zij

hadden pas de Sneeuw-rivier onderzocht. Het water was door de laatste

regens een voet boven de gewone hoogte gerezen. Het was een onstuimige

stroom, gelijk aan de stroomvallen van Amerika. Het was dolzinnig zich

op die schuimende watervlakte en die wilde golven te wagen, waarin

duizend draaikolken wielden, die ijselijke afgronden vormden.

John Mangles verklaarde den overtogt voor onmogelijk.

"Maar," vervolgde hij, "wij moeten hier niet werkeloos blijven staan.

Wat wij voor het verraad van Ayrton wilden doen is nu nog

noodzakelijker."

"Wat bedoelt gij, John?" vroeg Glenarvan.

"Ik bedoel, dat hulp hoog noodig is, en nu wij niet naar de Twofold-baai

kunnen gaan, moeten wij naar Melbourne. Een paard hebben wij nog. Geef

het mij, mylord! en ik ga naar Melbourne."

"Maar dat is een gewaagde onderneming, John!" zeide Glenarvan. "Nog

gezwegen van de gevaren verbonden aan een reis van twee honderd mijlen

door een onbekend land, maar de handlangers van Ben Joyce zullen thans

wel al de paden en den grooten weg bewaken!"

"Ik weet het, mylord! maar ik weet ook, dat het zoo niet kan blijven.

Ayrton verlangde slechts acht dagen om manschappen van de _Duncan_ hier

te brengen. Ik wil in zes dagen aan den oever der Sneeuw-rivier terug

zijn. Welnu! wat beveelt Uwe Edelheid?"

"Voor dat Glenarvan zijn gevoelen te kennen geeft," zeide Paganel, "moet

ik een opmerking maken. Naar Melbourne gaan, goed, maar John Mangles mag

aan dat gevaar niet blootgesteld worden. Hij is kapitein van de

_Duncan_, en als zoodanig mag hij zijn leven niet wagen. Ik zal in zijne

plaats gaan."

"Goed gesproken," antwoordde de majoor. "Maar waarom juist gij,

Paganel?"

"Zijn wij er dan ook niet!" riepen Mulrady en Wilson.

"Of denkt gij soms, dat ik bang ben voor een rid van twee honderd

mijlen!" hernam Mac Nabbs.

"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wanneer een onzer naar Melbourne gaan

moet, laat het lot hem dan aanwijzen. Paganel! schrijf onze namen

op...."

"Maar den uwen althans niet, mylord!" zeide John Mangles.

"Waarom niet?" vroeg Glenarvan.

"Zoudt gij u van lady Helena scheiden! Gij, en uw wond is nog niet eens

gesloten!"

"Glenarvan! gij moogt het gezelschap niet verlaten," zeide Paganel.

"Neen," sprak de majoor. "Uwe plaats is hier, Edward! gij moogt niet

vertrekken."

"Er zijn gevaren aan verbonden," antwoordde Glenarvan, "en daaraan wil

ik mij niet onttrekken. Schrijf op, Paganel! Mijn naam worde onder die

mijner makkers gemengd, en geve de Hemel, dat hij er het eerst uitkomt!"

Men bukte voor dien wil. Glenarvan's naam werd bij dien der anderen

gevoegd. Men ging tot de trekking over, en het lot viel op Mulrady. De

moedige matroos juichte van blijdschap.

"Mylord! ik ben gereed om te vertrekken," zeide hij.

Glenarvan drukte Mulrady's hand. Daarna keerde hij naar den wagen terug,

en liet de bewaking van de legerplaats over aan den majoor en John

Mangles.

Lady Helena kreeg terstond mededeeling van het besluit om een bode naar

Melbourne te zenden en van de beslissing van het lot. Zij sprak Mulrady

op hartroerende wijze aan. Hij stond bekend als dapper, schrander,

sterk, tegen vermoeijenis bestand, waarlijk, het lot had op geen

geschikter persoon kunnen vallen.

Het vertrek van Mulrady werd op acht ure bepaald, na de korte

avondschemering. Wilson nam op zich om voor het paard te zorgen. Hij

kwam op den inval om het verraderlijke ijzer, dat aan zijn linkerpoot

zat, weg te nemen en te vervangen door het ijzer van een der in dien

nacht gestorven paarden. De roovers konden dan het spoor van Mulrady

niet herkennen en hem ook niet volgen, omdat zij onbereden waren.

Terwijl Wilson daarmede bezig was, maakte Glenarvan den brief voor Tom

Austin gereed maar zijn gekwetste arm hinderde hem, en hij verzocht

Paganel om voor hem te schrijven. In diep gepeins verzonken, scheen de

geleerde onbewust te zijn van hetgeen om hem heen gebeurde.

Om de waarheid te zeggen dacht Paganel, bij die opeenvolging van

ongelukken, alleen aan de verkeerde uitlegging van het document. Hij

verplaatste de woorden om er een nieuwen zin van te maken, en bleef

gedompeld in de afgronden der uitlegging.

Hij hoorde niet eens de vraag van Glenarvan, die deze genoodzaakt was te

herhalen.

"Ha! heel goed! ik ben gereed!" antwoordde Paganel.

Onder het spreken kreeg Paganel werktuigelijk zijn zakboekje. Hij

scheurde er een wit blaadje uit, nam het potlood in de hand en maakte

zich gereed om te schrijven. Glenarvan begon den volgenden lastbrief op

te geven:

"Bevel aan Tom Austin om onverwijld in zee te steken en de _Duncan_ te

brengen...."

Paganel schreef deze laatste woorden juist op, toen zijn oog toevallig

viel op het nommer der _Australian and New-Zealand Gazette_, die op den

grond lag. Alleen de laatste lettergrepen waren zigtbaar op den titel

van het opgevouwen blad. Het potlood van Paganel rustte en hij scheen

Glenarvan, diens brief en diens opgave glad vergeten te zijn.

"Hoe is het, Paganel?" zeide Glenarvan.

"Ha!" riep de aardrijkskundige.

"Wat scheelt u?" vroeg de majoor.

"Niets! niets!" antwoordde Paganel.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 25 / 29 题