Een onverwachte ontdekking.
Het was een vreeselijke nacht. 's Morgens ten twee ure begon er een
regenbui te vallen, een stortbui, die de onstuimige wolken tot het
aanbreken van den dag toe uitgoten. De tent was niet langer een
voldoende beschutting. Glenarvan en zijne reisgenooten vlugtten in den
wagen. Niemand sliep. Men praatte over koetjes en kalfjes. De majoor
alleen, wiens korte afwezigheid niemand opgemerkt had, vergenoegde zich
met te luisteren, maar sprak geen woord. Nog kwam er geen einde aan de
ontzettende bui. Het stond te vreesen, dat ze de Sneeuw-rivier buiten
haar oevers zou doen treden, hetgeen zeer leelijk zou geweest zijn voor
den wagen, die in den weeken grond vast zat.
Bij herhaling gingen daarom Mulrady, Ayrton, zelfs John Mangles den
waterstand waarnemen, en kwamen dan van het hoofd tot de voeten doornat
terug.
Eindelijk werd het dag. De regen hield op; maar de zonnestralen konden
den digten wolkensluijer niet doorboren. Groote plassen geelachtig
water, echte troebele en slijkerige vijvers, maakten den grond morsig.
Een warme damp steeg uit die doorweekte gronden op en vervulde den
dampkring met een voor de gezondheid schadelijke vochtigheid.
Allereerst hield Glenarvan zich met den wagen bezig. Dat was in zijn oog
de hoofdzaak. Het lompe voertuig werd naauwkeurig bekeken. Het zat vast
in taaije klei in het midden van een groote verzakking van den grond.
Het voorstel was bijna geheel verdwenen, en het achterstel tot aan de
stootplaat van de as. Het zou heel wat moeite kosten om dat zware
ligchaam er uit te halen, en de vereenigde krachten van mannen, ossen en
paarden zouden er wel toe noodig zijn.
"Wij moeten ons in allen gevalle haasten," zeide John Mangles. "Wanneer
die klei opdroogt, wordt het werk nog moeijelijker."
"Ja, wij moeten ons haasten," antwoordde Ayrton.
Glenarvan, de beide matrozen, John Mangles en Ayrton drongen in het
bosch, waar de dieren den nacht hadden doorgebragt.
Het was een hoog bosch van akelige gomboomen. Niets dan doode, ver
uiteenstaande boomen, sedert eeuwen van hun bast beroofd, of liever
gelijk de kurkeiken, wanneer de oogsttijd daar is. Hun dunne,
bladerlooze takken staken twee honderd voet hoog in de lucht. Geen
enkele vogel nestelde in die dorre geraamten, geen blaadje trilde aan
die drooge en als doodsbeenderen klepperende takken. Aan welke
omwenteling moet dat in Australië nog al veel voorkomende verschijnsel
van geheele als door een besmettelijke ziekte gestorven bosschen
toegeschreven worden? Men weet het niet. Noch de oudste inboorlingen,
noch hun voorvaderen, die reeds lang in de doodenboschjes rusten, hebben
ze ooit groen gezien.
Onder het gaan beschouwde Glenarvan den graauwen hemel, waartegen de
kleinste takjes der gomboomen zich als fijne lijntjes afteekenden.
Ayrton verwonderde zich, dat hij de paarden en ossen niet meer vond ter
plaatse, waar hij ze gebragt had. De gekluisterde dieren konden echter
niet ver weg zijn.
Men zocht ze in het bosch, maar zonder ze te vinden. Hoogst verbaasd
ging Ayrton nu naar de Sneeuw-rivier, wier oevers met prachtige mimosa's
begroeid zijn. Hij liet het bij zijn span welbekend geluid hooren; maar
kreeg geen antwoord. De bootsman scheen zeer ongerust, en zijn
reisgenooten zagen elkander met een teleurgesteld gezigt aan.
Zoo werd er nu een uur met vergeefsche nasporingen doorgebragt, en
Glenarvan wilde reeds naar den wagen terugkeeren, daar hij ruim een mijl
van af was, toen een gehinnik zijn oor trof. Bijna gelijktijdig liet
zich ook gebulk hooren.
"Daar zijn ze!" riep John Mangles, en kroop tusschen de hooge
gastrolobiums door, die hoog genoeg waren om een kudde te verbergen.
Glenarvan, Mulrady en Ayrton ijlden hem achterna en deelden spoedig in
zijn ontsteltenis.
Twee ossen en drie paarden lagen op den grond; de dood had hen even
onverwacht overvallen als de anderen. Hun lijken waren reeds koud, en
een troep magere raven, die in de mimosa's krasten, beloerde die
onverwachte prooi.
Glenarvan en de anderen zagen elkander aan en Wilson kon een vloek niet
terughouden, die hem op de tong lag.
"Het is niet anders, Wilson!" zeide lord Glenarvan, die moeite had om
bedaard te blijven, "wij kunnen er niets aan doen. Breng den os en het
paard weg, Ayrton! Wij moeten maar zien, hoe wij het met hen redden."
"Zat onze wagen maar niet vast," sprak John Mangles, "dan zouden die
twee dieren hem langzaam aan wel naar de kust kunnen brengen. Dat
vervloekte voertuig moet er dus uitgehaald worden, het gaat hoe het
gaat."
"Wij zullen het beproeven, John!" antwoordde Glenarvan. "Thans willen
wij naar de legerplaats terugkeeren, waar men reeds ongerust zal zijn
over ons lang uitblijven."
Ayrton nam de kluisters van den os af, Mulrady van het paard, en zoo
keerde men langs de bogtige oevers der rivier terug.
Een half uur later waren Paganel, Mac Nabbs, lady Helena en miss Grant
van alles onderrigt.
"Het is waarlijk jammer, Ayrton! dat niet al onze beesten bij den
overtogt der Wimerra beslagen moesten worden," kon de majoor niet
nalaten te zeggen.
"Hoe dat zoo, mijnheer?" vroeg Ayrton.
"Omdat van al onze paarden alleen dat, hetwelk uw hoefsmid onder handen
heeft gehad, aan de algemeene ramp ontkomen is!"
"Dat is waar, en heel toevallig!" zeide John Mangles.
"Toeval, anders niet," antwoordde de bootsman, terwijl bij den majoor
stijf in het gezigt zag.
Mac Nabbs beet zich op de lippen, alsof hij vreesde te veel te zeggen.
Glenarvan, Mangles en lady Helena schenen te verwachten, dat hij zijn
gedachte geheel zou mededeelen; maar de majoor zweeg en ging naar den
wagen, waarmede Ayrton zich bezig hield.
"Wat heeft hij willen zeggen?" vroeg Glenarvan aan John Mangles.
"Ik weet het niet," antwoordde de jonge kapitein.
"De majoor is er anders de man niet naar om zonder grond te spreken."
"Neen, John!" zeide lady Helena. "Mac Nabbs heeft zeker kwaad vermoeden
ten opzigte van Ayrton."
"Kwaad vermoeden?" sprak Paganel de schouders ophalende.
"Welk?" vroeg Glenarvan. "Zou hij hem in staat achten onze paarden en
ossen te dooden? Maar waarom? Is het belang van Ayrton niet hetzelfde
als het onze?"
"Gij hebt gelijk, lieve Edward!" zeide lady Helena, "en ik voeg er nog
bij, dat de bootsman ons van het begin der reis af onweersprekelijke
bewijzen van verknochtheid gegeven heeft."
"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles. "Maar wat beteekent dan de
opmerking van den majoor? Daar moet ik het mijne van hebben."
"Gelooft hij, dat hij met die gedeporteerden onder éénen hoed
speelt?..." riep Paganel onvoorzigtig uit.
"Welke gedeporteerden?" vroeg miss Grant.
"Mijnheer Paganel verspreekt zich," antwoordde John Mangles driftig.
"Hij weet wel, dat er geen gedeporteerden zijn in de provincie
Victoria."
"Drommels! dat is waar ook!" zeide Paganel, die zijn woorden wel had
willen inhalen. "Waar waren mijn gedachten? Gedeporteerden! Wie heeft
ooit van gedeporteerden hooren spreken in Australië? Bovendien, pas zijn
ze aan land, of ze worden brave menschen! Het klimaat gij weet wel, miss
Mary! het zedelijk makend! klimaat...."
Het ging den armen geleerde, die zijn dwaasheid wilde herstellen,
evenals den wagen, hij zakte er hoe langer hoe dieper in. Lady Helena
zag hem aan, waardoor hij alle bezinning verloor. Maar hem niet
verlegener willende maken, nam zij miss Mary mede naar de tent, waar
Olbinett het ontbijt naar al de regelen der kunst gereed maakte.
"Ik verdiende zelf gedeporteerd te worden!" jammerde Paganel.
"Dat geloof ik ook," antwoordde Glenarvan.
Dit met een ernst gezegd hebbende, die den waardigen aardrijkskundige
geheel in den war bragt, ging Glenarvan met John Mangles naar den wagen.
Ayrton en de twee matrozen waren juist bezig om hem uit den diepen kuil
te trekken. De os en het paard naast elkander gespannen, trokken met
alle kracht; de strengen stonden zoo strak, dat zij bijna braken, de
hamen stonden op het punt van te scheuren. Wilson en Mulrady draaiden
aan de wielen, terwijl de bootsman met stem en zweep het zwakke voorspan
aanzette. Het zware voertuig bewoog zich niet. De reeds drooge klei
hield het span tegen, alsof het in tras vastgemetseld was.
John Mangles liet de klei nat maken, opdat ze minder zou houden. Het was
te vergeefsch. De wagen bleef onbewegelijk vastzitten. Na nieuwe
krachtsinspanning gaven menschen en dieren het op. Wilde men den wagen
niet uit elkander nemen, dan moest men hem in den kuil achterlaten. Uit
gebrek aan werktuigen kon zulk een arbeid niet ondernomen worden.
Ayrton, die wat het ook kosten mogt, dit beletsel uit den weg wilde
ruimen, stond gereed een nieuwe poging aan te wenden, toen lord
Glenarvan hem tegenhield.
"Genoeg, Ayrton! genoeg," zeide hij. "Wij moeten den os en het paard
ontzien. Als wij onze reis te voet moeten voortzetten, zal het een de
beide dames, de andere de levensmiddelen dragen. Dan kunnen zij ons nog
goede diensten bewijzen."
"Goed, mylord! antwoordde de bootsman, terwijl hij de uitgeputte dieren
uitspande.
"Laten wij nu naar de legerplaats terugkeeren, vrienden!" voegde
Glenarvan er bij, "dan kunnen wij beraadslagen, onzen toestand
onderzoeken, de goede en kwade kansen opsporen, en een besluit nemen."
Eenige oogenblikken later verkwikten de reizigers zich met een degelijk
ontbijt van hun slechten nacht, en werden de beraadslagingen geopend.
Een ieder werd verzocht zijn meening te zeggen.
In de allereerste plaats was het noodig met volkomene juistheid te
weten, waar men zich bevond. Paganel, wien die taak werd opgedragen,
volbragt ze met de noodige naauwkeurigheid. Volgens zijne berekening
bevond het gezelschap zich thans op 37° graden breedte en 147° 53'
lengte, aan den oever der Sneeuw-rivier.
"Wat is de juiste ligging der Twofold-baai?" vroeg Glenarvan.
"Honderd vijftig graden," antwoordde Paganel.
"En die twee graden zeven minuten zijn gelijk aan?..."
"Vijf en zeventig mijlen[1]."
"En Melbourne ligt?..."
"Minstens twee honderd mijlen van hier."
"Goed. Wat staat ons thans te doen, nu wij dit weten?" zeide Glenarvan.
Allen gaven eenparig ten antwoord: zonder verwijl naar de kust gaan.
Lady Helena en Mary Grant verbonden zich om vijf mijlen per dag af te
leggen. De moedige vrouwen vreesden niet om des noods te voet den
afstand af te leggen, die de Sneeuw-rivier van de Twofold-baai scheidt.
"Gij zijt de wakkere gezellin van den reiziger, lieve Helena!" zeide
lord Glenarvan. "Maar kunnen wij er staat op maken, dat wij aan de baai
al de hulpmiddelen zullen vinden, die wij bij onze komst noodig hebben?"
"Ongetwijfeld," antwoordde Paganel. "Eden is een gemeente, die reeds
verscheidene jaren oud is. Haar haven moet veel verkeer hebben met
Melbourne. Ik vooronderstel zelfs, dat wij vijf en dertig mijlen van
hier, in het kerspel Delegete, op de grenzen van Victoria, versche
levensmiddelen en reisgelegenheid zullen vinden."
"En de _Duncan_?" vroeg Ayrton; "acht gij het niet geraden, mylord, ze
in de baai te ontbieden?"
"Wat denkt gij er van, John?" vroeg Glenarvan.
"Ik geloof niet, dat Uwe Edelheid zich daarmede behoeft te haasten,"
antwoordde de jonge kapitein na eenig nadenken. "Het is altijd nog tijde
genoeg uw bevelen aan Tom Austin te doen toekomen en hem aan de kust te
roepen."
"Dat is waar," zeide Paganel.
"Bedenk," voegde John Mangles er bij, "dat wij in vier of vijf dagen te
Eden zullen zijn."
"Vier of vijf dagen!" hervatte Ayrton hoofdschuddende; "reken maar
vijftien of twintig, kapitein! als gij u later niet over uw dwaling wilt
beklagen."
"Vijftien of twintig dagen om vijf en twintig mijlen af te leggen!" riep
Glenarvan.
"Op zijn minst mylord! Gij moet het moeijelijkste gedeelte van Victoria
door, een woestijn, waarin aan alles gebrek is, zoo als de squatters
zeggen, kreupelhout zonder gebaande wegen, waarin nog geen stations zich
hebben kunnen vestigen. Gij zult er door moeten met den bijl of de
toorts in de hand, en geloof mij, gij zult niet snel vorderen."
Ayrton had op stelligen toon gesproken. Paganel, op wien vragende
blikken werden geslagen, bevestigde met een hoofdknikje de woorden van
den bootsman.
"Ik neem die bezwaren aan," hernam nu John Mangles. "Welnu! binnen
veertien dagen kan Uwe Edelheid zijn bevelen aan de _Duncan_ zenden."
"Ik wil er nog bijvoegen," hervatte Ayrton, "dat de moeijelijkheden van
den weg niet de zwaarste zullen zijn. Maar gij moet de Sneeuw-rivier
over, en zeer waarschijnlijk wachten, tot het water valt."
"Wachten!" riep de jonge kapitein, "Zou er geen doorwaadbare plek te
vinden zijn?"
"Dat denk ik niet," antwoordde Ayrton. "Heden morgen heb ik te vergeefs
naar een ondiepte gezocht. Zelden zal men in dit jaargetijde zulk een
onstuimige rivier aantreffen, en dat is een hinderpaal, waartegen ik
niets vermag."
"Is die Sneeuw-rivier dan zoo breed?" vroeg lady Glenarvan.
"Breed en diep, mevrouw!" antwoordde Ayrton. "Wel een mijl breed en zeer
snelvlietend. Een goed zwemmer kan ze niet zonder gevaar overzwemmen."
"Welnu! dan zullen we een boot bouwen!" riep Robert, die voor niets
terugdeinsde, "Men velt een boom, holt hem uit, gaat er in zitten, en
daarmee uit."
"Hij houdt zich goed, die zoon van kapitein Grant!" zeide Paganel.
"En hij heeft gelijk," hernam John Mangles. "Wij zullen er wel toe
moeten overgaan. Daarom acht ik het onnoodig onzen tijd met nuttelooze
praatjes te verspillen."
"Wat denkt gij er van, Ayrton?" vroeg Glenarvan.
"Ik denk, mylord! dat wij over een maand, als er geen hulp opdaagt, nog
aan de oevers der Sneeuw-rivier zullen staan!"
"Laat hooren, hebt gij dan soms een beter plan?" vroeg John Mangles met
eenig ongeduld.
"Ja, wanneer de _Duncan_ Melbourne verlaat en naar de oostkust stevent!"
"Och! altijd die _Duncan_! En hoe kan haar tegenwoordigheid in de baai
ons den togt daarheen gemakkelijker maken?"
Alvorens te antwoorden dacht Ayrton een poosje na en zeide toen vrij
ontwijkend:
"Ik wil niemand mijn gevoelen opdringen. Wat ik doe, is in aller belang,
en ik ben bereid om te vertrekken, zoodra Zijne Edelheid het sein geeft
om op te breken."
Daarop sloeg hij de armen over elkaar.
"Dat is geen antwoord, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Deel ons uw plan
mede, dan zullen wij het bespreken. Wat stelt gij voor?"
Nu sprak Ayrton met een bedaarde en vaste stem aldus:
"Ik stel voor, dat wij ons in den berooiden toestand, waarin wij thans
verkeeren, niet aan gene zijde van de Sneeuw-rivier moeten wagen. Op
deze plaats moeten wij hulp wachten, en die hulp kan alleen van de
_Duncan_ komen. Hier moeten wij ons legeren, waar geen gebrek aan
levensmiddelen is, terwijl een onzer aan Tom Austin het bevel moet
brengen om naar de Twofold-baai te stoomen."
Dit onverwachte voorstel werd met geen geringe verbazing aangehoord, en
John Mangles ontveinsde zijn tegenzin er in niet.
"Intusschen," hernam Ayrton, "zal of het water der Sneeuwrivier zakken,
zoodat wij een doorwaadbare plaats kunnen vinden, of wij zullen tot een
boot onze toevlugt moeten nemen, die wij dan tijd genoeg zullen hebben
om te bouwen. Ziedaar, mylord! het plan, dat ik aan uw goedkeuring
onderwerp."
"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan; "uw denkbeeld verdient in ernstige
overweging te worden genomen. Zijn grootste nadeel is, dat het een
oponthoud veroorzaakt; maar het bespaart zware vermoeijenis en misschien
groote gevaren. Wat denkt gij er van, vrienden?"
"Spreek, waarde Mac Nabbs!" zeide nu lady Helena. "Van het begin der
beraadslaging af, vergenoegt gij u met luisteren; gij zijt zeer karig
met uw woorden."
"Dewijl gij mijn gevoelen vraagt," antwoordde de majoor, "zal ik het
openhartig zeggen. Mij dunkt, dat Ayrton als een verstandig en
bedachtzaam man gesproken heeft, en ik keur zijn voorstel goed."
Zulk een antwoord had niemand verwacht; want Mac Nabbs had steeds de
denkbeelden van Ayrton betreffende deze zaak bestreden. Ayrton zelf was
er dan ook verbaasd over en sloeg een vlugtigen blik op den majoor.
Paganel, lady Helena en de matrozen, die reeds zeer geneigd waren om het
voorstel van den bootsman te ondersteunen, aarzelden volstrekt niet meer
na de woorden van Mac Nabbs.
Derhalve verklaarde Glenarvan, dat het plan van Ayrton in beginsel was
aangenomen.
"En denkt gij nu ook niet, John!" ging hij voort, "dat de voorzigtigheid
gebiedt aldus te handelen, en aan de oevers der rivier te blijven om de
vervoermiddelen af te wachten?"
"Ja!" antwoordde John Mangles, "wanneer het althans onzen bode gelukt de
Sneeuwrivier over te komen, die wij zelven niet over kunnen komen!"
Men zag den bootsman aan, die glimlachte als iemand, die zeker is van
zijn zaak.
"De bode behoeft de rivier niet over!" zeide hij.
"Wat!" riep John Mangles.
"Hij moet eenvoudig den weg van Lucknow opzoeken, die hem regel regt
naar Melbourne zal brengen."
"Twee honderd vijftig mijlen te voet af te leggen!" riep de jonge
kapitein.
"Te paard!" verbeterde Ayrton. "Nog één goed paard is er over. Het is
het werk van een dag of vier. Voeg daarbij twee dagen voor den togt van
de _Duncan_ naar de baai, vier en twintig uren om in de legerplaats
terug te komen, en binnen een week is de bode met de matrozen terug."
De majoor keurde met een hoofdknik het gezegde van Ayrton goed, tot
groote verwondering van John Mangles. Maar het voorstel van den bootsman
was met algemeene stemmen aangenomen, en alleen de uitvoering ontbrak
nog aan dit waarlijk goed beraamde plan.
"En nu, vrienden!" zeide Glenarvan, "moeten wij nog maar onzen bode
kiezen. Ik wil niet ontveinzen, dat hij een moeijelijke en gevaarlijke
zending zal hebben. Wie zal zich voor zijn reisgenooten opofferen en
onze bevelen naar Melbourne overbrengen?"
Wilson, Mulrady, John Mangles, Paganel, zelfs Robert, boden zich
terstond aan. John drong er vooral sterk op aan, dat die zending hem zou
toevertrouwd worden. Maar Ayrton, die tot nog toe gezwegen had, vatte nu
het woord op en zeide:
"Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken. Ik ben met deze
streken bekend. Meermalen heb ik moeijelijker gewesten doorkruist. Ik
weet mij te redden, waar een ander zou blijven steken. In het algemeen
belang eisch ik dus het regt om mij naar Melbourne te begeven. Een enkel
woord zal mij bij uw eersten stuurman geloof doen vinden, en ik maak mij
sterk de _Duncan_ binnen zes dagen in de Twofold-baai te brengen."
"Goed gesproken," antwoordde Glenarvan. "Gij zijt een schrander en
moedig man, Ayrton! en zult slagen."
De bootsman was buiten kijf geschikter dan iemand anders om die
moeijelijke zending te vervullen. Allen begrepen dit en zwegen. John
Mangles alleen kwam nog met een tegenwerping voor den dag, zeggende: dat
de tegenwoordigheid van Ayrton noodig was om de sporen van de
_Britannia_ of van Harry Grant terug te vinden. Maar de majoor merkte
aan, dat het gezelschap tot de terugkomst van Ayrton aan de oevers der
Sneeuwrivier zou wachten, dat de bedoeling niet was zonder hem die
gewigtige nasporingen te hervatten, en dat bij gevolg zijn afwezigheid
de belangen van den kapitein volstrekt niet zou benadeelen.
"Welnu, vertrek, Ayrton!" zeide Glenarvan; "haast u en kom over Eden in
onze legerplaats aan de Sneeuwrivier terug."
Een glans van tevredenheid schitterde in de oogen van den bootsman. Hij
wendde het hoofd om, maar hoe snel die beweging ook plaats had, toch had
John Mangles dien glans opgemerkt. Alleen uit instinct voelde John zijn
wantrouwen tegen Ayrton toenemen.
De bootsman maakte dan zijn toebereidselen voor zijn vertrek met behulp
van de twee matrozen, waarvan de eene voor zijn paard en de ander voor
zijn levensmiddelen zorgde. Intusschen schreef Glenarvan den brief voor
Tom Austin.
Hij beval den eersten stuurman zich onverwijld naar de Twofold-baai te
begeven. Hij beval hem den bootsman aan als iemand, dien hij volkomen
kon vertrouwen. Aan de kust gekomen moest Austin een afdeeling der
matrozen van het jagt onder bevel van Ayrton stellen....
Zoover was Glenarvan met zijn brief gekomen, toen Mac Nabbs, die hem
over zijn schouders las, op een vreemden toon vroeg, hoe hij den naam
van Ayrton schreef.
"Wel, zooals hij uitgesproken wordt," antwoordde Glenarvan.
"Dat is verkeerd," hernam de majoor bedaard; "hij wordt Ayrton
uitgesproken, maar Ben Joyce geschreven!"
[1] 37 uren gaans.