XIX.

Een onverwachte ontdekking.

Het was een vreeselijke nacht. 's Morgens ten twee ure begon er een

regenbui te vallen, een stortbui, die de onstuimige wolken tot het

aanbreken van den dag toe uitgoten. De tent was niet langer een

voldoende beschutting. Glenarvan en zijne reisgenooten vlugtten in den

wagen. Niemand sliep. Men praatte over koetjes en kalfjes. De majoor

alleen, wiens korte afwezigheid niemand opgemerkt had, vergenoegde zich

met te luisteren, maar sprak geen woord. Nog kwam er geen einde aan de

ontzettende bui. Het stond te vreesen, dat ze de Sneeuw-rivier buiten

haar oevers zou doen treden, hetgeen zeer leelijk zou geweest zijn voor

den wagen, die in den weeken grond vast zat.

Bij herhaling gingen daarom Mulrady, Ayrton, zelfs John Mangles den

waterstand waarnemen, en kwamen dan van het hoofd tot de voeten doornat

terug.

Eindelijk werd het dag. De regen hield op; maar de zonnestralen konden

den digten wolkensluijer niet doorboren. Groote plassen geelachtig

water, echte troebele en slijkerige vijvers, maakten den grond morsig.

Een warme damp steeg uit die doorweekte gronden op en vervulde den

dampkring met een voor de gezondheid schadelijke vochtigheid.

Allereerst hield Glenarvan zich met den wagen bezig. Dat was in zijn oog

de hoofdzaak. Het lompe voertuig werd naauwkeurig bekeken. Het zat vast

in taaije klei in het midden van een groote verzakking van den grond.

Het voorstel was bijna geheel verdwenen, en het achterstel tot aan de

stootplaat van de as. Het zou heel wat moeite kosten om dat zware

ligchaam er uit te halen, en de vereenigde krachten van mannen, ossen en

paarden zouden er wel toe noodig zijn.

"Wij moeten ons in allen gevalle haasten," zeide John Mangles. "Wanneer

die klei opdroogt, wordt het werk nog moeijelijker."

"Ja, wij moeten ons haasten," antwoordde Ayrton.

Glenarvan, de beide matrozen, John Mangles en Ayrton drongen in het

bosch, waar de dieren den nacht hadden doorgebragt.

Het was een hoog bosch van akelige gomboomen. Niets dan doode, ver

uiteenstaande boomen, sedert eeuwen van hun bast beroofd, of liever

gelijk de kurkeiken, wanneer de oogsttijd daar is. Hun dunne,

bladerlooze takken staken twee honderd voet hoog in de lucht. Geen

enkele vogel nestelde in die dorre geraamten, geen blaadje trilde aan

die drooge en als doodsbeenderen klepperende takken. Aan welke

omwenteling moet dat in Australië nog al veel voorkomende verschijnsel

van geheele als door een besmettelijke ziekte gestorven bosschen

toegeschreven worden? Men weet het niet. Noch de oudste inboorlingen,

noch hun voorvaderen, die reeds lang in de doodenboschjes rusten, hebben

ze ooit groen gezien.

Onder het gaan beschouwde Glenarvan den graauwen hemel, waartegen de

kleinste takjes der gomboomen zich als fijne lijntjes afteekenden.

Ayrton verwonderde zich, dat hij de paarden en ossen niet meer vond ter

plaatse, waar hij ze gebragt had. De gekluisterde dieren konden echter

niet ver weg zijn.

Men zocht ze in het bosch, maar zonder ze te vinden. Hoogst verbaasd

ging Ayrton nu naar de Sneeuw-rivier, wier oevers met prachtige mimosa's

begroeid zijn. Hij liet het bij zijn span welbekend geluid hooren; maar

kreeg geen antwoord. De bootsman scheen zeer ongerust, en zijn

reisgenooten zagen elkander met een teleurgesteld gezigt aan.

Zoo werd er nu een uur met vergeefsche nasporingen doorgebragt, en

Glenarvan wilde reeds naar den wagen terugkeeren, daar hij ruim een mijl

van af was, toen een gehinnik zijn oor trof. Bijna gelijktijdig liet

zich ook gebulk hooren.

"Daar zijn ze!" riep John Mangles, en kroop tusschen de hooge

gastrolobiums door, die hoog genoeg waren om een kudde te verbergen.

Glenarvan, Mulrady en Ayrton ijlden hem achterna en deelden spoedig in

zijn ontsteltenis.

Twee ossen en drie paarden lagen op den grond; de dood had hen even

onverwacht overvallen als de anderen. Hun lijken waren reeds koud, en

een troep magere raven, die in de mimosa's krasten, beloerde die

onverwachte prooi.

Glenarvan en de anderen zagen elkander aan en Wilson kon een vloek niet

terughouden, die hem op de tong lag.

"Het is niet anders, Wilson!" zeide lord Glenarvan, die moeite had om

bedaard te blijven, "wij kunnen er niets aan doen. Breng den os en het

paard weg, Ayrton! Wij moeten maar zien, hoe wij het met hen redden."

"Zat onze wagen maar niet vast," sprak John Mangles, "dan zouden die

twee dieren hem langzaam aan wel naar de kust kunnen brengen. Dat

vervloekte voertuig moet er dus uitgehaald worden, het gaat hoe het

gaat."

"Wij zullen het beproeven, John!" antwoordde Glenarvan. "Thans willen

wij naar de legerplaats terugkeeren, waar men reeds ongerust zal zijn

over ons lang uitblijven."

Ayrton nam de kluisters van den os af, Mulrady van het paard, en zoo

keerde men langs de bogtige oevers der rivier terug.

Een half uur later waren Paganel, Mac Nabbs, lady Helena en miss Grant

van alles onderrigt.

"Het is waarlijk jammer, Ayrton! dat niet al onze beesten bij den

overtogt der Wimerra beslagen moesten worden," kon de majoor niet

nalaten te zeggen.

"Hoe dat zoo, mijnheer?" vroeg Ayrton.

"Omdat van al onze paarden alleen dat, hetwelk uw hoefsmid onder handen

heeft gehad, aan de algemeene ramp ontkomen is!"

"Dat is waar, en heel toevallig!" zeide John Mangles.

"Toeval, anders niet," antwoordde de bootsman, terwijl bij den majoor

stijf in het gezigt zag.

Mac Nabbs beet zich op de lippen, alsof hij vreesde te veel te zeggen.

Glenarvan, Mangles en lady Helena schenen te verwachten, dat hij zijn

gedachte geheel zou mededeelen; maar de majoor zweeg en ging naar den

wagen, waarmede Ayrton zich bezig hield.

"Wat heeft hij willen zeggen?" vroeg Glenarvan aan John Mangles.

"Ik weet het niet," antwoordde de jonge kapitein.

"De majoor is er anders de man niet naar om zonder grond te spreken."

"Neen, John!" zeide lady Helena. "Mac Nabbs heeft zeker kwaad vermoeden

ten opzigte van Ayrton."

"Kwaad vermoeden?" sprak Paganel de schouders ophalende.

"Welk?" vroeg Glenarvan. "Zou hij hem in staat achten onze paarden en

ossen te dooden? Maar waarom? Is het belang van Ayrton niet hetzelfde

als het onze?"

"Gij hebt gelijk, lieve Edward!" zeide lady Helena, "en ik voeg er nog

bij, dat de bootsman ons van het begin der reis af onweersprekelijke

bewijzen van verknochtheid gegeven heeft."

"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles. "Maar wat beteekent dan de

opmerking van den majoor? Daar moet ik het mijne van hebben."

"Gelooft hij, dat hij met die gedeporteerden onder éénen hoed

speelt?..." riep Paganel onvoorzigtig uit.

"Welke gedeporteerden?" vroeg miss Grant.

"Mijnheer Paganel verspreekt zich," antwoordde John Mangles driftig.

"Hij weet wel, dat er geen gedeporteerden zijn in de provincie

Victoria."

"Drommels! dat is waar ook!" zeide Paganel, die zijn woorden wel had

willen inhalen. "Waar waren mijn gedachten? Gedeporteerden! Wie heeft

ooit van gedeporteerden hooren spreken in Australië? Bovendien, pas zijn

ze aan land, of ze worden brave menschen! Het klimaat gij weet wel, miss

Mary! het zedelijk makend! klimaat...."

Het ging den armen geleerde, die zijn dwaasheid wilde herstellen,

evenals den wagen, hij zakte er hoe langer hoe dieper in. Lady Helena

zag hem aan, waardoor hij alle bezinning verloor. Maar hem niet

verlegener willende maken, nam zij miss Mary mede naar de tent, waar

Olbinett het ontbijt naar al de regelen der kunst gereed maakte.

"Ik verdiende zelf gedeporteerd te worden!" jammerde Paganel.

"Dat geloof ik ook," antwoordde Glenarvan.

Dit met een ernst gezegd hebbende, die den waardigen aardrijkskundige

geheel in den war bragt, ging Glenarvan met John Mangles naar den wagen.

Ayrton en de twee matrozen waren juist bezig om hem uit den diepen kuil

te trekken. De os en het paard naast elkander gespannen, trokken met

alle kracht; de strengen stonden zoo strak, dat zij bijna braken, de

hamen stonden op het punt van te scheuren. Wilson en Mulrady draaiden

aan de wielen, terwijl de bootsman met stem en zweep het zwakke voorspan

aanzette. Het zware voertuig bewoog zich niet. De reeds drooge klei

hield het span tegen, alsof het in tras vastgemetseld was.

John Mangles liet de klei nat maken, opdat ze minder zou houden. Het was

te vergeefsch. De wagen bleef onbewegelijk vastzitten. Na nieuwe

krachtsinspanning gaven menschen en dieren het op. Wilde men den wagen

niet uit elkander nemen, dan moest men hem in den kuil achterlaten. Uit

gebrek aan werktuigen kon zulk een arbeid niet ondernomen worden.

Ayrton, die wat het ook kosten mogt, dit beletsel uit den weg wilde

ruimen, stond gereed een nieuwe poging aan te wenden, toen lord

Glenarvan hem tegenhield.

"Genoeg, Ayrton! genoeg," zeide hij. "Wij moeten den os en het paard

ontzien. Als wij onze reis te voet moeten voortzetten, zal het een de

beide dames, de andere de levensmiddelen dragen. Dan kunnen zij ons nog

goede diensten bewijzen."

"Goed, mylord! antwoordde de bootsman, terwijl hij de uitgeputte dieren

uitspande.

"Laten wij nu naar de legerplaats terugkeeren, vrienden!" voegde

Glenarvan er bij, "dan kunnen wij beraadslagen, onzen toestand

onderzoeken, de goede en kwade kansen opsporen, en een besluit nemen."

Eenige oogenblikken later verkwikten de reizigers zich met een degelijk

ontbijt van hun slechten nacht, en werden de beraadslagingen geopend.

Een ieder werd verzocht zijn meening te zeggen.

In de allereerste plaats was het noodig met volkomene juistheid te

weten, waar men zich bevond. Paganel, wien die taak werd opgedragen,

volbragt ze met de noodige naauwkeurigheid. Volgens zijne berekening

bevond het gezelschap zich thans op 37° graden breedte en 147° 53'

lengte, aan den oever der Sneeuw-rivier.

"Wat is de juiste ligging der Twofold-baai?" vroeg Glenarvan.

"Honderd vijftig graden," antwoordde Paganel.

"En die twee graden zeven minuten zijn gelijk aan?..."

"Vijf en zeventig mijlen[1]."

"En Melbourne ligt?..."

"Minstens twee honderd mijlen van hier."

"Goed. Wat staat ons thans te doen, nu wij dit weten?" zeide Glenarvan.

Allen gaven eenparig ten antwoord: zonder verwijl naar de kust gaan.

Lady Helena en Mary Grant verbonden zich om vijf mijlen per dag af te

leggen. De moedige vrouwen vreesden niet om des noods te voet den

afstand af te leggen, die de Sneeuw-rivier van de Twofold-baai scheidt.

"Gij zijt de wakkere gezellin van den reiziger, lieve Helena!" zeide

lord Glenarvan. "Maar kunnen wij er staat op maken, dat wij aan de baai

al de hulpmiddelen zullen vinden, die wij bij onze komst noodig hebben?"

"Ongetwijfeld," antwoordde Paganel. "Eden is een gemeente, die reeds

verscheidene jaren oud is. Haar haven moet veel verkeer hebben met

Melbourne. Ik vooronderstel zelfs, dat wij vijf en dertig mijlen van

hier, in het kerspel Delegete, op de grenzen van Victoria, versche

levensmiddelen en reisgelegenheid zullen vinden."

"En de _Duncan_?" vroeg Ayrton; "acht gij het niet geraden, mylord, ze

in de baai te ontbieden?"

"Wat denkt gij er van, John?" vroeg Glenarvan.

"Ik geloof niet, dat Uwe Edelheid zich daarmede behoeft te haasten,"

antwoordde de jonge kapitein na eenig nadenken. "Het is altijd nog tijde

genoeg uw bevelen aan Tom Austin te doen toekomen en hem aan de kust te

roepen."

"Dat is waar," zeide Paganel.

"Bedenk," voegde John Mangles er bij, "dat wij in vier of vijf dagen te

Eden zullen zijn."

"Vier of vijf dagen!" hervatte Ayrton hoofdschuddende; "reken maar

vijftien of twintig, kapitein! als gij u later niet over uw dwaling wilt

beklagen."

"Vijftien of twintig dagen om vijf en twintig mijlen af te leggen!" riep

Glenarvan.

"Op zijn minst mylord! Gij moet het moeijelijkste gedeelte van Victoria

door, een woestijn, waarin aan alles gebrek is, zoo als de squatters

zeggen, kreupelhout zonder gebaande wegen, waarin nog geen stations zich

hebben kunnen vestigen. Gij zult er door moeten met den bijl of de

toorts in de hand, en geloof mij, gij zult niet snel vorderen."

Ayrton had op stelligen toon gesproken. Paganel, op wien vragende

blikken werden geslagen, bevestigde met een hoofdknikje de woorden van

den bootsman.

"Ik neem die bezwaren aan," hernam nu John Mangles. "Welnu! binnen

veertien dagen kan Uwe Edelheid zijn bevelen aan de _Duncan_ zenden."

"Ik wil er nog bijvoegen," hervatte Ayrton, "dat de moeijelijkheden van

den weg niet de zwaarste zullen zijn. Maar gij moet de Sneeuw-rivier

over, en zeer waarschijnlijk wachten, tot het water valt."

"Wachten!" riep de jonge kapitein, "Zou er geen doorwaadbare plek te

vinden zijn?"

"Dat denk ik niet," antwoordde Ayrton. "Heden morgen heb ik te vergeefs

naar een ondiepte gezocht. Zelden zal men in dit jaargetijde zulk een

onstuimige rivier aantreffen, en dat is een hinderpaal, waartegen ik

niets vermag."

"Is die Sneeuw-rivier dan zoo breed?" vroeg lady Glenarvan.

"Breed en diep, mevrouw!" antwoordde Ayrton. "Wel een mijl breed en zeer

snelvlietend. Een goed zwemmer kan ze niet zonder gevaar overzwemmen."

"Welnu! dan zullen we een boot bouwen!" riep Robert, die voor niets

terugdeinsde, "Men velt een boom, holt hem uit, gaat er in zitten, en

daarmee uit."

"Hij houdt zich goed, die zoon van kapitein Grant!" zeide Paganel.

"En hij heeft gelijk," hernam John Mangles. "Wij zullen er wel toe

moeten overgaan. Daarom acht ik het onnoodig onzen tijd met nuttelooze

praatjes te verspillen."

"Wat denkt gij er van, Ayrton?" vroeg Glenarvan.

"Ik denk, mylord! dat wij over een maand, als er geen hulp opdaagt, nog

aan de oevers der Sneeuw-rivier zullen staan!"

"Laat hooren, hebt gij dan soms een beter plan?" vroeg John Mangles met

eenig ongeduld.

"Ja, wanneer de _Duncan_ Melbourne verlaat en naar de oostkust stevent!"

"Och! altijd die _Duncan_! En hoe kan haar tegenwoordigheid in de baai

ons den togt daarheen gemakkelijker maken?"

Alvorens te antwoorden dacht Ayrton een poosje na en zeide toen vrij

ontwijkend:

"Ik wil niemand mijn gevoelen opdringen. Wat ik doe, is in aller belang,

en ik ben bereid om te vertrekken, zoodra Zijne Edelheid het sein geeft

om op te breken."

Daarop sloeg hij de armen over elkaar.

"Dat is geen antwoord, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Deel ons uw plan

mede, dan zullen wij het bespreken. Wat stelt gij voor?"

Nu sprak Ayrton met een bedaarde en vaste stem aldus:

"Ik stel voor, dat wij ons in den berooiden toestand, waarin wij thans

verkeeren, niet aan gene zijde van de Sneeuw-rivier moeten wagen. Op

deze plaats moeten wij hulp wachten, en die hulp kan alleen van de

_Duncan_ komen. Hier moeten wij ons legeren, waar geen gebrek aan

levensmiddelen is, terwijl een onzer aan Tom Austin het bevel moet

brengen om naar de Twofold-baai te stoomen."

Dit onverwachte voorstel werd met geen geringe verbazing aangehoord, en

John Mangles ontveinsde zijn tegenzin er in niet.

"Intusschen," hernam Ayrton, "zal of het water der Sneeuwrivier zakken,

zoodat wij een doorwaadbare plaats kunnen vinden, of wij zullen tot een

boot onze toevlugt moeten nemen, die wij dan tijd genoeg zullen hebben

om te bouwen. Ziedaar, mylord! het plan, dat ik aan uw goedkeuring

onderwerp."

"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan; "uw denkbeeld verdient in ernstige

overweging te worden genomen. Zijn grootste nadeel is, dat het een

oponthoud veroorzaakt; maar het bespaart zware vermoeijenis en misschien

groote gevaren. Wat denkt gij er van, vrienden?"

"Spreek, waarde Mac Nabbs!" zeide nu lady Helena. "Van het begin der

beraadslaging af, vergenoegt gij u met luisteren; gij zijt zeer karig

met uw woorden."

"Dewijl gij mijn gevoelen vraagt," antwoordde de majoor, "zal ik het

openhartig zeggen. Mij dunkt, dat Ayrton als een verstandig en

bedachtzaam man gesproken heeft, en ik keur zijn voorstel goed."

Zulk een antwoord had niemand verwacht; want Mac Nabbs had steeds de

denkbeelden van Ayrton betreffende deze zaak bestreden. Ayrton zelf was

er dan ook verbaasd over en sloeg een vlugtigen blik op den majoor.

Paganel, lady Helena en de matrozen, die reeds zeer geneigd waren om het

voorstel van den bootsman te ondersteunen, aarzelden volstrekt niet meer

na de woorden van Mac Nabbs.

Derhalve verklaarde Glenarvan, dat het plan van Ayrton in beginsel was

aangenomen.

"En denkt gij nu ook niet, John!" ging hij voort, "dat de voorzigtigheid

gebiedt aldus te handelen, en aan de oevers der rivier te blijven om de

vervoermiddelen af te wachten?"

"Ja!" antwoordde John Mangles, "wanneer het althans onzen bode gelukt de

Sneeuwrivier over te komen, die wij zelven niet over kunnen komen!"

Men zag den bootsman aan, die glimlachte als iemand, die zeker is van

zijn zaak.

"De bode behoeft de rivier niet over!" zeide hij.

"Wat!" riep John Mangles.

"Hij moet eenvoudig den weg van Lucknow opzoeken, die hem regel regt

naar Melbourne zal brengen."

"Twee honderd vijftig mijlen te voet af te leggen!" riep de jonge

kapitein.

"Te paard!" verbeterde Ayrton. "Nog één goed paard is er over. Het is

het werk van een dag of vier. Voeg daarbij twee dagen voor den togt van

de _Duncan_ naar de baai, vier en twintig uren om in de legerplaats

terug te komen, en binnen een week is de bode met de matrozen terug."

De majoor keurde met een hoofdknik het gezegde van Ayrton goed, tot

groote verwondering van John Mangles. Maar het voorstel van den bootsman

was met algemeene stemmen aangenomen, en alleen de uitvoering ontbrak

nog aan dit waarlijk goed beraamde plan.

"En nu, vrienden!" zeide Glenarvan, "moeten wij nog maar onzen bode

kiezen. Ik wil niet ontveinzen, dat hij een moeijelijke en gevaarlijke

zending zal hebben. Wie zal zich voor zijn reisgenooten opofferen en

onze bevelen naar Melbourne overbrengen?"

Wilson, Mulrady, John Mangles, Paganel, zelfs Robert, boden zich

terstond aan. John drong er vooral sterk op aan, dat die zending hem zou

toevertrouwd worden. Maar Ayrton, die tot nog toe gezwegen had, vatte nu

het woord op en zeide:

"Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken. Ik ben met deze

streken bekend. Meermalen heb ik moeijelijker gewesten doorkruist. Ik

weet mij te redden, waar een ander zou blijven steken. In het algemeen

belang eisch ik dus het regt om mij naar Melbourne te begeven. Een enkel

woord zal mij bij uw eersten stuurman geloof doen vinden, en ik maak mij

sterk de _Duncan_ binnen zes dagen in de Twofold-baai te brengen."

"Goed gesproken," antwoordde Glenarvan. "Gij zijt een schrander en

moedig man, Ayrton! en zult slagen."

De bootsman was buiten kijf geschikter dan iemand anders om die

moeijelijke zending te vervullen. Allen begrepen dit en zwegen. John

Mangles alleen kwam nog met een tegenwerping voor den dag, zeggende: dat

de tegenwoordigheid van Ayrton noodig was om de sporen van de

_Britannia_ of van Harry Grant terug te vinden. Maar de majoor merkte

aan, dat het gezelschap tot de terugkomst van Ayrton aan de oevers der

Sneeuwrivier zou wachten, dat de bedoeling niet was zonder hem die

gewigtige nasporingen te hervatten, en dat bij gevolg zijn afwezigheid

de belangen van den kapitein volstrekt niet zou benadeelen.

"Welnu, vertrek, Ayrton!" zeide Glenarvan; "haast u en kom over Eden in

onze legerplaats aan de Sneeuwrivier terug."

Een glans van tevredenheid schitterde in de oogen van den bootsman. Hij

wendde het hoofd om, maar hoe snel die beweging ook plaats had, toch had

John Mangles dien glans opgemerkt. Alleen uit instinct voelde John zijn

wantrouwen tegen Ayrton toenemen.

De bootsman maakte dan zijn toebereidselen voor zijn vertrek met behulp

van de twee matrozen, waarvan de eene voor zijn paard en de ander voor

zijn levensmiddelen zorgde. Intusschen schreef Glenarvan den brief voor

Tom Austin.

Hij beval den eersten stuurman zich onverwijld naar de Twofold-baai te

begeven. Hij beval hem den bootsman aan als iemand, dien hij volkomen

kon vertrouwen. Aan de kust gekomen moest Austin een afdeeling der

matrozen van het jagt onder bevel van Ayrton stellen....

Zoover was Glenarvan met zijn brief gekomen, toen Mac Nabbs, die hem

over zijn schouders las, op een vreemden toon vroeg, hoe hij den naam

van Ayrton schreef.

"Wel, zooals hij uitgesproken wordt," antwoordde Glenarvan.

"Dat is verkeerd," hernam de majoor bedaard; "hij wordt Ayrton

uitgesproken, maar Ben Joyce geschreven!"

[1] 37 uren gaans.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 24 / 29 题