De australische Alpen.
Een ontzaggelijke slagboom versperde in het zuid-oosten den weg. Het was
de keten der australische Alpen, een groote verdedigingslijn, wier
grillige gordijnen zich over een lengte van vijftien honderd mijlen
uitstrekken, en de wolken op een hoogte van vier duizend voet stuiten.
De betrokken lucht was oorzaak, dat de warmte eerst getemperd door den
digten sluijer der dampen den grond bereikte. De temperatuur was dus
dragelijk, maar de togt over den hoogst ongelijken bodem zeer
moeijelijk. Het rijzen van den bodem werd telkens zigtbaarder. Hier en
daar vertoonden zich eenige heuvels, met jonge groene gomboomen beplant.
Verderop vormden die sterk in het oog loopende hoogten de voorloopers
der groote Alpen. Aanhoudend moest men stijgen, hetgeen vooral zigtbaar
was aan de krachtsinspanning der ossen, wier juk kraakte door het
trekken van den zwaren wagen; zij hijgden en de spieren hunner pooten
stonden zoo gespannen, dat ze dreigden te breken. De planken van het
voertuig kraakten door het zware stooten, hetgeen Ayrton, hoe bekwaam
hij ook was, niet kon voorkomen. De dames schikten zich gewillig in haar
lot.
John Mangles en zijn beide matrozen waren eenige honderden schreden
vooruit om den weg te verkennen; zij kozen de begaanbare wegen, om niet
te zeggen de engten, want al die bulten van den bodem waren evenveel
klippen, waartusschen de wagen het beste vaarwater moest kiezen. Het was
dus een echte zeereis over die deinende gronden.
De taak was moeijelijk, soms gevaarlijk. Menigmaal moest Wilson met zijn
bijl een doortogt banen door digte heesterboschjes. De kleiachtige en
vochtige bodem zonk weg onder hun voeten. De weg werd verlengd door
duizend omwegen, die onoverkomelijke hinderpalen, hooge granietblokken,
diepe holle wegen, gevaarlijke ondiepten hen noodzaakten te maken. Tegen
den avond waren zij dan ook naauwelijks een halven graad gevorderd. Men
legerde zich aan den voet der Alpen, aan den oever der kreek Cobongra,
aan den zoom eener kleine vlakte met vier voet hooge heesters bedekt,
wier ligt roode bladeren het oog streelden.
"Er staan ons nog heel wat moeijelijkheden te wachten," zeide Glenarvan
met het oog op de bergketen, wier schaduwbeeld reeds verdween in de
duisternis van den nacht. "Alpen! die naam geeft stof tot denken!"
"Daar valt wel wat op af te dingen," antwoordde hem Paganel. "Gij moet
niet denken, waarde Glenarvan! dat een geheel Zwitserland voor ons ligt.
Er zijn in Australië Grampians, Pyreneën, Alpen, Blaauwe bergen, evenals
in Europa en Amerika, maar in het klein. Dat bewijst alleen, dat de
verbeeldingskracht der aardrijkskundigen niet onuitputtelijk is, of dat
de taal der eigennamen zeer arm is."
"Die australische Alpen dus?..." vroeg lady Helena.
"Zijn bergen, die wij wel in onzen zak kunnen steken," antwoordde
Paganel. "Wij zullen er over zijn, voor wij het weten."
"Zeg _ik_ in plaats van _wij_!" zeide de majoor. "Wel moet men een
verstrooid man wezen om een bergketen over te trekken, zonder het te
merken."
"Verstrooid!" riep Paganel. "Maar ik ben niet verstrooid meer. Ik beroep
mij op deze dames. Heb ik niet mijn woord gehouden van het oogenblik af,
dat ik den voet op het vastland heb gezet? Heb ik een enkele
verstrooidheid begaan? Heeft men mij een enkele dwaling te verwijten?"
"Geen enkele, mijnheer Paganel!" zeide Mary Grant. "Gij zijt thans de
volmaaktste aller mannen."
"Al te volmaakt!" voegde lady Helena er lagchend bij. "Uw verstrooidheid
stond u zoo goed."
"Niet waar, mevrouw?" antwoordde Paganel. "Wanneer ik geen gebrek meer
heb, zal ik een man worden als ieder ander. Daarom hoop ik maar, dat ik
spoedig de een of andere dwaasheid zal begaan, waarover gij hartelijk
zult lagchen. Ziet ge, wanneer ik mij niet vergis, komt het mij voor,
dat mij iets ontbreekt."
In weerwil van de verzekeringen van den goedgeloovigen aardrijkskundige
kostte het den volgenden dag, den 9den Januarij, het kleine gezelschap
verbazend veel moeite om in de Alpen door te dringen. Op goed geluk af
moest men voortgaan en zich in naauwe en diepe kloven wagen, die wel
eens zonder uitgang konden zijn.
Ayrton zou zeker in groote verlegenheid geweest zijn, als hij niet
onverwachts na een uur op weg geweest te zijn een herberg, een ellendige
kroeg had aangetroffen op een der bergpaden.
"Drommels," riep Paganel, "de kastelein van deze tapperij zal hier ook
geen fortuin maken! Welk nut kan hij hier doen?"
"Ons de noodige aanwijzingen geven nopens den weg," antwoordde
Glenarvan. "Wij zullen eens binnengaan."
Door Ayrton gevolgd overschreed Glenarvan den drempel der herberg. De
kastelein uit "de herberg in het bosch,"--zooals op het uithangbord
stond te lezen,--was een ruwe kerel met een terugstootend uiterlijk, die
zeker zelf de beste klant was voor de jenever, brandewijn en whisky van
zijn kroeg. Hij zag zelden iemand anders dan reizende squatters of
eenige veedrijvers.
Hij antwoordde tamelijk norsch op de vragen, die hem gedaan werden. Maar
zijn antwoorden waren toch voldoende om Ayrton op den regten weg te
brengen. Glenarvan betaalde den kastelein eenige kroonen voor zijn
gedane moeite, en wilde de herberg weder uitgaan, toen een op den muur
geplakte verordening zijn aandacht trok.
Het was een kennisgeving van de koloniale politie. Ze berigtte de
ontsnapping der gedeporteerden uit Perth, en stelde een prijs op het
hoofd van Ben Joyce. Honderd pond sterling werden uitgeloofd aan
dengenen, die hem in handen der politie zou leveren.
"Die ellendeling verdient ten volle de galg," zeide Glenarvan tegen den
bootsman.
"En het is de moeite waard hem te pakken!" antwoordde Ayrton. "Honderd
pond! Een heele som! Hij is zooveel niet waard."
"Ik vertrouw dien kastelein maar half, ondanks zijn verordening," voegde
Glenarvan er bij.
"Ik ook niet," antwoordde Ayrton.
Glenarvan en de bootsman begaven zich weder naar den wagen. Men rigtte
zich naar het punt, waar de weg van Lucknow ophoudt. Daar slingerde
bergop een naauw pad. Men begon te klimmen.
De bestijging was uiterst moeijelijk. Meer dan eens stapten de dames en
haar reismakkers af. Men was verpligt het lompe voertuig te helpen en
voort te duwen, het dikwijls tegen te houden op gevaarlijke schuinten,
de ossen af te spannen, die weinig nut konden doen bij de onverwachte
krommingen van den weg, den wagen te remmen, die gevaar liep achteruit
te rollen, en meer dan eens moest Ayrton de hulp der paarden inroepen,
die reeds afgemat waren door de moeite, die zij moesten doen, om zelven
zich op te hijschen.
Kwam het door die aanhoudende vermoeijenis of door iets anders, maar
dien dag bezweek een der paarden. Het viel op eens neder, zonder dat
eenig voorteeken dit ongeluk had doen verwachten. Het was het paard van
Mulrady, en toen deze het wilde overeind helpen, bleek het, dat het dood
was.
"Er is zeker een bloedvat bij dit dier gesprongen," zeide Glenarvan.
"Denkelijk wel," antwoordde Ayrton.
"Neem mijn paard, Mulrady!" voegde Glenarvan er bij, "ik ga bij lady
Helena in den wagen."
Mulrady gehoorzaamde, het kleine gezelschap zette zijn moeijelijke
beklimming voort, en liet het lijk van het dier ter prooi aan de raven.
De keten der australische Alpen is niet breed, nog geen acht mijlen.
Wanneer dus de weg, door Ayrton gekozen, op de oostelijke helling
uitliep, konden zij over twee dagen aan gene zijde van dien hoogen
slagboom zijn. Dan waren er tot aan zee toe geen onoverkomelijke
hinderpalen, geen moeijelijke wegen meer te wachten.
Den 10den bereikten de reizigers het hoogste punt van den weg, omstreeks
twee duizend voet. Zij waren op een ruim bergvlak, van waar zij een
grooten omtrek konden overzien. In het noorden spiegelde het stille
water van het Omeo-meer, dat van watervogels wemelde, en nog verder de
uitgestrekte vlakten van de Murray. Ten zuiden strekten zich de
grasrijke streken, de goudgronden en de hooge bosschen van Gippsland
uit, dat nog in zijn natuurstaat scheen te verkeeren. Daar was de natuur
nog meesteres over de voortbrengselen, over den loop der wateren, over
de groote nog ongeschonden boomen, en durfden de squatters, die hier nog
weinig in getal waren, niet met haar worstelen. Het scheen, dat deze
Alpenketen twee verschillende landen scheidde, waarvan het eene zijn
oorspronkelijke wildheid had behouden. De zon ging juist onder, en
eenige stralen, die door de roodgekleurde wolken boorden, verhelderden
de tinten van het district Murray. Gippsland daarentegen, achter den
bergwand verscholen, was in het duister gehuld, en men zou gezegd
hebben, dat de schaduw dit geheele transalpijnsche gewest in een vroegen
nacht dompelde. De toeschouwers, tusschen die twee zoo scherp gescheiden
landen geplaatst, voelden levendig die tegenstelling, en een zekere
ontroering greep hen aan op het gezigt van dat bijna onbekende gewest,
dat zij tot aan de grenzen van Victoria moesten doortrekken.
De nacht werd op het bergvlak doorgebragt. Den volgenden morgen begon de
afdaling, die vrij spoedig in haar werk ging. Een allergeweldigste
hagelbui overviel de reizigers en dwong hen een schuilplaats onder
rotsblokken te zoeken. Het waren geen hagelsteenen, maar echte stukken
ijs, zoo groot als een hand, die uit de van onweer zwangere wolken
vielen. Met een slinger had men ze niet met meer kracht kunnen werpen,
en eenige zware kneuzingen deden Paganel en Robert begrijpen, dat ze
zich uit de voeten moesten maken. De wagen werd op verscheidene plaatsen
doorboord en weinige daken zouden bestand zijn geweest tegen den val
dier scherpe stukken ijs, waarvan sommige in de stammen der boomen
bleven vastzitten. Op straffe van gesteenigd te worden moest men het
einde dier ontzettende bui afwachten. Ze hield omtrent een uur aan, en
het gezelschap keerde weder naar de hellende rotsen terug, die nog
glibberig waren van de smeltende hagelsteenen.
Tegen den avond bereikte de wagen, wel zeer gehavend en op vele plaatsen
losgeraakt, maar nog stevig rustende op zijn houten schijven, de laatste
uitloopers der Alpen, bedekt met hooge alleenstaande pijnboomen. De
engte liep uit op de vlakten van Gippsland. De Alpenketen was gelukkig
overgetrokken, en de gewone toebereidselen voor het nachtverblijf werden
gemaakt.
Zoodra de zon den 12den opging werd de reis met nieuwen moed hervat. Een
ieder wenschte vurig het doel te bereiken, dat wil zeggen de Stille
Zuidzee, op dezelfde plek, waar de _Britannia_ vergaan was. Daar alleen
kon met vrucht het spoor der schipbreukelingen gezocht worden, en niet
in die woeste streken van Gippsland. Daarom drong Ayrton er ook op aan,
dat lord Glenarvan bevel zou zenden aan de _Duncan_ om aan de kust te
komen, ten einde alle middelen ter opsporing bij de hand te hebben.
Zijns inziens moest men van den weg van Lucknow naar Melbourne gebruik
maken. Later zou dat moeijelijk gaan; want er zou volslagen gebrek komen
aan regtstreeksche gemeenschap met de hoofdstad.
Die aanbevelingen van den bootsman hadden den schijn voor zich. Paganel
ried aan er gevolg aan te geven. Hij meende ook, dat de aanwezigheid van
het jagt in zulk een geval zeer nuttig kon zijn, en voegde er bij, dat
men geen gemeenschap met Melbourne meer zou kunnen onderhouden, als men
den weg van Lucknow over was.
Glenarvan was besluiteloos, en misschien zou hij die bevelen, waarop
Ayrton zoo bepaald aandrong, afgezonden hebben, als de majoor zich niet
krachtig tegen dat besluit had verzet. Hij toonde aan, dat Ayrton niet
gemist kon worden, dat hij bekend was met de kuststreek, dat, mogt het
toeval de karavaan op het spoor van Harry Grant brengen, de bootsman
beter dan iemand anders in staat zijn zou het te volgen, ten laatste dat
hij alleen de plaats kon aangeven, waar de _Britannia_ was vergaan.
Mac Nabbs stemde dus voor de voortzetting der reis, zonder iets aan het
plan te veranderen. Hij vond een bondgenoot in John Mangles, die zijn
gevoelen deelde. De jonge kapitein merkte zelfs op, dat de bevelen
Zijner Edelheid gemakkelijker de _Duncan_ zouden bereiken, wanneer zij
uit de Twofold-baai werden afgezonden, dan wanneer zij door
tusschenkomst van een bode werden overgebragt, die twee honderd mijlen
van een woest land zou moeten doortrekken.
Deze meening behield de overhand. Er werd besloten, dat er niet
gehandeld zou worden voor de Twofold-baai bereikt was. De majoor hield
Ayrton in het oog, die zeer teleurgesteld scheen. Maar hij zeide er
niets van, en volgens zijn gewoonte hield hij zijn gedachten voor zich.
De vlakten, die zich aan den voet der australische Alpen uitstrekken,
waren effen, met een geringe helling naar het oosten. Groote boschjes
mimosa's en allerlei gomboomen braken hier en daar de eentoonige
eenvormigheid af. De "gastrolobium grandiflorum" bedekte den bodem met
zijn struiken met schitterende bloemen. Eenige onbeduidende stroompjes,
niet meer dan beekjes met laag riet omzoomd en met standelkruiden
begroeid, doorsneden dikwijls den weg. Zij werden doorwaad. In de verte
vlugtten benden trapganzen en kasuarissen op de nadering der reizigers.
Kangoeroes sprongen als een troep elastieke poppen boven de heesters
uit. Maar de jagers onder het gezelschap dachten volstrekt niet aan de
jagt, en hun paarden konden die onnoodige vermoeijenis zeer goed missen.
Ook hing er eene zwoele lucht over de landstreek. De dampkring was
verzadigd met electriciteit. Dieren en menschen ondervonden zijn
invloed. Zij trokken loom en lusteloos verder. De stilte werd alleen
verstoord door het geschreeuw, waarmede Ayrton zijn aamechtig span
aanzette.
Tusschen twaalf en twee ure trok men door een aardig bosch van varens,
dat de bewondering van minder afgematte lieden zou gaande gemaakt
hebben. Die boomvormige planten, welke in vollen bloei stonden,
bereikten een hoogte van wel dertig voet. Paarden en ruiters trokken op
hun gemak onder de afhangende takken door, en soms rammelden de
radertjes der sporen, wanneer ze tegen hun houtachtigen stengel stieten.
Onder die onbewegelijke zonneschermen heerschte een koelte, waarover
niemand klaagde.
Jacques Paganel, die er van hield zijn hart lucht te geven, zuchtte van
tevredenheid, en deed daardoor scharen papegaaijen en kakatoes
opvliegen. Het was een concert van oorverdoovend geschreeuw.
De aardrijkskundige schreeuwde en jubelde hoe langer hoe luider, toen
zijn reisgenooten hem op eens op zijn paard zagen wankelen en als een
klomp lood op den grond vallen. Was soms een bezwijming of erger nog een
verstikking, door den hoogen warmtegraad veroorzaakt, hiervan de
oorzaak?
Men snelde naar hem toe.
"Paganel! Paganel! wat scheelt u?" riep Glenarvan.
"Mij scheelt, waarde vriend! mij scheelt, dat ik geen paard meer heb,"
antwoordde Paganel, terwijl hij zijn voeten uit de stijgbeugels
losmaakte.
"Wat! uw paard?"
"Dood, morsdood, evenals dat van Mulrady!"
Glenarvan, John Mangles, Wilson onderzochten het dier. Paganel had zich
niet vergist. Zijn paard was plotseling dood gebleven.
"Dat is vreemd!" zeide John Mangles.
"Ja, wel vreemd!" mompelde de majoor.
Dit nieuwe ongeluk maakte Glenarvan zeer bekommerd. In deze woestijn
waren geen andere paarden te krijgen. En ontstond er soms een
besmettelijke ziekte onder hun paarden, dan zou het hem zeer moeijelijk
vallen den togt voort te zetten.
De dag was nog niet om, of het woord "besmettelijke ziekte" scheen
bewaarheid te zullen worden. Een derde paard, dat van Wilson viel dood,
en, wat nog erger was, ook een der ossen bezweek. De trek- en rijdieren
bestonden nu maar uit drie ossen en vier paarden.
De toestand werd bedenkelijk. De van hun paarden beroofde ruiters konden
des noods te voet gaan. Vele squatters hadden dit reeds in die
onbewoonde streken gedaan. Maar wat zou er van de reizigsters worden,als
men den wagen moest achterlaten? Konden die de honderd twintig mijlen,
die hen nog van de Twofold-baai scheidden, te voet afleggen?
Hoogst ongerust onderzoeken John Mangles en Glenarvan de nog
overgebleven paarden. Misschien kan men nieuwe ongelukken voorkomen. Uit
dit onderzoek bleek, dat er geen enkel teeken van ziekte of zwakheid te
bespeuren was. Deze dieren waren volkomen gezond en stonden de
vermoeijenissen der reis wakker door. Glenarvan hoopte dus, dat die
vreemde besmettelijke ziekte geen andere offers meer zou eischen.
Ook Ayrton was van dat gevoelen. Hij verklaarde tevens niets te
begrijpen van die plotselinge sterfgevallen.
De togt werd hervat. De wagen diende tot rijtuig voor de voetgangers,
die er elk op hun beurt in uitrustten. Na een marsch van slechts tien
mijlen werd 's avonds het sein om halt te houden gegeven en de
legerplaats in orde gebragt. De nacht ging in ongestoorde rust voorbij
onder een groot bosch van boomvormige varens, waarin ontzaggelijke
vleermuizen rondfladderden, die hun naam van roode vliegende maki met
regt droegen.
De volgende dag, zijnde de 13de Januarij, was bij uitstek goed. De
ongelukken van den vorigen herhaalden zich niet. De gezondheidstoestand
van het reisgezelschap bleef bevredigend. Paarden en ossen volbragten
met lust hun werk. Het salon van lady Helena was zeer levendig, door het
aantal gaande en komende bezoekers. Olbinett was druk in de weer met de
ververschingen rond te laten gaan, die een warmte van dertig graden
noodig maakte. Een half vaatje schotsche ale werd geheel leeggedronken.
Barclay en Cie werd de grootste man van geheel Engeland genoemd, zelfs
grooter dan Wellington, die nooit zulk lekker bier had gebrouwen. Een
gevolg van de eigenliefde der Schotten. Jacques Paganel dronk veel en
redeneerde nog meer _de omni re scibili et quibusdam aliis_.
Een zoo goed begin beloofde ook een goed einde van den dag. Men had ruim
vijftien mijlen afgelegd in een vrij bergachtig land met een
roodkleurigen bodem. Men mogt zich dus vleijen dienzelfden avond nog aan
de oevers der Sneeuw-rivier, een belangrijke rivier, die zich in het
zuiden van Victoria in de Stille Zuidzee werpt, de legerplaats te
betrekken. Weldra maakten de wielen van den wagen hun spoor in groote
vlakten van zwartachtigen aangeslibden grond, tusschen boschjes
weelderig gras en nieuwe velden met gastrolobium begroeid. Het werd
avond, en een nevel, die aan den gezigteinder oprees, wees duidelijk den
loop der Sneeuwrivier aan. Met veel moeite kwam men nog eenige mijlen
verder. Een bosch van hooge boomen verhief zich bij een hoek van den
weg, achter een geringe verhevenheid van den grond. Ayrton mende zijn
ossen, van wie reeds zooveel gevergd was, tusschen de groote, in de
schaduw bijna niet zigtbare boomstammen door, en was reeds over den zoom
van het bosch, maar een halve mijl van de rivier af, toen de wagen op
eens tot aan de as in den modder zakte.
"Geeft acht!" riep hij den ruiters toe, die hem volgden.
"Wat gebeurt er dan?" vroeg Glenarvan.
"Wij zitten in den modder vast," antwoordde Ayrton.
Met de stem en den prikkel zette hij zijn ossen aan, die tot aan de
knieën in den modder zittende, zich niet konden bewegen.
"Wij moesten hier van nacht maar blijven," zeide John Mangles.
"Dat is het beste wat wij doen kunnen," antwoordde Ayrton. "Morgen,
wanneer het dag is, kunnen wij beter zien, hoe wij er uitkomen."
"Halt!" riep Glenarvan.
Na een korte schemering werd het volkomen duister; maar de warmte was
niet met het licht geweken. De lucht was stikkend heet. Aan den
gezigteinder flikkerden eenige weerlichten, de oogverblindende
weerkaatsing van een verwijderd onweder.
Het nachtverblijf werd in orde gebragt. Zoo goed en kwaad het ging,
behielp men zich in den vastzittenden wagen. De donkere koepel der
groote boomen beschutte de tent der reizigers. Mits het maar niet begon
te regenen, hadden zij geen reden om te klagen.
Niet zonder moeite haalde Ayrton zijn drie ossen uit den drassigen
bodem. Die moedige dieren zaten er tot den buik in. De bootsman joeg ze
met de vier paarden in een beslotene ruimte en vertrouwde aan niemand de
zorg toe om voeder voor hen uit te kiezen. Dat werk verrigtte hij met
veel overleg, en Glenarvan merkte op, dat hij dien avond zijn zorg nog
verdubbelde, waarvoor hij hem hartelijk bedankte, want het behoud der
trekdieren was van overwegend belang.
Inmiddels gebruikten de reizigers een korten avondmaaltijd. Vermoeidheid
en warmte verdreven den honger. Zij hadden geen behoefte aan voedsel,
maar aan rust. Na haar reisgenooten goeden nacht te hebben gewenscht,
zochten lady Helena en miss Grant haar gewone legerstede op. Wat de
mannen aangaat, sommigen kropen onder de tent, anderen gingen liever aan
den voet der boomen in het digte gras liggen, hetgeen men in die gezonde
landen gerust kan doen.
Langzamerhand vielen allen in een diepen slaap. De duisternis nam toe
onder een gordijn van dikke wolken, dat den geheelen hemel bedekte. Geen
windje was er aan de lucht. De stilte van den nacht werd slechts
afgebroken door het gekras van den "morepork," die met verrassende
juistheid de kleine terts aangaf, evenals de treurige koekoeken van
Europa.
Na een zwaren en vermoeijenden slaap werd de majoor tegen elf ure
wakker. Een flaauw licht, dat zich onder de groote boomen bewoog, trof
zijn half geslotene oogen. Men zou het voor een witachtig vlak, zoo
spiegelend als het water van een meer, hebben kunnen houden, en Mac
Nabbs geloofde eerst, dat het het schijnsel van een ontstaanden brand
was, dat zich over den grond voortplantte.
Hij rees op en liep naar het bosch. Hij stond zeer verbaasd, toen hij
daar een zuiver natuurverschijnsel voor zich zag. Een onafzienbaar veld
met paddestoelen, die dat licht gaven, strekte zich voor hem uit. De
lichtgevende kiemkorrels dier bedekt bloeijende planten straalden met
zekere kracht in de duisternis[1].
De majoor, die geen egoïst was, wilde Paganel wekken, opdat de geleerde
dit verschijnsel met eigen oogen mogt waarnemen, toen een zeker voorval
hem hiervan deed afzien.
Het phosphorisch licht bescheen het bosch over een ruimte van een halve
mijl, en Mac Nabbs verbeeldde zich, dat hij snel eenige schaduwen langs
den verlichten zoom zag glijden. Bedrogen hem zijn oogen? Was hij de
speelbal van een gezigtsbedrog?
Mac Nabbs ging op den grond liggen, en oplettend rondziende bemerkte bij
duidelijk verscheidene menschen, die beurtelings bukkende en opstaande
nog versche sporen op den grond schenen te zoeken.
Hij moest en zou weten, wat die menschen zochten.
De majoor aarzelde niet, en zonder zijn reisgenooten wakker te maken,
kroop hij als een wilde uit de prairiën over den grond en verdween in
het hooge gras.
[1] Dit feit was reeds door Drummond in Australië waargenomen, en wel
bij paddestoelen, die tot de familie van de _Agaricus olearicus_
schijnen te behooren.