XVIII.

De australische Alpen.

Een ontzaggelijke slagboom versperde in het zuid-oosten den weg. Het was

de keten der australische Alpen, een groote verdedigingslijn, wier

grillige gordijnen zich over een lengte van vijftien honderd mijlen

uitstrekken, en de wolken op een hoogte van vier duizend voet stuiten.

De betrokken lucht was oorzaak, dat de warmte eerst getemperd door den

digten sluijer der dampen den grond bereikte. De temperatuur was dus

dragelijk, maar de togt over den hoogst ongelijken bodem zeer

moeijelijk. Het rijzen van den bodem werd telkens zigtbaarder. Hier en

daar vertoonden zich eenige heuvels, met jonge groene gomboomen beplant.

Verderop vormden die sterk in het oog loopende hoogten de voorloopers

der groote Alpen. Aanhoudend moest men stijgen, hetgeen vooral zigtbaar

was aan de krachtsinspanning der ossen, wier juk kraakte door het

trekken van den zwaren wagen; zij hijgden en de spieren hunner pooten

stonden zoo gespannen, dat ze dreigden te breken. De planken van het

voertuig kraakten door het zware stooten, hetgeen Ayrton, hoe bekwaam

hij ook was, niet kon voorkomen. De dames schikten zich gewillig in haar

lot.

John Mangles en zijn beide matrozen waren eenige honderden schreden

vooruit om den weg te verkennen; zij kozen de begaanbare wegen, om niet

te zeggen de engten, want al die bulten van den bodem waren evenveel

klippen, waartusschen de wagen het beste vaarwater moest kiezen. Het was

dus een echte zeereis over die deinende gronden.

De taak was moeijelijk, soms gevaarlijk. Menigmaal moest Wilson met zijn

bijl een doortogt banen door digte heesterboschjes. De kleiachtige en

vochtige bodem zonk weg onder hun voeten. De weg werd verlengd door

duizend omwegen, die onoverkomelijke hinderpalen, hooge granietblokken,

diepe holle wegen, gevaarlijke ondiepten hen noodzaakten te maken. Tegen

den avond waren zij dan ook naauwelijks een halven graad gevorderd. Men

legerde zich aan den voet der Alpen, aan den oever der kreek Cobongra,

aan den zoom eener kleine vlakte met vier voet hooge heesters bedekt,

wier ligt roode bladeren het oog streelden.

"Er staan ons nog heel wat moeijelijkheden te wachten," zeide Glenarvan

met het oog op de bergketen, wier schaduwbeeld reeds verdween in de

duisternis van den nacht. "Alpen! die naam geeft stof tot denken!"

"Daar valt wel wat op af te dingen," antwoordde hem Paganel. "Gij moet

niet denken, waarde Glenarvan! dat een geheel Zwitserland voor ons ligt.

Er zijn in Australië Grampians, Pyreneën, Alpen, Blaauwe bergen, evenals

in Europa en Amerika, maar in het klein. Dat bewijst alleen, dat de

verbeeldingskracht der aardrijkskundigen niet onuitputtelijk is, of dat

de taal der eigennamen zeer arm is."

"Die australische Alpen dus?..." vroeg lady Helena.

"Zijn bergen, die wij wel in onzen zak kunnen steken," antwoordde

Paganel. "Wij zullen er over zijn, voor wij het weten."

"Zeg _ik_ in plaats van _wij_!" zeide de majoor. "Wel moet men een

verstrooid man wezen om een bergketen over te trekken, zonder het te

merken."

"Verstrooid!" riep Paganel. "Maar ik ben niet verstrooid meer. Ik beroep

mij op deze dames. Heb ik niet mijn woord gehouden van het oogenblik af,

dat ik den voet op het vastland heb gezet? Heb ik een enkele

verstrooidheid begaan? Heeft men mij een enkele dwaling te verwijten?"

"Geen enkele, mijnheer Paganel!" zeide Mary Grant. "Gij zijt thans de

volmaaktste aller mannen."

"Al te volmaakt!" voegde lady Helena er lagchend bij. "Uw verstrooidheid

stond u zoo goed."

"Niet waar, mevrouw?" antwoordde Paganel. "Wanneer ik geen gebrek meer

heb, zal ik een man worden als ieder ander. Daarom hoop ik maar, dat ik

spoedig de een of andere dwaasheid zal begaan, waarover gij hartelijk

zult lagchen. Ziet ge, wanneer ik mij niet vergis, komt het mij voor,

dat mij iets ontbreekt."

In weerwil van de verzekeringen van den goedgeloovigen aardrijkskundige

kostte het den volgenden dag, den 9den Januarij, het kleine gezelschap

verbazend veel moeite om in de Alpen door te dringen. Op goed geluk af

moest men voortgaan en zich in naauwe en diepe kloven wagen, die wel

eens zonder uitgang konden zijn.

Ayrton zou zeker in groote verlegenheid geweest zijn, als hij niet

onverwachts na een uur op weg geweest te zijn een herberg, een ellendige

kroeg had aangetroffen op een der bergpaden.

"Drommels," riep Paganel, "de kastelein van deze tapperij zal hier ook

geen fortuin maken! Welk nut kan hij hier doen?"

"Ons de noodige aanwijzingen geven nopens den weg," antwoordde

Glenarvan. "Wij zullen eens binnengaan."

Door Ayrton gevolgd overschreed Glenarvan den drempel der herberg. De

kastelein uit "de herberg in het bosch,"--zooals op het uithangbord

stond te lezen,--was een ruwe kerel met een terugstootend uiterlijk, die

zeker zelf de beste klant was voor de jenever, brandewijn en whisky van

zijn kroeg. Hij zag zelden iemand anders dan reizende squatters of

eenige veedrijvers.

Hij antwoordde tamelijk norsch op de vragen, die hem gedaan werden. Maar

zijn antwoorden waren toch voldoende om Ayrton op den regten weg te

brengen. Glenarvan betaalde den kastelein eenige kroonen voor zijn

gedane moeite, en wilde de herberg weder uitgaan, toen een op den muur

geplakte verordening zijn aandacht trok.

Het was een kennisgeving van de koloniale politie. Ze berigtte de

ontsnapping der gedeporteerden uit Perth, en stelde een prijs op het

hoofd van Ben Joyce. Honderd pond sterling werden uitgeloofd aan

dengenen, die hem in handen der politie zou leveren.

"Die ellendeling verdient ten volle de galg," zeide Glenarvan tegen den

bootsman.

"En het is de moeite waard hem te pakken!" antwoordde Ayrton. "Honderd

pond! Een heele som! Hij is zooveel niet waard."

"Ik vertrouw dien kastelein maar half, ondanks zijn verordening," voegde

Glenarvan er bij.

"Ik ook niet," antwoordde Ayrton.

Glenarvan en de bootsman begaven zich weder naar den wagen. Men rigtte

zich naar het punt, waar de weg van Lucknow ophoudt. Daar slingerde

bergop een naauw pad. Men begon te klimmen.

De bestijging was uiterst moeijelijk. Meer dan eens stapten de dames en

haar reismakkers af. Men was verpligt het lompe voertuig te helpen en

voort te duwen, het dikwijls tegen te houden op gevaarlijke schuinten,

de ossen af te spannen, die weinig nut konden doen bij de onverwachte

krommingen van den weg, den wagen te remmen, die gevaar liep achteruit

te rollen, en meer dan eens moest Ayrton de hulp der paarden inroepen,

die reeds afgemat waren door de moeite, die zij moesten doen, om zelven

zich op te hijschen.

Kwam het door die aanhoudende vermoeijenis of door iets anders, maar

dien dag bezweek een der paarden. Het viel op eens neder, zonder dat

eenig voorteeken dit ongeluk had doen verwachten. Het was het paard van

Mulrady, en toen deze het wilde overeind helpen, bleek het, dat het dood

was.

"Er is zeker een bloedvat bij dit dier gesprongen," zeide Glenarvan.

"Denkelijk wel," antwoordde Ayrton.

"Neem mijn paard, Mulrady!" voegde Glenarvan er bij, "ik ga bij lady

Helena in den wagen."

Mulrady gehoorzaamde, het kleine gezelschap zette zijn moeijelijke

beklimming voort, en liet het lijk van het dier ter prooi aan de raven.

De keten der australische Alpen is niet breed, nog geen acht mijlen.

Wanneer dus de weg, door Ayrton gekozen, op de oostelijke helling

uitliep, konden zij over twee dagen aan gene zijde van dien hoogen

slagboom zijn. Dan waren er tot aan zee toe geen onoverkomelijke

hinderpalen, geen moeijelijke wegen meer te wachten.

Den 10den bereikten de reizigers het hoogste punt van den weg, omstreeks

twee duizend voet. Zij waren op een ruim bergvlak, van waar zij een

grooten omtrek konden overzien. In het noorden spiegelde het stille

water van het Omeo-meer, dat van watervogels wemelde, en nog verder de

uitgestrekte vlakten van de Murray. Ten zuiden strekten zich de

grasrijke streken, de goudgronden en de hooge bosschen van Gippsland

uit, dat nog in zijn natuurstaat scheen te verkeeren. Daar was de natuur

nog meesteres over de voortbrengselen, over den loop der wateren, over

de groote nog ongeschonden boomen, en durfden de squatters, die hier nog

weinig in getal waren, niet met haar worstelen. Het scheen, dat deze

Alpenketen twee verschillende landen scheidde, waarvan het eene zijn

oorspronkelijke wildheid had behouden. De zon ging juist onder, en

eenige stralen, die door de roodgekleurde wolken boorden, verhelderden

de tinten van het district Murray. Gippsland daarentegen, achter den

bergwand verscholen, was in het duister gehuld, en men zou gezegd

hebben, dat de schaduw dit geheele transalpijnsche gewest in een vroegen

nacht dompelde. De toeschouwers, tusschen die twee zoo scherp gescheiden

landen geplaatst, voelden levendig die tegenstelling, en een zekere

ontroering greep hen aan op het gezigt van dat bijna onbekende gewest,

dat zij tot aan de grenzen van Victoria moesten doortrekken.

De nacht werd op het bergvlak doorgebragt. Den volgenden morgen begon de

afdaling, die vrij spoedig in haar werk ging. Een allergeweldigste

hagelbui overviel de reizigers en dwong hen een schuilplaats onder

rotsblokken te zoeken. Het waren geen hagelsteenen, maar echte stukken

ijs, zoo groot als een hand, die uit de van onweer zwangere wolken

vielen. Met een slinger had men ze niet met meer kracht kunnen werpen,

en eenige zware kneuzingen deden Paganel en Robert begrijpen, dat ze

zich uit de voeten moesten maken. De wagen werd op verscheidene plaatsen

doorboord en weinige daken zouden bestand zijn geweest tegen den val

dier scherpe stukken ijs, waarvan sommige in de stammen der boomen

bleven vastzitten. Op straffe van gesteenigd te worden moest men het

einde dier ontzettende bui afwachten. Ze hield omtrent een uur aan, en

het gezelschap keerde weder naar de hellende rotsen terug, die nog

glibberig waren van de smeltende hagelsteenen.

Tegen den avond bereikte de wagen, wel zeer gehavend en op vele plaatsen

losgeraakt, maar nog stevig rustende op zijn houten schijven, de laatste

uitloopers der Alpen, bedekt met hooge alleenstaande pijnboomen. De

engte liep uit op de vlakten van Gippsland. De Alpenketen was gelukkig

overgetrokken, en de gewone toebereidselen voor het nachtverblijf werden

gemaakt.

Zoodra de zon den 12den opging werd de reis met nieuwen moed hervat. Een

ieder wenschte vurig het doel te bereiken, dat wil zeggen de Stille

Zuidzee, op dezelfde plek, waar de _Britannia_ vergaan was. Daar alleen

kon met vrucht het spoor der schipbreukelingen gezocht worden, en niet

in die woeste streken van Gippsland. Daarom drong Ayrton er ook op aan,

dat lord Glenarvan bevel zou zenden aan de _Duncan_ om aan de kust te

komen, ten einde alle middelen ter opsporing bij de hand te hebben.

Zijns inziens moest men van den weg van Lucknow naar Melbourne gebruik

maken. Later zou dat moeijelijk gaan; want er zou volslagen gebrek komen

aan regtstreeksche gemeenschap met de hoofdstad.

Die aanbevelingen van den bootsman hadden den schijn voor zich. Paganel

ried aan er gevolg aan te geven. Hij meende ook, dat de aanwezigheid van

het jagt in zulk een geval zeer nuttig kon zijn, en voegde er bij, dat

men geen gemeenschap met Melbourne meer zou kunnen onderhouden, als men

den weg van Lucknow over was.

Glenarvan was besluiteloos, en misschien zou hij die bevelen, waarop

Ayrton zoo bepaald aandrong, afgezonden hebben, als de majoor zich niet

krachtig tegen dat besluit had verzet. Hij toonde aan, dat Ayrton niet

gemist kon worden, dat hij bekend was met de kuststreek, dat, mogt het

toeval de karavaan op het spoor van Harry Grant brengen, de bootsman

beter dan iemand anders in staat zijn zou het te volgen, ten laatste dat

hij alleen de plaats kon aangeven, waar de _Britannia_ was vergaan.

Mac Nabbs stemde dus voor de voortzetting der reis, zonder iets aan het

plan te veranderen. Hij vond een bondgenoot in John Mangles, die zijn

gevoelen deelde. De jonge kapitein merkte zelfs op, dat de bevelen

Zijner Edelheid gemakkelijker de _Duncan_ zouden bereiken, wanneer zij

uit de Twofold-baai werden afgezonden, dan wanneer zij door

tusschenkomst van een bode werden overgebragt, die twee honderd mijlen

van een woest land zou moeten doortrekken.

Deze meening behield de overhand. Er werd besloten, dat er niet

gehandeld zou worden voor de Twofold-baai bereikt was. De majoor hield

Ayrton in het oog, die zeer teleurgesteld scheen. Maar hij zeide er

niets van, en volgens zijn gewoonte hield hij zijn gedachten voor zich.

De vlakten, die zich aan den voet der australische Alpen uitstrekken,

waren effen, met een geringe helling naar het oosten. Groote boschjes

mimosa's en allerlei gomboomen braken hier en daar de eentoonige

eenvormigheid af. De "gastrolobium grandiflorum" bedekte den bodem met

zijn struiken met schitterende bloemen. Eenige onbeduidende stroompjes,

niet meer dan beekjes met laag riet omzoomd en met standelkruiden

begroeid, doorsneden dikwijls den weg. Zij werden doorwaad. In de verte

vlugtten benden trapganzen en kasuarissen op de nadering der reizigers.

Kangoeroes sprongen als een troep elastieke poppen boven de heesters

uit. Maar de jagers onder het gezelschap dachten volstrekt niet aan de

jagt, en hun paarden konden die onnoodige vermoeijenis zeer goed missen.

Ook hing er eene zwoele lucht over de landstreek. De dampkring was

verzadigd met electriciteit. Dieren en menschen ondervonden zijn

invloed. Zij trokken loom en lusteloos verder. De stilte werd alleen

verstoord door het geschreeuw, waarmede Ayrton zijn aamechtig span

aanzette.

Tusschen twaalf en twee ure trok men door een aardig bosch van varens,

dat de bewondering van minder afgematte lieden zou gaande gemaakt

hebben. Die boomvormige planten, welke in vollen bloei stonden,

bereikten een hoogte van wel dertig voet. Paarden en ruiters trokken op

hun gemak onder de afhangende takken door, en soms rammelden de

radertjes der sporen, wanneer ze tegen hun houtachtigen stengel stieten.

Onder die onbewegelijke zonneschermen heerschte een koelte, waarover

niemand klaagde.

Jacques Paganel, die er van hield zijn hart lucht te geven, zuchtte van

tevredenheid, en deed daardoor scharen papegaaijen en kakatoes

opvliegen. Het was een concert van oorverdoovend geschreeuw.

De aardrijkskundige schreeuwde en jubelde hoe langer hoe luider, toen

zijn reisgenooten hem op eens op zijn paard zagen wankelen en als een

klomp lood op den grond vallen. Was soms een bezwijming of erger nog een

verstikking, door den hoogen warmtegraad veroorzaakt, hiervan de

oorzaak?

Men snelde naar hem toe.

"Paganel! Paganel! wat scheelt u?" riep Glenarvan.

"Mij scheelt, waarde vriend! mij scheelt, dat ik geen paard meer heb,"

antwoordde Paganel, terwijl hij zijn voeten uit de stijgbeugels

losmaakte.

"Wat! uw paard?"

"Dood, morsdood, evenals dat van Mulrady!"

Glenarvan, John Mangles, Wilson onderzochten het dier. Paganel had zich

niet vergist. Zijn paard was plotseling dood gebleven.

"Dat is vreemd!" zeide John Mangles.

"Ja, wel vreemd!" mompelde de majoor.

Dit nieuwe ongeluk maakte Glenarvan zeer bekommerd. In deze woestijn

waren geen andere paarden te krijgen. En ontstond er soms een

besmettelijke ziekte onder hun paarden, dan zou het hem zeer moeijelijk

vallen den togt voort te zetten.

De dag was nog niet om, of het woord "besmettelijke ziekte" scheen

bewaarheid te zullen worden. Een derde paard, dat van Wilson viel dood,

en, wat nog erger was, ook een der ossen bezweek. De trek- en rijdieren

bestonden nu maar uit drie ossen en vier paarden.

De toestand werd bedenkelijk. De van hun paarden beroofde ruiters konden

des noods te voet gaan. Vele squatters hadden dit reeds in die

onbewoonde streken gedaan. Maar wat zou er van de reizigsters worden,als

men den wagen moest achterlaten? Konden die de honderd twintig mijlen,

die hen nog van de Twofold-baai scheidden, te voet afleggen?

Hoogst ongerust onderzoeken John Mangles en Glenarvan de nog

overgebleven paarden. Misschien kan men nieuwe ongelukken voorkomen. Uit

dit onderzoek bleek, dat er geen enkel teeken van ziekte of zwakheid te

bespeuren was. Deze dieren waren volkomen gezond en stonden de

vermoeijenissen der reis wakker door. Glenarvan hoopte dus, dat die

vreemde besmettelijke ziekte geen andere offers meer zou eischen.

Ook Ayrton was van dat gevoelen. Hij verklaarde tevens niets te

begrijpen van die plotselinge sterfgevallen.

De togt werd hervat. De wagen diende tot rijtuig voor de voetgangers,

die er elk op hun beurt in uitrustten. Na een marsch van slechts tien

mijlen werd 's avonds het sein om halt te houden gegeven en de

legerplaats in orde gebragt. De nacht ging in ongestoorde rust voorbij

onder een groot bosch van boomvormige varens, waarin ontzaggelijke

vleermuizen rondfladderden, die hun naam van roode vliegende maki met

regt droegen.

De volgende dag, zijnde de 13de Januarij, was bij uitstek goed. De

ongelukken van den vorigen herhaalden zich niet. De gezondheidstoestand

van het reisgezelschap bleef bevredigend. Paarden en ossen volbragten

met lust hun werk. Het salon van lady Helena was zeer levendig, door het

aantal gaande en komende bezoekers. Olbinett was druk in de weer met de

ververschingen rond te laten gaan, die een warmte van dertig graden

noodig maakte. Een half vaatje schotsche ale werd geheel leeggedronken.

Barclay en Cie werd de grootste man van geheel Engeland genoemd, zelfs

grooter dan Wellington, die nooit zulk lekker bier had gebrouwen. Een

gevolg van de eigenliefde der Schotten. Jacques Paganel dronk veel en

redeneerde nog meer _de omni re scibili et quibusdam aliis_.

Een zoo goed begin beloofde ook een goed einde van den dag. Men had ruim

vijftien mijlen afgelegd in een vrij bergachtig land met een

roodkleurigen bodem. Men mogt zich dus vleijen dienzelfden avond nog aan

de oevers der Sneeuw-rivier, een belangrijke rivier, die zich in het

zuiden van Victoria in de Stille Zuidzee werpt, de legerplaats te

betrekken. Weldra maakten de wielen van den wagen hun spoor in groote

vlakten van zwartachtigen aangeslibden grond, tusschen boschjes

weelderig gras en nieuwe velden met gastrolobium begroeid. Het werd

avond, en een nevel, die aan den gezigteinder oprees, wees duidelijk den

loop der Sneeuwrivier aan. Met veel moeite kwam men nog eenige mijlen

verder. Een bosch van hooge boomen verhief zich bij een hoek van den

weg, achter een geringe verhevenheid van den grond. Ayrton mende zijn

ossen, van wie reeds zooveel gevergd was, tusschen de groote, in de

schaduw bijna niet zigtbare boomstammen door, en was reeds over den zoom

van het bosch, maar een halve mijl van de rivier af, toen de wagen op

eens tot aan de as in den modder zakte.

"Geeft acht!" riep hij den ruiters toe, die hem volgden.

"Wat gebeurt er dan?" vroeg Glenarvan.

"Wij zitten in den modder vast," antwoordde Ayrton.

Met de stem en den prikkel zette hij zijn ossen aan, die tot aan de

knieën in den modder zittende, zich niet konden bewegen.

"Wij moesten hier van nacht maar blijven," zeide John Mangles.

"Dat is het beste wat wij doen kunnen," antwoordde Ayrton. "Morgen,

wanneer het dag is, kunnen wij beter zien, hoe wij er uitkomen."

"Halt!" riep Glenarvan.

Na een korte schemering werd het volkomen duister; maar de warmte was

niet met het licht geweken. De lucht was stikkend heet. Aan den

gezigteinder flikkerden eenige weerlichten, de oogverblindende

weerkaatsing van een verwijderd onweder.

Het nachtverblijf werd in orde gebragt. Zoo goed en kwaad het ging,

behielp men zich in den vastzittenden wagen. De donkere koepel der

groote boomen beschutte de tent der reizigers. Mits het maar niet begon

te regenen, hadden zij geen reden om te klagen.

Niet zonder moeite haalde Ayrton zijn drie ossen uit den drassigen

bodem. Die moedige dieren zaten er tot den buik in. De bootsman joeg ze

met de vier paarden in een beslotene ruimte en vertrouwde aan niemand de

zorg toe om voeder voor hen uit te kiezen. Dat werk verrigtte hij met

veel overleg, en Glenarvan merkte op, dat hij dien avond zijn zorg nog

verdubbelde, waarvoor hij hem hartelijk bedankte, want het behoud der

trekdieren was van overwegend belang.

Inmiddels gebruikten de reizigers een korten avondmaaltijd. Vermoeidheid

en warmte verdreven den honger. Zij hadden geen behoefte aan voedsel,

maar aan rust. Na haar reisgenooten goeden nacht te hebben gewenscht,

zochten lady Helena en miss Grant haar gewone legerstede op. Wat de

mannen aangaat, sommigen kropen onder de tent, anderen gingen liever aan

den voet der boomen in het digte gras liggen, hetgeen men in die gezonde

landen gerust kan doen.

Langzamerhand vielen allen in een diepen slaap. De duisternis nam toe

onder een gordijn van dikke wolken, dat den geheelen hemel bedekte. Geen

windje was er aan de lucht. De stilte van den nacht werd slechts

afgebroken door het gekras van den "morepork," die met verrassende

juistheid de kleine terts aangaf, evenals de treurige koekoeken van

Europa.

Na een zwaren en vermoeijenden slaap werd de majoor tegen elf ure

wakker. Een flaauw licht, dat zich onder de groote boomen bewoog, trof

zijn half geslotene oogen. Men zou het voor een witachtig vlak, zoo

spiegelend als het water van een meer, hebben kunnen houden, en Mac

Nabbs geloofde eerst, dat het het schijnsel van een ontstaanden brand

was, dat zich over den grond voortplantte.

Hij rees op en liep naar het bosch. Hij stond zeer verbaasd, toen hij

daar een zuiver natuurverschijnsel voor zich zag. Een onafzienbaar veld

met paddestoelen, die dat licht gaven, strekte zich voor hem uit. De

lichtgevende kiemkorrels dier bedekt bloeijende planten straalden met

zekere kracht in de duisternis[1].

De majoor, die geen egoïst was, wilde Paganel wekken, opdat de geleerde

dit verschijnsel met eigen oogen mogt waarnemen, toen een zeker voorval

hem hiervan deed afzien.

Het phosphorisch licht bescheen het bosch over een ruimte van een halve

mijl, en Mac Nabbs verbeeldde zich, dat hij snel eenige schaduwen langs

den verlichten zoom zag glijden. Bedrogen hem zijn oogen? Was hij de

speelbal van een gezigtsbedrog?

Mac Nabbs ging op den grond liggen, en oplettend rondziende bemerkte bij

duidelijk verscheidene menschen, die beurtelings bukkende en opstaande

nog versche sporen op den grond schenen te zoeken.

Hij moest en zou weten, wat die menschen zochten.

De majoor aarzelde niet, en zonder zijn reisgenooten wakker te maken,

kroop hij als een wilde uit de prairiën over den grond en verdween in

het hooge gras.

[1] Dit feit was reeds door Drummond in Australië waargenomen, en wel

bij paddestoelen, die tot de familie van de _Agaricus olearicus_

schijnen te behooren.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 23 / 29 题