XVII.

De schatrijke veefokkers.

Na een op 146°15' lengte rustig doorgebragten nacht zetten de reizigers

den 6den Januarij, 's morgens ten zeven ure, hun togt door dit

uitgestrekte district voort. Zij gingen onveranderlijk oostwaarts, en de

indrukken hunner schreden vormden op de vlakte een zuiver regte lijn.

Tweemaal ontmoetten zij sporen van squatters, die noordwaarts trokken,

en dan zouden die verschillende indrukken in elkander verward geraakt

zijn, als het paard van Glenarvan niet in het zand het merk van

Black-point, kenbaar aan een klaverblad, had achtergelaten.

Soms slingerden riviertjes in grillige bogten door de vlakte, wier

oevers met palm begroeid waren en die van tijd tot tijd uitdroogden. Zij

ontsprongen op de helling der "Buffalos Ranges," een keten van

middelmatige bergen, wier schilderachtige toppen aan den gezigteinder

een golvende lijn vormden.

Men besloot daar den nacht door te brengen. Ayrton zette zijn ossen wat

aan, en na dien dag vijf en dertig mijlen te hebben afgelegd, kwamen de

trekdieren een weinig vermoeid ter bestemder plaatse aan. De tent werd

onder groote boomen opgeslagen; de avond was gevallen, het eten werd

spoedig gebruikt. Men dacht zelfs, na zulk een marsch, minder aan eten

dan aan slapen.

Paganel, die het eerst aan de beurt lag om de wacht te houden, ging niet

liggen, maar waakte met het geweer op schouder over de legerplaats,

onophoudelijk op en neer loopende om zich den slaap uit de oogen te

houden.

Hoewel de maan niet scheen, was de nacht toch tamelijk helder door den

glans der australische sterrebeelden. De geleerde vermaakte zich met het

lezen in dat groote, altijd opgeslagen boek van het uitspansel, dat zoo

belangrijk is voor een ieder, die het weet te verstaan. De diepe stilte

der in rust verzonken natuur werd alleen afgebroken door het gerammel

der kluisters aan de pooten der paarden.

Paganel liet dus zijn sterrekundige overpeinzingen den vrijen loop en

hield zich meer bezig met de dingen des hemels dan met de dingen der

aarde, toen een verwijderd geluid hem uit zijn droomen opwekte.

Hij luisterde scherp toe, en tot zijn groote verbazing meende hij den

klank van een piano te hooren; eenige snel achtereenvolgend aangeslagen

accoorden deden hun trillende toonen tot hem komen. Hij kon zich er niet

in vergissen.

"Een piano in de woestijn!" zeide Paganel bij zich zelven. "Dat is iets,

wat ik nooit zal gelooven!"

Het was dan ook heel vreemd, en Paganel wilde liever gelooven, dat de

een of andere zonderlinge australische vogel de toonen van een Pleyel of

een Bernhard nabootste, zooals andere het geluid van een klok en van

schaarslijpers nabootsen.

Maar nu bereikte de klank van een zuivere, welluidende stem zijn oor.

Bij den pianospeler kwam ook nog een zanger. Paganel luisterde, maar

wilde het nog niet gelooven. Na eenige oogenblikken moest hij echter de

heerlijke aria herkennen, die hij hoorde.

Het was _Il mio tesoro tanto_ uit den _Don Juan_.

"Drommels!" dacht de aardrijkskundige, "hoe vreemd de australiscbe

vogels ook zijn, en al waren het de muzikaalste papegaaijen van de

wereld, een opera van Mozart kunnen zij toch niet zingen!"

Vervolgens luisterde hij tot het einde toe naar die verhevene ingeving

van den grootsten aller meesters. De uitwerking dier liefelijke melodie,

voortgedragen door een helderen nacht, was onbeschrijfelijk. Paganel

bleef een geruimen tijd onder den invloed dier onuitsprekelijke

betoovering; vervolgens zweeg de stem, en het werd weder stil.

Toen Wilson Paganel kwam aflossen, vond hij hem in diep nadenken

verzonken. Paganel zeide er den matroos niets van. Hij nam voor

Glenarvan den volgenden morgen van die bijzonderheid kennis te geven, en

kroop in zijn tent onder de dekens.

's Anderendaags werd het geheele gezelschap wakker gemaakt door een

onverwacht geblaf. Glenarvan stond dadelijk op. Twee prachtige

speurhonden, hoog op de pooten, heerlijke modellen van den staanden hond

van engelsch ras, sprongen rond aan den zoom van een boschje. Toen de

reizigers naderden, keerden zij luid blaffende onder de boomen terug.

"Er is zeker een station in deze woestijn," zeide Glenarvan, "en ook

jagers; want dat zijn immers jagthonden?"

Paganel opende reeds den mond om te vertellen, wat hem in den afgeloopen

nacht wedervaren was, toen twee jonge lieden verschenen, gezeten op twee

voortreffelijke paarden van echt bloed, echte jagtpaarden.

De beide heeren in een sierlijk jagtgewaad gekleed, hielden hun paarden

in op het gezigt van het kleine gezelschap, dat op de wijze der

Zigeuners gelegerd was. Zij schenen zich af te vragen, wat de

tegenwoordigheid van gewapende lieden te dezer plaatse beduidde, toen

zij de reizigsters ontdekten, die uit den wagen klommen.

Dadelijk stapten zij van hun paard en gingen haar met den hoed in de

hand te gemoet.

Lord Glenarvan ging naar hen toe, en als vreemdeling deelde hij hun zijn

naam en rang mede. De jongelieden bogen en een hunner, de oudste, zeide:

"Mylord! willen deze dames, uw gezelschap en gij ons de eer aandoen ten

onzent wat uit te rusten?"

"Mijneheeren?..." zeide Glenarvan.

"Michel en Sandy Patterson, eigenaars van Hottam-station. Gij zijt reeds

op onze goederen, en behoeft geen kwartmijl ver te gaan."

"Mijneheeren!" antwoordde Glenarvan, "ik zou niet gaarne misbruik maken

van de gastvrijheid, die gij ons zoo vriendelijk aanbiedt...."

"Mylord!" hernam Michel Patterson, "door onze uitnoodiging aan te nemen

doet gij een dienst aan arme ballingen, die zich gelukkig zullen achten

de eer der woestijn bij u op te houden."

Glenarvan boog ten teeken van toestemming.

"Mijnheer!" zeide nu Paganel, zich tot Michel Patterson rigtende, "als

het niet onbeleefd is, wenschte ik u wel te vragen of gij gisteren die

aria van den goddelijken Mozart hebt gezongen?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde de heer, "en mijn neef Sandy begeleidde mij."

"Welnu, mijnheer!" hervatte Paganel, "neem dan de welgemeende

loftuitingen aan van een Franschman, een hartstogtelijk bewonderaar van

die muziek."

Paganel gaf den jongen heer de hand, die haar hartelijk drukte.

Vervolgens wees Michel Patterson regtsaf den weg, dien zij moesten

inslaan. De paarden werden achtergelaten onder toezigt van Ayrton en de

matrozen. Dus gingen de reizigers al pratende en bewonderende onder

geleide van de beide jonge lieden te voet naar het woonhuis van

Hottam-station.

Het was inderdaad een prachtige inrigting, die even streng in orde

gebonden werd als een engelsch park. Onmetelijke weiden, door grijze

hekken ingesloten, strekten zich uit zoover het oog reikte. Daar

graasden duizenden runderen en millioenen schapen. Talrijke herders en

nog talrijker honden bewaakten dat drukke leger. Het geloei en geblaat

vermengde zich met het geblaf der honden en het geklap der zweepen.

In het oosten stuitte de blik op een rand van "myalls" en gomboomen,

waarboven de statige kruin van den Hottam-berg ter hoogte van zeven

duizend vijf honderd voet uitstak. Naar alle kanten liepen lange lanen

van boomen met altijd blijvende bladeren. Hier en daar waren plekken

bezet met digt kreupelhout van "grasstrees", tien voet hooge heesters,

die wel iets hadden van den dwergpalm, en wier top zich verschool in een

menigte smalle lange bladeren. De lucht was doortrokken van de geuren

der munt-laurierboomen, wier witte bloemruikers, die juist in vollen

bloei stonden, de fijnste en welriekendste geuren uitwasemden.

Bij de liefelijke groepen dier inlandsche boomen voegden zich de

voortbrengselen, uit de europeesche landen hierheen gebragt. De perzik,

de peer, de appel, de vijg, de oranjeboom, zelfs de eik, werd door de

reizigers met een luid hoera! begroet, en zoo het hen niet zeer

verwonderde in de schaduw der boomen uit hun land te wandelen, dan werd

hun verbazing toch opgewekt op het gezigt der vogels, die in de takken

rondhuppelden, de satijn-vogels met hun zijdeachtige vederen en de

zijdevogels half in goud en zwart fluweel gekleed.

Onder anderen viel hun voor de eerste maal het voorregt te beurt den

liervogel te bewonderen, wiens staart de gedaante heeft van het

liefelijk speeltuig van Orpheus. Hij ontvlood tusschen de boomvormige

varens, en als zijn staart tegen de takken sloeg, verwonderde men zich

haast die welluidende accoorden niet te hooren, waarmede Amphion zich

opwekte om de muren van Thebe te herbouwen. Paganel had lust om er op te

spelen.

Lord Glenarvan vergenoegde zich echter niet met de bewondering dier

tooverachtige wonderen van die oase in het midden der australiscbe

woestijn. Hij luisterde tevens naar het verhaal der jonge heeren. In

Engeland, in het hart zijner beschaafde gewesten zou elke nieuw

aangekomene terstond aan zijn gastheer verteld hebben, vanwaar hij kwam

en waarheen hij ging. Maar hier meenden Michel en Sandy Patterson

kieschheidshalve verpligt te zijn zich bekend te maken aan de reizigers,

wien zij gastvrijheid aanboden. Zij vertelden dus hun geschiedenis.

Het was die van alle schrandere en werkzame jonge Engelschen, die niet

gelooven, dat de rijkdom vrijstelt van den arbeid. Michel en Sandy

Patterson waren zoons van een bankier te Londen. Toen zij twintig jaar

oud waren, had het hoofd van hun geslacht gezegd: "Ziedaar eenige

millioenen, jongelieden! Gaat naar de een of andere afgelegene kolonie;

zet er een nuttige zaak op; put uit den arbeid kennis van het leven.

Slaagt gij, des te beter. Slaagt gij niet, dan is er nog niets bedorven;

wij zullen de millioenen niet beklagen, die u gediend zullen hebben om

mannen te worden." De twee jongelingen gehoorzaamden. Zij kozen in

Australië de provincie Victoria om er de banknoten huns vaders te

zaaijen en behoefden er geen spijt van te hebben. Na verloop van een

jaar of drie bloeide de onderneming.

In de provinciën Victoria, Nieuw-Zuid-Wales en Zuid-Australië telt men

meer dan drie duizend stations, sommigen bewoond door de squatters, die

zich op veefokkerij toeleggen; anderen door kolonisten, wier

hoofdbedrijf de landbouw is. Tot aan de komst der beide jonge Engelschen

was de voornaamste inrigting van dien aard die van den heer Jamieson,

die een oppervlakte van honderd mijlen besloeg, met een strook lands van

vijf en twintig mijlen aan de Paroo, een der zijtakken van de Darling.

Thans won het station Hottam het in oppervlakte en aanzien. De beide

jongelieden waren veefokkers en landbouwers te gelijk. Zij bestuurden

met buitengewone bekwaamheid, en wat nog moeijelijker is, met ongemeen

beleid hun verbazende eigendommen.

Zooals men ziet, lag dit station op een grooten afstand van de

voornaamste steden, midden in de weinig bezochte woestijnen der Murray.

Het besloeg de ruimte tusschen 146°48' en 147°, dat wil zeggen een

streek lands van vijf uren in het vierkant, gelegen tusschen de

Buffalos-Ranges en den Hottam-berg. In de beide hoeken in het noorden

van dat ontzaggelijk vierkant verrezen ter linkerzijde de Aberdeen-berg,

ter regter de toppen van den High-Barven. Er was geen gebrek aan helder

en kronkelend water, wegens de stroompjes en takken van de Ovens-rivier,

die noordwaarts in de Murray valt. Veeteelt en landbouw slaagden ook

beiden evenzeer. Vijf duizend bunders uitstekend bebouwd en bewerkt land

bragten zoowel inlandsche als vreemde gewassen voort, terwijl

verscheidene millioenen dieren in de grazige weiden vet werden gemaakt.

De voortbrengselen van Hottam-station werden dan ook tot hooge prijzen

op de markten van Castlemaine en Melbourne afgezet.

Dit een en ander hadden Michel en Sandy Patterson van hun werkzaam leven

verteld, toen de woning aan het uiteinde van een laan van kasuarboomen

zigtbaar werd.

Het was een aardig van hout en steen opgetrokken gebouw, verscholen

tusschen boschjes emerophilis. Het had den sierlijken vorm van een

zwitsersch huis, en een veranda, waaraan chineesche lampen hingen, liep

als een antiek impluvium langs de muren. Voor de vensters hingen

veelkleurige kleeden, die in bloei schenen te staan. Niets is

sierlijker, niets is streelender voor het oog, maar ook niets

geriefelijker. Op de grasperken en tusschen de boomen rondom het huis

stonden bronzen kandelabers met sierlijke lantaarns; 's avonds werd dit

geheele park met witte gasvlammen verlicht, dat uit een kleinen

gazometer kwam, die tusschen prieeltjes van myalls en boomvormige varens

verscholen was.

Overigens zag men geen arbeiderswoningen, stallen noch lootsen, niets

van hetgeen eene hoeve kenmerkt. Al die bijgebouwen,--die wel een dorp

mogten genoemd worden, bestaande uit meer dan twintig hutten en

huizen,--lagen een kwartmijl van het huis af in een klein dal.

Telegraafdraden bragten het dorp in regtstreeksche gemeenschap met het

heerenhuis. Ver van het gedruisch verwijderd scheen dit gebouw geheel op

zich zelven te staan in een bosch van vreemde boomen.

Weldra, was men aan het einde der laan van casuars; een kleine bijzonder

fraaije ijzeren brug, over een kabbelend stroompje geslagen, verleende

den toegang tot het afgesloten park. Men ging ze over. Een deftige

opzigter ontving de reizigers; de deuren werden geopend, en de gasten

van Hottam-station betraden de prachtige vertrekken in dit omkleedsel

van steen en bloemen.

Hier vertoonde zich aan hun oog al de weelde van een kunstlievenden en

rijken bewoner: door een groote zaal met vijf vensters kwam men in de

voorkamer, versierd met stukadoorwerk, dat allerlei landbouw- en

jagtgereedschap voorstelde. Dat de bewoners een fijnen smaak hadden voor

kunsten en gemak, bewezen een piano bedekt met oude en nieuwe

muziekstukken, schildersezels met schetsen, voetstukken met marmeren

beelden versierd, eenige schilderijen van vlaamsche meesters aan de

wanden, prachtige en mollige tapijten, behangsels, die bevallige

tooneelen uit de fabelleer voorstelden, een antieke lichtkroon aan de

zoldering, kostbaar porselein, dure en smaakvolle pulletjes, duizend

kostbare en broze kleinigheden, die men in geen australische woning zou

gezocht hebben. Alles wat behagelijk was, alles wat het onaangename

eener vrijwillige ballingschap kon verzachten, alles wat de herinnering

aan europeesche gewoonten levendig kon houden, was in die tooverachtige

zaal bijeen. Men zou bijna meenen in een vorstelijk lustslot in

Frankrijk of Engeland te zijn.

Door het fijne doek der vijf venstergordijnen viel een zacht licht, dat

reeds getemperd was door de halfschaduw der veranda. Lady Helena stond

verrukt, toen zij naderbij kwam. Van deze zijde beheerschte de woning

een breed dal, dat zioh tot aan den voet der oostelijke bergen

uitstrekte. De afwisseling van weiden en bosschen, eenige groote opene

plekken hier en daar, de zacht glooijende heuvels, de hoogten en laagten

van dien oneffen bodem, alles te zamen vormde een onbeschrijfelijk

tooneel. Geen andere streek ter wereld kon met deze vergeleken worden,

zelfs niet het zoo beroemde Paradijs-dal op de noorweegsche grenzen van

Tellemarken. Dat uitgestrekte panorama, met zijn afwisseling van groote

donkere en lichte plekken, veranderde ieder uur naarmate de zon hooger

rees. De verbeelding kon zich niets heerlijkers scheppen, en dat

liefelijk gezigt voldeed aan al de eischen van het oog.

Intusschen was er op bevel van Sandy Patterson in de ijl door den

hofmeester van het station een ontbijt gereed gemaakt, en geen kwartier

was er na hun aankomst verloopen, of de reizigers zaten reeds aan een

tafel, die ruimschoots van alles voorzien was. De spijzen en wijnen

lieten niets te wenschen over; maar het aangenaamste bij al die

verfijnde weelde was de vreugde der twee jonge squatters, die zich

gelukkig achtten onder hun dak zulk een onthaal te kunnen aanbieden.

Het duurde ook niet lang, of zij waren bekend met het doel van den togt,

en stelden een levendig belang in de nasporingen van Glenarvan. Ook

gaven zij goede hoop aan de kinderen van den kapitein.

"Harry Grant," zeide Michel, "is stellig in de handen der inboorlingen

gevallen, anders zou hij wel in de nederzettingen aan de kust gekomen

zijn. Hij was zich zijn toestand volkomen bewust, dat bewijst het

document, en nu hij niet de een of andere engelsche kolonie bereikt

heeft, moet hij, zoodra hij aan land kwam, door de wilden gevangen zijn

genomen."

"Datzelfde lot is ook zijn bootsman Ayrton wedervaren," antwoordde John

Mangles.

"Maar hebt gij nooit van de ramp van _Britannia_ hooren spreken,

heeren?" vroeg lady Helena.

"Nooit, mevrouw!" antwoordde Michel.

"En hoe denkt gij, dat kapitein Grant, de gevangene der Australiërs,

behandeld wordt?"

"De Australiërs zijn niet wreed, mevrouw!" antwoordde de jonge squatter,

"en miss Grant kan dienaangaande gerust zijn. Er zijn talrijke

voorbeelden bekend van de zachtheid van hun karakter, en sommige

Europeanen hebben lang onder hen verkeerd, zonder reden te hebben om

zich over hun onbeschoftheid te beklagen."

"King onder anderen," zeide Paganel, "de eenige van het gezelschap van

Burke, die er het leven van heeft afgebragt."

"Die stoute reiziger is niet de eenige," hernam Sandy; "maar ook een

engelsch soldaat, Buckley geheeten, die in 1808 op de kust uit Port

Philip ontsnapt zijnde, door de inboorlingen werd opgenomen en drie en

dertig jaar onder hen leefde."

"En na dien tijd," voegde Michel Patterson er bij, "berigtte ons een der

laatste nommers van de _Australasian_, dat een zekere Morrill onder zijn

landgenooten is teruggekeerd na een slavernij van zestien jaren. De

geschiedenis van den kapitein zal wel dezelfde wezen als de zijne; want

juist ten gevolge van de schipbreuk der _Péruvienne_ in 1846 werd hij

door de inboorlingen gevangen genomen en naar het binnenland gesleept.

Dus houd ik het er voor, dat gij moet blijven hopen."

Deze woorden gaven den hoorders van den jongen squatter veel vreugde.

Zij bevestigden de inlichtingen, die Paganel en Ayrton vroeger gegeven

hadden.

Toen de dames van tafel waren opgestaan, werd er over de gedeporteerden

gesproken. De squatters waren bekend met de ramp van Camden-brug, maar

de tegenwoordigheid van een bende vlugtelingen boezemde hun geen

ongerustheid in. Die boosdoeners zouden zich wel wachten een station aan

te vallen, dat door meer dan honderd mannen bewoond werd. Ook was het

niet waarschijnlijk, dat zij zich in die woestijnen van de Murray zouden

wagen, waar zij niets uitrigten konden, noch in de rigting der koloniën

van Nieuw-Wales, waar de wegen zeer goed bewaakt worden. Ayrton was van

hetzelfde gevoelen.

Lord Glenarvan mogt het verzoek van zijn vriendelijke gastheeren om dien

geheelen dag op Hottam-station door te brengen, niet afslaan. Het was

een oponthoud van twaalf uren, dat een rustdag werd; paarden en ossen

zouden zeker van hun vermoeienissen goed uitrusten in de goed ingerigte

stallen van het station.

Dit bleef dus bepaald, en de beide jongelieden stelden hun gasten een

plan om den dag door te brengen voor, dat gaarne werd aangenomen.

Ten twaalf ure trappelden zeven sterke jagtpaarden voor de deuren der

woning. Een sierlijk rijtuig met vier paarden bespannen en voor de dames

bestemd, gaf den koetsier gelegenheid om zijn bedrevenheid te toonen in

het moeijelijke rijden met vier paarden. Door jagers voorafgegaan en met

uitstekende jagtgeweren gewapend, stegen de ruiters te paard en

galoppeerden naast het rijtuig, terwijl prachtige jagthonden vrolijk in

het kreupelhout blaften.

Vier uren besteedde de jagtstoet met het doorkruisen van al de lanen van

dit park, dat zoo groot was als een kleine duitsche staat.

Reuss-Schleitz of Saksen-Coburg-Gotha konden er wel geheel in liggen.

Vond men er al niet zooveel inwoners, de schapen waren er daarentegen

des te talrijker. En wat het wild betreft, een leger van drijvers zou er

niet meer hebben kunnen opjagen onder bereik van de kogels der jagers.

Weldra hoorde men dan ook een onafgebrokene reeks van losbrandingen, die

zeer verontrustend waren voor de vreedzame bewoners der bosschen en

vlakten. De jonge Robert deed wonderen aan de zijde van majoor Mac

Nabbs. Ondanks de waarschuwingen zijner zuster was die vermetele knaap

altijd vooraan en het eerst in het vuur. Maar John Mangles beloofde op

hem te passen, hetgeen Mary Grant geruststelde.

Bij die drijfjagt doodde men eenige daar te lande thuis behoorende

dieren, die Paganel nog alleen bij name kende: onder anderen de "wombat"

en de "bandicoot."

De wombat (buidel-mormeldier) ia een plantetend dier, dat holen graaft

evenals de das; hij is zoo groot als een schaap en zijn vleesch is

lekker.

De bandicoot is een andere soort van buideldier, nog roofzieker dan de

europeesche vos en kan dezen wel een lesje geven in het plunderen van

hoenderhokken. Dit dier, dat een vrij afzigtelijk voorkomen heeft, en

anderhalve voet lang is, viel onder de kogels van Paganel, die het uit

jagers-eigenliefde bekoorlijk vond. "Een aanbiddelijk dier," zeide hij.

Onder andere belangrijke stukken schoot Robert heel handig een "dasyure

viverrin," een soort van kleinen vos, wiens zwarte pels met witte

vlekken evenveel waard is als die van den marter, en een paar

buidelratten, die zich in het digte gebladerte der groote boomen

verscholen.

Maar van al die groote feiten was zonder tegenspraak een kangoeroe-jagt

het belangrijkste. Tegen vier ure joegen de honden een troep van die

zonderlinge buideldieren op. De kleinen kropen haastig in den buidel

hunner moeder, en allen vlugtten in een rij achter elkander.

Allervreemdst zijn de verbazende sprongen van den kangoeroe

(springhaas), wiens achterpooten, tweemaal zoo lang als de voorpooten,

als een veer losspringen.

Aan het hoofd der vlugtelingen was een mannetje van vijf voet hoog, een

prachtig model van de "macropus giganteus," een "oud man," zooals de

houthakkers zeggen.

Over een lengte van vier tot vijf mijlen werd de jagt ijverig

voortgezet. De kangoeroes werden niet moede, en de honden, die niet

zonder reden hun sterken, met een scherpen nagel gewapenden poot

vreezen, pasten wel op ze niet te digt te naderen. Maar eindelijk

uitgeput door den snellen loop, hield de troep stand en ging de "oude

man" tegen een boomstam leunen, gereed om zich te verdedigen. Een der

jagthonden, die zijn vaart nog niet had kunnen stuiten, kwam in zijn

nabijheid. Een oogenblik daarna werd de arme hond in de hoogte

geslingerd en hingen hem de ingewanden uit het lijf.

Het bleek, dat zelfs de geheele troep honden niet opgewassen was tegen

die sterke buideldieren. Men moest dus tot schieten overgaan, en alleen

de kogels konden het reusachtige dier vellen.

Weinig scheelde het of Robert was het slagtoffer geweest van zijn

onvoorzigtigheid. Om zeker van zijn schot te zijn, naderde hij den

kangoeroe zoo digt, dat deze met een sprong opvloog. Robert viel. Een

angstkreet klonk. Uit haar rijtuig strekte Mary Grant van ontsteltenis

sprakeloos en met verduisterde oogen de handen naar haar broeder uit.

Niet een van de jagers durfde op het dier schieten; want hij kon ook den

knaap treffen.

Daar stormde op eens John Mangles, eigen gevaar niet achtende, met zijn

hartsvanger op den kangoeroe los en trof het dier in het hart. Zijn kop

werd afgehouwen en Robert stond ongedeerd op. Een oogenblik later lag

hij in de armen zijner zuster.

"Ik dank u, mijnheer John! ik dank!" zeide Mary Grant, terwijl zij den

jongen kapitein haar hand toestak.

"Ik stond borg voor hem," antwoordde John Mangles de bevende hand van

het meisje vattende.

Dit voorval maakte een einde aan de jagt. De troep buideldieren was

uiteengegaan na den dood van den aanvoerder, wiens huid naar de woning

werd medegenomen. Het was nu 's avonds zes ure. Een prachtig middagmaal

wachtte de jagers. Onder andere spijzen viel een bouillon van

kangoeroe-staarten, op de wijze der inlanders gereedgemaakt, bijzonder

in den smaak.

Na bij het nageregt ijs en sorbet gebruikt te hebben, gingen de gasten

in de zaal. De avond werd aan de muziek gewijd. Lady Helena, die zeer

goed piano speelde, stelde haar talent ter beschikking van de squatters.

Michel en Sandy Patterson zongen met veel smaak stukjes ontleend aan de

nieuwste werken van Gounod, Massé, Félicien David, en zelfs van dat

onbegrepen genie, Richard Wagner.

Ten elf ure werd thee rondgediend; ze was met die engelsche volmaaktheid

gezet, die geen ander volk kan evenaren. Op verlangen van Paganel, die

eens australische thee wilde drinken, bragt men hem een drank, zoo zwart

als inkt, een kan water, waarin een half pond thee vier uren lang

gekookt had. Paganel trok wel een leelijk gezigt, maar verklaarde toch,

dat die drank heerlijk smaakte.

Te middernacht werden de gasten naar luchtige en gemakkelijk ingerigte

vertrekken gebragt, waar zij konden droomen van de genoegens van dien

dag.

Met het krieken van den dag namen zij afscheid van de twee jeugdige

squatters. Na veel dankbetuigingen en de stellige belofte, dat ze

elkander in Europa op het kasteel Malcolm zouden wederzien, scheidden

zij. De wagen zette zich weder in beweging, reed om den voet van den

berg Hottam, en weldra verdween het huis als een droombeeld uit de oogen

der reizigers. Nog vijf mijlen ver reden zij over den grond van het

station. Eerst ten negen ure hadden zij het laatste hek achter den rug

en nu drong het kleine gezelschap in de bijna onbekende gewesten van de

provincie Victoria.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 22 / 29 题