Een hoofdstuk, waarin de majoor beweert, dat het apen zijn.
Den volgenden morgen, den 5den Januarij, zetteden de reizigers den voet
op het uitgestrekte stroomgebied van de Murray. Dit woeste en onbewoonde
district strekt zich uit tot aan den hoogen scheidsmuur der australische
Alpen. De beschaving heeft het nog niet in afzonderlijke graafschappen
gesplitst. Het is een weinig bekend en weinig bezocht gedeelte der
provincie. Zijn bosschen zullen eens vallen onder den bijl van den
houthakker, zijn weiden zullen overgeleverd worden aan de kudden van den
squatter, maar tot nog toe is het een ongerepte bodem, zooals hij uit
den Indischen oceaan oprees, het is de woestijn.
Al die gronden te zamen dragen een veelbeteekenenden naam op de
engelsche kaarten: afgezonderd voor de zwarten. Tot hiertoe hebben de
kolonisten de inboorlingen verdreven. In de afgelegene vlakten, onder de
ongenaakbare bosschen, heeft men hun eenige bepaalde plekken
overgelaten, waar het inlandsche ras binnen kort geheel zal uitsterven.
Elke blanke kolonist, landverhuizer, squatter, houthakker, mag de
grenzen dier afgezonderde streken overschrijden. De zwarte alleen mag ze
niet verlaten.
Onder het rijden behandelde Paganel die gewigtige vraag der inlandsche
rassen. Er was slechts ééne meening dienaangaande, namelijk dat het
britsche stelsel uitliep op de vernietiging der overwonnen stammen, op
hun verdrijving uit de streken, waar hun voorvaderen leefden. Die
verderfelijke strekking was overal waar te nemen, wel het meest in
Australië. In de eerste tijden der kolonie beschouwden de
gedeporteerden, zelfs de kolonisten, de zwarten als wilde dieren. Zij
maakten jagt op hen en schoten ze dood. Zij vermoordden hen. Het gezag
der regtsgeleerden werd ingeroepen om te bewijzen, dat de Australiër
buiten de natuurwet stond, en de moord dier ongelukkigen dus geen
misdaad was. De dagbladen van Sidney stelden zelfs een krachtig middel
voor om zich van de stammen aan het meer Hunter te ontdoen: namelijk ze
in massa te vergeven.
Zooals men ziet, riepen de Engelschen bij het begin hunner verovering
den moord te hulp ten behoeve van de kolonisatie. Hun wreedheden waren
afschuwelijk. Zij gedroegen zich in Australië evenals in Indië, waar
vijf millioen Hindoes verdwenen zijn, evenals aan de Kaap, waar een
bevolking van een millioen Hottentotten tot honderd duizend is gedaald.
De inlandsche bevolking, door mishandeling en dronkenschap gedund,
dreigt dan ook voor een menschenmoordende beschaving van het vastland te
verdwijnen. Wel is waar hebben sommige gouverneurs wetten tegen de
bloeddorstige houthakkers uitgevaardigd! Zij straften met eenige
zweepslagen den blanke, die een zwarte neus of ooren afsneed, of hem den
pink afhakte, "om er een pijpuithaalder van te maken!" IJdele
dreigementen! De moorden werden op groote schaal ingerigt, en geheele
stammen verdwenen. Om maar één voorbeeld aan te halen: in het begin
dezer eeuw telde het eiland Van Diemen vijf duizend inboorlingen, in
1868 slechts zeven! En onlangs meldde _de Mercurius_ te Hobarttown de
aankomst van den laatsten Tasmaniër.
Glenarvan, de majoor, noch John Mangles spraken Paganel tegen. Al waren
zij Engelschen geweest, dan zouden zij nog hun landgenooten niet
verdedigd hebben. De feiten waren zoo klaar als de dag, onwederlegbaar.
"Voor vijftig jaar," voegde Paganel er bij, "zouden wij op onzen weg
menigen stam inboorlingen ontmoet hebben, en tot nog toe heeft zich geen
enkele inlander vertoond. Binnen een eeuw zal de zwarte bevolking van
dit vastland geheel uitgestorven zijn."
De afgezonderde streken schenen inderdaad geheel ontvolkt. Nergens was
een spoor van legerplaatsen of hutten te zien. Vlakten en hoog
kreupelhout wisselden elkander af, en langzamerhand kreeg de landstreek
een woest voorkomen. Het scheen zelfs, alsof geen enkel levend wezen,
mensch of dier, deze afgelegene gewesten bezocht, toen Robert voor een
boschje gomboomen blijvende staan uitriep:
"Een aap! daar is een aap!"
En hij wees op een groot zwart ligchaam, dat met verbazende snelheid van
tak tot tak glijdende, van den eenen boomtop op den anderen sprong,
alsof een vliegtoestel hem op de lucht deed drijven. Vlogen soms in dit
vreemde land de apen gelijk sommige vossen, wien de natuur even als de
vleermuis een vlieghuid heeft gegeven?
Inmiddels was ook de wagen blijven staan, en elk zag naar het dier, dat
langzamerhand in de verte tusschen de bladeren verdween. Weldra zag men
het bliksemsnel van den boom glijden, met duizend bogten en sprongen
over den grond loopen en vervolgens zijn lange armen om den gladden stam
van een ontzaggelijken gomboom slaan. Men vroeg zich af, hoe het in dien
regten en gladden boom zou klimmen, dien het niet kon omvatten.
Maar de aap gaf met een soort van bijl eenige slagen tegen den boom,
maakte eenige kleine inkervingen, en bereikte met behulp van die op
regelmatige afstanden aangebragte steunpunten de takken van den gomboom.
Binnen weinige seconden verdween hij in het digte gebladerte.
"Wat is dat toch voor een aap?" vroeg de majoor.
"Die aap is een volbloed Australiër!" antwoordde Paganel.
De makkers van den aardrijkskundige hadden nog geen tijd gehad om hun
schouders op te halen, toen een geschreeuw, dat men op deze wijze zou
kunnen voorstellen: "coo-eeh! coo-eeh!" in hun nabijheid werd
aangeheven. Ayrton dreef zijn ossen aan, en honderd schreden verder
kwaamen de reizigers op eens aan een legerplaats van inboorlingen.
Welk een treurig schouwspel! Een tiental tenten stonden op den kalen
bodem. Die "gunyo's," van bast-repen, die als dakpannen op elkander
lagen, gemaakt, beschutten hun ellendige bewoners slechts aan eene
zijde. Die door het gebrek diep gezonken wezens waren terugstootend. Er
waren er omtrent dertig, mannen, vrouwen en kinderen, gekleed met
kangoeroe-vellen, die hun aan flarden aan het lijf hingen. Zoodra de
wagen naderde, was hun eerste beweging te vlugten. Maar eenige woorden,
die Ayrton in een onverstaanbare brabbeltaal sprak, schenen hen gerust
te stellen. Zij kwamen althans terug, half vertrouwelijk half bevreesd,
als dieren, wien men een lekker stuk voorhoudt.
Die inboorlingen, wier lengte tusschen vijf voet vier duim en vijf voet
zeven duim afwisselde, waren niet zwart, maar hadden meer de kleur van
oud roet, hun haren waren vlokkig, hun armen lang, hun onderbuik stak
vooruit, hun ligchaam was ruig en geheel doorkorven van de litteekens
van het tatoeëeren en de wonden, die zij zich bij lijkplegtigheden
toebragten. Allerafschuwelijkst was hun monsterachtig gelaat, hun
vreeselijk groote mond, hun breede en platte neus, hun uitstekende
onderkaak, gewapend met witte maar voorovergebogen tanden. Geen ander
menschelijk schepsel naderde zoozeer het dier.
"Robert had het niet mis!" zeide de majoor, "het zijn apen,--volbloed,
als men wil,--maar het zijn apen."
"Mac Nabbs!" antwoordde lady Helena op medelijdenden toon, "zoudt gij
dan dengenen, die jagt op hen maakten als op wilde dieren, gelijk geven!
Die arme schepsels zijn menschen!"
"Menschen!" riep Mac Nabbs. "Hoogstens de schakel tusschen den mensch en
den oerang-oetang! En wanneer ik hun gezigtshoek mat, zou ik vinden, dat
hij even scherp was als die van den aap!"
Hierin had Mac Nabbs gelijk; de gezigtshoek van den inboorling van
Australië is zeer scherp, en ongeveer gelijk aan dien van den
oerang-oetang, d.i. van zestig tot twee en zestig graden. Ook stelde De
Rienzi niet zonder grond voor om die ongelukkigen in een afzonderlijke
klasse te plaatsen, die bij "pithecomorphen" noemde; dat wil zeggen
menschen met het ligchaam van een aap.
Maar lady Helena had nog meer grond dan Mac Nabbs, toen zij die
inboorlingen, welke op de laagste sport der menschelijke ladder staan,
voor wezens hield, die met een ziel zijn begaafd. Tusschen het redelooze
dier en den Australiër ligt de ondempbare kloof, die de geslachten
scheidt. Pascal heeft teregt gezegd, dat de mensch nergens een redeloos
dier is. Wel is waar voegt hij er niet minder verstandig bij, "evenmin
een engel."
Lady Helena en Mary Grant nu weerspraken het laatste lid van dit gezegde
van den grooten denker. Beide liefderijke vrouwen hadden den wagen
verlaten; zij reikten de vriendenhand aan die rampzalige schepsels; zij
boden hun spijzen aan, welke die wilden met terugstootende gulzigheid
verslonden. De inboorlingen konden lady Helena des te eerder voor een
godheid houden, omdat volgens hun geloof de blanken gewezen zwarten
zijn, die na hun dood blank geworden zijn.
Maar vooral de vrouwen maakten het medelijden der reizigsters gaande. De
toestand der australische vrouw is eenig: de stiefmoederlijke natuur
heeft haar alle bekoorlijkheid ontzegd; zij is een slavin, die met
brutaal geweld opgeligt is en geen ander bruidsgeschenk gekregen heeft
dan slagen met de "waddie," een soort van omgebogen stok in de hand van
haar heer. Van dat oogenblik af tot een vroegen en akeligen ouderdom
vervallen, is zij belast met al de zware bezigheden van het zwervende
leven; bij haar kinderen, die in een pak bissen gerold zijn, draagt zij
het jagt- en vischtuig en den voorraad nieuw-zeelandsch vlas, waarvan
zij netten vervaardigt. Zij moet levensmiddelen aan haar gezin bezorgen;
zij maakt jagt op hagedissen, buidelratten en slangen, tot in den top
der boomen; zij hakt het brandhout, schilt boombast voor de tenten; als
een arm lastdier weet zij niet wat rust is, en eet slechts de walgelijke
overblijfselen van het maal van haar heer.
Juist waren eenigen dier ongelukkigen, die misschien reeds lang van
voedsel verstoken waren, bezig met vogels te lokken door hun wat zaden
voor te houden.
Onbewegelijk, doodstil, zag men ze daar op den brandend heeten bodem
uren lang liggen om te wachten, tot een onnoozel vogeltje onder het
bereik van haar hand kwam! Hun begrip van strikken spannen ging niet
verder, en wel moest het een australische vogel zijn, die zich daardoor
liet verschalken.
Intusschen werden de reizigers, wier vriendelijkheid de inboorlingen
eenigsins gerust stelde, door dezen omringd, en nu moesten zij oppassen
voor hun ontembare zucht tot diefstal. Zij spraken een sissende taal,
waarbij ze met de tong klokten. Dat had veel van dierengeluiden. Toch
had hun stem dikwijls zeer zachte, fleemende buigingen; het woord "noki!
noki!" kwam telkens voor en de gebaren wezen duidelijk genoeg aan, wat
het beteekende. Het was het "geef mij! geef mij!" dat zich tot de
geringste bezittingen der reizigers uitstrekte. Olbinett had heel wat te
doen om de bagaadje en vooral de levensmiddelen te beschermen. Die arme
hongerlijders sloegen vreeselijke blikken op den wagen, en lieten
scherpe tanden zien, die misschien gewet waren op lappen
menschenvleesch. De meeste australische stammen zijn, in vredestijd
althans, wel geen menscheneters; maar slechts weinige wilden ontzien
zich om het vleesch van een overwonnen vijand te verslinden.
Op verzoek van Helena gaf Glenarvan intusschen last om wat spijs uit te
deelen. De inboorlingen begrepen zijn bedoeling, en gaven zich over aan
vreugdebetooningen, die het ongevoeligste hart zouden vermurwd hebben.
Zij brulden ook gelijk wilde dieren, wanneer de oppasser hun het
dagelijksch rantsoen brengt. Al wilde men den majoor geen gelijk geven,
toch kon men niet loochenen, dat dit ras zeer digt bij het dier stond.
Als een hoffelijk man meende Olbinett eerst de vrouwen te moeten
bedienen. Maar die arme schepsels durfden niet eten voor haar geduchte
meesters. Dezen vielen op de beschuit en het gedroogde vleesch aan als
op een prooi.
Bij de gedachte, dat haar vader gevangen was bij zulke ruwe inlanders,
voelde Mary Grant haar oogen vochtig worden. Zij stelde zich voor, wat
iemand als Harry Grant, de slaaf dier zwervende stammen, ter prooi aan
ontbering, honger en mishandeling, al lijden moest. John Mangles, die
haar met angstige oplettendheid gadesloeg, giste de gedachten, die haar
vervulden, en kwam haar wenschen voor door den bootsman der _Britannia_
te ondervragen.
"Zijt gij uit de handen van zulke wilden ontsnapt, Ayrton?" vroeg hij
hem.
"Ja, kapitein!" antwoordde Ayrton. "Al die stammen in het binnenland
gelijken op elkaar. Maar hier ziet gij slechts een handvol van die arme
drommels, terwijl er aan de oevers van de Darling talrijke stammen zijn
onder aanvoering van geduchte opperhoofden."
"Maar wat kan een Europeaan onder die inboorlingen uitvoeren?" vroeg
John Mangles.
"Wat ik ook gedaan heb," antwoordde Ayrton; "hij gaat met hen jagen en
visschen; hij neemt deel aan hun gevechten, en zooals ik u reeds heb
gezegd, hij wordt behandeld naar gelang van de diensten, die hij
bewijst, en als hij een schrander en dapper man is, bekleedt hij onder
den stam een aanzienlijken rang."
"Maar hij is toch een gevangene," zeide Mary Grant.
"En wordt zoo streng bewaakt," voegde Ayrton er bij, "dat hij dag noch
nacht een stap kan doen!"
"En toch hebt gij kunnen ontsnappen, Ayrton!" zeide de majoor, die zich
in het gesprek kwam mengen.
"Ja, mijnheer Mac Nabbs! onder begunstiging van een gevecht tusschen
mijn stam en een anderen. Het is mij gelukt. Goed. Het spijt mij niet.
Maar moest ik het nog eens doen, dan zou ik, geloof ik, aan een
levenslange gevangenschap de voorkeur geven boven de rampen, die ik op
mijn togt door de woestijnen van het binnenland heb ondervonden. God
geve, dat kapitein Grant zulk een kans op redding niet waagt!"
"Ja, zeker!" antwoordde John Mangles, "wij moeten wenschen, miss Mary!
dat uw vader bij een inlandschen stam gevangen is. Dan zullen wij
gemakkelijker zijn spoor vinden, dan wanneer hij ronddoolt in de
bosschen van het vastland."
"Hoopt gij dan nog altijd?" vroeg het meisje.
"Ik hoop altijd u met Gods hulp gelukkig te zien, miss Mary!"
Het meisje kon den jongen kapitein slechts met tranen danken.
Gedurende dit gesprek was er een ongewone beweging onder de wilden
ontstaan; zij hieven een schel geschreeuw aan; zij liepen overal rond,
grepen naar hun wapenen, en schenen door een ontzettende woede bevangen.
Glenarvan wist niet, waar zij heen wilden, waarop de majoor Ayrton in
dezer voege aansprak:
"Daar gij langen tijd onder de Australiërs verkeerd hebt, verstaat gij
ook zonder twijfel de taal van dezen?"
"Zoo wat," antwoordde de bootsman; "want zooveel stammen, zooveel
tongvallen. Vergis ik mij niet, dan willen zij uit dankbaarheid voor
Zijne Edelheid een spiegelgevecht houden."
Dit was inderdaad de oorzaak van die opschudding. Zonder verdere
voorafspraak vielen de inboorlingen elkander met zulk een meesterlijk
geveinsde woede aan, dat iemand, die niet beter wist, dien kleinen
strijd voor ernstig gemeend zou opgenomen hebben. Maar naar het zeggen
der reizigers zijn de Australiërs uitmuntende gebarenmakers, en bij deze
gelegenheid legden zij een opmerkelijke bekwaamheid aan den dag.
Hun aanvallende en verdedigende wapenen bestonden in een houten knods,
die de hardste schedels verplettert, en een soort van "tomahawk," een
zeer harden scherpen steen, die met een klevende gom tusschen twee
stokken is vastgekleefd. Het is een vreeselijk wapentuig en een nuttig
werktuig in vredestijd, dat gebruikt wordt om naar het valt takken of
koppen te vellen, ligchamen of boomen te kerven.
Onder luid getier zwaaiden zij als bezetenen met al die wapenen, de
strijders vielen elkander aan; hier viel er een als dood neder, daar
hief een ander een zegekreet aan. De vrouwen, vooral de bejaarde, als
door den boozen geest des krijgs bezeten, vielen op de gewaande lijken
aan, en verminkten ze in schijn met een wreedaardigheid, die niet
verschrikkelijker zou geweest zijn, als ze ongeveinsd was geweest.
Telkens vreesde lady Helena, dat het spel in een ernstigen strijd mogt
ontaarden. Vooral ook omdat de kinderen, die deel aan den strijd hadden
genomen, het wezenlijk begonnen te meenen. De knapen en vooral de
meisjes, die nog woedender waren, deelden elkaar fiksche oorvegen uit,
die goed aankwamen.
Dit spiegelgevecht had reeds tien minuten geduurd, toen de strijders op
eens ophielden. De wapens ontvielen hun handen. Een diepe stilte verving
het vreeselijk getier. De inboorlingen bleven roerloos in hun laatste
houding staan, even als de personen in een _tableau vivant_. Men zou
gezegd hebben, dat zij versteend waren.
Wat was de oorzaak van die verandering, en wat beteekende het, dat zij
plotseling zoo stijf waren als marmeren beelden? Dat werd spoedig
opgehelderd.
Een troep kaketoes vertoonde zich juist op de hoogte van de gomboomen.
Zij vervulden de lucht met hun gesnater, en geleken door de heldere
kleuren van hun gevederte op een vliegenden regenboog. De verschijning
van dien schitterenden zwerm vogels had den strijd doen staken. De jagt,
die nuttiger was dan de oorlog, verving hem.
Een rood geschilderd werktuig van vreemden vorm grijpende, verwijderde
zich een der inboorlingen van zijn makkers, die even roerloos bleven
staan, en sloop tusschen de boomen en struiken door naar den troep
kaketoes. Hij maakte geen gedruisch onder het kruipen, hij kreukte geen
blaadje, hij verschoof geen steentje. Het was een voortglijdende
schaduw.
Op een behoorlijken afstand gekomen wierp hij zijn werktuig twee voet
boven den grond in een waterpasse rigting vooruit. Zoo doorliep dat
wapen een afstand van omtrent veertig voet; zonder den grond te raken
sprong het daarop plotseling met een regten hoek op, steeg honderd voet
hoog, trof doodelijk een dozijn vogels, en viel eindelijk, een kromme
lijn beschrijvende, neder aan de voeten des jagers.
Glenarvan en zijn gezelschap stonden verstomd; zij konden hun oogen niet
gelooven.
"Het is de "boomerang!" zeide Ayrton.
"De boomerang!" riep Paganel, "de australiscbe boomerang!"
En evenals een kind ging hij het zonderlinge werktuig oprapen "om te
zien, hoe het er van binnen uitzag."
Inderdaad mogt men denken, dat een inwendig mecanisme, een veer, die
plotseling lossprong, deszelfs rigting veranderde. Maar dat was zoo
niet.
De boomerang bestond eenvoudig uit een stuk hard en krom hout, dat
dertig tot veertig duim lang was. In het midden was hij omtrent drie
duim dik, en zijn uiteinden liepen in spitse punten uit. Het holle
gedeelte was zes strepen diep en het bolle had twee zeer scherpe randen.
Het was even eenvoudig als onbegrijpelijk.
"Dat is dan die beruchte boomerang!" zeide Paganel, na het zonderlinge
werktuig oplettend bekeken te hebben. "Een stuk hout, anders niet.
Waarom stijgt hij op een bepaald oogenblik van zijn waterpasse rigting
omhoog om terug te keeren in de hand, die hem slingerde? De geleerden en
de reizigers hebben dit verschijnsel nooit kunnen verklaren."
"Zou het niet met hem hetzelfde geval zijn als met den hoepel, die op
zekere wijze voortgedreven, op zijn uitgangspunt terugkomt?" vroeg John
Mangles.
"Of liever," voegde Glenarvan er bij, "een terugkeerende beweging,
gelijk aan die van een biljartbal, die in een bepaalde rigting wordt
voorgestooten?"
"In het geheel niet," antwoordde Paganel. "In deze beide gevallen is er
een steunpunt, dat de terugwerking bepaalt: de grond voor den hoepel, en
het laken voor den bal. Maar hier is geen steunpunt, het werktuig raakt
den grond niet aan, en toch stijgt het weder tot een aanzienlijke
hoogte!"
"Maar hoe verklaart gij dit feit dan, mijnheer Paganel?" vroeg lady
Helena.
"Ik verklaar het niet, mevrouw! ik bevestig het slechts; de uitwerking
hangt zeker af van de manier, waarop de boomerang wordt geworpen en van
zijn bijzondere inrigting. Maar dat werpen is nog een geheim van de
Australiërs!"
"Hoe het ook zij, het is toch zeer vernuftig ... voor apen," voegde lady
Helena er bij, den majoor aanziende, die met een ongeloovig gezigt het
hoofd schudde.
Intusschen verliep de tijd en Glenarvan oordeelde, dat hij op zijn togt
naar het oosten niet langer mogt verwijlen; hij wilde daarom de dames
verzoeken den wagen weder te beklimmen, toen een wilde hard kwam
aanloopen en met opgewondenheid eenige woorden sprak.
"Ha! zij hebben kasuarissen gezien!" zeide Ayrton.
"Wat! is er een jagt op til!" zeide Glenarvan.
"Dat moeten we zien!" riep Paganel. "Dat zal wel aardig zijn! Misschien
komt de boomerang er weer bij te pas."
"Wat denkt gij er van, Ayrton?"
"Het zal niet lang duren, mylord!" antwoordde de bootsman.
De inboorlingen hadden geen oogenblik verzuimd. Kasuarissen te dooden is
een buitenkansje voor hen. Dan is de stam voor eenige dagen van zijn
onderhoud zeker. De jagers maken dan ook van al hun behendigheid gebruik
om zulk een prooi te overmeesteren. Maar hoe kunnen zij een zoo vlug
dier zonder geweren schieten en zonder honden inhalen? Dit was juist de
belangrijke zijde van het schouwspel, dat Paganel hoopte bij te wonen.
De ongehemmde kasuaris, door de inboorlingen "Moereuk" genoemd, is een
dier, dat zeldzaam begint te worden in de vlakten van Australië. Die
groote vogel, wel twee en een half voet hoog, heeft blank vleesch, dat
veel overeenkomst heeft met dat van den kalkoen; op den kop draagt hij
een hoornachtige plaat; zijn oogen zijn ligt bruin, zijn bek is zwart,
en van boven naar beneden gebogen; aan zijn pooten heeft hij drie
teenen, met sterke nagels gewapend; zijn vleugels zijn slechts stompen
en kunnen hem niet dienen om te vliegen; zijn gevederte, om niet te
zeggen zijn haar, is aan den hals en de borst donkerder van kleur. Maar
al vliegt hij niet, hij loopt en kan het op een grasvlakte tegen het
snelste paard opnemen. Alleen door list kan men hem dus vangen, en dan
moet men nog heel listig sijn.
Op het berigt van den inboorling verspreidden zich daarom een tiental
Australiërs als een afdeeling scherpschutters. Het was op een liefelijke
vlakte, waar de indigo in het wild groeide en den grond met haar bloemen
blaauw kleurde. De reizigers hielden stand aan den zoom van een
mimosa-bosch.
Op de nadering der inlanders stond een half dozijn kasuarissen op, nam
de vlugt en zette zich een mijl verder neder. Toen de jager van den stam
zeker was van de plaats, waar zij zich bevonden, gaf hij een teeken aan
zijn makkers om te blijven staan. Dezen gingen op den grond liggen,
terwijl hij uit zijn net twee netjes aaneengenaaide kasuaris-huiden
haalde en ze terstond aantrok. Met zijn regterarm, die boven zijn hoofd
uitstak, bootste hij de houding van den kasuaris na, wanneer deze zijn
voedsel zoekt.
De inboorling kroop naar den troep; nu eens hield hij op, schijnbaar
eenige zaden oppikkende; dan weder joeg hij het zand met zijn voeten op
en hulde zich in een stofwolk. Al die bewegingen waren onverbeterlijk.
Onnavolgbaar was deze nabootsing van de handelwijze van den kasuaris.
Soms hief de jager een dof gebrom aan, dat den vogel zelven zou
verschalkt hebben. Dit gebeurde dan ook. De wilde was spoedig in het
midden van den zorgeloosen troep. Op eens slingerde zijn arm de knods en
vijf van de zes kasuarissen vielen om hem heen.
De jager had zijn doel bereikt, de jagt was afgeloopen.
Nu namen Glenarvan, de reizigsters, het geheele gezelschap afscheid van
de inboorlingen. De scheiding scheen hun niet zeer te spijten, Welligt
deed de goede uitslag van de kasuarissen-jagt hun de voldoening van hun
vraatzucht vergeten. Zij hadden niet eens de dankbaarheid van de maag,
die bij de onbeschaafde volkeren en de dieren sterker is dan de
dankbaarheid der harten.
Dit mogt wezen zooals het wilde, in zekere omstandigheden kon men toch
niet anders doen dan hun schranderheid en behendigheid te bewonderen.
"Nu zult gij toch wel willen toegeven, waarde Mac Nabbs! dat de
Australiërs geen apen zijn!" zeide lady Helena.
"Omdat zij den gang van een dier volkomen nabootsen?" antwoordde de
majoor. "Maar dat zou veeleer mijn stelling bevestigen!"
"Schertsen is geen antwoorden," zeide lady Helena. "Ik verlang, majoor!
dat gij uw gevoelen herroept."
"Het zij zoo! ja, nichtje! of liever neen! De Australiërs zijn geen
apen! Het zijn apen die Australiërs zijn!"
"Welnu komaan!"
"Herinner u maar eens, wat de negers beweren van het belangrijke ras der
oerang-oetangs."
"Wat beweren zij dan?" vroeg lady Helena.
"Zij beweren," antwoordde de majoor, "dat de apen zwarten zijn evenals
zij, maar slimmer: "Hij niet spreek om niet werk," zeide een neger, die
jaloersch was op een tammen oerang-oetang, dien zijn meester den kost
gaf, hoewel hij niets uitvoerde."