XV.

De australische en nieuw-zeelandsche courant.

Toen de zon den 2den Januari opging, overschreden de reizigers de grens

van het goudland en van het graafschap Talbot. Onder de hoeven hunner

paarden steeg het stof der wegen van het graafschap Dalhousie omhoog.

Eenige uren later doorwaadden zij de Colban en de Campaspe, op 144°35'

en 144°45' lengte. De helft der reis was afgelegd. Bleef het geluk hun

nog een paar weken getrouw, dan zouden zij de oevers der Twofold-baai

bereiken. De gezondheidstoestand der reizigers liet niets te wenschen

over. De beloften van Paganel, ten aanzien van het gezonde klimaat,

werden vervuld. Weinig of geen vochtigheid, en een zeer dragelijke

warmte. De paarden en ossen klaagden niet. De menschen evenmin.

Van de Camden-brug af was er een kleine wijziging gekomen in de

marschorde. De misdadige spoorwegramp had Ayrton, zoodra hij er kennis

van droeg, bewogen om eenige voorzorgen te nemen, die vroeger onnoodig

waren geweest. De jagers mogten den wagen niet uit het oog verliezen.

Wanneer zij een legerplaats betrokken, was er altijd een op wacht. 's

Morgens en 's avonds werden de wapens goed nagezien. Het was zeker, dat

een bende boosdoeners het land afliep, en ofschoon er geen dadelijk

gevaar te vreezen was, diende men toch op alles voorbereid te zijn.

Het zal wel niet noodig zijn te zeggen, dat al die voorzorgen genomen

werden buiten weten van lady Helena en Mary Grant, wie Glenarvan geen

angst wilde aanjagen.

En inderdaad had men reden om zoo te handelen. Een onvoorzigtigheid, een

verzuim zelfs kon duur te staan komen. Ook was Glenarvan niet de eenige,

wien deze stand van zaken bezorgd maakte. In de afgelegene gehuchten, op

de stations namen de bewoners en de squatters voorzorgen tegen een

mogelijken aanval of overrompeling. Tegen het vallen van den avond

werden de huizen gesloten. De honden, die binnen de omheining losliepen,

blaften bij het minste gerucht. Geen herder te paard zou 's avonds zijn

talrijke kudden verzamelen om ze huiswaarts te drijven, zonder dat een

karabijn aan den zadelknop hing. Het gerucht van de misdaad te

Camden-brug begaan wettigde die buitengewone voorzigtigheid, en menige

kolonist, die vroeger met open vensters en deuren sliep, grendelde ze nu

stevig, wanneer de schemering begon.

Het bestuur der provincie legde ook veel ijver en overleg aan den dag.

Afdeelingen inlandsche gendarmes werden allerwegen uitgezonden.

Bijzondere zorg werd gedragen voor het brieven-vervoer. Vroeger reed de

postkar zonder geleide over de groote wegen. Dienzelfden dag, juist op

het oogenblik dat het gezelschap van Glenarvan den weg van Kilmore naar

Heatcote overstak, reed de postwagen voorbij, zoo hard als de paarden

maar loopen konden, die een wolk van stof deden oprijzen. Maar pas was

hij voorbij, toen Glenarvan de karabijnen der politieagenten zag

flikkeren, die er naast reden. Men kon haast denken weder in dien

noodlottigen tijd te zijn, toen de ontdekking der goudmijnen het schuim

der volkeren van Europa op het vastland van Australië uitstortte.

Een mijl nadat de wagen den weg naar Kilmore was overgestoken, kwam hij

in een reuzenwoud, en voor de eerste maal sedert kaap Bernouilli drongen

de reizigers in een van die bosschen door, die zich verscheidene graden

ver uitstrekken.

Een kreet van bewondering ontsnapte hun op het gezigt der twee honderd

voet hooge gomboomen, wier sponsige schors wel vijf duim dik was. De

stammen, die twintig voet omtrek hadden en een welriekende hars

uitzweetten, verhieven zich honderden voeten boven den grond. Geen tak,

geen takje, geen wilde loot, geen knoest zelfs brak hun loodregten stand

af. Zij konden niet gladder uit de hand van den draaijer komen. Zij

waren gelijk aan evenveel zuiver afgewerkte zuilen, en bij honderden te

tellen. Hoog in de lucht liepen zij uit in kapiteelen van

dooreengeslingerde takken, aan het uiteinde voorzien met om den andere

geplaatste bladeren, aan den oksel dier bladeren hingen enkele bloemen,

wier kelk op een omgekeerde urn geleek.

De lucht stroomde ongehinderd onder deze altijd groene zoldering door;

een onafgebroken luchtstroom nam de vochtigheid van den grond op; de

paarden, de kudden rundvee, de wagens konden onbelemmerd tusschen die

wijd uiteenstaande boomen doorkomen, die veel hadden van de

bakenstokken, waarmede een kreupelbosch, dat men wil uitdunnen, wordt

afgepaald. Het was geen ondoordringbaar en met distelen en doornen

begroeid bosch, evenmin het ongerepte bosch met omgevallen stammen

versperd en met digt ineengegroeide slingerplanten behangen, waarin de

landverhuizer zich alleen met de bijl en het vuur een weg kan banen. Een

grastapijt aan den voet der boomen, een groen kleed aan hun top, lange

lanen van stoute pilaren, weinig schaduw, weinig koelte, verder een

eigenaardig licht gelijkende op het schijnsel, dat door een dun weefsel

heendringt, een regelmatige terugkaatsing, een zuivere spiegeling op den

grond, dat alles te zamen maakte een vreemd schouwspel uit, dat rijk was

aan ongewone effecten. Een bosch op het vastland van Oceanië gelijkt in

geenen deele op de bosschen der nieuwe wereld, en de gomboom, de "Tara"

der inboorlingen, behoorende tot de familie der myrthen, wier

verschillende soorten bijna ontelbaar zijn, is de boom bij uitnemendheid

der australische plantenwereld.

De omstandigheid, dat onder die groene koepels de schaduw niet digt en

de duisternis niet groot is, wordt veroorzaakt door een wetenswaardige

afwijking in de plaatsing van de bladeren dier boomen. Niet een wendt

zijn vlakken kant naar de zon, maar wel zijn spits toeloopende randen.

Het oog ontdekt in dat vreemde gebladerte niets dan de zijden. De

zonnestralen schieten dan ook tot op den bodem, alsof zij tusschen de

opstaande latjes van een zonneblind doorvielen.

Allen maakten die opmerking en allen schenen verrast. Waartoe toch die

zonderlinge plaatsing? Die vraag werd natuurlijk tot Paganel gerigt. Hij

antwoordde als iemand, die van zessen klaar is.

"Wat mij hier verwondert," zeide hij, "is niet de grilligheid der

natuur; de natuur weet wel wat ze doet, maar de plantenkenners weten

niet altijd, wat zij zeggen. De natuur heeft zich niet vergist, toen zij

aan deze boomen dat eigenaardige gebladerte gaf; maar de menschen

dwaalden, toen zij hen "eucalyptus" noemden.

"Wat beteekent dat woord?" vroeg Mary Grant.

"Het komt van εὖ καλὺπτω en beteekent _ik dek goed_. Men heeft gezorgd

die dwaling in het grieksch te begaan om ze minder in het oog te doen

loopen, maar het is duidelijk, dat de "eucalyptus" slecht dekt."

"Toegestaan, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "zeg ons nu eens,

waarom de bladeren zoo groeijen."

"Om een zuiver natuurkundige reden, vrienden!" antwoordde Paganel, "die

gij gemakkelijk kunt begrijpen. In dit land, waar de lucht droog, de

regen zeldzaam, de bodem uitgedroogd is, hebben de boomen aan wind noch

zon behoefte. Waar geen vocht is, is ook geen sap. Vandaar die smalle

bladeren, die zichzelven trachten te beschermen tegen den zonneschijn om

een al te sterke uitdamping te voorkomen. Daarom keeren zij hun randen

en niet de oppervlakte naar de zon. Niets is slimmer dan een blad."

"En niets baatzuchtiger!" sprak de majoor. "Dezen hebben alleen aan

zichzelven gedacht en volstrekt niet aan de reizigers."

Allen waren het met Mac Nabbs eens, op Paganel na, die, terwijl hij zich

het voorhoofd afwischte, blijde was onder boomen zonder lommer te kunnen

rijden. Toch was die plaatsing der bladeren jammer; de wegen door die

bosschen zijn soms zeer lang, en bij gevolg lastig, omdat de reiziger

volstrekt niet beschermd wordt tegen de zonnehitte.

Den ganschen dag rolde de wagen tusschen die eindelooze rijen gomboomen.

Geen viervoetig dier, geen inboorling was er te zien. Eenige kaketoes

bewoonden de kruinen der boomen; maar op die hoogte waren ze naauwelijks

zigtbaar en ging hun gebabbel in een onhoorbaar gefluister over. Soms

vloog een zwerm papegaaien in de verte en vervrolijkte het geboomte voor

een oogenblik door hun bonte kleuren. Maar over het geheel heerschte er

een diepe stilte in dien uitgestrekten tempel van groen, en waren de

stappen der paarden, eenige woorden van een onsamenhangend gesprek, de

knarsende raderen van den wagen, en van tijd tot tijd een geroep van

Ayrton, om zijn traag span wat aan te zetten, de eenige geluiden, die in

deze ontzettende woestenijen gehoord werden.

's Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen, die de sporen

droegen, dat er eerst onlangs een vuur had gebrand. Zij vormden om zoo

te zeggen hooge fabriekschoorsteenen; want de vlam had ze inwendig over

hun geheele lengte uitgehold. Zij hadden er echter geen hinder van, dat

alleen de schors nog maar was overgebleven. Echter zal die verkeerde

gewoonte der squatters en inboorlingen die prachtige boomen ten laatste

geheel vernielen, en zij zullen verdwijnen gelijk die vier eeuwen oude

cederen van den Libanon, welke de onnadenkende vlam der legerplaatsen

verteert.

Op raad van Paganel legde Olbinett het vuur voor het avondeten aan in

een van die buisvormige stammen; hij verkreeg terstond een aanzienlijke

trekking en de rook verdween in het donkere loof. De noodige voorzorgen

voor den nacht werden genomen, en Ayrton, Mulrady, Wilson en John

Mangles losten elkander geregeld af om tot zonsopgang te waken.

Den ganschen dag van den 3den Januarij volgde in dit eindelooze bosch

die eene regelmatige laan op de andere. Het scheen, dat er geen einde

aan was. Maar tegen den avond werd het bosch wat dunner, en in een

kleine vlakte, eenige mijlen voor hen uit, kregen de reizigers een

aantal regelmatige huizen in het oog.

"Seymour!" riep Paganel. "Het is de laatste stad die we zullen

ontmoeten, voor wij de provincie Victoria verlaten."

"Is zij van aanbelang?" vroeg Lady Helena.

"Mevrouw!" antwoordde Paganel "het is een eenvoudige kerspel, dat op weg

is om een gemeente te worden."

"Zullen wij er een fatsoenlijk logement vinden?" vroeg Glenarvan.

"Ik hoop van ja," antwoordde de aardrijkskundige.

"Welnu! dan zullen wij de stad binnenrijden; want ik denk, dat onze

wakkere reizigsters er niets tegen zullen hebben om er een nacht te

slapen.

"Lieve Edward!" antwoordde lady Helena, "Mary en ik nemen het aan, maar

op voorwaarde, dat het geen stoornis noch oponthoud zal veroorzaken."

"Volstrekt niet," antwoordde lord Glenarvan; "ook ons span is vermoeid;

morgen vertrekken wij weder met het krieken van den dag."

Het was nu negen ure. De maan neigde ten ondergang en schoot slechts

schuine stralen, die de nevel belette door te dringen. Het werd allengs

donker. Het geheele gezelschap reed de breede straten van Seymour in,

onder geleide van Paganel, die altijd goed bekend scheen met hetgeen hij

nooit had gezien. Maar zijn instinct geleidde hem en hij kwam regt voor

Campbells North British hotel.

Paarden en ossen werden op stal, de wagen in het koetshuis, en de

reizigers naar vrij goede kamers gebragt. Ten tien ure namen de gasten

plaats aan een tafel, die Olbinett met het oog van een kenner had

gemonsterd. Paganel had met Robert de stad doorloopen, en vertelde heel

kort zijn nachtelijken togt. Hij had volstrekt niets gezien.

Toch zou iemand, die minder afgetrokken was, een zekere onrust op de

straten van Seymour opgemerkt hebben; hier en daar stonden hoopjes

menschen, die langzamerhand grooter werden; men stond aan de deur te

praten; men ondervroeg elkander met wezenlijke bezorgdheid, eenige

dagbladen werden overluid voorgelezen, opgehelderd en besproken. Die

verschijnselen konden den onoplettendsten waarnemer niet ontgaan. Doch

Paganel had niets gemerkt.

De majoor daarentegen stelde zich zonder zoo ver te gaan, zelfs zonder

het logement te verlaten, op de hoogte van den angst, die het stadje en

te regt verontrustte. Een gesprek van tien minuten met den praatzieken

logementhouder Dickson gaf hem alle noodige inlichtingen. Maar hij repte

er niet van.

Eerst toen het maal afgeloopen was en lady Glenarvan, Mary en Robert

Grant naar hun kamers gegaan waren, hield de majoor zijn reisgenooten

even bij zich en zeide:

"De bewerkers van de misdaad op den spoorweg van Sandhurst gepleegd zijn

bekend."

"En zijn zij gevat?" vroeg Ayrton driftig.

"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, schijnbaar zonder acht te geven op de

gejaagdheid van den bootsman, een gejaagdheid trouwens, die in deze

omstandigheid zeer verklaarbaar was.

"Zooveel te erger!" voegde Ayrton er bij.

"Welnu! wie verdenkt men van die misdaad?" vroeg Glenarvan.

"Lees!" antwoordde de majoor, terwijl hij Glenarvan een nummer van de

_Australian and New-Zealand Gazette_ aanbood, "en gij zult zien, dat de

inspecteur van politie zich niet vergist heeft!"

Glenarvan las hardop het volgende:

"Sydney, 2 Januarij 1866.--Men zal zich herinneren, dat er in den nacht

van den 29sten op den 30sten December ll. een ongeluk plaats had te

Camden-brug, vijf mijlen van het station Castlemaine, op den spoorweg

van Melbourne naar Sandhurst. De sneltrein van 11 ure 45 minuten is in

volle vaart in de Lutton gestort.

"De Camden-brug stond open, toen de trein aankwam.

"Talrijke diefstallen, na de ramp gepleegd, en het lijk van den

brugwachter, dat een halve mijl van Camden-brug terug is gevonden,

bewezen, dat dit onheil het gevolg was van een misdaad.

"Het blijkt dan ook uit het onderzoek van den regter-commissaris, dat

deze misdaad moet toegeschreven worden aan de bende gedeporteerden, die

voor een half jaar uit de strafgevangenis van Perth, in West-Australië,

ontsnapt zijn, toen zij naar het eiland Norfolk zouden overgebragt

worden[1].

"Die gedeporteerden zijn ten getale van negen en twintig; hun aanvoerder

is zekere Ben Joyce, een boosdoener van de ergste soort, die voor

weinige maanden, met welk vaartuig is onbekend, in Australië is gekomen,

en dien de justitie niet in handen heeft kunnen krijgen.

"De bewoners der steden, de kolonisten en de squatters der stations

worden gewaarschuwd op hunne hoede te zijn, en verzocht den

inspecteur-generaal alle inlichtingen te doen toekomen, die zijn

nasporingen kunnen bevorderen.

"J.P. Mitchell, Insp.-Gen."

Toen Glenarvan ophield met lezen, wendde Mac Nabbs zich naar den

aardrijkskundige en zeide:

"Gij ziet, Paganel! dat er gedeporteerden in Australië kunnen zijn."

"Ontvlugte! dat blijkt!" antwoordde Paganel, "maar geen toegelaten

gedeporteerden. Die lieden hebben het regt niet hier te zijn."

"Zij zijn er toch," hernam Glenarvan; "maar naar mijn inzien mag hun

tegenwoordigheid geen verandering in onze plannen brengen en ons onze

reis doen staken. Wat denkt gij er van, John?"

John Mangles antwoordde niet terstond; hij weifelde tusschen de smart,

welke het opgeven van de aangevangen nasporingen den beiden kinderen zou

veroorzaken, en de vrees om het gezelschap in gevaar te brengen.

"Waren lady Glenarvan en miss Grant niet bij ons," zeide hij, "dan zou

ik mij weinig om die bende ellendelingen bekommeren."

Glenarvan begreep hem en voegde er bij:

"Het spreekt van zelf, dat wij er niet aan kunnen denken om van de

voltooijing onzer taak af te zien; maar zou het niet goed zijn om den

wil onzer reisgenooten de _Duncan_ te Melbourne op te zoeken en van het

oosten uit het spoor van Harry Grant te volgen? Wat denkt gij er van,

Mac Nabbs?"

"Voor ik mijn gevoelen zeg," antwoordde de majoor, "zou ik gaarne de

meening van Ayrton weten."

Zoo op den man af aangesproken, zag de bootsman Glenarvan aan.

"Ik denk," zeide hij, "dat wij twee honderd mijlen van Melbourne af

zijn, en dat het gevaar, wanneer het bestaat, even groot is in het

zuiden als in het oosten. Beide wegen worden weinig bezocht, de een is

net als de andere. Ook geloof ik niet, dat een dertigtal boosdoeners

acht goed gewapende en vastberadene mannen schrik kunnen aanjagen. Ik

voor mij zou dus voortgaan. Wie het beter weet, spreke!"

"Goed gezegd, Ayrton!" antwoordde Paganel. "Zetten wij onzen togt voort,

dan kunnen wij het spoor van kapitein Grant snijden. Keeren wij naar het

zuiden terug, dan verwijderen wij ons er van. Ik denk dus evenals gij,

en geef niet om die ontsnapten uit Perth, die niet waard zijn dat een

man van moed zich om hen bekommert!"

Nu werd het voorstel om niets aan het reisplan te veranderen in omvraag

gebragt en met algemeene stemmen aangenomen.

"Nog ééne opmerking, mylord!" zeide Ayrton, toen het gezelschap op het

punt stond uiteen te gaan.

"En die is, Ayrton?"

"Zou het niet goed zijn de _Duncan_ bevel te geven om de kust te

naderen?"

"Waartoe zou dat dienen?" sprak John Mangles. "Wanneer wij in de

Twofold-baai gekomen zijn, is het nog vroeg genoeg om dat bevel te

verzenden. Mogt het een of ander onvoorzien voorval ons dwingen naar

Melbourne te gaan, dan kon het ons ligt spijten de _Duncan_ aldaar niet

te vinden. Ook kan haar averij nog niet hersteld zijn. Om al die redenen

acht ik het dus beter te wachten."

"Goed," antwoordde Ayrton, die er niet verder op aandrong.

Den volgenden morgen vertrok het kleine reisgezelschap gewapend en op

alles voorbereid uit Seymour. Een half uur later betrad het weder het

gomboomenbosch, dat op nieuw in het oosten zich vertoonde. Glenarvan had

liever in het open veld gereisd. Een vlakte is minder geschikt voor

hinderlagen en verraderlijke overvallen dan een digt bosch; maar men had

geen keus, en den geheelen dag hotste de wagen tusschen de groote

eentoonige boomen voort. Na de noordelijke grens van het graafschap

Anglesey langs gereden te zijn, trok hij 's avonds over den honderd zes

en veertigsten breedtegraad, en sloeg men zich neder op de grens van het

district Murray.

[1] Het eiland Norfolk is een eiland ten oosten van Australië gelegen,

waar het gouvernement de weerspannige en onverbeterlijke gedeporteerden

opsluit. Zij zijn daar aan strenger toezigt onderworpen.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 20 / 29 题