De australische en nieuw-zeelandsche courant.
Toen de zon den 2den Januari opging, overschreden de reizigers de grens
van het goudland en van het graafschap Talbot. Onder de hoeven hunner
paarden steeg het stof der wegen van het graafschap Dalhousie omhoog.
Eenige uren later doorwaadden zij de Colban en de Campaspe, op 144°35'
en 144°45' lengte. De helft der reis was afgelegd. Bleef het geluk hun
nog een paar weken getrouw, dan zouden zij de oevers der Twofold-baai
bereiken. De gezondheidstoestand der reizigers liet niets te wenschen
over. De beloften van Paganel, ten aanzien van het gezonde klimaat,
werden vervuld. Weinig of geen vochtigheid, en een zeer dragelijke
warmte. De paarden en ossen klaagden niet. De menschen evenmin.
Van de Camden-brug af was er een kleine wijziging gekomen in de
marschorde. De misdadige spoorwegramp had Ayrton, zoodra hij er kennis
van droeg, bewogen om eenige voorzorgen te nemen, die vroeger onnoodig
waren geweest. De jagers mogten den wagen niet uit het oog verliezen.
Wanneer zij een legerplaats betrokken, was er altijd een op wacht. 's
Morgens en 's avonds werden de wapens goed nagezien. Het was zeker, dat
een bende boosdoeners het land afliep, en ofschoon er geen dadelijk
gevaar te vreezen was, diende men toch op alles voorbereid te zijn.
Het zal wel niet noodig zijn te zeggen, dat al die voorzorgen genomen
werden buiten weten van lady Helena en Mary Grant, wie Glenarvan geen
angst wilde aanjagen.
En inderdaad had men reden om zoo te handelen. Een onvoorzigtigheid, een
verzuim zelfs kon duur te staan komen. Ook was Glenarvan niet de eenige,
wien deze stand van zaken bezorgd maakte. In de afgelegene gehuchten, op
de stations namen de bewoners en de squatters voorzorgen tegen een
mogelijken aanval of overrompeling. Tegen het vallen van den avond
werden de huizen gesloten. De honden, die binnen de omheining losliepen,
blaften bij het minste gerucht. Geen herder te paard zou 's avonds zijn
talrijke kudden verzamelen om ze huiswaarts te drijven, zonder dat een
karabijn aan den zadelknop hing. Het gerucht van de misdaad te
Camden-brug begaan wettigde die buitengewone voorzigtigheid, en menige
kolonist, die vroeger met open vensters en deuren sliep, grendelde ze nu
stevig, wanneer de schemering begon.
Het bestuur der provincie legde ook veel ijver en overleg aan den dag.
Afdeelingen inlandsche gendarmes werden allerwegen uitgezonden.
Bijzondere zorg werd gedragen voor het brieven-vervoer. Vroeger reed de
postkar zonder geleide over de groote wegen. Dienzelfden dag, juist op
het oogenblik dat het gezelschap van Glenarvan den weg van Kilmore naar
Heatcote overstak, reed de postwagen voorbij, zoo hard als de paarden
maar loopen konden, die een wolk van stof deden oprijzen. Maar pas was
hij voorbij, toen Glenarvan de karabijnen der politieagenten zag
flikkeren, die er naast reden. Men kon haast denken weder in dien
noodlottigen tijd te zijn, toen de ontdekking der goudmijnen het schuim
der volkeren van Europa op het vastland van Australië uitstortte.
Een mijl nadat de wagen den weg naar Kilmore was overgestoken, kwam hij
in een reuzenwoud, en voor de eerste maal sedert kaap Bernouilli drongen
de reizigers in een van die bosschen door, die zich verscheidene graden
ver uitstrekken.
Een kreet van bewondering ontsnapte hun op het gezigt der twee honderd
voet hooge gomboomen, wier sponsige schors wel vijf duim dik was. De
stammen, die twintig voet omtrek hadden en een welriekende hars
uitzweetten, verhieven zich honderden voeten boven den grond. Geen tak,
geen takje, geen wilde loot, geen knoest zelfs brak hun loodregten stand
af. Zij konden niet gladder uit de hand van den draaijer komen. Zij
waren gelijk aan evenveel zuiver afgewerkte zuilen, en bij honderden te
tellen. Hoog in de lucht liepen zij uit in kapiteelen van
dooreengeslingerde takken, aan het uiteinde voorzien met om den andere
geplaatste bladeren, aan den oksel dier bladeren hingen enkele bloemen,
wier kelk op een omgekeerde urn geleek.
De lucht stroomde ongehinderd onder deze altijd groene zoldering door;
een onafgebroken luchtstroom nam de vochtigheid van den grond op; de
paarden, de kudden rundvee, de wagens konden onbelemmerd tusschen die
wijd uiteenstaande boomen doorkomen, die veel hadden van de
bakenstokken, waarmede een kreupelbosch, dat men wil uitdunnen, wordt
afgepaald. Het was geen ondoordringbaar en met distelen en doornen
begroeid bosch, evenmin het ongerepte bosch met omgevallen stammen
versperd en met digt ineengegroeide slingerplanten behangen, waarin de
landverhuizer zich alleen met de bijl en het vuur een weg kan banen. Een
grastapijt aan den voet der boomen, een groen kleed aan hun top, lange
lanen van stoute pilaren, weinig schaduw, weinig koelte, verder een
eigenaardig licht gelijkende op het schijnsel, dat door een dun weefsel
heendringt, een regelmatige terugkaatsing, een zuivere spiegeling op den
grond, dat alles te zamen maakte een vreemd schouwspel uit, dat rijk was
aan ongewone effecten. Een bosch op het vastland van Oceanië gelijkt in
geenen deele op de bosschen der nieuwe wereld, en de gomboom, de "Tara"
der inboorlingen, behoorende tot de familie der myrthen, wier
verschillende soorten bijna ontelbaar zijn, is de boom bij uitnemendheid
der australische plantenwereld.
De omstandigheid, dat onder die groene koepels de schaduw niet digt en
de duisternis niet groot is, wordt veroorzaakt door een wetenswaardige
afwijking in de plaatsing van de bladeren dier boomen. Niet een wendt
zijn vlakken kant naar de zon, maar wel zijn spits toeloopende randen.
Het oog ontdekt in dat vreemde gebladerte niets dan de zijden. De
zonnestralen schieten dan ook tot op den bodem, alsof zij tusschen de
opstaande latjes van een zonneblind doorvielen.
Allen maakten die opmerking en allen schenen verrast. Waartoe toch die
zonderlinge plaatsing? Die vraag werd natuurlijk tot Paganel gerigt. Hij
antwoordde als iemand, die van zessen klaar is.
"Wat mij hier verwondert," zeide hij, "is niet de grilligheid der
natuur; de natuur weet wel wat ze doet, maar de plantenkenners weten
niet altijd, wat zij zeggen. De natuur heeft zich niet vergist, toen zij
aan deze boomen dat eigenaardige gebladerte gaf; maar de menschen
dwaalden, toen zij hen "eucalyptus" noemden.
"Wat beteekent dat woord?" vroeg Mary Grant.
"Het komt van εὖ καλὺπτω en beteekent _ik dek goed_. Men heeft gezorgd
die dwaling in het grieksch te begaan om ze minder in het oog te doen
loopen, maar het is duidelijk, dat de "eucalyptus" slecht dekt."
"Toegestaan, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "zeg ons nu eens,
waarom de bladeren zoo groeijen."
"Om een zuiver natuurkundige reden, vrienden!" antwoordde Paganel, "die
gij gemakkelijk kunt begrijpen. In dit land, waar de lucht droog, de
regen zeldzaam, de bodem uitgedroogd is, hebben de boomen aan wind noch
zon behoefte. Waar geen vocht is, is ook geen sap. Vandaar die smalle
bladeren, die zichzelven trachten te beschermen tegen den zonneschijn om
een al te sterke uitdamping te voorkomen. Daarom keeren zij hun randen
en niet de oppervlakte naar de zon. Niets is slimmer dan een blad."
"En niets baatzuchtiger!" sprak de majoor. "Dezen hebben alleen aan
zichzelven gedacht en volstrekt niet aan de reizigers."
Allen waren het met Mac Nabbs eens, op Paganel na, die, terwijl hij zich
het voorhoofd afwischte, blijde was onder boomen zonder lommer te kunnen
rijden. Toch was die plaatsing der bladeren jammer; de wegen door die
bosschen zijn soms zeer lang, en bij gevolg lastig, omdat de reiziger
volstrekt niet beschermd wordt tegen de zonnehitte.
Den ganschen dag rolde de wagen tusschen die eindelooze rijen gomboomen.
Geen viervoetig dier, geen inboorling was er te zien. Eenige kaketoes
bewoonden de kruinen der boomen; maar op die hoogte waren ze naauwelijks
zigtbaar en ging hun gebabbel in een onhoorbaar gefluister over. Soms
vloog een zwerm papegaaien in de verte en vervrolijkte het geboomte voor
een oogenblik door hun bonte kleuren. Maar over het geheel heerschte er
een diepe stilte in dien uitgestrekten tempel van groen, en waren de
stappen der paarden, eenige woorden van een onsamenhangend gesprek, de
knarsende raderen van den wagen, en van tijd tot tijd een geroep van
Ayrton, om zijn traag span wat aan te zetten, de eenige geluiden, die in
deze ontzettende woestenijen gehoord werden.
's Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen, die de sporen
droegen, dat er eerst onlangs een vuur had gebrand. Zij vormden om zoo
te zeggen hooge fabriekschoorsteenen; want de vlam had ze inwendig over
hun geheele lengte uitgehold. Zij hadden er echter geen hinder van, dat
alleen de schors nog maar was overgebleven. Echter zal die verkeerde
gewoonte der squatters en inboorlingen die prachtige boomen ten laatste
geheel vernielen, en zij zullen verdwijnen gelijk die vier eeuwen oude
cederen van den Libanon, welke de onnadenkende vlam der legerplaatsen
verteert.
Op raad van Paganel legde Olbinett het vuur voor het avondeten aan in
een van die buisvormige stammen; hij verkreeg terstond een aanzienlijke
trekking en de rook verdween in het donkere loof. De noodige voorzorgen
voor den nacht werden genomen, en Ayrton, Mulrady, Wilson en John
Mangles losten elkander geregeld af om tot zonsopgang te waken.
Den ganschen dag van den 3den Januarij volgde in dit eindelooze bosch
die eene regelmatige laan op de andere. Het scheen, dat er geen einde
aan was. Maar tegen den avond werd het bosch wat dunner, en in een
kleine vlakte, eenige mijlen voor hen uit, kregen de reizigers een
aantal regelmatige huizen in het oog.
"Seymour!" riep Paganel. "Het is de laatste stad die we zullen
ontmoeten, voor wij de provincie Victoria verlaten."
"Is zij van aanbelang?" vroeg Lady Helena.
"Mevrouw!" antwoordde Paganel "het is een eenvoudige kerspel, dat op weg
is om een gemeente te worden."
"Zullen wij er een fatsoenlijk logement vinden?" vroeg Glenarvan.
"Ik hoop van ja," antwoordde de aardrijkskundige.
"Welnu! dan zullen wij de stad binnenrijden; want ik denk, dat onze
wakkere reizigsters er niets tegen zullen hebben om er een nacht te
slapen.
"Lieve Edward!" antwoordde lady Helena, "Mary en ik nemen het aan, maar
op voorwaarde, dat het geen stoornis noch oponthoud zal veroorzaken."
"Volstrekt niet," antwoordde lord Glenarvan; "ook ons span is vermoeid;
morgen vertrekken wij weder met het krieken van den dag."
Het was nu negen ure. De maan neigde ten ondergang en schoot slechts
schuine stralen, die de nevel belette door te dringen. Het werd allengs
donker. Het geheele gezelschap reed de breede straten van Seymour in,
onder geleide van Paganel, die altijd goed bekend scheen met hetgeen hij
nooit had gezien. Maar zijn instinct geleidde hem en hij kwam regt voor
Campbells North British hotel.
Paarden en ossen werden op stal, de wagen in het koetshuis, en de
reizigers naar vrij goede kamers gebragt. Ten tien ure namen de gasten
plaats aan een tafel, die Olbinett met het oog van een kenner had
gemonsterd. Paganel had met Robert de stad doorloopen, en vertelde heel
kort zijn nachtelijken togt. Hij had volstrekt niets gezien.
Toch zou iemand, die minder afgetrokken was, een zekere onrust op de
straten van Seymour opgemerkt hebben; hier en daar stonden hoopjes
menschen, die langzamerhand grooter werden; men stond aan de deur te
praten; men ondervroeg elkander met wezenlijke bezorgdheid, eenige
dagbladen werden overluid voorgelezen, opgehelderd en besproken. Die
verschijnselen konden den onoplettendsten waarnemer niet ontgaan. Doch
Paganel had niets gemerkt.
De majoor daarentegen stelde zich zonder zoo ver te gaan, zelfs zonder
het logement te verlaten, op de hoogte van den angst, die het stadje en
te regt verontrustte. Een gesprek van tien minuten met den praatzieken
logementhouder Dickson gaf hem alle noodige inlichtingen. Maar hij repte
er niet van.
Eerst toen het maal afgeloopen was en lady Glenarvan, Mary en Robert
Grant naar hun kamers gegaan waren, hield de majoor zijn reisgenooten
even bij zich en zeide:
"De bewerkers van de misdaad op den spoorweg van Sandhurst gepleegd zijn
bekend."
"En zijn zij gevat?" vroeg Ayrton driftig.
"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, schijnbaar zonder acht te geven op de
gejaagdheid van den bootsman, een gejaagdheid trouwens, die in deze
omstandigheid zeer verklaarbaar was.
"Zooveel te erger!" voegde Ayrton er bij.
"Welnu! wie verdenkt men van die misdaad?" vroeg Glenarvan.
"Lees!" antwoordde de majoor, terwijl hij Glenarvan een nummer van de
_Australian and New-Zealand Gazette_ aanbood, "en gij zult zien, dat de
inspecteur van politie zich niet vergist heeft!"
Glenarvan las hardop het volgende:
"Sydney, 2 Januarij 1866.--Men zal zich herinneren, dat er in den nacht
van den 29sten op den 30sten December ll. een ongeluk plaats had te
Camden-brug, vijf mijlen van het station Castlemaine, op den spoorweg
van Melbourne naar Sandhurst. De sneltrein van 11 ure 45 minuten is in
volle vaart in de Lutton gestort.
"De Camden-brug stond open, toen de trein aankwam.
"Talrijke diefstallen, na de ramp gepleegd, en het lijk van den
brugwachter, dat een halve mijl van Camden-brug terug is gevonden,
bewezen, dat dit onheil het gevolg was van een misdaad.
"Het blijkt dan ook uit het onderzoek van den regter-commissaris, dat
deze misdaad moet toegeschreven worden aan de bende gedeporteerden, die
voor een half jaar uit de strafgevangenis van Perth, in West-Australië,
ontsnapt zijn, toen zij naar het eiland Norfolk zouden overgebragt
worden[1].
"Die gedeporteerden zijn ten getale van negen en twintig; hun aanvoerder
is zekere Ben Joyce, een boosdoener van de ergste soort, die voor
weinige maanden, met welk vaartuig is onbekend, in Australië is gekomen,
en dien de justitie niet in handen heeft kunnen krijgen.
"De bewoners der steden, de kolonisten en de squatters der stations
worden gewaarschuwd op hunne hoede te zijn, en verzocht den
inspecteur-generaal alle inlichtingen te doen toekomen, die zijn
nasporingen kunnen bevorderen.
"J.P. Mitchell, Insp.-Gen."
Toen Glenarvan ophield met lezen, wendde Mac Nabbs zich naar den
aardrijkskundige en zeide:
"Gij ziet, Paganel! dat er gedeporteerden in Australië kunnen zijn."
"Ontvlugte! dat blijkt!" antwoordde Paganel, "maar geen toegelaten
gedeporteerden. Die lieden hebben het regt niet hier te zijn."
"Zij zijn er toch," hernam Glenarvan; "maar naar mijn inzien mag hun
tegenwoordigheid geen verandering in onze plannen brengen en ons onze
reis doen staken. Wat denkt gij er van, John?"
John Mangles antwoordde niet terstond; hij weifelde tusschen de smart,
welke het opgeven van de aangevangen nasporingen den beiden kinderen zou
veroorzaken, en de vrees om het gezelschap in gevaar te brengen.
"Waren lady Glenarvan en miss Grant niet bij ons," zeide hij, "dan zou
ik mij weinig om die bende ellendelingen bekommeren."
Glenarvan begreep hem en voegde er bij:
"Het spreekt van zelf, dat wij er niet aan kunnen denken om van de
voltooijing onzer taak af te zien; maar zou het niet goed zijn om den
wil onzer reisgenooten de _Duncan_ te Melbourne op te zoeken en van het
oosten uit het spoor van Harry Grant te volgen? Wat denkt gij er van,
Mac Nabbs?"
"Voor ik mijn gevoelen zeg," antwoordde de majoor, "zou ik gaarne de
meening van Ayrton weten."
Zoo op den man af aangesproken, zag de bootsman Glenarvan aan.
"Ik denk," zeide hij, "dat wij twee honderd mijlen van Melbourne af
zijn, en dat het gevaar, wanneer het bestaat, even groot is in het
zuiden als in het oosten. Beide wegen worden weinig bezocht, de een is
net als de andere. Ook geloof ik niet, dat een dertigtal boosdoeners
acht goed gewapende en vastberadene mannen schrik kunnen aanjagen. Ik
voor mij zou dus voortgaan. Wie het beter weet, spreke!"
"Goed gezegd, Ayrton!" antwoordde Paganel. "Zetten wij onzen togt voort,
dan kunnen wij het spoor van kapitein Grant snijden. Keeren wij naar het
zuiden terug, dan verwijderen wij ons er van. Ik denk dus evenals gij,
en geef niet om die ontsnapten uit Perth, die niet waard zijn dat een
man van moed zich om hen bekommert!"
Nu werd het voorstel om niets aan het reisplan te veranderen in omvraag
gebragt en met algemeene stemmen aangenomen.
"Nog ééne opmerking, mylord!" zeide Ayrton, toen het gezelschap op het
punt stond uiteen te gaan.
"En die is, Ayrton?"
"Zou het niet goed zijn de _Duncan_ bevel te geven om de kust te
naderen?"
"Waartoe zou dat dienen?" sprak John Mangles. "Wanneer wij in de
Twofold-baai gekomen zijn, is het nog vroeg genoeg om dat bevel te
verzenden. Mogt het een of ander onvoorzien voorval ons dwingen naar
Melbourne te gaan, dan kon het ons ligt spijten de _Duncan_ aldaar niet
te vinden. Ook kan haar averij nog niet hersteld zijn. Om al die redenen
acht ik het dus beter te wachten."
"Goed," antwoordde Ayrton, die er niet verder op aandrong.
Den volgenden morgen vertrok het kleine reisgezelschap gewapend en op
alles voorbereid uit Seymour. Een half uur later betrad het weder het
gomboomenbosch, dat op nieuw in het oosten zich vertoonde. Glenarvan had
liever in het open veld gereisd. Een vlakte is minder geschikt voor
hinderlagen en verraderlijke overvallen dan een digt bosch; maar men had
geen keus, en den geheelen dag hotste de wagen tusschen de groote
eentoonige boomen voort. Na de noordelijke grens van het graafschap
Anglesey langs gereden te zijn, trok hij 's avonds over den honderd zes
en veertigsten breedtegraad, en sloeg men zich neder op de grens van het
district Murray.
[1] Het eiland Norfolk is een eiland ten oosten van Australië gelegen,
waar het gouvernement de weerspannige en onverbeterlijke gedeporteerden
opsluit. Zij zijn daar aan strenger toezigt onderworpen.