De mijnen van den Alexander-berg.
In 1844 vond sir Roderick Impey Murchison, thans president der
koninklijke Maatschappij voor aardrijkskunde te Londen, door de studie
van haar zamenstelling een merkwaardige overeenkomst tusschen de
Oeralketen en die, welke van het noorden naar het zuiden, niet ver van
de zuidkust van Australië loopt.
De Oeral bevat goud, en nu vroeg de geleerde aardrijkskundige zich af,
of dit kostbaar metaal ook niet aanwezig zou zijn in het australische
gebergte. Hij bedroog zich niet.
Werkelijk werden hem twee jaar later eenige monsters goud uit
Nieuw-Zuid-Wales gezonden, en daarop bewerkte hij de verhuizing van een
groot aantal werklieden uit Cornwales naar de goudstreken van
Nieuw-Holland.
Een zekere Francis Dutton had in Zuid-Australië de eerste goudklompen
gevonden, terwijl Forbes en Smyth de eerste mijnen van Nieuw-Wales
ontdekten.
Toen de eerste stoot gegeven was, stroomden de goudzoekers uit alle
oorden der wereld toe: Engelschen, Amerikanen, Italianen, Franschen,
Duitschers en Chineezen. Toch duurde het tot den 8den April 1851 voor
zekere Hargraves zeer rijke goudlagen opspoorde, welker ligging hij den
gouverneur der kolonie Sydney, sir Ch. Fits-Roy, aanbood mede te deelen
voor de geringe som van vijf honderd pond sterling.
Zijn aanbod werd van de hand gewezen, maar die ontdekking was ruchtbaar
geworden. De goudzoekers begaven zich naar Summerhill en Leni's Pond. De
stad Ophir werd gebouwd, die door den rijkdom der mijnen spoedig haar
bijbelschen naam eer aandeed.
Tot nog toe was er geen sprake van de provincie Victoria, die echter
weldra door den rijkdom harer lagen alle anderen overvleugelen zou.
Weinige maanden later toch, in de maand Augustus 1851, werden de eerste
klompen in die provincie uitgegraven, en weldra was het werk in vier
districten in vollen gang. Die vier districten waren: Ballarat, Ovens,
Bendigo en van den Alexander-berg, allen zeer rijk; maar aan de rivier
de Ovens belemmerde de overvloed van water dikwijls den arbeid; te
Ballarat veroorzaakte een ongelijke verdeeling den goudzoekers menige
misrekening; te Bendigo voldeed de grond niet aan de eischen van den
werkman. Bij den Alexander-berg liep alles zamen om den goeden uitslag
van den arbeid te verzekeren; voor dit kostbare metaal, dat tot dertien
honderd negen en zestig gulden het nederlandsche pond opbragt, werd de
hoogste prijs van alle markten der wereld gemaakt.
De weg van de zeven en dertigste parallel voerde de zoekers van kapitein
Harry Grant juist naar die plaats, welke zoo vruchtbaar is in rampen en
in onverwachten voorspoed.
Na den 31sten December den geheelen dag over een oneffen bodem gegaan te
hebben, die de paarden en ossen zeer vermoeiden, bemerkten zij de ronde
toppen van den Alexander-berg. Het nachtleger werd in een enge kloof van
die kleine keten opgeslagen. Nadat hun de kluisters waren aangelegd,
gingen de dieren hun voedsel zoeken tusschen de kwartsblokken, waarmede
de grond was bezaaid. Nog hadden zij de streek der ontginningen niet
bereikt. Eerst den volgenden dag, den eersten van het jaar 1866, rolde
de wagen over de wegen van die rijke landstreek.
Jacques Paganel en zijn reisgenooten waren blijde, toen zij in het
voorbijgaan dien beroemden berg zagen, die in de landtaal Geboor heet.
Daar viel de geheele horde gelukzoekers neder, dieven en eerlijke
lieden, degenen die ophangen en die zich laten ophangen. Op het eerste
gerucht der groote ontdekking, in het gulden jaar 1851, werden steden,
akkers, schepen, door de inwoners, de squatters en de zeelieden
verlaten. De goudkoorts werd epidemisch, zoo besmettelijk als de pest,
en hoevelen stierven er aan, die het geluk reeds meenden gegrepen te
hebben! De milde natuur had, zeide men, over een uitgestrektheid van
vijf en twintig breedtegraden millioenen in het wonderland Australië
gestrooid. Het was oogsttijd, en die nieuwe maaijers gingen den oogst
binnenhalen. Het beroep van "digger", graver, was het meest gezochte, en
al mogten er velen van vermoeijenis uitgeput onder hun taak bezwijken,
toch waren er eenigen, die zich door een enkelen slag met het houweel
verrijkten. De ongelukken werden verzwegen, het geluk door de faam
uitgebazuind. Die nukken van het lot vonden weerklank in de vijf
werelddeelen. Weldra stroomden scharen hebzuchtigen van allerlei stand
samen op de kust van Australië, en gedurende de vier laatste maanden van
het jaar 1852 kwamen er alleen te Melbourne vier en vijftig duizend
landverhuizers, een waar leger, maar een leger zonder aanvoerder, zonder
tucht, een leger na een overwinning, die nog niet behaald was, in een
woord vier en vijftig duizend plunderaars van de ergste soort.
Gedurende de eerste jaren dier krankzinnige dronkenschap heerschte er
een onbeschrijfelijke wanorde. Met hun gewone geestkracht maakten de
Engelschen zich echter spoedig van den toestand meester. De
politie-agenten en de inlandsche gendarmes verlieten de partij der
dieven voor die der eerlijke lieden. Er had een heele omkeering plaats.
Ook zou Glenarvan geen enkel van de hevige tooneelen van 1852 bijwonen.
Dertien jaren waren sedert dat tijdstip verloopen, en nu werden de
goudgronden wetenschappelijk bewerkt volgens de regelen eener gestrenge
organisatie.
Ook raakten de mijnen reeds uitgeput. Door al dat zoeken vond men
eindelijk den bodem. En kan het ook anders of de schatten door de natuur
opgehoopt moesten verminderen, wanneer men in aanmerking neemt dat de
goudzoekers van 1852 tot 1858 alleen in Victoria drie en zestig millioen
honderd zeven duizend vierhonderd acht en zeventig pond sterling[1] uit
den grond hebben gehaald! Het aantal landverhuizers is dan ook werkelijk
verminderd, daar velen naar de nog ondoorzochte streken vertrokken zijn.
De "gold-fields," goudvelden, die onlangs te Otago en Marlborough in
Nieuw-Zeeland ontdekt zijn, worden thans doorgraven door duizenden
tweevoetige ongevleugelde witte mieren[2].
Tegen elf ure kwamen zij in het middelpunt der werkzaamheden aan. Daar
verhief zich een ware stad, met fabrieken, een bank, een kerk, een
kazerne, hutten en dagblad-bureaux. Ook logementen, boerderijen en
buitenverblijven zocht men niet te vergeefs. Er was zelfs een druk
bezochte schouwburg tegen zes gulden de plaats. Veel opgang maakte een
stuk uit het dagelijksch leven genomen, dat tot titel had _Francis
Obadiah, of de gelukkige goudgraver_. Bij de ontknooping steekt de held
wanhopend zijn houweel voor de laatste maal in den grond en vindt een
klomp goud van ongehoorde waarde.
Begeerig om de ontginning op groote schaal van den Alexander-berg te
bezoeken, liet Glenarvan Ayrton en Mulrady met den wagen vooruitrijden.
Hij zou hen na verloop van eenige uren wel inhalen. Paganel was in de
wolken over dat besluit, en naar zijn gewoonte wierp hij zich op tot
gids en leidsman van het kleine gezelschap.
Op zijn raad ging men eerst naar de Bank. De straten waren breed,
gemacadamiseerd en zorgvuldig besproeid. Reusachtige aanplakbilletten
van de _Golden company (limited)_ van de _Digger's General Office_, van
de _Nuggets Union_ trokken de aandacht. De samenwerking van handen en
geld was in de plaats gekomen van den afzonderlijken arbeid der
goudzoekers. Overal hoorde men de machines werken, die het zand wieschen
en het kostbare kwarts fijn maalden.
In den omtrek der woningen lagen de "placers" of uitgestrekte gronden,
die ter ontginning waren afgestaan. Daar waren tegen hoog loon de
goudzoekers aan het werk, die de compagniën in dienst hadden genomen.
Ontelbaar waren de gaten die in den grond waren geboord. Het ijzer van
de houweelen fonkelde in de zon en zond een onafgebrokene reeks van
lichtstralen uit. Alle natiën waren onder die arbeiders
vertegenwoordigd. Zij twistten niet, en volbragten zwijgend hun taak,
als bezoldigde personen.
"Denkt echter niet," zeide Paganel, "dat er op den australischen bodem
geen enkele van die koortsachtige zoekers meer zijn zou, die hun geluk
in het mijnspel komen beproeven. Ik weet wel, dat de meesten hun armen
aan de compagniën verhuren, en dat moet wel, omdat de regeering al de
goudgronden verkocht of verpacht heeft. Maar wie niets heeft, wie
verhuren noch koopen kan, ook hij heeft nog eenige kans om rijk te
worden."
"Welke?" vroeg lady Helena.
"De kans om het "jumping" uit te oefenen," antwoordde Paganel. "Zoo
zouden wij b.v., die volstrekt geen regt op deze streken hebben, toch,
--als er wat veel geluk bijkomt, dat spreekt van zelf,--fortuin kunnen
maken!"
"Maar hoe?" vroeg de majoor.
"Door het "jumping", zooals ik reeds de eer heb gehad u te zeggen."
"Wat is dat, het "jumping"?" vroeg de majoor weer.
"Het is een overeenkomst onder de goudzoekers, die dikwijls tot geweld
en wanorde aanleiding geeft en die de regeering nog niet heeft kunnen
vernietigen."
"Spreek toch duidelijker, Paganel!" zeide Mac Nabbs, "gij doet ons
watertanden."
"Welnu. Het is een regel, dat elke grond in het middelpunt der
werkzaamheden, waarin men in geen vier en twintig uren, de groote
feestdagen uitgezonderd, heeft gewerkt, gemeen goed wordt. Wie zich er
van meester maakt, kan hem doorzoeken, en als het lot hem begunstigt,
rijk worden. Doe dus uw best, Robert! om een van die verlaten gaten op
te sporen, en het behoort u!"
"Och, mijnheer Paganel! breng mijn broeder toch zoo iets niet in het
hoofd!" zeide Mary Grant.
"Ik scherts, lieve miss!" antwoordde Paganel, "en dat weet Robert ook
wel. Hij, een goudzoeker! Nooit! Den grond spitten, ploegen, bebouwen,
vervolgens bezaaijen en hem een geheelen oogst tot loon voor zijn moeite
vragen, goed! Maar hem evenals de mollen, even blind als zij, te
doorwoelen om hem een beetje goud te ontfutselen, dat is een treurig
beroep, en wel moet men van God en menschen verlaten zijn om het uit te
oefenen!"
Na de voornaamste mijn bezocht en een overgangsgrond ontmoet te hebben,
grootendeels bestaande uit kwarts, kleischiefer en zand, dat afkomstig
was van de scheiding der steenen, kwamen de reizigers aan de Bank.
Dit was een uitgestrekt gebouw, van welks nok de nationale vlag
wapperde. Lord Glenarvan werd door den inspecteur-generaal ontvangen,
die de eer van zijn inrigting ophield.
Daar wordt al het uit den grond opgedolven goud door de compagniën tegen
een schriftelijk bewijs van ontvangst in bewaring gegeven. De tijd was
reeds lang achter den rug, toen de eerste goudzoeker door de kooplieden
der kolonie werd afgezet. Dezen betaalden hem aan de mijnen drie en
vijftig shillings voor het ons, dat ze te Melbourne voor vijf en zestig
verkochten! Maar het is waar, de koopman had de risico van het vervoer,
en daar de straatroovers sterk vermenigvuldigden, kwam de bezending niet
altijd ter bestemder plaatse aan.
Aardige monsters goud werden aan de bezoekers vertoond, en de inspecteur
deelde hun belangrijke bijzonderheden mede aangaande de verschillende
wijzen om dit metaal op te delven.
Doorgaans treft men het in twee gedaanten aan: óf in grootere of
kleinere stukken óf als stofgoud. Het komt ook voor als erts, met de
aangespoelde gronden vermengd, of besloten in een gangsteen van kwarts.
Daarom gaat men ook bij het delven naar den aard van den bodem te werk:
men zoekt het aan de oppervlakte of in den grond.
Wanneer het in stukken voorkomt, ligt het goud op den bodem van
bergstroomen, dalen en holle wegen, naar zijn grootte geschikt, eerst de
korrels, dan de blaadjes en eindelijk de loovertjes.
Wanneer het integendeel stofgoud is, welks gangsteen door den invloed
der lucht ontbonden is, ligt het op ééne plaats bij elkander, in hoopjes
vereenigd, en vormt het wat de goudzoekers "zakjes" noemen. Er zijn er
onder die zakjes, die een geheel vermogen bevatten.
Bij den Alexander-berg wordt het goud hoofdzakelijk aangetroffen in de
leemlagen en in de tusschenruimten der leisteenen. Daar zijn de
pepiet-nesten[3]; daar trekt de gelukkige graver dikwijls het hoogste
lot uit de goudmijnen.
Na de verschillende goudsoorten bezigtigd te hebben, doorwandelden de
bezoekers het delfstoffelijk museum der Bank. Daar zagen zij al de
voortbrengselen van den bodem van namen voorzien en ordelijk
gerangschikt. Het goud is zijn eenige rijkdom niet, hij mag teregt een
groote juweelkist genoemd worden, waarin de natuur haar kostbare
kleinodiën bewaart. Onder de glazen deksels schitterden de witte topaas,
de mededinger der braziliaansche topazen, de karbonkel, de schorlsteen,
een soort van heerlijk groenen kiezelsteen, de bleekroode robijn,
vertegenwoordigd door scharlakenroode spinellen en door een
allerschoonste rozenroode verscheidenheid, ligt- en donkerblaauwe
saffieren, even gezocht als die van Malabar of Thibet, schitterende
bruinroode tinanium-schorls en ten slotte een kleine diamant-kristal,
die op de oevers van de Turon gevonden was. Niets ontbrak aan die
prachtige verzameling van edelsteenen, en men behoefde het noodige goud
om ze in te vatten niet ver te gaan zoeken. Als men ze althans niet
geheel gezet wilde hebben, kon men niets meer verlangen.
Glenarvan nam afscheid van den inspecteur der Bank, na hem voor zijn
vriendelijkheid bedankt te hebben, waarvan bij een ruim gebruik had
gemaakt. Daarna werd het bezoek aan de goudmijnen voortgezet.
Hoe los Paganel ook mogt zijn van de goederen dezer wereld, toch deed
hij geen stap zonder dien rijken bodem met zijn oogen te doorzoeken. Hij
kon de verzoeking niet wederstaan, en zelfs de scherts zijner vrienden
vermogt niets op hem. Telkens bukte hij, raapte een kei op of een stuk
gangsteen of een brok kwarts; hij bekeek ze oplettend en wierp ze
spoedig weer met verachting weg. Dat duurde zoo de geheele wandeling.
"Hoe is het, Paganel!" vroeg de majoor, "hebt ge bij geval iets
verloren?"
"Zeker," antwoordde Paganel, "in dit land van goud en edelgesteenten
heeft men altijd verloren, wat men niet gevonden heeft. Ik zie niet in,
waarom ik ook niet een klomp van eenige onsen, een van twintig pond is
ook goed, maar meer ook niet, zou kunnen medenemen."
"En wat zoudt gij er mede doen, beste vriend?" vroeg Glenarvan.
"O, ik zou er niet verlegen mede zijn," antwoordde Paganel. "Ik zou hem
aan mijn land vereeren! Ik zou hem in de fransche Bank beleggen...."
"Die hem zou aannemen?"
"Zeker, in den vorm van spoorweg-aandeelen!"
Men wenschte Paganel geluk met de wijze, waarop hij zijn klomp "aan zijn
land" dacht aan te bieden, en lady Helena wenschte hem toe, dat hij het
grootste stuk goud van de wereld mogt vinden.
Al schertsend doorliepen de reizigers het grootste gedeelte der
ontgonnen gronden. Overal werd geregeld en werktuigelijk maar zonder
opgewektheid gewerkt.
Na een wandeling van een paar uren kreeg Paganel een zeer fatsoenlijke
herberg in het oog, waar hij voorstelde wat te gaan zitten, tot het tijd
was den wagen weer op te gaan zoeken. Lady Helena keurde dit goed, en
daar men in geen herberg kan komen zonder iets te gebruiken, vroeg
Paganel den herbergier om den een of anderen hier gebruikelijken drank
te brengen.
Voor iederen bezoeker werd een "nobler" gebragt. Dit is niet anders dan
grog, maar omgekeerde grog. In plaats van een glaasje brandewijn in een
groot glas water te doen, doet men een glaasje water in een groot glas
brandewijn, daar gaat suiker in en men drinkt. Dat was wel een beetje al
te australisch, en tot groote verwondering van den herbergier werd de
nobler, met een groote karaf water aangelengd, de britsche grog.
Vervolgens praatte men over mijnen en mijnwerkers. Nu of nooit. Hoewel
Paganel zeer in zijn schik was met hetgeen hij gezien had, meende hij
toch, dat het vroeger nog bezienswaardiger moet geweest zijn, in de
eerste jaren van de ontginning van den Alexander-berg.
"De grond," zeide hij, "was toen vol gaten en wemelde van legioenen
werkmieren, en welke mieren! Alle landverhuizers waren even vlijtig,
maar niet even voorzigtig als die diertjes! Het goud werd met handenvol
weg geworpen. Het werd verdronken, en de herberg, waarin wij thans zijn,
was een "hel", zooals men toen zeide. Het dobbelspel liep doorgaans op
messteken uit. De politie kon er niets aan doen en dikwijls was de
gouverneur der kolonie verpligt met geregelde troepen tegen de oproerige
goudzoekers op te trekken. Toch gelukte het hem ze tot rede te brengen,
hij legde een patent-regt op aan elken graver, dat hij niet zonder
moeite liet innen, zoodat de wanorde hier minder groot was dan in
Californië."
"Kan een ieder dat beroep van goudzoeker maar uitoefenen?" vroeg lady
Helena.
"Ja, mevrouw! Daarvoor behoeft men geen akademischen graad te bezitten!
Een paar goede armen is genoeg. Door armoede voortgejaagd kwamen de
gelukzoekers aan de mijnen, meest allen zonder geld, de rijken met een
houweel, de armen met een mes, en allen vatten dit werk op met een
razernij, die zij bij een eerlijk ambacht wel achterwege zouden gelaten
hebben. Die goudlanden leverden toen een zonderling schouwspel op! De
grond was bedekt met tenten, dekkleeden, stulpen, barakken van aarde,
planken en bladeren. In het midden pronkten de tent van het
gouvernement, met de britsche vlag versierd, de tenten van blaauw tijk
van deszelfs agenten, en de kramen der wisselaars, goudhandelaars en
winkeliers, die hun voordeel wilden doen met die vermenging van rijkdom
en armoede. Zoo iemand, dan zijn dezen rijk geworden. Gij hadt die
goudzoekers met hun langen baard en rood hemd eens moeten zien, hoe zij
daar in het water en slijk leefden. De lucht weergalmde van het
onafgebroken geraas der houweelen, en was vervuld met de stinkende
uitwasemingen der krengen, die op den grond lagen te rotten. Digte
stofwolken omhulden die ongelukkigen, waaronder een ontzettende sterfte
heerschte, en in een minder gezond land zou de typhus stellig die
bevolking vreeselijk gedund hebben. En waren die gelukzoekers nog maar
allen geslaagd! Maar al die ellende werd niet vergoed en bij een
naauwkeurige berekening zou het blijken, dat tegen één goudzoeker, die
zijn fortuin gemaakt heeft, er wel honderd, twee honderd misschien, arm
en wanhopend gestorven zijn."
"Zoudt gij ons ook kunnen zeggen, Paganel!" vroeg Glenarvan, "hoe men
bij dat gouddelven te werk ging?"
"Heel eenvoudig," antwoordde Paganel. "De eerste goudzoekers oefenden
het beroep van goudwasscher uit, zooals dit nog gebruikelijk is in
eenige deelen der Cevennen in Frankrijk. Thans gaan de compagniën anders
te werk; zij klimmen tot de bron zelve op, tot de ader, die de blaadjes,
de loovertjes en de klompen oplevert. Maar de goudwasschers vergenoegden
zich met het goudzand uit te wasschen, ziedaar alles. Zij groeven in den
grond, verzamelden de aardlagen, die zij meenden, dat goud bevatten, en
spoelden ze met water uit om er den kostbaren erts uit af te zonderen.
Tot dat wasschen gebruikten zij een werktuig, dat uit Amerika afkomstig
was en "wieg" heette. Het was een doos van vijf tot zes voet lang, een
soort van open doodkist, en in twee afdeelingen verdeeld. De eerste was
voorzien van een grove zeef, waaronder andere zeven met naauwer gaatjes
stonden; de tweede liep van onderen naauw toe. Het zand werd in een
hoekje van de zeef gelegd, daar goot men water op, en met de hand
schudde of liever wiegde men het werktuig. De steenen bleven achter in
de eerste zeef, de erts en het fijne zand in de andere, naar gelang van
hun grofheid, en de uitgewasschen aarde liep met het water door de
onderste opening weg. Zoo was het meest gebruikelijke werktuig
ingerigt."
"Maar men moest het toch hebben," zeide John Mangles.
"Men kocht het van de rijkgeworden of wel geruïneerde goudzoekers, naar
het uitkwam, of men deed het er buiten," antwoordde Paganel.
"Wat nam men er dan voor in de plaats?" vroeg Mary Grant.
"Een schotel, lieve Mary! een eenvoudigen ijzeren schotel; de aarde werd
uitgewand gelijk het koren; alleen oogstte men in plaats van
tarwekorrels soms goudkorrels. In het eerste jaar heeft meer dan een
goudzoeker fortuin gemaakt zonder andere onkosten. Ziet gij, vrienden!
het was toen nog de goede tijd, hoewel de laarzen zeventig gulden het
paar kostten en men voor een glas limonade zes gulden betaalde! Die het
eerste komt het eerste maalt. Het goud lag overal in overvloed op den
grond; de beken stroomden over een bedding van metaal; men vond het tot
op de straten van Melbourne; met stofgoud werden de wegen
gemacadamiseerd. De hoeveelheid edel metaal, die van 26 Januarij tot 24
Februarij 1852 onder geleide van het gouvernement van den Alexander-berg
naar Melbourne overgebragt werd, had een waarde van vier millioen
gulden. Dat bedraagt gemiddeld ruim tachtig duizend gulden daags!"
"Dat is ongeveer de civiele lijst van den keizer van Rusland," zeide
Glenarvan.
"Arme man!" antwoordde de majoor.
"Werden er soms op eens rijk?" vroeg lady Helena.
"Ja, dat gebeurde wel eens, mevrouw!"
"Zijn u die gevallen bekend?" vroeg Glenarvan.
"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel. "In 1852 werd er in het
district Ballarat een klomp gevonden, die vijf honderd drie en zeventig
ons woog, in Gippsland een ander van zeven honderd twee en tachtig ons,
en in 1861 een staaf van acht honderd vier en dertig ons. In datzelfde
Ballara ontdekte een goudzoeker een klomp, die vijf en zestig
nederlandsche ponden woog, hetgeen tegen zeventien honderd gulden het
pond berekend honderd tien duizend gulden bedraagt! Een mooije slag met
het houweel, die zesdehalf duizend gulden intrest opbrengt!"
"In welke mate is de opbrengst van het goud toegenomen sedert de
ontdekking dezer mijnen?" vroeg John Mangles.
"In een ontzettende mate, waarde John! In het begin dezer eeuw bedroeg
die opbrengst jaarlijks slechts drie en twintig millioen guldens, en
thans berekent men ze met inbegrip van de opbrengst der mijnen van
Europa, Azië en Amerika op vier tot vijf honderd millioen guldens.
"Dan is er, mijnheer Paganel!" zeide de jonge Robert, "op de plek, waar
wij ons thans bevinden, onder onze voeten, misschien veel goud!"
"Ja, beste jongen! millioenen! wij loopen er op! Maar wij loopen er op,
omdat wij het versmaden!"
"Dan is Australië wel een bevoorregt land!"
"Neen, Robert!" antwoordde de aardrijkskundige. "De goudlanden zijn niet
bevoorregt. Zij geven slechts het aanzijn aan luije dagdieven en nooit
aan sterke en werkzame menschen-geslachten. Zie maar op Brazilië,
Mexico, Californië, Australië! Hoe ver zijn ze in de negentiende eeuw!
Het land bij uitnemendheid, mijn jongen, is niet het goudland, maar het
ijzerland!"
[1] Ruim 757 millioen guldens.
[2] Het zou echter kunnen zijn, dat de landverhuizers zich bedrogen
hadden. De goudlagen toch zijn volstrekt niet uitgeput. Volgens de
laatste berigten uit Australië rekent men, dat de goudmijnen van
Victoria en Nieuw-Wales een uitgestrektheid hebben van vijf millioen
bunders, de vermoedelijke zwaarte van het kwarts, dat goudaderen bevat,
zou 20 billioen 650000 millioen nederlandsche ponden zijn, en bij de
tegenwoordige wijze van bewerking zouden honderd duizend werklieden drie
eeuwen noodig hebben om die mijnen uit te putten. De rijkdom aan goud in
Australië wordt geschat op 330000 millioen guldens.
[3] _Pepiet_, een klomp gedegen goud.