Een eerste prijs in de aardrijkskunde.
Aan den gezigteinder vertoonden zich eenige heerlijke heuvels, die twee
mijlen van den spoorweg af de vlakte begrensden. Weldra was de wagen in
een doolhof van naauwe en grillig door elkander geslingerde engten. Zij
liepen op een liefelijke landstreek uit, waar schoone boomen, die geen
bosch vormden, maar in afzonderlijke groepjes bijeenstonden, met echt
tropische weelderigheid opschoten. Het meest liepen de "casuarina's" in
het oog, die aan den eik den stevigen bouw van zijn stam, aan de acacia
haar geurige schillen, en aan den denneboom de hardheid zijner naar het
grijsgroene zweemende bladeren schijnen ontleend te hebben. Tusschen hun
takken vertoonden zich de aardige kegels van den "banksia latifolia,"
bekend om zijn allersierlijkste slankheid. Groote heesters met
overhangende twijgen maakten te midden van het zware geboomte een
uitwerking, alsof een groen water over den rand van al te volle bekkens
liep. Het oog dwaalde onzeker rond over al die wonderen der natuur en
wist niet, wat het eerst te bewonderen.
Het kleine gezelschap had een oogenblik stilgehouden. Op bevel van lady
Helena had Ayrton de ossen stil laten staan. Het knarsen van de lompe
wielen op het kwartshoudende zand hield op. Onder de boomgroepen
strekten zich groote grastapijten uit, die alleen door eenige
oneffenheden en regelmatige verheffingen van den bodem in vrij
duidelijke ruiten verdeeld werden, alsof zij een groot schaakbord
vormden.
Paganel vergiste zich niet, toen hij die groene eenzame vlakten zag, die
zoo bij uitstek geschikt zijn voor de eeuwige rust; hij herkende die
vierkante grafgestichten, waarvan het gras thans de laatste sporen
uitwischt, en die de reiziger nog zoo zelden in Australië aantreft.
"De boschjes van den dood," zeide hij.
En werkelijk lag er een inlandsche begraafplaats voor hem, maar zoo
frisch, zoo lommerrijk, zoo vervrolijkt door uitgelatene zwermen vogels,
zoo aanlokkelijk, dat het volstrekt geen droevige denkbeelden opwekte.
Zoo moeten de tuinen van het paradijs er hebben uitgezien, voor de dood
op aarde heerschte. Zij scheen voor de levenden aangelegd te zijn. Maar
die grafteekens, welke de wilde met vrome zorg onderhield, verdwenen
reeds onder den weelderigen plantengroei. De verovering had den
Australiër verre verjaagd van het land, waarin zijn voorvaderen rustten,
en de kolonisatie zou die velden weldra overgeven aan de tand der
kudden. Die boschjes zijn dan ook zeldzaam geworden, en hoevele, die een
pas verdwenen menschengeslacht bedekken, zijn reeds vertreden onder de
voeten van den onverschilligen reiziger.
Inmiddels reden Paganel en Robert de anderen vooruit en doorkruisten
kleine lommerrijke lanen tusschen de grasheuveltjes. Zij praatten met en
leerden van elkander; want de aardrijkskundige beweerde, dat hij veel
nut trok uit den omgang met den jongen Grant. Maar zij waren nog geen
kwartmijl ver, toen lord Glenarvan hen zag stilstaan, toen afstijgen en
eindelijk zich vooroverbuigen. Naar hun levendige gebaren te oordeelen,
beschouwden zij een zeer buitengewoon voorwerp.
Ayrton dreef zijn ossen aan, zoodat de wagen spoedig de beide vrienden
inhaalde. Nu bleek terstond, waarom zij stilstonden en wat hun
verwondering gaande maakte. Een inlandsch kind, een knaap van een jaar
of acht, op zijn europeesch gekleed, lag rustig te slapen in de schaduw
van een prachtigen banksia. Men kon zich niet vergissen in de duidelijke
kenmerken van zijn ras: zijn kroeskop, zijn bijna zwarte kleur, zijn
platte neus, zijn dikke lippen, zijn buitengemeen lange armen, alles
bewees, dat hij bij de inboorlingen in het binnenland te huis behoorde.
Maar zijn gelaat teekende schranderheid, en het was zeker, dat de
opvoeding den jongen wilde reeds eenigzins had ontwikkeld.
Lady Helena, die op het eerste gezigt zeer met hem ingenomen was, steeg
af, en weldra omringde het geheele gezelschap den kleinen inboorling,
die nog gerust sliep.
"Arm kind!" zeide Mary Grant; "zou hij in deze woestijn verdwaald zijn?"
"Ik gis," antwoordde lady Helena, "dat hij ver van hier is gekomen om
deze boschjes van den dood te bezoeken! Hier rusten zonder twijfel
degenen, die hij liefhad!"
"Maar wij kunnen hem hier niet laten liggen," zeide Robert. "Hij is
alleen!... en...."
Robert werd in het midden van zijn liefderijken volzin gestoord door een
beweging van den jongen inboorling, die zich omkeerde zonder wakker te
worden; maar hoe vreemd keken nu allen op, toen zij op zijn rug een
papier zagen en daarop de volgende woorden lazen:
_Toliné._
_Te bezorgen te Echuca._
_Adres: Jeffriss Smith, spoorwegbeambte._
_Franco._
"Zoo zijn de Engelschen!" riep Paganel. "Zij verzenden een kind als een
baal! zij adresseeren hem als een pak! Ik had het vroeger wel gehoord,
maar ik wilde het niet gelooven."
"Arme kleine!" zeide lady Helena. "Was hij in den trein, die bij de
Camden-brug uit het spoor is geraakt? Misschien zijn de ouders omgekomen
en staat hij nu alleen op de wereld!"
"Ik geloof het niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles. "Dit papier
bewijst veeleer, dat hij alleen reisde."
"Hij wordt wakker," zeide Mary Grant.
Het kind ontwaakte inderdaad. Langzaam opende bij zijn oogen, maar hij
sloot ze terstond weder, wegens den fellen zonneschijn. Maar lady Helena
vatte zijn hand; hij stond op en sloeg een verwonderden blik op de hem
omringende reizigers. Eenige vrees vertoonde zich eerst op zijn gelaat,
maar lady Glenarvan ziende, stelde hij zich weer gerust.
"Verstaat gij engelsch, vriendje?" vroeg hem de dame.
"Ik versta en spreek het," antwoordde het kind in de taal der reizigers,
maar met een zeer sterk accent.
Zijn uitspraak kwam bijna overeen met die van de Franschen, die zich in
de taal van het Vereenigd Koningrijk uitdrukken.
"Hoe heet gij?" vroeg lady Helena.
"Toliné," antwoordde de jonge inboorling.
"Zoo, Toliné!" riep Paganel. "Vergis ik mij niet, dan beteekent dat
woord in het australisch "boomschors"?"
Toliné knikte van ja, en zag weer naar de reizigsters.
"Vanwaar komt gij, vriendje?" hernam lady Helena.
"Van Melbourne, met den trein van Sandhurst."
"Waart gij dan in den trein, die bij de Camden-brug uit het spoor is
geraakt?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné; "maar de Heere heeft mij bewaard."
"Reisdet gij alleen?"
"Alleen. De eerwaarde Paxton had mij toevertrouwd aan het opzigt van
Jeffries Smith. Ongelukkig heeft de arme beambte bij die ramp het leven
ingeschoten."
"En kendet gij niemand op den trein?"
"Niemand, mijnheer! maar God waakt over de kinderen en verlaat ze
nooit!"
Toliné sprak deze woorden met zachte, roerende stem. Toen hij van God
sprak, werd zijn toon deftiger, zijn oogen schitterden, en het was
duidelijk, dat die kinderlijke ziel opregt vroom was.
Die godsdienstige geestdrift op zoo jeugdigen leeftijd is gemakkelijk te
verklaren. Dit kind was een van de jonge inboorlingen, die door
engelsche zendelingen gedoopt en door hen volgens de strenge regelen der
Methodisten opgevoed waren. Zijn kalme antwoorden, zijn zindelijk
voorkomen, zijn donkere kleeren gaven hem reeds het uitzigt van een
kleinen predikant.
Maar waar ging hij toch heen in die woeste streken en waarom had hij de
Camden-brug verlaten? Lady Helena ondervroeg hem dienaangaande.
"Ik keerde naar mijn stam, in Lachlan, terug," antwoordde hij. "Ik wil
mijn famielje terugzien."
"Australiërs?" vroeg John Mangles.
"Australiërs uit Lachlan," antwoordde Toliné.
"En hebt gij een vader, een moeder?" zeide Robert Grant.
"Ja, broeder!" antwoordde Toliné, terwijl hij den jongen Grant, wien de
broedernaam gevoelig trof, de hand toereikte. Hij omhelsde den kleinen
inboorling, en meer was er niet noodig om hen vrienden te doen worden.
Intusschen waren de reizigers, die veel belang begonnen te stellen in de
antwoorden van dien jongen wilde, de een voor en de ander na bij den
banksia gaan zitten om naar hem te luisteren. Reeds ging de zon onder
achter de groote boomen. Daar de plaats geschikt scheen voor een
nachtverblijf en het weinig uitmaakte, of zij voor den nacht nog eenige
mijlen verder kwamen, gaf Glenarvan bevel om de legerplaats in
gereedheid te brengen. Ayrton spande de ossen uit; met behulp van
Mulrady en Wilson kluisterde hij ze en liet ze naar hartelust grazen. De
tent werd opgeslagen. Olbinett maakte het avondeten klaar. Toliné nam na
eenige aarzeling, hoewel hij honger had, de uitnoodiging aan om mede te
eten. Men ging dus aan tafel; de beide kinderen zaten naast elkander.
Robert zocht de lekkerste beetjes voor zijn nieuwen makker uit, en
Toliné nam ze met een bedeesde en innemende bevalligheid aan.
Het gesprek kwijnde echter niet. Elk stelde belang in het kind en had
hem iets te vragen. Men was nieuwsgierig naar zijn geschiedenis. Deze
was zeer eenvoudig. Reeds zeer vroeg was hij, naar de gewoonte der arme
inboorlingen, die in de nabijheid der kolonie zich ophouden, aan de zorg
van liefdadige inrigtingen toevertrouwd. De Australiërs zijn zacht van
aard. Zij leggen jegens hun overheerschers dien woesten haat niet aan
den dag, die het kenmerk is van de Nieuw-Zeelanders en misschien ook van
eenige stammen van Noord-Australië. Zij bezoeken de groote steden,
Adelaïde, Sydney, Melbourne, waar men ze bijna in paradijs-kostuum ziet
rondloopen. Zij brengen er de geringe voortbrengselen hunner nijverheid,
zooals jagt- en vischtuig en wapenen, ter markt, en sommige stamhoofden
laten, zeker uit zuinigheid, gaarne toe, dat hun kinderen deelen in de
voorregten eener engelsche opvoeding.
Zoo hadden ook de ouders van Toliné, echte wilden uit Lachlan, een
uitgestrekte landstreek aan gene zijde van de Murray, gedaan. Reeds vijf
jaren woonde hij te Melbourne, en in al dien tijd had hij niemand van
zijn famielje gezien. En toch, het bloed kruipt waar het niet gaan kan;
om zijn stam, die welligt verstrooid, zijn famielje, waarvan zeker deze
of gene overleden was, terug te zien, had hij de moeijelijke reis door
de woestijn ondernomen.
"En keert gij naar Melbourne terug, mijn kind! wanneer gij uw
bloedverwanten omhelsd hebt?" vroeg hem lady Glenarvan.
"Ja, mevrouw!" antwoordde Toliné, terwijl hij de jonge dame met een blik
vol ongeveinsde liefde aanzag.
"En wat wilt gij eenmaal doen?"
"Ik wil mijn broeders van ellende en onwetendheid verlossen! Ik wil hen
onderwijzen, hen opleiden tot de kennis en liefde Gods! Ik wil zendeling
worden!"
Ligtzinnigen en spotters zouden misschien gelagchen hebben, toen de
achtjarige knaap vol geestdrift zoo sprak; maar die gemoedelijke
Schotten begrepen en eerbiedigden hem; zij bewonderden den godsdienstzin
van dien jeugdigen discipel, die zich reeds ten strijde had aangegord.
Paganel was tot in het diepst zijner ziel bewogen en gevoelde inderdaad
genegenheid voor den kleinen inlander.
Zoo was het eerst niet. Die wilde in europeesche kleederen stond hem in
den beginne volstrekt niet aan. Hij kwam niet in Australië om
Australiërs met een jas te zien! Hij zag ze liever getatoeëerd. Die
"fatsoenlijke" kleeding bragt hem in de war. Maar zoodra Toliné zoo vol
vuur sprak, veranderde hij van gedachten, en bewonderde hij hem.
Het slot van dit gesprek zou verder den braven aardrijkskundige de beste
vrienden met den kleinen Australiër doen worden.
Op een vraag van lady Helena antwoordde Toliné, dat hij te Melbourne "op
de normaalschool" was, die onder het bestuur van den Wel Eerwaarden Heer
Paxton stond.
"En wat leert gij alzoo op die school?" vroeg lady Glenarvan.
"Daar lees ik in den Bijbel, leer wiskunde, aardrijkskunde...."
"Zoo! aardrijkskunde!" riep Paganel, in zijn zwak getast.
"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné. "Ik heb zelfs voor de
Januarij-vacantie een eersten prijs voor de aardrijkskunde behaald."
"Hebt gij een prijs voor de aardrijkskunde behaald, mijn jongen?"
"Hier is hij, mijnheer!" zeide Toliné een boek uit zijn zak halende.
Het was een netjes ingebonden bijbeltje in-82°. Op de keerzijde van de
eerste pagina stond: "Normaalschool te Melbourne, 1ste prijs voor de
aardrijkskunde, Toliné van Lachlan."
Paganel kon het zoo waar niet langer uithouden! Een Australiër, die
sterk was in de aardrijkskunde, dat verbaasde hem, en hij drukte een kus
op Toliné's beide wangen, alsof hij de eerwaarde Paxton in persoon
geweest was, op den dag van een prijsuitdeeling. Evenwel had Paganel
moeten weten, dat zoo iets geen zeldzaamheid is op de australische
scholen. De jonge wilden hebben veel aanleg voor de aardrijkskundige
studiën; zij leggen zich er met lust op toe, maar zijn daarentegen zeer
onvatbaar, als het op rekenen aankomt.
Toliné begreep niets van de onverwachte liefkozingen van den geleerde.
Lady Helena moest het hem duidelijk maken, dat hij een beroemd
aardrijkskundige, en als het moest een knap onderwijzer was.
"Een onderwijzer in de aardrijkskunde!" antwoordde Toliné. "Och,
mijnheer! ondervraag mij, als het u belieft!"
"U ondervragen, mijn jongen!" zeide Paganel, "niets liever dan dat! Al
hadt ge 't niet gevraagd, zou ik het toch gedaan hebben. Ik wil graag
eens zien, hoe de aardrijkskunde op de normaalschool te Melbourne
onderwezen wordt!"
"Pas maar op, dat Toliné u niet in het naauw brengt, Paganel!" zeide Mac
Nabbs lagchend.
"Een secretaris der fransche Maatschappij van aardrijkskunde in het
naauw brengen! dat zou wat moois zijn!" riep de aardrijkskundige.
Daarop zette hij zijn bril goed, rigtte zich in zijne volle lengte op en
nam een deftigen toon aan, zooals het een onderwijzer voegt. Hij begon
zijn onderzoek met te zeggen:
"Leerling Toliné! sta op!"
Toliné, die reeds stond, kon niet aan dit bevel gehoorzamen. Hij wachtte
dus in een zedige houding op de vragen van den aardrijkskundige.
"Leerling Toliné!" hernam Paganel, "welke zijn de vijf werelddeelen?"
"Oceanië, Azië, Afrika, Amerika en Europa," antwoordde Toliné.
"Goed. Wij zullen eerst over Oceanië spreken, waar wij ons thans
bevinden. Hoe wordt het verdeeld?"
"Het wordt verdeeld in Polynesië, Mikronesië en Megalesië. De
voornaamste eilanden zijn: Australië, dat aan de Engelschen behoort,
Tasmanië, dat aan de Engelschen behoort, de eilanden Chattam, Auckland,
Macquarie, Kermadec, Makin, Maraki, enz., die aan de Engelschen
behooren."
"Goed," antwoordde Paganel; "maar Nieuw-Caledonië, de Sandwicheilanden,
de Mendana-archipel, de Pomotoe-eilanden?"
"Die eilanden staan onder bescherming van Groot-Brittanje!"
"Onder bescherming van Groot-Brittanje!" riep Paganel. "Ik dacht, dat
veeleer Frankrijk...."
"Frankrijk!" zeide het knaapje met een verwonderd gezigt.
"Ei, ei! leert men zoo op de normaalschool te Melbourne?" vroeg Paganel.
"Ja mijnheer! Is het dan zoo niet?"
"Wel zeker! wel zeker! Goed zoo!" antwoordde Paganel. "Geheel Oceanië
behoort aan de Engelschen! Dat is afgepraat! verder."
De majoor had schik in het half booze, half verbaasde gezigt, dat
Paganel zette.
Hij ging met vragen voort.
"Wat weet gij van Azië?" vroeg de aardrijkskundige.
"Azië is een onmetelijk groot land," antwoordde Toliné, "Calcutta is de
hoofdstad. Verdere voorname steden: Bombay, Madras, Calicoet, Aden,
Malakka, Singapoor, Pegoe, Colombo; de Lakediven, de Malediven, de
Chagos-eilanden, enz., enz. Behoort aan de Engelschen."
"Goed! goed! leerling Toliné! En Afrika?"
"Afrika bevat twee voorname koloniën: de Kaapkolonie met de Kaapstad, en
in het westen de engelsche nederzettingen, voornaamste stad Sierra
Leona."
"Goed geantwoord!" zeide Paganel, die vrede kreeg met die bijzondere,
engelsche aardrijkskunde, "knapjes onderwezen! Algiers, Marokko, Egypte
... van de engelsche atlassen geschrapt! Nu wil ik nog wel een beetje
over Amerika spreken!"
"Het wordt verdeeld in Noord- en Zuid-Amerika," hernam Toliné. "Het
eerste behoort den Engelschen door Canada, Nieuw-Brunswijk,
Nieuw-Schotland en de Vereenigde Staten, bestuurd door den gouverneur
Johnson."
"Gouverneur Johnson!" riep Paganel, "de opvolger van den grooten en
goeden Lincoln, gevallen onder het staal van een krankzinnigen dweeper
met de slavernij! Opperbest! Het kan niet beter! En wat Zuid-Amerika
aangaat, met zijn Guiana, zijn Maloeïnen, zijn Shetland-archipel, zijn
Georgië, zijn Jamaica, zijn Trinidad, enz. enz., dat behoort ook aan de
Engelschen! Ik wil hierover volstrekt niet twisten! Maar, Toliné! ik zou
wel eens willen weten, hoe gij, of liever uw onderwijzers, over Europa
denkt?"
"Europa?" vroeg Toliné, die volstrekt niets begreep van de
opgewondenheid van den aardrijkskundige.
"Ja! Europa! Aan wien behoort Europa?"
"Wel, Europa behoort aan de Engelschen," antwoordde het kind op
stelligen toon.
"Ik dacht het wel!" hernam Paganel. "Maar hoe? Dat zou ik wel eens
willen hooren."
"Door Schotland, Ierland, Engeland, Malta, de eilanden Jersey en
Guernsey, de Jonische eilanden, de Hebriden, de Shetlands-eilanden, de
Orkaden...."
"Goed! goed! Toliné! maar er zijn andere staten, die gij vergeet op te
noemen, mijn jongen!"
"Welke, mijnheer?" vroeg het kind, dat zich niet in den war liet
brengen.
"Spanje, Rusland, Oostenrijk, Pruisen, Frankrijk!"
"Dat zijn geen staten, maar provinciën," zeide Toliné.
"Hoe heb ik het nu!" riep Paganel, terwijl hij den bril van zijn neus
nam.
"Wel zeker! Spanje, hoofdstad Gibraltar."
"Bewonderenswaardig! juist! verheven! En Frankrijk dan, want ik ben een
Franschman, en zou gaarne weten, aan wie ik toebehoor!"
"Frankrijk, een engelsche provincie, hoofdplaats Calais!" antwoordde
Toliné bedaard.
"Calais!" riep Paganel. "Denkt gij, dat Calais nog van Engeland is?"
"Zonder twijfel."
"En dat het de hoofdplaats is van Frankrijk?"
"Ja, mijnheer! en de residentie van den gouverneur, lord Napoleon...."
Op die laatste woorden schaterde Paganel het uit. Toliné wist niet, hoe
hij het had. Men had hem ondervraagd en hij had zoo goed mogelijk
geantwoord. Maar de vreemdheid van zijn antwoord was zijn schuld niet;
hij had er geen erg in. Toch scheen hij niet van zijn stuk gebragt, en
hij wachtte bedaard, tot die onverklaarbare lachbui over was.
"Nu ziet gij het," zeide eindelijk de majoor tot Paganel. "Heb ik het u
niet gezegd, dat de leerling Toliné u in het naauw zou brengen?"
"Zeker, geachte majoor!" antwoordde de aardrijkskundige. "Ha! zoo
onderwijst men te Melbourne de aardrijkskunde! Mooi zoo, heeren
onderwijzers aan de normaalschool! Europa, Azië, Afrika, Amerika,
Oceanië, de geheele wereld, alles is van de Engelschen! Drommels! met
zoo'n slimme opvoeding begrijp ik, dat de inboorlingen zich onderwerpen!
Zeg eens, Toliné! is de maan soms ook een engelsche bezitting, mijn
jongen?"
"Ze zal het eenmaal zijn," antwoordde de jonge wilde in vollen ernst.
Nu stond Paganel op. Hij kon het niet langer uithouden. Hij moest op
zijn gemak uitlagchen en ging een kwartmijl buiten de legerplaats om
zijn lachlust bot te vieren.
Inmiddels was Glenarvan een boekje uit de reisbibliotheek gaan halen.
Het was een schets van de aardrijkskunde van Samuel Richardson, een
werkje, dat in Engeland zeer gezocht en beter op de hoogte is dan de
onderwijzers te Melbourne.
"Ziedaar, mijn kind!" zeide hij tot Toliné, "neem en bewaar dit boek.
Gij hebt eenige verkeerde denkbeelden over de aardrijkskunde, die gij
moet wijzigen. Ik geef het u als eene gedachtenis aan onze ontmoeting."
Toliné nam het boek aan zonder een woord te spreken, hij beschouwde het
oplettend, en schudde met een ongeloovig gezigt het hoofd, maar kon niet
besluiten het in zijn zak te steken.
Intusschen was het geheel duister geworden. Het was tien ure. Men moest
aan slapen denken om den volgenden morgen vroeg op te staan. Robert bood
zijn vriendje Toliné de helft van sijn slaapplaats aan. De kleine
inlander nam dit aan.
Eenige oogenblikken later keerden lady Helena en Mary Grant naar den
wagen terug, en strekten de reizigers zich onder de tent uit, terwijl
het gelach van Paganel nog zamensmolt met het liefelijk en zacht gezaag
der wilde eksters.
Maar toen een zonnestraal de slapers den volgenden morgen om zes ure
wekte, zochten zij te vergeefs het australische kind. Toliné was
verdwenen. Wilde hij zonder oponthoud Lachlan bereiken? Had het gelach
van Paganel hem gehinderd? Men wist het niet.
Maar toen lady Helena ontwaakte, vond zij op haar borst een frisschen
ruiker vergeetmijnietjes met enkelvoudige bladeren, en Paganel in den
zak van zijn jas "de aardrijkskunde van Samuel Richardson."