XIII.

Een eerste prijs in de aardrijkskunde.

Aan den gezigteinder vertoonden zich eenige heerlijke heuvels, die twee

mijlen van den spoorweg af de vlakte begrensden. Weldra was de wagen in

een doolhof van naauwe en grillig door elkander geslingerde engten. Zij

liepen op een liefelijke landstreek uit, waar schoone boomen, die geen

bosch vormden, maar in afzonderlijke groepjes bijeenstonden, met echt

tropische weelderigheid opschoten. Het meest liepen de "casuarina's" in

het oog, die aan den eik den stevigen bouw van zijn stam, aan de acacia

haar geurige schillen, en aan den denneboom de hardheid zijner naar het

grijsgroene zweemende bladeren schijnen ontleend te hebben. Tusschen hun

takken vertoonden zich de aardige kegels van den "banksia latifolia,"

bekend om zijn allersierlijkste slankheid. Groote heesters met

overhangende twijgen maakten te midden van het zware geboomte een

uitwerking, alsof een groen water over den rand van al te volle bekkens

liep. Het oog dwaalde onzeker rond over al die wonderen der natuur en

wist niet, wat het eerst te bewonderen.

Het kleine gezelschap had een oogenblik stilgehouden. Op bevel van lady

Helena had Ayrton de ossen stil laten staan. Het knarsen van de lompe

wielen op het kwartshoudende zand hield op. Onder de boomgroepen

strekten zich groote grastapijten uit, die alleen door eenige

oneffenheden en regelmatige verheffingen van den bodem in vrij

duidelijke ruiten verdeeld werden, alsof zij een groot schaakbord

vormden.

Paganel vergiste zich niet, toen hij die groene eenzame vlakten zag, die

zoo bij uitstek geschikt zijn voor de eeuwige rust; hij herkende die

vierkante grafgestichten, waarvan het gras thans de laatste sporen

uitwischt, en die de reiziger nog zoo zelden in Australië aantreft.

"De boschjes van den dood," zeide hij.

En werkelijk lag er een inlandsche begraafplaats voor hem, maar zoo

frisch, zoo lommerrijk, zoo vervrolijkt door uitgelatene zwermen vogels,

zoo aanlokkelijk, dat het volstrekt geen droevige denkbeelden opwekte.

Zoo moeten de tuinen van het paradijs er hebben uitgezien, voor de dood

op aarde heerschte. Zij scheen voor de levenden aangelegd te zijn. Maar

die grafteekens, welke de wilde met vrome zorg onderhield, verdwenen

reeds onder den weelderigen plantengroei. De verovering had den

Australiër verre verjaagd van het land, waarin zijn voorvaderen rustten,

en de kolonisatie zou die velden weldra overgeven aan de tand der

kudden. Die boschjes zijn dan ook zeldzaam geworden, en hoevele, die een

pas verdwenen menschengeslacht bedekken, zijn reeds vertreden onder de

voeten van den onverschilligen reiziger.

Inmiddels reden Paganel en Robert de anderen vooruit en doorkruisten

kleine lommerrijke lanen tusschen de grasheuveltjes. Zij praatten met en

leerden van elkander; want de aardrijkskundige beweerde, dat hij veel

nut trok uit den omgang met den jongen Grant. Maar zij waren nog geen

kwartmijl ver, toen lord Glenarvan hen zag stilstaan, toen afstijgen en

eindelijk zich vooroverbuigen. Naar hun levendige gebaren te oordeelen,

beschouwden zij een zeer buitengewoon voorwerp.

Ayrton dreef zijn ossen aan, zoodat de wagen spoedig de beide vrienden

inhaalde. Nu bleek terstond, waarom zij stilstonden en wat hun

verwondering gaande maakte. Een inlandsch kind, een knaap van een jaar

of acht, op zijn europeesch gekleed, lag rustig te slapen in de schaduw

van een prachtigen banksia. Men kon zich niet vergissen in de duidelijke

kenmerken van zijn ras: zijn kroeskop, zijn bijna zwarte kleur, zijn

platte neus, zijn dikke lippen, zijn buitengemeen lange armen, alles

bewees, dat hij bij de inboorlingen in het binnenland te huis behoorde.

Maar zijn gelaat teekende schranderheid, en het was zeker, dat de

opvoeding den jongen wilde reeds eenigzins had ontwikkeld.

Lady Helena, die op het eerste gezigt zeer met hem ingenomen was, steeg

af, en weldra omringde het geheele gezelschap den kleinen inboorling,

die nog gerust sliep.

"Arm kind!" zeide Mary Grant; "zou hij in deze woestijn verdwaald zijn?"

"Ik gis," antwoordde lady Helena, "dat hij ver van hier is gekomen om

deze boschjes van den dood te bezoeken! Hier rusten zonder twijfel

degenen, die hij liefhad!"

"Maar wij kunnen hem hier niet laten liggen," zeide Robert. "Hij is

alleen!... en...."

Robert werd in het midden van zijn liefderijken volzin gestoord door een

beweging van den jongen inboorling, die zich omkeerde zonder wakker te

worden; maar hoe vreemd keken nu allen op, toen zij op zijn rug een

papier zagen en daarop de volgende woorden lazen:

_Toliné._

_Te bezorgen te Echuca._

_Adres: Jeffriss Smith, spoorwegbeambte._

_Franco._

"Zoo zijn de Engelschen!" riep Paganel. "Zij verzenden een kind als een

baal! zij adresseeren hem als een pak! Ik had het vroeger wel gehoord,

maar ik wilde het niet gelooven."

"Arme kleine!" zeide lady Helena. "Was hij in den trein, die bij de

Camden-brug uit het spoor is geraakt? Misschien zijn de ouders omgekomen

en staat hij nu alleen op de wereld!"

"Ik geloof het niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles. "Dit papier

bewijst veeleer, dat hij alleen reisde."

"Hij wordt wakker," zeide Mary Grant.

Het kind ontwaakte inderdaad. Langzaam opende bij zijn oogen, maar hij

sloot ze terstond weder, wegens den fellen zonneschijn. Maar lady Helena

vatte zijn hand; hij stond op en sloeg een verwonderden blik op de hem

omringende reizigers. Eenige vrees vertoonde zich eerst op zijn gelaat,

maar lady Glenarvan ziende, stelde hij zich weer gerust.

"Verstaat gij engelsch, vriendje?" vroeg hem de dame.

"Ik versta en spreek het," antwoordde het kind in de taal der reizigers,

maar met een zeer sterk accent.

Zijn uitspraak kwam bijna overeen met die van de Franschen, die zich in

de taal van het Vereenigd Koningrijk uitdrukken.

"Hoe heet gij?" vroeg lady Helena.

"Toliné," antwoordde de jonge inboorling.

"Zoo, Toliné!" riep Paganel. "Vergis ik mij niet, dan beteekent dat

woord in het australisch "boomschors"?"

Toliné knikte van ja, en zag weer naar de reizigsters.

"Vanwaar komt gij, vriendje?" hernam lady Helena.

"Van Melbourne, met den trein van Sandhurst."

"Waart gij dan in den trein, die bij de Camden-brug uit het spoor is

geraakt?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné; "maar de Heere heeft mij bewaard."

"Reisdet gij alleen?"

"Alleen. De eerwaarde Paxton had mij toevertrouwd aan het opzigt van

Jeffries Smith. Ongelukkig heeft de arme beambte bij die ramp het leven

ingeschoten."

"En kendet gij niemand op den trein?"

"Niemand, mijnheer! maar God waakt over de kinderen en verlaat ze

nooit!"

Toliné sprak deze woorden met zachte, roerende stem. Toen hij van God

sprak, werd zijn toon deftiger, zijn oogen schitterden, en het was

duidelijk, dat die kinderlijke ziel opregt vroom was.

Die godsdienstige geestdrift op zoo jeugdigen leeftijd is gemakkelijk te

verklaren. Dit kind was een van de jonge inboorlingen, die door

engelsche zendelingen gedoopt en door hen volgens de strenge regelen der

Methodisten opgevoed waren. Zijn kalme antwoorden, zijn zindelijk

voorkomen, zijn donkere kleeren gaven hem reeds het uitzigt van een

kleinen predikant.

Maar waar ging hij toch heen in die woeste streken en waarom had hij de

Camden-brug verlaten? Lady Helena ondervroeg hem dienaangaande.

"Ik keerde naar mijn stam, in Lachlan, terug," antwoordde hij. "Ik wil

mijn famielje terugzien."

"Australiërs?" vroeg John Mangles.

"Australiërs uit Lachlan," antwoordde Toliné.

"En hebt gij een vader, een moeder?" zeide Robert Grant.

"Ja, broeder!" antwoordde Toliné, terwijl hij den jongen Grant, wien de

broedernaam gevoelig trof, de hand toereikte. Hij omhelsde den kleinen

inboorling, en meer was er niet noodig om hen vrienden te doen worden.

Intusschen waren de reizigers, die veel belang begonnen te stellen in de

antwoorden van dien jongen wilde, de een voor en de ander na bij den

banksia gaan zitten om naar hem te luisteren. Reeds ging de zon onder

achter de groote boomen. Daar de plaats geschikt scheen voor een

nachtverblijf en het weinig uitmaakte, of zij voor den nacht nog eenige

mijlen verder kwamen, gaf Glenarvan bevel om de legerplaats in

gereedheid te brengen. Ayrton spande de ossen uit; met behulp van

Mulrady en Wilson kluisterde hij ze en liet ze naar hartelust grazen. De

tent werd opgeslagen. Olbinett maakte het avondeten klaar. Toliné nam na

eenige aarzeling, hoewel hij honger had, de uitnoodiging aan om mede te

eten. Men ging dus aan tafel; de beide kinderen zaten naast elkander.

Robert zocht de lekkerste beetjes voor zijn nieuwen makker uit, en

Toliné nam ze met een bedeesde en innemende bevalligheid aan.

Het gesprek kwijnde echter niet. Elk stelde belang in het kind en had

hem iets te vragen. Men was nieuwsgierig naar zijn geschiedenis. Deze

was zeer eenvoudig. Reeds zeer vroeg was hij, naar de gewoonte der arme

inboorlingen, die in de nabijheid der kolonie zich ophouden, aan de zorg

van liefdadige inrigtingen toevertrouwd. De Australiërs zijn zacht van

aard. Zij leggen jegens hun overheerschers dien woesten haat niet aan

den dag, die het kenmerk is van de Nieuw-Zeelanders en misschien ook van

eenige stammen van Noord-Australië. Zij bezoeken de groote steden,

Adelaïde, Sydney, Melbourne, waar men ze bijna in paradijs-kostuum ziet

rondloopen. Zij brengen er de geringe voortbrengselen hunner nijverheid,

zooals jagt- en vischtuig en wapenen, ter markt, en sommige stamhoofden

laten, zeker uit zuinigheid, gaarne toe, dat hun kinderen deelen in de

voorregten eener engelsche opvoeding.

Zoo hadden ook de ouders van Toliné, echte wilden uit Lachlan, een

uitgestrekte landstreek aan gene zijde van de Murray, gedaan. Reeds vijf

jaren woonde hij te Melbourne, en in al dien tijd had hij niemand van

zijn famielje gezien. En toch, het bloed kruipt waar het niet gaan kan;

om zijn stam, die welligt verstrooid, zijn famielje, waarvan zeker deze

of gene overleden was, terug te zien, had hij de moeijelijke reis door

de woestijn ondernomen.

"En keert gij naar Melbourne terug, mijn kind! wanneer gij uw

bloedverwanten omhelsd hebt?" vroeg hem lady Glenarvan.

"Ja, mevrouw!" antwoordde Toliné, terwijl hij de jonge dame met een blik

vol ongeveinsde liefde aanzag.

"En wat wilt gij eenmaal doen?"

"Ik wil mijn broeders van ellende en onwetendheid verlossen! Ik wil hen

onderwijzen, hen opleiden tot de kennis en liefde Gods! Ik wil zendeling

worden!"

Ligtzinnigen en spotters zouden misschien gelagchen hebben, toen de

achtjarige knaap vol geestdrift zoo sprak; maar die gemoedelijke

Schotten begrepen en eerbiedigden hem; zij bewonderden den godsdienstzin

van dien jeugdigen discipel, die zich reeds ten strijde had aangegord.

Paganel was tot in het diepst zijner ziel bewogen en gevoelde inderdaad

genegenheid voor den kleinen inlander.

Zoo was het eerst niet. Die wilde in europeesche kleederen stond hem in

den beginne volstrekt niet aan. Hij kwam niet in Australië om

Australiërs met een jas te zien! Hij zag ze liever getatoeëerd. Die

"fatsoenlijke" kleeding bragt hem in de war. Maar zoodra Toliné zoo vol

vuur sprak, veranderde hij van gedachten, en bewonderde hij hem.

Het slot van dit gesprek zou verder den braven aardrijkskundige de beste

vrienden met den kleinen Australiër doen worden.

Op een vraag van lady Helena antwoordde Toliné, dat hij te Melbourne "op

de normaalschool" was, die onder het bestuur van den Wel Eerwaarden Heer

Paxton stond.

"En wat leert gij alzoo op die school?" vroeg lady Glenarvan.

"Daar lees ik in den Bijbel, leer wiskunde, aardrijkskunde...."

"Zoo! aardrijkskunde!" riep Paganel, in zijn zwak getast.

"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné. "Ik heb zelfs voor de

Januarij-vacantie een eersten prijs voor de aardrijkskunde behaald."

"Hebt gij een prijs voor de aardrijkskunde behaald, mijn jongen?"

"Hier is hij, mijnheer!" zeide Toliné een boek uit zijn zak halende.

Het was een netjes ingebonden bijbeltje in-82°. Op de keerzijde van de

eerste pagina stond: "Normaalschool te Melbourne, 1ste prijs voor de

aardrijkskunde, Toliné van Lachlan."

Paganel kon het zoo waar niet langer uithouden! Een Australiër, die

sterk was in de aardrijkskunde, dat verbaasde hem, en hij drukte een kus

op Toliné's beide wangen, alsof hij de eerwaarde Paxton in persoon

geweest was, op den dag van een prijsuitdeeling. Evenwel had Paganel

moeten weten, dat zoo iets geen zeldzaamheid is op de australische

scholen. De jonge wilden hebben veel aanleg voor de aardrijkskundige

studiën; zij leggen zich er met lust op toe, maar zijn daarentegen zeer

onvatbaar, als het op rekenen aankomt.

Toliné begreep niets van de onverwachte liefkozingen van den geleerde.

Lady Helena moest het hem duidelijk maken, dat hij een beroemd

aardrijkskundige, en als het moest een knap onderwijzer was.

"Een onderwijzer in de aardrijkskunde!" antwoordde Toliné. "Och,

mijnheer! ondervraag mij, als het u belieft!"

"U ondervragen, mijn jongen!" zeide Paganel, "niets liever dan dat! Al

hadt ge 't niet gevraagd, zou ik het toch gedaan hebben. Ik wil graag

eens zien, hoe de aardrijkskunde op de normaalschool te Melbourne

onderwezen wordt!"

"Pas maar op, dat Toliné u niet in het naauw brengt, Paganel!" zeide Mac

Nabbs lagchend.

"Een secretaris der fransche Maatschappij van aardrijkskunde in het

naauw brengen! dat zou wat moois zijn!" riep de aardrijkskundige.

Daarop zette hij zijn bril goed, rigtte zich in zijne volle lengte op en

nam een deftigen toon aan, zooals het een onderwijzer voegt. Hij begon

zijn onderzoek met te zeggen:

"Leerling Toliné! sta op!"

Toliné, die reeds stond, kon niet aan dit bevel gehoorzamen. Hij wachtte

dus in een zedige houding op de vragen van den aardrijkskundige.

"Leerling Toliné!" hernam Paganel, "welke zijn de vijf werelddeelen?"

"Oceanië, Azië, Afrika, Amerika en Europa," antwoordde Toliné.

"Goed. Wij zullen eerst over Oceanië spreken, waar wij ons thans

bevinden. Hoe wordt het verdeeld?"

"Het wordt verdeeld in Polynesië, Mikronesië en Megalesië. De

voornaamste eilanden zijn: Australië, dat aan de Engelschen behoort,

Tasmanië, dat aan de Engelschen behoort, de eilanden Chattam, Auckland,

Macquarie, Kermadec, Makin, Maraki, enz., die aan de Engelschen

behooren."

"Goed," antwoordde Paganel; "maar Nieuw-Caledonië, de Sandwicheilanden,

de Mendana-archipel, de Pomotoe-eilanden?"

"Die eilanden staan onder bescherming van Groot-Brittanje!"

"Onder bescherming van Groot-Brittanje!" riep Paganel. "Ik dacht, dat

veeleer Frankrijk...."

"Frankrijk!" zeide het knaapje met een verwonderd gezigt.

"Ei, ei! leert men zoo op de normaalschool te Melbourne?" vroeg Paganel.

"Ja mijnheer! Is het dan zoo niet?"

"Wel zeker! wel zeker! Goed zoo!" antwoordde Paganel. "Geheel Oceanië

behoort aan de Engelschen! Dat is afgepraat! verder."

De majoor had schik in het half booze, half verbaasde gezigt, dat

Paganel zette.

Hij ging met vragen voort.

"Wat weet gij van Azië?" vroeg de aardrijkskundige.

"Azië is een onmetelijk groot land," antwoordde Toliné, "Calcutta is de

hoofdstad. Verdere voorname steden: Bombay, Madras, Calicoet, Aden,

Malakka, Singapoor, Pegoe, Colombo; de Lakediven, de Malediven, de

Chagos-eilanden, enz., enz. Behoort aan de Engelschen."

"Goed! goed! leerling Toliné! En Afrika?"

"Afrika bevat twee voorname koloniën: de Kaapkolonie met de Kaapstad, en

in het westen de engelsche nederzettingen, voornaamste stad Sierra

Leona."

"Goed geantwoord!" zeide Paganel, die vrede kreeg met die bijzondere,

engelsche aardrijkskunde, "knapjes onderwezen! Algiers, Marokko, Egypte

... van de engelsche atlassen geschrapt! Nu wil ik nog wel een beetje

over Amerika spreken!"

"Het wordt verdeeld in Noord- en Zuid-Amerika," hernam Toliné. "Het

eerste behoort den Engelschen door Canada, Nieuw-Brunswijk,

Nieuw-Schotland en de Vereenigde Staten, bestuurd door den gouverneur

Johnson."

"Gouverneur Johnson!" riep Paganel, "de opvolger van den grooten en

goeden Lincoln, gevallen onder het staal van een krankzinnigen dweeper

met de slavernij! Opperbest! Het kan niet beter! En wat Zuid-Amerika

aangaat, met zijn Guiana, zijn Maloeïnen, zijn Shetland-archipel, zijn

Georgië, zijn Jamaica, zijn Trinidad, enz. enz., dat behoort ook aan de

Engelschen! Ik wil hierover volstrekt niet twisten! Maar, Toliné! ik zou

wel eens willen weten, hoe gij, of liever uw onderwijzers, over Europa

denkt?"

"Europa?" vroeg Toliné, die volstrekt niets begreep van de

opgewondenheid van den aardrijkskundige.

"Ja! Europa! Aan wien behoort Europa?"

"Wel, Europa behoort aan de Engelschen," antwoordde het kind op

stelligen toon.

"Ik dacht het wel!" hernam Paganel. "Maar hoe? Dat zou ik wel eens

willen hooren."

"Door Schotland, Ierland, Engeland, Malta, de eilanden Jersey en

Guernsey, de Jonische eilanden, de Hebriden, de Shetlands-eilanden, de

Orkaden...."

"Goed! goed! Toliné! maar er zijn andere staten, die gij vergeet op te

noemen, mijn jongen!"

"Welke, mijnheer?" vroeg het kind, dat zich niet in den war liet

brengen.

"Spanje, Rusland, Oostenrijk, Pruisen, Frankrijk!"

"Dat zijn geen staten, maar provinciën," zeide Toliné.

"Hoe heb ik het nu!" riep Paganel, terwijl hij den bril van zijn neus

nam.

"Wel zeker! Spanje, hoofdstad Gibraltar."

"Bewonderenswaardig! juist! verheven! En Frankrijk dan, want ik ben een

Franschman, en zou gaarne weten, aan wie ik toebehoor!"

"Frankrijk, een engelsche provincie, hoofdplaats Calais!" antwoordde

Toliné bedaard.

"Calais!" riep Paganel. "Denkt gij, dat Calais nog van Engeland is?"

"Zonder twijfel."

"En dat het de hoofdplaats is van Frankrijk?"

"Ja, mijnheer! en de residentie van den gouverneur, lord Napoleon...."

Op die laatste woorden schaterde Paganel het uit. Toliné wist niet, hoe

hij het had. Men had hem ondervraagd en hij had zoo goed mogelijk

geantwoord. Maar de vreemdheid van zijn antwoord was zijn schuld niet;

hij had er geen erg in. Toch scheen hij niet van zijn stuk gebragt, en

hij wachtte bedaard, tot die onverklaarbare lachbui over was.

"Nu ziet gij het," zeide eindelijk de majoor tot Paganel. "Heb ik het u

niet gezegd, dat de leerling Toliné u in het naauw zou brengen?"

"Zeker, geachte majoor!" antwoordde de aardrijkskundige. "Ha! zoo

onderwijst men te Melbourne de aardrijkskunde! Mooi zoo, heeren

onderwijzers aan de normaalschool! Europa, Azië, Afrika, Amerika,

Oceanië, de geheele wereld, alles is van de Engelschen! Drommels! met

zoo'n slimme opvoeding begrijp ik, dat de inboorlingen zich onderwerpen!

Zeg eens, Toliné! is de maan soms ook een engelsche bezitting, mijn

jongen?"

"Ze zal het eenmaal zijn," antwoordde de jonge wilde in vollen ernst.

Nu stond Paganel op. Hij kon het niet langer uithouden. Hij moest op

zijn gemak uitlagchen en ging een kwartmijl buiten de legerplaats om

zijn lachlust bot te vieren.

Inmiddels was Glenarvan een boekje uit de reisbibliotheek gaan halen.

Het was een schets van de aardrijkskunde van Samuel Richardson, een

werkje, dat in Engeland zeer gezocht en beter op de hoogte is dan de

onderwijzers te Melbourne.

"Ziedaar, mijn kind!" zeide hij tot Toliné, "neem en bewaar dit boek.

Gij hebt eenige verkeerde denkbeelden over de aardrijkskunde, die gij

moet wijzigen. Ik geef het u als eene gedachtenis aan onze ontmoeting."

Toliné nam het boek aan zonder een woord te spreken, hij beschouwde het

oplettend, en schudde met een ongeloovig gezigt het hoofd, maar kon niet

besluiten het in zijn zak te steken.

Intusschen was het geheel duister geworden. Het was tien ure. Men moest

aan slapen denken om den volgenden morgen vroeg op te staan. Robert bood

zijn vriendje Toliné de helft van sijn slaapplaats aan. De kleine

inlander nam dit aan.

Eenige oogenblikken later keerden lady Helena en Mary Grant naar den

wagen terug, en strekten de reizigers zich onder de tent uit, terwijl

het gelach van Paganel nog zamensmolt met het liefelijk en zacht gezaag

der wilde eksters.

Maar toen een zonnestraal de slapers den volgenden morgen om zes ure

wekte, zochten zij te vergeefs het australische kind. Toliné was

verdwenen. Wilde hij zonder oponthoud Lachlan bereiken? Had het gelach

van Paganel hem gehinderd? Men wist het niet.

Maar toen lady Helena ontwaakte, vond zij op haar borst een frisschen

ruiker vergeetmijnietjes met enkelvoudige bladeren, en Paganel in den

zak van zijn jas "de aardrijkskunde van Samuel Richardson."

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 18 / 29 题