De spoorweg van Melbourne naar Sandhurst.
Niet zonder eenigen angst had de majoor Ayrton de legerplaats aan de
Wimerra zien verlaten om in het station te Black-Point een hoefsmid te
gaan halen. Maar hij liet zich geen woord ontvallen van zijn persoonlijk
wantrouwen, en vergenoegde zich met op de omstreken der rivier een
wakend oog te houden. De rust dier vreedzame velden werd in het geheel
niet gestoord, en na eenige uren verrees de zon weder boven de kimmen.
Glenarvan daarentegen vreesde alleen, dat Ayrton onverrigter zake terug
mogt keeren. Bij gebrek aan werkvolk kon de wagen niet verder. Het
oponthoud zou misschien verscheidene dagen duren, en ongeduldig om te
slagen, vurig verlangend zijn doel te bereiken, kon Glenarvan geen
uitstel dulden.
Gelukkig had Ayrton zijn tijd niet verspild noch vergeefsche moeite
gedaan: 's anderen daags kwam hij met zonsopgang terug. Er was iemand
bij hem, die zich voor een hoefsmid uit het station Black-Point uitgaf.
Het was een stevige lange kerel, maar zijn gemeen en beestachtig gezigt
nam niet gunstig voor hem in. Maar dat kwam er niet veel op aan, als hij
zijn vak maar verstond. In allen gevalle praatte hij weinig en hij
versleet zijn tong niet met noodeloos gebabbel.
"Is het een bekwaam werkman?" vroeg John Mangles den bootsman.
"Ik ken hem evenmin als gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "wij zullen
zien."
De hoefsmid ging aan het werk. Het was een man van het vak, dat kon men
wel zien aan de manier, waarop hij het voorstel van den wagen herstelde.
Hij werkte handig en legde daarbij buitengewone ligchaamskracht aan den
dag. De majoor merkte op, dat het vleesch van zijn handgewrichten sterk
weggevreten was en een zwartachtigen ring van uitgestort bloed
vertoonde. Dit was het teeken van een versche wond, die slechts ten
halve verborgen werd door de mouwen van een slecht wollen hemd. Mac
Nabbs vroeg den hoefsmid naar de oorzaak van dat ongemak, dat zeer
pijnlijk moest zijn. Maar hij gaf geen antwoord en ging voort met zijn
werk. Na verloop van een paar uur was de schade aan den wagen hersteld.
Het paard van Glenarvan was ook spoedig gereed. De hoefsmid had gezorgd
de hoefijzers kant en klaar mee te brengen. Die ijzers hadden iets
bijzonders, dat den majoor niet ontging. Het was een klaverblad, dat van
voren ruw afgehakt was. Mac Nabbs liet het aan Ayrton zien.
"Dat is het merk van Black-Point," antwoordde de bootsman. "Daardoor kan
men de paarden nagaan, die van het station wegloopen, zonder ze met
andere te verwarren."
De ijzers zaten weldra aan den hoef van het paard. Daarna vorderde de
hoefsmid zijn loon en ging heen zonder vier woorden gesproken te hebben.
Een half uur later waren de reizigers op weg. Achter de gordijn van
mimosa's strekte zich een opene ruimte uit, die haar naam "open plein"
teregt droeg. Eenige kwarts- en ijzerhoudende steenblokken lagen
tusschen de struiken, het hooge gras en de palissaden, binnen welke
talrijke kudden graasden. Eenige mijlen verder maakten de wielen van den
wagen diepe sporen in den drassigen bodem, door kreeken doorsneden, die
half verscholen waren onder een kleed van reusachtig riet. Daarop kwam
men door uitgestrekte zoutsteppen, wier verdamping in vollen gang was.
De reis leverde geen moeijelijkheden op en om de waarheid te zeggen,
niemand verveelde zich.
Lady Helena noodigde de ruiters uit haar ieder op zijn beurt te komen
bezoeken, want haar salon was zeer bekrompen. Maar zoo verpoosde ieder
zich van de vermoeienissen van het paardrijden, en ontspande zich in het
gesprek met die beminnelijke vrouw. Met behulp van miss Mary hield lady
Helena met de grootste bevalligheid de eer van haar verplaatsbaar salon
op. John Mangles werd bij die dagelijksche uitnoodigingen niet vergeten,
en de ernstiger toon van zijn gesprek mishaagde niet. Integendeel.
Zoo sneed men dwars den postweg van Crowland naar Horsham, een zeer
stoffigen weg, waarvan de voetgangers weinig gebruik maakten. Op de
grens van het graafschap Talbot ging men digt voorbij eenige lage
heuvelklingen, en 's avonds kwam het gezelschap tot drie mijlen boven
Maryborough. Er viel een fijne regen, die in ieder ander land den grond
doornat zou gemaakt hebben; maar hier nam de lucht de vochtigheid zoo
volkomen en zoo spoedig op, dat zij er geen last van hadden.
Den volgenden dag, den 29sten December, werd de reis eenigsins vertraagd
door een aaneenschakeling van bergjes, die een klein Zwitserland
vormden. Het ging onophoudelijk bergop bergaf, en menige onzachte schok
bleef niet uit. De reizigers gingen een eind weegs te voet, en gevoelden
er geen spijt over.
Ten elf ure kwamen zij te Carlsbrook, een vrij aanzienlijke gemeente.
Ayrton wilde de stad om-, niet doorrijden, om tijd te winnen, naar hij
zeide. Glenarvan was het met hem eens; maar de altijd nieuwsgierige
Paganel wenschte Carlsbrook te bezigtigen. Men liet hem begaan, terwijl
de wagen zachtjes voortreed.
Naar gewoonte nam Paganel Robert mede. Zijn bezoek aan de gemeente
duurde maar kort, maar toch lang genoeg om hem een naauwkeurig overzigt
van de australische steden te geven. Er was een bank, een geregtshof,
een markt, een school, een kerk, en een honderdtal huizen, allen naar
hetzelfde model van baksteenen opgetrokken. Alles was naar den
engelschen bouwtrant in den vorm van een regelmatigen vierhoek, met
evenwijdig loopende straten doorsneden, aangelegd. Niets is eenvoudiger,
maar ook niets onbevalliger. Wanneer de stad uitgebreider wordt,
verlengt men de straten, evenals men den broek van een kind uitlegt, dat
grooter wordt, zoodat de oorspronkelijke evenredigheid niet in het minst
verbroken wordt.
Er heerscht veel bedrijvigheid te Carlsbrook, een opmerkelijk
verschijnsel in die steden, welke eerst van gisteren dagteekenen. In
Australië schijnen de steden als boomen door de zonnewarmte uit den
grond op te schieten. De straten waren vol menschen, die het allen even
druk hadden; goudverzenders verdrongen elkander aan de bureaux, waar het
aankwam; onder geleide van een inlandsche politiemagt kwam het kostbare
metaal uit de mijnen van Bendigo en den Alexander-berg. Al die lieden,
welke het eigenbelang voortjoeg, dachten alleen aan hun zaken, en de
vreemdelingen werden in die woelige menigte niet eens opgemerkt.
Na een uur doorgebragt te hebben met Carlsbrook te doorloopen, voegden
de beide bezoekers zich bij hun reisgenooten, die een zorgvuldig
bebouwde vlakte doortrokken. Daaraan grensden groote weiden, bekend
onder den naam van "Low Level plains," met tallooze kudden en
herdershutten bedekt. Daarop vertoonde zich zonder eenigen overgang de
woestijn, met het onverwachte, dat aan de natuur in Australië eigen is.
De heuvelen van Simpson en de Tarrangower-berg wezen de plaats aan, waar
het district Loddo in het zuiden den honderd vier en veertigsten graad
lengte aanraakt.
Intusschen had men tot nog toe geen enkelen stam van in den Wilden staat
verkeerende inboorlingen aangetroffen. Glenarvan vroeg zich af, of er in
Australië geen Australiërs waren, evenals de Indianen in de
argentijnsche pampa's ontbroken hadden. Maar Paganel zeide hem, dat de
wilden op deze breedte de vlakten van de Murray bezochten, die honderd
mijlen oostelijker liggen.
"Wij naderen het goudland," zeide hij; "binnen twee dagen zullen wij het
rijke gewest van den Alexanderberg doortrekken. Daar is in 1852 de wolk
van goudzoekers neergestreken. De inboorlingen hebben de wijk moeten
nemen naar de woestijnen in het binnenland. Wij zijn in een beschaafd
land, al zou men het niet zeggen, en voor den avond nog zal onze weg den
spoorweg gesneden hebben, die de Murray met de zee verbindt. Ik mag het
niet zwijgen, vrienden! een spoorweg in Australe is in mijn oog iets
heel vreemds."
"Waarom dat, Paganel?" vroeg Glenarvan.
"Waarom? wel, omdat mijn verstand daar niet bij kan. O, ik weet wel, dat
gij Engelschen, gewoon uw afgelegene bezittingen te koloniseeren, die
electrische telegrafen en wereldtentoonstellingen op Nieuw-Zeeland hebt,
dat alles heel eenvoudig zult vinden! Maar dat brengt een Franschman,
zooals ik ben, van de wijs en verwart al zijn denkbeelden over
Australiën."
"Omdat gij aan het verledene denkt en het tegenwoordige over het hoofd
ziet," antwoordde John Mangles.
"Toegestemd," hernam Paganel; "maar snuivende locomotieven in de
woestijn, stoom, die om de takken der mimosa's heen krinkelend omhoog
stijgt, miereneters, vogelbekdieren en kasuarissen, die voor de
sneltreinen vlugten, wilden, die den trein van drie uren dertig minuten
nemen om van Melbourne naar Kyneton, naar Castlemaine, Sandhurst of naar
Echuca te gaan, dat alles zal wel de verwondering wekken van een ieder,
die geen Engelschman of Amerikaan is. Met uw spoorwegen verdwijnt de
poëzie der woestijn."
"Wat maakt dat uit, als de vooruitgang er maar in doordringt!"
antwoordde de majoor.
Een schel fluitje maakte een einde aan het gesprek. De reizigers waren
geen mijl van den spoorweg af. Een locomotief, die uit het zuiden kwam
en stopte, bleef juist staan op het punt, waar de ijzerbaan en den weg,
dien de wagen bereed, elkander kruisten.
Die spoorweg verbond, zooals Paganel gezegd had, de hoofdstad van
Victoria met de Murray, de grootste rivier van Australië. Die
ontzaggelijke stroom, welken Stuart in 1828 ontdekte, komt uit de
australiscbe Alpen, neemt de Lachlan en de Darling op, maakt de
noordelijke grens der provincie Victoria uit, en valt bij Adelaïde in de
Encounter-baai. Hij loopt door rijke en vruchtbare streken, en de
stations der squatters nemen in zijn stroomgebied sterk toe, ten gevolge
van de gemakkelijke gemeenschap met Melbourne, die de spoorweg tot stand
heeft gebragt.
Die spoorweg was nu over een lengte van honderd en vijf mijlen tusschen
Melbourne en Sandhurst geopend, en liep voorbij Kyneton en Castlemaine.
In aanleg was nog een lengte van zeventig mijlen tot Echuca, de
hoofdplaats der Riverine-kolonie, die in ditzelfde jaar aan de Murray
gesticht was.
De zeven en dertigste parallel sneed den spoorweg eenige mijlen boven
Castlemaine, juist bij de Camden-brug, die over de Lutton, een der
talrijke zijtakken van de Murray, was gelegd.
Naar dit punt rigtte Ayrton zijn wagen; de ruiters galoppeerden een
poosje vooruit tot aan de Camden-brug. Een levendig gevoel van
nieuwsgierigheid lokte hen daarheen.
Een talrijke menigte toch begaf zich naar de spoorbrug. De bewoners der
omliggende stations verlieten hun huizen, de herders hun kudden, en
allen verdrongen zich op de toegangen tot den weg. Duidelijk hoorde men
het herhaald geroep:
"Naar den spoorweg! naar den spoorweg!"
Zeker had er een ernstig voorval plaats gehad, dat al die opschudding
veroorzaakte. Misschien een groote ramp.
Glenarvan en zijn reisgenooten zetten hun paarden aan. In weinige
minuten kwamen zij bij de Camden-brug. Daar werd hun de oorzaak dier
zamenscholing weldra duidelijk.
Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad, dat de toeschouwers aan de
ergste rampen op de amerikaansche spoorwegen deed denken: de trein had
wel geen anderen ontmoet, maar was uit het spoor geraakt en in de diepte
gestort. De rivier, over welke de spoorweg liep, was gedempt met brokken
van de wagens en de locomotief. Hetzij de brug onder den last van den
trein was bezweken, hetzij de wagens uit het spoor waren geraakt, vijf
van de zes rijtuigen waren met de locomotief in de bedding der Lutton
neergestort. Alleen de laatste waggon, die wonderdadig behouden was
gebleven door het breken van den ketting, was een paar voet van den
afgrond blijven staan. Beneden was het een akelige opeenhooping van
zwarte en gebroken assen, vernielde wagens, omgebogen spoorstaven en
verkoolde dwarsbalken. De stoomketel, die door den schok gesprongen was,
had de ijzeren platen tot op ontzettende afstanden geslingerd. Uit dien
verwarden hoop onkenbare voorwerpen stegen nog eenige vlammen en stoom
met een zwarten rook vermengd omhoog. Op den vreeselijken val was de nog
vreeselijker brand gevolgd! Hier en daar lagen groote plassen bloed,
verstrooide ledematen en verkoolde lijken, en niemand kon berekenen
hoeveel offers onder die overblijfselen opgehoopt waren.
Glenarvan, Paganel, de majoor en Mangles mengden zich onder het volk en
luisterden naar de verschillende gesprekken. Een ieder zocht een oorzaak
van de ramp, terwijl zij vlijtig werkten om nog iemand te redden.
"De brug is gebroken," zeide de een.
"Gebroken? het mogt wat!" zeiden de anderen. "Zij is zoo weinig
gebroken, dat ze nog onbeschadigd is. Men heeft vergeten ze bij de
nadering van den trein te sluiten. Dat is alles."
Het was inderdaad een draaibrug, die ten behoeve van de scheepvaart
geopend werd. Had dan de brugwachter door een onvergetelijke
achteloosheid vergeten ze te sluiten, en was zoo de trein, die in volle
vaart kwam aanstoomen, nu de grond hem eensklaps ontviel, in de Lutton
gestort? Dit gevoelen scheen zeer aannemelijk; want terwijl de eene
helft van de brug onder de gebroken wagens lag, hing de andere aan de
overzijde nog onbeschadigd aan haar kettingen. Er viel niet aan te
twijfelen! De achteloosheid van den wachter had dit onheil veroorzaakt.
Het ongeluk was 's nachts gebeurd met den trein N° 37, die kwart voor
twaalven van Melbourne was vertrokken. Het moet omstreeks kwart over
drieën geweest zijn, toen de trein, vijf en twintig minuten na het
station Castlemaine verlaten te hebben, aan de Camden-brug kwam en dit
ongeluk kreeg. Dadelijk gingen de reizigers en beambten uit den laatsten
wagen hulp zoeken; maar de telegraaf, welks palen op den grond lagen,
werkte niet meer. Er verliepen drie uren voor de autoriteiten van
Castlemaine, op de plaats des onheils aankwamen. Het was dus 's morgens
zes ure voor er orde werd gesteld op de maatregelen tot redding onder
toezigt van den heer Mitchell, inspecteur-generaal der kolonie, en van
een afdeeling politie-agenten onder bevel van een commissaris van
politie. De squatters en hun knechts waren hun te hulp gekomen en deden
eerst pogingen om den brand te blusschen, die met onweerstaanbaar geweld
die overblijfselen verteerde. Eenige onkenbare lijken lagen tegen de
glooijing van den weg. Maar men moest het opgeven om een levend wezen
uit dien vuurgloed te redden. De vlammen hadden het werk der verwoesting
spoedig voltooid. Van al de passagiers, wier aantal men niet kende,
waren er maar tien over, die in den laatsten wagen zaten. Het bestuur
van de spoorwegmaatschappij had een hulp-locomotief gezonden om hen naar
Castlemaine terug te brengen.
Inmiddels stond lord Glenarvan, die met den inspecteur kennis had
gemaakt, met dezen en den commissaris te praten. Deze was een lang en
mager man, van een onverstoorbare koelbloedigheid, en die, schuilde er
misschien nog een greintje gevoel in zijn hart, er op zijn onbewegelijk
gelaat althans niets van liet merken. Hij stond voor een ramp gelijk een
wiskundige voor een vraagstuk; hij trachtte ze op te lossen en de
onbekende er uit te berekenen. Toen dan ook Glenarvan zeide: "Welk een
groot ongeluk!" antwoordde hij heel bedaard:
"Het lijkt er niet naar, mylord!"
"Lijkt het er niet naar!" riep Glenarvan, wien dat gezegde niet
aanstond, "noemt gij dat dan geen ongeluk?"
"Wel neen! Ik noem het een misdaad!" antwoordde de commissaris van
politie op een bedaarden toon.
Zonder verder bij die uitdrukking stil te staan, wendde Glenarvan zich
tot den heer Mitchell en zag hem vragend aan.
"Ja, mylord!" antwoordde de inspecteur-generaal, "ons onderzoek heeft
ons zekerheid gegeven, dat die ramp het gevolg is van een misdaad. De
laatste goederenwagen is geplunderd; de geredde reizigers zijn door een
bende van vijf of zes booswichten aangevallen. De brug is met opzet,
niet uit achteloosheid, geopend, en brengt men dit feit in verband met
de verdwijning van den brugwachter, dan mag men daaruit afleiden, dat
die ellendeling de medepligtige der booswichten is geweest."
Bij deze gevolgtrekking van den inspecteur-generaal schudde de
commissaris zachtjes het hoofd.
"Zijt gij niet van mijn gevoelen?" vroeg hem de heer Mitchell.
"Neen, wat de medepligtigheid van den brugwachter aangaat."
"Die medepligtigheid aangenomen zijnde," hernam de inspecteur-generaal,
"mogen wij de misdaad toeschrijven aan de wilden, die in den omtrek van
de Murray rondzwerven. Zonder den wachter hebben die inboorlingen de
draaibrug niet kunnen openen, welker inrigting hun onbekend is."
"Juist," antwoordde de commissaris van politie.
"Uit de verklaring van een schipper," vervolgde de heer Mitchell, "die
gisteren avond tien minuten over half elf met zijn vaartuig door de
Camden-brug gekomen is, blijkt verder, dat de brug, toen hij er door
was, behoorlijk gesloten is."
"Zeer waar."
"Bij gevolg is mijns inziens de medepligtigheid van den wachter
voldoende bewezen."
De commissaris van politie ging voort met het hoofd te schudden.
"Schrijft gij den de misdaad niet aan de wilden toe, mijnheer?" vroeg
hem Glenarvan.
"In het geheel niet."
"Maar aan wie dan?"
Juist ontstond er een vrij hevig rumoer een halve mijl stroomopwaarts.
Daar was een hoop menschen bijeen, die telkens aangroeide. Spoedig waren
zij bij het station. In het midden van de menigte droegen twee mannen
een lijk. Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter. Een dolkstoot
had hem in het hart getroffen. Het doel der moordenaars, toen zij het
ligchaam vrij ver van de Camden-brug afsleepten, was zeker geweest de
vermoedens der politie bij de eerste nasporingen af te leiden.
Deze ontdekking nu regtvaardigde ten volle den twijfel van den
commissaris. De wilden hadden volstrekt geen deel aan de misdaad.
"De moordenaars," zeide hij, "zijn reeds lang bekend met het gebruik van
dit kleine instrument."
Dit zeggende, liet hij een paar "darbies" zien, een soort van
handboeijen, bestaande uit een dubbelen ijzeren ring voorzien van een
slot.
"Binnen kort zal ik het genoegen hebben," voegde hij er bij, "hun deezen
armband voor hun nieuwejaar aan te bieden."
"Maar wie verdenkt gij dan?..."
"Lieden, die gratis met Harer Majesteits schepen gereisd hebben."
"Wat! gedeporteerden!" riep Paganel, die bekend was met deze in de
australische koloniën gebruikelijke spreekwijze.
"Ik dacht," merkte Glenarvan aan, "dat de gedeporteerden zich niet
mogten ophouden in de provincie Victoria?"
"Ba!" antwoordde de commissaris van politie, "al hebben zij dat regt
niet, zij nemen het toch! Soms gebeurt het wel, dat die gedeporteerden
ontsnappen, en ik zou mij zeer vergissen, als dezen niet regelregt van
Perth kwamen. Gij moogt mij vrij gelooven, zij zullen er weer heen."
De heer Mitchell gaf door een gebaar te kennen, dat hij het met den
commissaris van politie eens was. In dit oogenblik kwam de wagen digt
bij den spoorweg. Glenarvan wilde de dames het vreeselijke schouwspel,
dat de Camden-brug opleverde, besparen. Hij groette den
inspecteur-generaal, nam afscheid van hem, en wenkte zijn vrienden om
hem te volgen.
"Dat is geen reden om onze reis niet voort te zetten," zeide hij.
Bij den wagen gekomen, vertelde Glenarvan aan lady Helena alleen, dat er
een spoorweg-ongeluk had plaats gehad, zonder te reppen van het aandeel,
dat de misdaad aan die ramp had; evenmin maakte hij gewag van de
tegenwoordigheid in dien omtrek van een bende gedeporteerden, daar hij
plan had om Ayrton hiervan onder vier oogen kennis te geven. Daarop trok
het kleine gezelschap eenige honderden ellen beneden de brug over den
spoorweg en zette het de reis in oostelijke rigting voort.