XII.

De spoorweg van Melbourne naar Sandhurst.

Niet zonder eenigen angst had de majoor Ayrton de legerplaats aan de

Wimerra zien verlaten om in het station te Black-Point een hoefsmid te

gaan halen. Maar hij liet zich geen woord ontvallen van zijn persoonlijk

wantrouwen, en vergenoegde zich met op de omstreken der rivier een

wakend oog te houden. De rust dier vreedzame velden werd in het geheel

niet gestoord, en na eenige uren verrees de zon weder boven de kimmen.

Glenarvan daarentegen vreesde alleen, dat Ayrton onverrigter zake terug

mogt keeren. Bij gebrek aan werkvolk kon de wagen niet verder. Het

oponthoud zou misschien verscheidene dagen duren, en ongeduldig om te

slagen, vurig verlangend zijn doel te bereiken, kon Glenarvan geen

uitstel dulden.

Gelukkig had Ayrton zijn tijd niet verspild noch vergeefsche moeite

gedaan: 's anderen daags kwam hij met zonsopgang terug. Er was iemand

bij hem, die zich voor een hoefsmid uit het station Black-Point uitgaf.

Het was een stevige lange kerel, maar zijn gemeen en beestachtig gezigt

nam niet gunstig voor hem in. Maar dat kwam er niet veel op aan, als hij

zijn vak maar verstond. In allen gevalle praatte hij weinig en hij

versleet zijn tong niet met noodeloos gebabbel.

"Is het een bekwaam werkman?" vroeg John Mangles den bootsman.

"Ik ken hem evenmin als gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "wij zullen

zien."

De hoefsmid ging aan het werk. Het was een man van het vak, dat kon men

wel zien aan de manier, waarop hij het voorstel van den wagen herstelde.

Hij werkte handig en legde daarbij buitengewone ligchaamskracht aan den

dag. De majoor merkte op, dat het vleesch van zijn handgewrichten sterk

weggevreten was en een zwartachtigen ring van uitgestort bloed

vertoonde. Dit was het teeken van een versche wond, die slechts ten

halve verborgen werd door de mouwen van een slecht wollen hemd. Mac

Nabbs vroeg den hoefsmid naar de oorzaak van dat ongemak, dat zeer

pijnlijk moest zijn. Maar hij gaf geen antwoord en ging voort met zijn

werk. Na verloop van een paar uur was de schade aan den wagen hersteld.

Het paard van Glenarvan was ook spoedig gereed. De hoefsmid had gezorgd

de hoefijzers kant en klaar mee te brengen. Die ijzers hadden iets

bijzonders, dat den majoor niet ontging. Het was een klaverblad, dat van

voren ruw afgehakt was. Mac Nabbs liet het aan Ayrton zien.

"Dat is het merk van Black-Point," antwoordde de bootsman. "Daardoor kan

men de paarden nagaan, die van het station wegloopen, zonder ze met

andere te verwarren."

De ijzers zaten weldra aan den hoef van het paard. Daarna vorderde de

hoefsmid zijn loon en ging heen zonder vier woorden gesproken te hebben.

Een half uur later waren de reizigers op weg. Achter de gordijn van

mimosa's strekte zich een opene ruimte uit, die haar naam "open plein"

teregt droeg. Eenige kwarts- en ijzerhoudende steenblokken lagen

tusschen de struiken, het hooge gras en de palissaden, binnen welke

talrijke kudden graasden. Eenige mijlen verder maakten de wielen van den

wagen diepe sporen in den drassigen bodem, door kreeken doorsneden, die

half verscholen waren onder een kleed van reusachtig riet. Daarop kwam

men door uitgestrekte zoutsteppen, wier verdamping in vollen gang was.

De reis leverde geen moeijelijkheden op en om de waarheid te zeggen,

niemand verveelde zich.

Lady Helena noodigde de ruiters uit haar ieder op zijn beurt te komen

bezoeken, want haar salon was zeer bekrompen. Maar zoo verpoosde ieder

zich van de vermoeienissen van het paardrijden, en ontspande zich in het

gesprek met die beminnelijke vrouw. Met behulp van miss Mary hield lady

Helena met de grootste bevalligheid de eer van haar verplaatsbaar salon

op. John Mangles werd bij die dagelijksche uitnoodigingen niet vergeten,

en de ernstiger toon van zijn gesprek mishaagde niet. Integendeel.

Zoo sneed men dwars den postweg van Crowland naar Horsham, een zeer

stoffigen weg, waarvan de voetgangers weinig gebruik maakten. Op de

grens van het graafschap Talbot ging men digt voorbij eenige lage

heuvelklingen, en 's avonds kwam het gezelschap tot drie mijlen boven

Maryborough. Er viel een fijne regen, die in ieder ander land den grond

doornat zou gemaakt hebben; maar hier nam de lucht de vochtigheid zoo

volkomen en zoo spoedig op, dat zij er geen last van hadden.

Den volgenden dag, den 29sten December, werd de reis eenigsins vertraagd

door een aaneenschakeling van bergjes, die een klein Zwitserland

vormden. Het ging onophoudelijk bergop bergaf, en menige onzachte schok

bleef niet uit. De reizigers gingen een eind weegs te voet, en gevoelden

er geen spijt over.

Ten elf ure kwamen zij te Carlsbrook, een vrij aanzienlijke gemeente.

Ayrton wilde de stad om-, niet doorrijden, om tijd te winnen, naar hij

zeide. Glenarvan was het met hem eens; maar de altijd nieuwsgierige

Paganel wenschte Carlsbrook te bezigtigen. Men liet hem begaan, terwijl

de wagen zachtjes voortreed.

Naar gewoonte nam Paganel Robert mede. Zijn bezoek aan de gemeente

duurde maar kort, maar toch lang genoeg om hem een naauwkeurig overzigt

van de australische steden te geven. Er was een bank, een geregtshof,

een markt, een school, een kerk, en een honderdtal huizen, allen naar

hetzelfde model van baksteenen opgetrokken. Alles was naar den

engelschen bouwtrant in den vorm van een regelmatigen vierhoek, met

evenwijdig loopende straten doorsneden, aangelegd. Niets is eenvoudiger,

maar ook niets onbevalliger. Wanneer de stad uitgebreider wordt,

verlengt men de straten, evenals men den broek van een kind uitlegt, dat

grooter wordt, zoodat de oorspronkelijke evenredigheid niet in het minst

verbroken wordt.

Er heerscht veel bedrijvigheid te Carlsbrook, een opmerkelijk

verschijnsel in die steden, welke eerst van gisteren dagteekenen. In

Australië schijnen de steden als boomen door de zonnewarmte uit den

grond op te schieten. De straten waren vol menschen, die het allen even

druk hadden; goudverzenders verdrongen elkander aan de bureaux, waar het

aankwam; onder geleide van een inlandsche politiemagt kwam het kostbare

metaal uit de mijnen van Bendigo en den Alexander-berg. Al die lieden,

welke het eigenbelang voortjoeg, dachten alleen aan hun zaken, en de

vreemdelingen werden in die woelige menigte niet eens opgemerkt.

Na een uur doorgebragt te hebben met Carlsbrook te doorloopen, voegden

de beide bezoekers zich bij hun reisgenooten, die een zorgvuldig

bebouwde vlakte doortrokken. Daaraan grensden groote weiden, bekend

onder den naam van "Low Level plains," met tallooze kudden en

herdershutten bedekt. Daarop vertoonde zich zonder eenigen overgang de

woestijn, met het onverwachte, dat aan de natuur in Australië eigen is.

De heuvelen van Simpson en de Tarrangower-berg wezen de plaats aan, waar

het district Loddo in het zuiden den honderd vier en veertigsten graad

lengte aanraakt.

Intusschen had men tot nog toe geen enkelen stam van in den Wilden staat

verkeerende inboorlingen aangetroffen. Glenarvan vroeg zich af, of er in

Australië geen Australiërs waren, evenals de Indianen in de

argentijnsche pampa's ontbroken hadden. Maar Paganel zeide hem, dat de

wilden op deze breedte de vlakten van de Murray bezochten, die honderd

mijlen oostelijker liggen.

"Wij naderen het goudland," zeide hij; "binnen twee dagen zullen wij het

rijke gewest van den Alexanderberg doortrekken. Daar is in 1852 de wolk

van goudzoekers neergestreken. De inboorlingen hebben de wijk moeten

nemen naar de woestijnen in het binnenland. Wij zijn in een beschaafd

land, al zou men het niet zeggen, en voor den avond nog zal onze weg den

spoorweg gesneden hebben, die de Murray met de zee verbindt. Ik mag het

niet zwijgen, vrienden! een spoorweg in Australe is in mijn oog iets

heel vreemds."

"Waarom dat, Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Waarom? wel, omdat mijn verstand daar niet bij kan. O, ik weet wel, dat

gij Engelschen, gewoon uw afgelegene bezittingen te koloniseeren, die

electrische telegrafen en wereldtentoonstellingen op Nieuw-Zeeland hebt,

dat alles heel eenvoudig zult vinden! Maar dat brengt een Franschman,

zooals ik ben, van de wijs en verwart al zijn denkbeelden over

Australiën."

"Omdat gij aan het verledene denkt en het tegenwoordige over het hoofd

ziet," antwoordde John Mangles.

"Toegestemd," hernam Paganel; "maar snuivende locomotieven in de

woestijn, stoom, die om de takken der mimosa's heen krinkelend omhoog

stijgt, miereneters, vogelbekdieren en kasuarissen, die voor de

sneltreinen vlugten, wilden, die den trein van drie uren dertig minuten

nemen om van Melbourne naar Kyneton, naar Castlemaine, Sandhurst of naar

Echuca te gaan, dat alles zal wel de verwondering wekken van een ieder,

die geen Engelschman of Amerikaan is. Met uw spoorwegen verdwijnt de

poëzie der woestijn."

"Wat maakt dat uit, als de vooruitgang er maar in doordringt!"

antwoordde de majoor.

Een schel fluitje maakte een einde aan het gesprek. De reizigers waren

geen mijl van den spoorweg af. Een locomotief, die uit het zuiden kwam

en stopte, bleef juist staan op het punt, waar de ijzerbaan en den weg,

dien de wagen bereed, elkander kruisten.

Die spoorweg verbond, zooals Paganel gezegd had, de hoofdstad van

Victoria met de Murray, de grootste rivier van Australië. Die

ontzaggelijke stroom, welken Stuart in 1828 ontdekte, komt uit de

australiscbe Alpen, neemt de Lachlan en de Darling op, maakt de

noordelijke grens der provincie Victoria uit, en valt bij Adelaïde in de

Encounter-baai. Hij loopt door rijke en vruchtbare streken, en de

stations der squatters nemen in zijn stroomgebied sterk toe, ten gevolge

van de gemakkelijke gemeenschap met Melbourne, die de spoorweg tot stand

heeft gebragt.

Die spoorweg was nu over een lengte van honderd en vijf mijlen tusschen

Melbourne en Sandhurst geopend, en liep voorbij Kyneton en Castlemaine.

In aanleg was nog een lengte van zeventig mijlen tot Echuca, de

hoofdplaats der Riverine-kolonie, die in ditzelfde jaar aan de Murray

gesticht was.

De zeven en dertigste parallel sneed den spoorweg eenige mijlen boven

Castlemaine, juist bij de Camden-brug, die over de Lutton, een der

talrijke zijtakken van de Murray, was gelegd.

Naar dit punt rigtte Ayrton zijn wagen; de ruiters galoppeerden een

poosje vooruit tot aan de Camden-brug. Een levendig gevoel van

nieuwsgierigheid lokte hen daarheen.

Een talrijke menigte toch begaf zich naar de spoorbrug. De bewoners der

omliggende stations verlieten hun huizen, de herders hun kudden, en

allen verdrongen zich op de toegangen tot den weg. Duidelijk hoorde men

het herhaald geroep:

"Naar den spoorweg! naar den spoorweg!"

Zeker had er een ernstig voorval plaats gehad, dat al die opschudding

veroorzaakte. Misschien een groote ramp.

Glenarvan en zijn reisgenooten zetten hun paarden aan. In weinige

minuten kwamen zij bij de Camden-brug. Daar werd hun de oorzaak dier

zamenscholing weldra duidelijk.

Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad, dat de toeschouwers aan de

ergste rampen op de amerikaansche spoorwegen deed denken: de trein had

wel geen anderen ontmoet, maar was uit het spoor geraakt en in de diepte

gestort. De rivier, over welke de spoorweg liep, was gedempt met brokken

van de wagens en de locomotief. Hetzij de brug onder den last van den

trein was bezweken, hetzij de wagens uit het spoor waren geraakt, vijf

van de zes rijtuigen waren met de locomotief in de bedding der Lutton

neergestort. Alleen de laatste waggon, die wonderdadig behouden was

gebleven door het breken van den ketting, was een paar voet van den

afgrond blijven staan. Beneden was het een akelige opeenhooping van

zwarte en gebroken assen, vernielde wagens, omgebogen spoorstaven en

verkoolde dwarsbalken. De stoomketel, die door den schok gesprongen was,

had de ijzeren platen tot op ontzettende afstanden geslingerd. Uit dien

verwarden hoop onkenbare voorwerpen stegen nog eenige vlammen en stoom

met een zwarten rook vermengd omhoog. Op den vreeselijken val was de nog

vreeselijker brand gevolgd! Hier en daar lagen groote plassen bloed,

verstrooide ledematen en verkoolde lijken, en niemand kon berekenen

hoeveel offers onder die overblijfselen opgehoopt waren.

Glenarvan, Paganel, de majoor en Mangles mengden zich onder het volk en

luisterden naar de verschillende gesprekken. Een ieder zocht een oorzaak

van de ramp, terwijl zij vlijtig werkten om nog iemand te redden.

"De brug is gebroken," zeide de een.

"Gebroken? het mogt wat!" zeiden de anderen. "Zij is zoo weinig

gebroken, dat ze nog onbeschadigd is. Men heeft vergeten ze bij de

nadering van den trein te sluiten. Dat is alles."

Het was inderdaad een draaibrug, die ten behoeve van de scheepvaart

geopend werd. Had dan de brugwachter door een onvergetelijke

achteloosheid vergeten ze te sluiten, en was zoo de trein, die in volle

vaart kwam aanstoomen, nu de grond hem eensklaps ontviel, in de Lutton

gestort? Dit gevoelen scheen zeer aannemelijk; want terwijl de eene

helft van de brug onder de gebroken wagens lag, hing de andere aan de

overzijde nog onbeschadigd aan haar kettingen. Er viel niet aan te

twijfelen! De achteloosheid van den wachter had dit onheil veroorzaakt.

Het ongeluk was 's nachts gebeurd met den trein N° 37, die kwart voor

twaalven van Melbourne was vertrokken. Het moet omstreeks kwart over

drieën geweest zijn, toen de trein, vijf en twintig minuten na het

station Castlemaine verlaten te hebben, aan de Camden-brug kwam en dit

ongeluk kreeg. Dadelijk gingen de reizigers en beambten uit den laatsten

wagen hulp zoeken; maar de telegraaf, welks palen op den grond lagen,

werkte niet meer. Er verliepen drie uren voor de autoriteiten van

Castlemaine, op de plaats des onheils aankwamen. Het was dus 's morgens

zes ure voor er orde werd gesteld op de maatregelen tot redding onder

toezigt van den heer Mitchell, inspecteur-generaal der kolonie, en van

een afdeeling politie-agenten onder bevel van een commissaris van

politie. De squatters en hun knechts waren hun te hulp gekomen en deden

eerst pogingen om den brand te blusschen, die met onweerstaanbaar geweld

die overblijfselen verteerde. Eenige onkenbare lijken lagen tegen de

glooijing van den weg. Maar men moest het opgeven om een levend wezen

uit dien vuurgloed te redden. De vlammen hadden het werk der verwoesting

spoedig voltooid. Van al de passagiers, wier aantal men niet kende,

waren er maar tien over, die in den laatsten wagen zaten. Het bestuur

van de spoorwegmaatschappij had een hulp-locomotief gezonden om hen naar

Castlemaine terug te brengen.

Inmiddels stond lord Glenarvan, die met den inspecteur kennis had

gemaakt, met dezen en den commissaris te praten. Deze was een lang en

mager man, van een onverstoorbare koelbloedigheid, en die, schuilde er

misschien nog een greintje gevoel in zijn hart, er op zijn onbewegelijk

gelaat althans niets van liet merken. Hij stond voor een ramp gelijk een

wiskundige voor een vraagstuk; hij trachtte ze op te lossen en de

onbekende er uit te berekenen. Toen dan ook Glenarvan zeide: "Welk een

groot ongeluk!" antwoordde hij heel bedaard:

"Het lijkt er niet naar, mylord!"

"Lijkt het er niet naar!" riep Glenarvan, wien dat gezegde niet

aanstond, "noemt gij dat dan geen ongeluk?"

"Wel neen! Ik noem het een misdaad!" antwoordde de commissaris van

politie op een bedaarden toon.

Zonder verder bij die uitdrukking stil te staan, wendde Glenarvan zich

tot den heer Mitchell en zag hem vragend aan.

"Ja, mylord!" antwoordde de inspecteur-generaal, "ons onderzoek heeft

ons zekerheid gegeven, dat die ramp het gevolg is van een misdaad. De

laatste goederenwagen is geplunderd; de geredde reizigers zijn door een

bende van vijf of zes booswichten aangevallen. De brug is met opzet,

niet uit achteloosheid, geopend, en brengt men dit feit in verband met

de verdwijning van den brugwachter, dan mag men daaruit afleiden, dat

die ellendeling de medepligtige der booswichten is geweest."

Bij deze gevolgtrekking van den inspecteur-generaal schudde de

commissaris zachtjes het hoofd.

"Zijt gij niet van mijn gevoelen?" vroeg hem de heer Mitchell.

"Neen, wat de medepligtigheid van den brugwachter aangaat."

"Die medepligtigheid aangenomen zijnde," hernam de inspecteur-generaal,

"mogen wij de misdaad toeschrijven aan de wilden, die in den omtrek van

de Murray rondzwerven. Zonder den wachter hebben die inboorlingen de

draaibrug niet kunnen openen, welker inrigting hun onbekend is."

"Juist," antwoordde de commissaris van politie.

"Uit de verklaring van een schipper," vervolgde de heer Mitchell, "die

gisteren avond tien minuten over half elf met zijn vaartuig door de

Camden-brug gekomen is, blijkt verder, dat de brug, toen hij er door

was, behoorlijk gesloten is."

"Zeer waar."

"Bij gevolg is mijns inziens de medepligtigheid van den wachter

voldoende bewezen."

De commissaris van politie ging voort met het hoofd te schudden.

"Schrijft gij den de misdaad niet aan de wilden toe, mijnheer?" vroeg

hem Glenarvan.

"In het geheel niet."

"Maar aan wie dan?"

Juist ontstond er een vrij hevig rumoer een halve mijl stroomopwaarts.

Daar was een hoop menschen bijeen, die telkens aangroeide. Spoedig waren

zij bij het station. In het midden van de menigte droegen twee mannen

een lijk. Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter. Een dolkstoot

had hem in het hart getroffen. Het doel der moordenaars, toen zij het

ligchaam vrij ver van de Camden-brug afsleepten, was zeker geweest de

vermoedens der politie bij de eerste nasporingen af te leiden.

Deze ontdekking nu regtvaardigde ten volle den twijfel van den

commissaris. De wilden hadden volstrekt geen deel aan de misdaad.

"De moordenaars," zeide hij, "zijn reeds lang bekend met het gebruik van

dit kleine instrument."

Dit zeggende, liet hij een paar "darbies" zien, een soort van

handboeijen, bestaande uit een dubbelen ijzeren ring voorzien van een

slot.

"Binnen kort zal ik het genoegen hebben," voegde hij er bij, "hun deezen

armband voor hun nieuwejaar aan te bieden."

"Maar wie verdenkt gij dan?..."

"Lieden, die gratis met Harer Majesteits schepen gereisd hebben."

"Wat! gedeporteerden!" riep Paganel, die bekend was met deze in de

australische koloniën gebruikelijke spreekwijze.

"Ik dacht," merkte Glenarvan aan, "dat de gedeporteerden zich niet

mogten ophouden in de provincie Victoria?"

"Ba!" antwoordde de commissaris van politie, "al hebben zij dat regt

niet, zij nemen het toch! Soms gebeurt het wel, dat die gedeporteerden

ontsnappen, en ik zou mij zeer vergissen, als dezen niet regelregt van

Perth kwamen. Gij moogt mij vrij gelooven, zij zullen er weer heen."

De heer Mitchell gaf door een gebaar te kennen, dat hij het met den

commissaris van politie eens was. In dit oogenblik kwam de wagen digt

bij den spoorweg. Glenarvan wilde de dames het vreeselijke schouwspel,

dat de Camden-brug opleverde, besparen. Hij groette den

inspecteur-generaal, nam afscheid van hem, en wenkte zijn vrienden om

hem te volgen.

"Dat is geen reden om onze reis niet voort te zetten," zeide hij.

Bij den wagen gekomen, vertelde Glenarvan aan lady Helena alleen, dat er

een spoorweg-ongeluk had plaats gehad, zonder te reppen van het aandeel,

dat de misdaad aan die ramp had; evenmin maakte hij gewag van de

tegenwoordigheid in dien omtrek van een bende gedeporteerden, daar hij

plan had om Ayrton hiervan onder vier oogen kennis te geven. Daarop trok

het kleine gezelschap eenige honderden ellen beneden de brug over den

spoorweg en zette het de reis in oostelijke rigting voort.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 17 / 29 题