Burke en Stuart.
Het overige van den dag werd met gesprekken en wandelingen doorgebragt.
Al pratende en bewonderende liepen de reizigers langs de oevers der
Wimerra. De aschgraauwe kraanvogels en de ibissen vlugtten met luid
geschreeuw bij hun aannadering. De prachtmees verschool zich in de hooge
takken van den wilden vijgenboom, de wielewalen, de zwartkeeltjes, de
kraaghoppen fladderden tusschen de trotsche stengels der leliën, de
ijsvogels staakten hun gewone vischvangst, terwijl de geheele
beschaafder familie der papegaaijen, de "blue-mountain" pronkende met de
zeven kleuren van den regenboog, de kleine "roschill" met zijn
scharlaken rood kopje en geele keel, en de "lori" met zijn rood en
blaauw gevederte, hun oorverdoovend gekakel op den top der bloeijende
gomboomen voortzetten.
Nu eens op het gras aan den oever van het murmelende water uitgestrekt,
dan weer rondslenterende tusschen de mimosa-struiken, bewonderden de
wandelaars tot het vallen van den avond toe die schoone natuur. De
nacht, die slechts door een kortstondige schemering voorafgegaan werd,
overviel hen een halve mijl van de legerplaats af. Bij hun terugtogt
rigtten zij zich niet naar de poolster, die op het zuidelijk halfrond
onzigtbaar is, maar naar het zuiderkruis, dat halverwege den
gezigteinder en het toppunt schitterde.
Olbinett had het avondeten onder de tent opgedischt. Allen zetten zich
aan tafel. De hoofdschotel was een zeker gebraad van papegaaijen, die
Wilson heel handig geschoten en de hofmeester lekker klaar gemaakt had.
Toen het avondeten afgeloopen was, zocht elk om strijd naar een
voorwendsel om de eerste uren van zulk een schoonen nacht niet slapend
door te brengen.
Lady Helena stelde allen tevreden door Paganel te verzoeken de
geschiedenis der groote australische reizigers te vertellen, een
geschiedenis, die hij hun reeds voor lang beloofd had.
Dat was koren op den molen van Paganel. Zijn toehoorders zetten zich
neer aan den voet van een prachtigen banksia; de rook der sigaren steeg
weldra omhoog tot aan het gebladerte, dat in de schaduw wegschool, en in
het vertrouwen op zijn ijzersterk geheugen nam de aardrijkskundige
terstond het woord.
"Gij herinnert u, vrienden! en de majoor althans zal het nog wel weten,
de lijst van reizigers, die ik u aan boord van de _Duncan_ opgaf. Van al
degenen, die in het binnenland trachtten door te dringen, mogt het er
slechts aan vier gelukken het van het noorden naar het zuiden of van het
zuiden naar het noorden te doorkruisen. Het zijn: Burke, in 1860 en 61;
Mac Kinlay, in 1861 en 62; Landsborough in 1862, en Stuart, ook in 1862.
Van Mac Kinlay en Landsborough heb ik maar weinig te vertellen. De
eerste ging van Adelaïde naar de golf van Carpentaria, de tweede van de
golf van Carpentaria naar Melbourne; beiden waren door australische
vereenigingen uitgezonden om Burke op te sporen, die niet meer te
voorschijn kwam en ook nooit terug zal komen.
"Burke en Stuart, dat zijn de twee stoute reizigers, over wie ik zal
spreken, en ik begin nu zonder verdere voorafspraak.
"Den 20sten Augustus 1860 vertrok op last van de koninklijke
Maatschappij te Melbourne, een gewezen iersch officier en oud-inspecteur
van politie te Castlemaine, Robert O'Hara Burke geheeten. Elf personen
vergezelden hem: William John Wills, een jeugdig veelbelovend
sterrekundige, doktor Beckler, een kruidkundige, Gray, King, een jeugdig
militair uit het indische leger, Landells, Brahe, en verscheidene
cipayers. Vijf en twintig paarden en evenveel kameelen droegen de
reizigers, hun bagaadje en levensmiddelen voor achttien maanden.
"De reizigers moesten zich langs de Cooper-rivier naar de golf van
Carpentaria op de noordkust begeven. Zij kwamen zonder ongeval over de
Murray en de Darling en bereikten het station van Menindie, op de
uiterste grens der koloniën.
"Daar zag men in, dat de menigte bagaadje zeer lastig was. Dit bezwaar
en een zekere ruwheid van karakter van Burke zaaiden oneenigheid in het
gezelschap. Landells, de opzigter over de kameelen, scheidde zich met
eenige hindoesche bedienden van de overigen, en keerde naar de oevers
der Darling terug; Burke zette den togt voort. Nu eens door heerlijke,
rijk bewaterde weiden, dan weer over steenachtige en waterlooze wegen,
zakte hij naar de Cooper's kreek af. Den 20sten November, drie maanden
na zijn vertrek, legde hij de eerste bewaarplaats van levensmiddelen op
den oever der rivier aan.
"Hier werden de reizigers eenigen tijd opgehouden, omdat zij geen
bruikbaren weg naar het noorden vonden, een weg, waarop zij geen gebrek
aan water behoefden te vreezen. Na groote moeijelijkheden sloegen zij
zich neer op een plaats, die zij het fort Wills noemden. Zij maakten er
een post van met palissaden omringd, halverwege Melbourne en de golf van
Carpentaria gelegen. Daar verdeelde Burke zijn gezelschap in tweeën.
Eenigen moesten onder bevel van Brahe drie maanden, en liet de voorraad
het toe, nog langer in het fort Wills blijven en de terugkomst der
anderen afwachten. De andere afdeeling bestond uit Burke, King, Gray en
Wills. Zij namen zes kameelen mede, beladen met levensmiddelen voor drie
maanden, dat is drie centenaars meel, vijftig pond rijst, vijftig pond
havermeel, een centenaar gedroogd paardevleesch, honderd pond gezouten
varkensvleesch en spek, en dertig pond beschuit, voldoende om heen en
terug zes honderd uren af te leggen.
"Die vier mannen vertrokken. Na een moeijelijke reis door een
steenachtige woestijn kwamen zij aan de rivier de Eyre, het uiterste
punt, dat Sturt in 1845 bereikte, en van daar zoo naauwkeurig mogelijk
den honderd veertigsten lengtegraad volgende, rigtten zij zich
noordwaarts.
"Den 7den Januarij bereikten zij onder een brandende zon den keerkring.
Bedriegelijke luchtspiegelingen misleidden hen soms, dikwijls hadden zij
gebrek aan water, dan weder verfrischten hen hevige regenbuijen, van
tijd tot tijd troffen zij eenige zwervende inlanders aan, die hun geen
leed deden; kortom, zij hadden met weinig bezwaren te kampen op een weg
die door geen meren, rivieren noch bergen werd versperd."
"Den 12den Januarij vertoonden zich in het noorden eenige
zandsteenheuvels; o.a. de berg Forbes en een reeks granietketenen,
"ranges" genoemd. Daar kwam de vermoeijenis eerst aan. Ter naauwernood
vorderden zij. De dieren weigerden voort te gaan: "Altijd in de
_ranges_! de kameelen zweeten van angst!" schrijft Burke in zijn
zakboekje. Toch komen de reizigers na ontzaggelijke inspanning aan de
oevers der rivier de Turner, vervolgens aan den bovenloop der
Flinders-rivier, die Stokes in 1841 zag, en die zich door palm- en
gomboomen omzoomd in de golf van Carpentaria werpt.
"De nabijheid van den oceaan bleek uit een aaneenschakeling van
moerassige gronden. Een der kameelen zonk er in weg. De anderen wilden
niet verder gaan. King en Gray moesten er bij blijven. Burke en Wills
zetten hun reis in een noordelijke rigting voort, en na groote
moeijelijkheden, die in hun aanteekeningen zeer onduidelijk worden
verhaald, bereikten zij een punt waar de vloed de moerassen
overstroomde; maar zij zagen den oceaan niet. Dat was den 11den
Februarij 1861."
"Dus konden die stoute mannen niet verder gaan?" vroeg lady Glenarvan.
"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "De moerassige grond zonk onder hun
voeten weg, en zij moesten er nu op bedacht zijn om hun reisgenooten in
het fort Wills weer op te zoeken. Een treurige terugreis, dat verzeker
ik u! Zwak en krachteloos sleepten Burke en zijn makker zich voort, tot
zij Gray en King terugvonden. Vervolgens begaven zij zich zuidwaarts
naar de Cooper's-kreek, langs denzelfden weg, dien zij gekomen waren.
"De angst, de gevaren, het lijden, dat zij op die reis uitstonden, zijn
ons slechts ten deele bekend; want het zakboekje der reizigers zwijgt er
van. Maar het moet verschrikkelijk geweest zijn."
"In de maand April toch, toen zij in de Cooper-vallei aankwamen, waren
zij nog maar met hun drieën. Gray was onder het lijden bezweken. Vier
kameelen waren dood. Gelukt het Burke nu maar het fort Wills te
bereiken, waar Brahe hem met zijn voorraad levensmiddelen wacht, dan
zijn hij en zijn makkers gered. Zij verdubbelen hunne pogingen; zij
slepen zich nog eenige dagen voort; den 2lsten April bemerken zij de
palissaden van het fort. Zij bereiken het!... Dienzelfden dag was Brahe
na vijf maanden vergeefs gewacht te hebben, vertrokken."
"Vertrokken!" riep de jonge Robert.
"Ja, vertrokken! dienzelfden dag, door een jammerlijke gril van het lot!
Het briefje, dat Brahe achtergelaten had, was nog geen zeven uren oud!
Burke kon er niet aan denken hem in te halen. De ongelukkige verlatenen
verkwikten zich een weinig met den voorraad, dien zij vonden. Maar het
ontbrak hun aan middelen van vervoer, en honderd vijftig uren scheidden
hen nog van de Darling.
"Nu krijgt Burke, in strijd met de meening van Wills, het in het hoofd
om de australische nederzettingen te bereiken, die digt bij den berg
Hopeless, zestig uren van het fort Wills, liggen. Zij gaan op weg. Van
de twee overgebleven kameelen smoort er een in een modderigen zijtak van
de Cooper's-kreek; de andere kan geen stap meer doen; men moet hem
dooden en zich met zijn vleesch voeden. Weldra zijn de levensmiddelen
op. De drie ongelukkigen zijn verpligt zich met "nardou" te voeden, een
waterplant, welker kiemkorrels eetbaar zijn. Uit gebrek aan water, uit
gebrek aan middelen om het te vervoeren, kunnen zij zich niet van de
oevers der Cooper verwijderen. De vlammen verslinden hun hut en hun
reisbenoodigdheden, zij zijn verloren! De dood grijnst hen aan!
"Burke riep King bij zich en zeide: "Mij schieten nog maar eenige uren
levens over: ziedaar mijn horlogie en mijn aanteekeningen. Wanneer ik
dood ben, verlang ik, dat gij mij een pistool in de regterhand geeft, en
dat gij mij onbegraven in dezelfde houding laat zitten!" Dit waren
Burke's laatste woorden. Den volgenden morgen ten acht ure gaf hij den
geest.
"Ontsteld en radeloos ging King een australischen volksstam opzoeken.
Toen hij terug kwam, was Wills ook reeds gestorven. Wat King aangaat,
deze werd door inboorlingen verpleegd en in de maand September door het
gezelschap van Howitt teruggevonden, die te gelijk met Mac Kinlay en
Landsborough uitgezonden was om Burke op te sporen. Van de vier
reizigers overleefde er dus maar een dien togt over het vastland van
Australië."
Het verhaal van Paganel had een pijnlijken indruk achtergelaten in het
gemoed zijner hoorders. Allen dachten aan kapitein Grant, die misschien
evenals Burke en de zijnen ronddoolde in het hart van dat noodlottige
vastland. Waren de schipbreukelingen ontsnapt aan het lijden, dat die
stoute baanbrekers trof? Die overpeinzing was zoo natuurlijk, dat Mary
Grant er de tranen door in de oogen kwamen.
"Mijn vader! mijn arme vader!" jammerde zij.
"Miss Mary! miss Mary!" riep John Mangles, "zulke rampen kunnen alleen
hem treffen, die zich in de binnenlanden waagt! Maar kapitein Grant is
immers evenals King in de handen der inboorlingen, en evenals King zal
hij gered worden! Nooit heeft hij zich in zulk een droevigen toestand
bevonden!"
"Nooit!" voegde Paganel er bij, "en ik herhaal het, lieve miss! de
Australiërs zijn herbergzaam."
"God geve, dat gij de waarheid spreekt!" antwoordde het meisje.
"En Stuart?" vroeg Glenarvan, die eenige afleiding wilde geven aan den
stroom dier treurige gedachten.
"Stuart?" herhaalde Paganel. "O, Stuart is gelukkiger geweest, en zijn
naam prijkt met eere in de australische jaarboeken. Reeds van het jaar
1848 af bereidde zich John Mac Doual Stuart, uw landgenoot, vrienden! op
zijn reizen voor, door Stuart te vergezellen in de woestijnen ten
noorden van Adelaïde. In 1860 poogde hij, maar te vergeefs, door slechts
twee mannen vergezeld, in het binnenland van Australië door te dringen.
Hij was er echter de man niet naar om zich te laten ontmoedigen. Op
Nieuwjaarsdag van het jaar 1861 verliet hij aan het hoofd van elf
vastberaden makkers de Chambers-kreek, en hield eerst stil op zestig
uren van de golf van Carpentaria; maar gebrek aan levensmiddelen dwong
hem naar Adelaïde terug te keeren, zonder dat hij het vreeselijke
vastland had doorreisd. Toch durfde hij nog een kans wagen, en ontwierp
hij het plan tot een derden togt, die ditmaal het zoo vurig gewenschte
doel mogt bereiken.
"Het parlement van Zuid-Australië trok zich dat nieuwe onderzoek sterk
aan; het verleende een subsidie van twee duizend pond sterling. Stuart
verzuimde geen van de voorzorgen, die de ondervinding op zijn vorige
togten hem als noodig had doen kennen. Zijn vrienden, de natuurkundige
Waterhouse, zijn vroegere medereizigers Thring en Kekwick, benevens
Woodforde en Auld, in het geheel tien personen, voegden zich bij hem.
Hij nam twintig zakken van amerikaansch leder mede, die elk zeven
gallons konden inhouden, en den 5den April 1862 was het gezelschap
bijeen aan het New-Castle-Water, over den achttienden graad breedte,
hetzelfde punt, dat Stuart niet had kunnen overschrijden. Zijn weg liep
ongeveer langs den honderd een en dertigsten graad lengte en dus zeven
graden westelijker dan die van Burke.
"Het New-Castle-Water zou de grondslag zijn der nieuwe onderzoekingen.
Door digte bosschen omringd, poogde Stuart te vergeefs zich ten noorden
en ten noordoosten een weg te banen. Evenmin gelukte het hem om in
westelijke rigting de Victoria-rivier te bereiken, ondoordringbaar
struikgewas sloot elken uitweg af.
"Nu besloot Stuart van legerplaats te veranderen, en het gelukte hem ze
een weinig noordelijker, in de moerassen van Hower te verplaatsen. Van
daar oostwaarts trekkende ontdekte hij te midden van grasrijke vlakten
de beek Daily, die hij een dertig mijlen ver volgde.
"De streek werd prachtig; een squatter een met zulke weiden regt in zijn
schik geweest zijn en er spoedig rijk worden, de gomboomen bereikten er
een ontzettende hoogte. Vol verbazing ging Stuart steeds verder; hij
bereikte de oevers der Strangway en der Roper's-kreek, die Leichardt
ontdekt had; haar wateren stroomden tusschen palmboomen door, die zulk
een tropische streek waardig waren; daar woonden inlandsche stammen, bij
wie de reizigers goed ontvangen werden.
"Van dit punt af rigtten zij zich naar het noord-noordwesten om in een
landstreek met zandsteen en ijzerhoudende rotsblokken bedekt de bronnen
der Adelaïde op te sporen, een rivier, die zich in de golf van Van
Diemen stort. Zij trokken nu door Arnhemsland, te midden van palmkool,
bamboes, dennen en slingerplanten. De Adelaïde werd breeder, haar oevers
werden moerassig; de zee was nabij.
"Dingsdag, dan 22sten Julij, was Stuart in de moerassen van Fresh-water
gelegerd, waar de tallooze beken, die zijn weg doorsneden, hem zeer
hinderlijk waren. Hij zond drie der zijnen uit om bruikbare wegen op te
zoeken; 's anderen daags bereikten hij, na ondoorwaadbare kreeken
omgetrokken en dikwijls in de slijkerige gronden weggezakt te zijn,
eenige hooge met gras begroeide plekken, waar boschjes gomboomen en
boomen met vezelachtige schors groeiden; daar vlogen ganzen, ibissen en
zeer schuwe watervogels bij heele troepen rond. Inboorlingen waren er
bijna in het geheel niet te zien. Alleen in de verte steeg de rook van
eenige legerplaatsen omhoog.
"Den 24sten Julij, negen maanden na zijn vertrek uit Adelaïde, vertrok
Stuart 's morgens twintig minuten over achten in een noordelijke
rigting; dienzelfden dag wil hij de zee bereiken; het land glooit
zachtjes en is bezaaid met ijzererts en vulkanische steenen; de boomen
verschrompelen, een gevolg van den zeewind; een alluviale vallei
vertoont zich, door een gordijn van struiken begrensd. Stuart hoort
duidelijk het geraas der branding; maar hij zegt er zijn makkers niets
van. Zij dringen in een kreupelbosch, dat loten van een wilden wijnstok
ondoordringbaar maken.
"Stuart doet eenige schreden vooruit. Hij staat aan den oever van den
Indischen oceaan! "De zee! de zee!" roept Thring verbaasd uit. De
anderen komen aanloopen en begroeten den Indischen oceaan met een
driewerf herhaald hoera!
"Het vastland was ten vierden male doorkruist!
"Overeenkomstig zijn belofte aan den gouverneur, Sir Richard Madonnell,
gedaan, baadde Stuart zijn voeten en wiesch hij zijn aangezigt en handen
in de golven der zee. Daarop keerde hij naar het dal terug en sneed in
een boom zijn voorletters J.M.D.S. Aan een stroomend beekje sloegen zij
een legerplaats op.
"'s Anderen daags ging Thring onderzoeken, of de mond der Adelaïde ook
in zuidwestelijken rigting bereikt kon worden; maar de grond was te
moerassig voor den voet der paarden; zij moesten het opgeven.
"Nu zoekt Stuart op een opene plaats een hoogen boom. Hij hakte er de
takken van af, en heesch de australische vlag in top. In de schors van
den boom werden deze woorden gesneden: _zoek een voet ten zuiden in den
grond_.
"En wanneer eenmaal een reiziger op de aangeduide plaats in den grond
graaft, zal hij een blikken doos vinden en daarin een document, welks
inhoud in mijn geheugen gegrift is:
_Groote ontdekkingsreis en togt van het zuiden naar het noorden van
Australië_.
"De reizigers, onder bevel van John Mac Doual Stuart zijn hier den
25sten Julij 1862 aangekomen, na geheel Australië van de Zuidzee tot aan
de oevers van den Indischen oceaan, door het binnenland heen, bereisd te
hebben. Zij hadden Adelaïde den 21sten Januarij 1861 verlaten en den
26sten October 1861 vertrokken zij noordwaarts uit het laatste station
der kolonie. Ter gedachtenis aan dit gelukkige voorval, hebben zij hier
de australische vlag met den naam van den aanvoerder der expeditie
ontplooid. Alles is wel. God bescherme de koningin!"
"Daarop volgen de onderteekeningen van Stuart en zijn reisgenooten.
"Zoo werd die groote gebeurtenis aan de vergetelheid ontrukt, die door
de geheele wereld met verbazing werd vernomen."
"En hebben al die moedige mannen hun vrienden in het zuiden
teruggezien?" vroeg lady Helena.
"Ja, mevrouw!" antwoordde Paganel; "allen, maar niet zonder vreeselijke
vermoeijenissen. Stuart had het meest te lijden; zijn leven werd door de
scheurbuik bedreigd, toen hij op de terugreis naar Adelaïde was. In het
begin van September verergerde zijn kwaal zoo, dat hij niet anders
dacht, of hij zou de bewoonde streken niet meer terugzien. Hij kon niet
meer in den zadel blijven zitten; hij moest in een draagkoets liggende,
die tusschen twee paarden inhing, verder reizen. Tegen het einde van
October bragten bloedspuwingen hem aan den rand des grafs. Er werd een
paard gedood om bouillon voor hem te koken; den 28sten October dacht hij
te sterven, toen een heilzame crisis hem redde, en den 10den December
bereikte het geheele gezelschap de eerste nederzettingen.
"Den 17den December deed Stuart te Adelaïde zijn intogt onder het
vreugdegejuich der opgetogen menigte. Maar hij bleef sukkelend, en kort
daarop scheepte hij zich, na de groote gouden medaille der Maatschappij
van aardrijkskunde verkregen te hebben, op de _Indus_ naar zijn geliefd
Schotland, zijn vaderland, in, waar wij hem bij onze terugkomst zullen
wederzien[1]."
"Hij was een man met buitengewoon veel geestkracht begaafd," zeide
Glenarvan, "en beter dan ligchaamskracht stelt zij in staat om groote
dingen te verrigten. Schotland is er teregt trotsch op hem onder zijn
zonen te mogen tellen."
"En heeft na Stuart geen reiziger meer nieuwe ontdekkingstogten
ondernomen?" vroeg lady Helena.
"Jawel, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Ik heb reeds dikwijls van
Leichardt gesproken. Deze reiziger had reeds in 1844 een merkwaardigen
togt door Noord-Australië gedaan. In 1848 ondernam hij een nieuwe reis
naar het noord-oosten. In geen zeventien jaar heeft men iets meer van
hem gehoord. Verleden jaar heeft de vermaarde plantenkenner, docter
Muller, te Melbourne een openbare inschrijving geopend om de kosten
eener expeditie te dekken. Spoedig was de lijst volgeteekend, en den
21sten Junij 1864 heeft een troep moedige squatters onder bevel van den
bekwamen en moedigen Mac Intyre de grasrijke oevers der Paroo verlaten.
Op dit oogenblik moeten zij ter opsporing van Leichardt reeds diep in
het binnenland doorgedrongen zijn. Mogen zij slagen en mogen ook wij,
even als zij, de vrienden, die ons dierbaar zijn, terug vinden!"
Hier eindigde het verhaal van den aardrijkskundige. Het uur was reeds
vergevorderd. Allen bedankten Paganel en weinige oogenblikken daarna
sliepen zij gerust, terwijl de klok vogel, in het gebladerte der witte
gomboomen verborgen, in de stilte van den nacht geregeld de minuten
aangaf.
[1] Jacques Paganel heeft Stuart na zijn terugkomst in Schotland kunnen
wederzien; maar hij heeft zich niet lang in den omgang met dien
vermaarden reiziger mogen verheugen. Stuart is den 5de Juny 1866 in een
geringe woning te Nottingham-Hill overleden.