XI.

Burke en Stuart.

Het overige van den dag werd met gesprekken en wandelingen doorgebragt.

Al pratende en bewonderende liepen de reizigers langs de oevers der

Wimerra. De aschgraauwe kraanvogels en de ibissen vlugtten met luid

geschreeuw bij hun aannadering. De prachtmees verschool zich in de hooge

takken van den wilden vijgenboom, de wielewalen, de zwartkeeltjes, de

kraaghoppen fladderden tusschen de trotsche stengels der leliën, de

ijsvogels staakten hun gewone vischvangst, terwijl de geheele

beschaafder familie der papegaaijen, de "blue-mountain" pronkende met de

zeven kleuren van den regenboog, de kleine "roschill" met zijn

scharlaken rood kopje en geele keel, en de "lori" met zijn rood en

blaauw gevederte, hun oorverdoovend gekakel op den top der bloeijende

gomboomen voortzetten.

Nu eens op het gras aan den oever van het murmelende water uitgestrekt,

dan weer rondslenterende tusschen de mimosa-struiken, bewonderden de

wandelaars tot het vallen van den avond toe die schoone natuur. De

nacht, die slechts door een kortstondige schemering voorafgegaan werd,

overviel hen een halve mijl van de legerplaats af. Bij hun terugtogt

rigtten zij zich niet naar de poolster, die op het zuidelijk halfrond

onzigtbaar is, maar naar het zuiderkruis, dat halverwege den

gezigteinder en het toppunt schitterde.

Olbinett had het avondeten onder de tent opgedischt. Allen zetten zich

aan tafel. De hoofdschotel was een zeker gebraad van papegaaijen, die

Wilson heel handig geschoten en de hofmeester lekker klaar gemaakt had.

Toen het avondeten afgeloopen was, zocht elk om strijd naar een

voorwendsel om de eerste uren van zulk een schoonen nacht niet slapend

door te brengen.

Lady Helena stelde allen tevreden door Paganel te verzoeken de

geschiedenis der groote australische reizigers te vertellen, een

geschiedenis, die hij hun reeds voor lang beloofd had.

Dat was koren op den molen van Paganel. Zijn toehoorders zetten zich

neer aan den voet van een prachtigen banksia; de rook der sigaren steeg

weldra omhoog tot aan het gebladerte, dat in de schaduw wegschool, en in

het vertrouwen op zijn ijzersterk geheugen nam de aardrijkskundige

terstond het woord.

"Gij herinnert u, vrienden! en de majoor althans zal het nog wel weten,

de lijst van reizigers, die ik u aan boord van de _Duncan_ opgaf. Van al

degenen, die in het binnenland trachtten door te dringen, mogt het er

slechts aan vier gelukken het van het noorden naar het zuiden of van het

zuiden naar het noorden te doorkruisen. Het zijn: Burke, in 1860 en 61;

Mac Kinlay, in 1861 en 62; Landsborough in 1862, en Stuart, ook in 1862.

Van Mac Kinlay en Landsborough heb ik maar weinig te vertellen. De

eerste ging van Adelaïde naar de golf van Carpentaria, de tweede van de

golf van Carpentaria naar Melbourne; beiden waren door australische

vereenigingen uitgezonden om Burke op te sporen, die niet meer te

voorschijn kwam en ook nooit terug zal komen.

"Burke en Stuart, dat zijn de twee stoute reizigers, over wie ik zal

spreken, en ik begin nu zonder verdere voorafspraak.

"Den 20sten Augustus 1860 vertrok op last van de koninklijke

Maatschappij te Melbourne, een gewezen iersch officier en oud-inspecteur

van politie te Castlemaine, Robert O'Hara Burke geheeten. Elf personen

vergezelden hem: William John Wills, een jeugdig veelbelovend

sterrekundige, doktor Beckler, een kruidkundige, Gray, King, een jeugdig

militair uit het indische leger, Landells, Brahe, en verscheidene

cipayers. Vijf en twintig paarden en evenveel kameelen droegen de

reizigers, hun bagaadje en levensmiddelen voor achttien maanden.

"De reizigers moesten zich langs de Cooper-rivier naar de golf van

Carpentaria op de noordkust begeven. Zij kwamen zonder ongeval over de

Murray en de Darling en bereikten het station van Menindie, op de

uiterste grens der koloniën.

"Daar zag men in, dat de menigte bagaadje zeer lastig was. Dit bezwaar

en een zekere ruwheid van karakter van Burke zaaiden oneenigheid in het

gezelschap. Landells, de opzigter over de kameelen, scheidde zich met

eenige hindoesche bedienden van de overigen, en keerde naar de oevers

der Darling terug; Burke zette den togt voort. Nu eens door heerlijke,

rijk bewaterde weiden, dan weer over steenachtige en waterlooze wegen,

zakte hij naar de Cooper's kreek af. Den 20sten November, drie maanden

na zijn vertrek, legde hij de eerste bewaarplaats van levensmiddelen op

den oever der rivier aan.

"Hier werden de reizigers eenigen tijd opgehouden, omdat zij geen

bruikbaren weg naar het noorden vonden, een weg, waarop zij geen gebrek

aan water behoefden te vreezen. Na groote moeijelijkheden sloegen zij

zich neer op een plaats, die zij het fort Wills noemden. Zij maakten er

een post van met palissaden omringd, halverwege Melbourne en de golf van

Carpentaria gelegen. Daar verdeelde Burke zijn gezelschap in tweeën.

Eenigen moesten onder bevel van Brahe drie maanden, en liet de voorraad

het toe, nog langer in het fort Wills blijven en de terugkomst der

anderen afwachten. De andere afdeeling bestond uit Burke, King, Gray en

Wills. Zij namen zes kameelen mede, beladen met levensmiddelen voor drie

maanden, dat is drie centenaars meel, vijftig pond rijst, vijftig pond

havermeel, een centenaar gedroogd paardevleesch, honderd pond gezouten

varkensvleesch en spek, en dertig pond beschuit, voldoende om heen en

terug zes honderd uren af te leggen.

"Die vier mannen vertrokken. Na een moeijelijke reis door een

steenachtige woestijn kwamen zij aan de rivier de Eyre, het uiterste

punt, dat Sturt in 1845 bereikte, en van daar zoo naauwkeurig mogelijk

den honderd veertigsten lengtegraad volgende, rigtten zij zich

noordwaarts.

"Den 7den Januarij bereikten zij onder een brandende zon den keerkring.

Bedriegelijke luchtspiegelingen misleidden hen soms, dikwijls hadden zij

gebrek aan water, dan weder verfrischten hen hevige regenbuijen, van

tijd tot tijd troffen zij eenige zwervende inlanders aan, die hun geen

leed deden; kortom, zij hadden met weinig bezwaren te kampen op een weg

die door geen meren, rivieren noch bergen werd versperd."

"Den 12den Januarij vertoonden zich in het noorden eenige

zandsteenheuvels; o.a. de berg Forbes en een reeks granietketenen,

"ranges" genoemd. Daar kwam de vermoeijenis eerst aan. Ter naauwernood

vorderden zij. De dieren weigerden voort te gaan: "Altijd in de

_ranges_! de kameelen zweeten van angst!" schrijft Burke in zijn

zakboekje. Toch komen de reizigers na ontzaggelijke inspanning aan de

oevers der rivier de Turner, vervolgens aan den bovenloop der

Flinders-rivier, die Stokes in 1841 zag, en die zich door palm- en

gomboomen omzoomd in de golf van Carpentaria werpt.

"De nabijheid van den oceaan bleek uit een aaneenschakeling van

moerassige gronden. Een der kameelen zonk er in weg. De anderen wilden

niet verder gaan. King en Gray moesten er bij blijven. Burke en Wills

zetten hun reis in een noordelijke rigting voort, en na groote

moeijelijkheden, die in hun aanteekeningen zeer onduidelijk worden

verhaald, bereikten zij een punt waar de vloed de moerassen

overstroomde; maar zij zagen den oceaan niet. Dat was den 11den

Februarij 1861."

"Dus konden die stoute mannen niet verder gaan?" vroeg lady Glenarvan.

"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "De moerassige grond zonk onder hun

voeten weg, en zij moesten er nu op bedacht zijn om hun reisgenooten in

het fort Wills weer op te zoeken. Een treurige terugreis, dat verzeker

ik u! Zwak en krachteloos sleepten Burke en zijn makker zich voort, tot

zij Gray en King terugvonden. Vervolgens begaven zij zich zuidwaarts

naar de Cooper's-kreek, langs denzelfden weg, dien zij gekomen waren.

"De angst, de gevaren, het lijden, dat zij op die reis uitstonden, zijn

ons slechts ten deele bekend; want het zakboekje der reizigers zwijgt er

van. Maar het moet verschrikkelijk geweest zijn."

"In de maand April toch, toen zij in de Cooper-vallei aankwamen, waren

zij nog maar met hun drieën. Gray was onder het lijden bezweken. Vier

kameelen waren dood. Gelukt het Burke nu maar het fort Wills te

bereiken, waar Brahe hem met zijn voorraad levensmiddelen wacht, dan

zijn hij en zijn makkers gered. Zij verdubbelen hunne pogingen; zij

slepen zich nog eenige dagen voort; den 2lsten April bemerken zij de

palissaden van het fort. Zij bereiken het!... Dienzelfden dag was Brahe

na vijf maanden vergeefs gewacht te hebben, vertrokken."

"Vertrokken!" riep de jonge Robert.

"Ja, vertrokken! dienzelfden dag, door een jammerlijke gril van het lot!

Het briefje, dat Brahe achtergelaten had, was nog geen zeven uren oud!

Burke kon er niet aan denken hem in te halen. De ongelukkige verlatenen

verkwikten zich een weinig met den voorraad, dien zij vonden. Maar het

ontbrak hun aan middelen van vervoer, en honderd vijftig uren scheidden

hen nog van de Darling.

"Nu krijgt Burke, in strijd met de meening van Wills, het in het hoofd

om de australische nederzettingen te bereiken, die digt bij den berg

Hopeless, zestig uren van het fort Wills, liggen. Zij gaan op weg. Van

de twee overgebleven kameelen smoort er een in een modderigen zijtak van

de Cooper's-kreek; de andere kan geen stap meer doen; men moet hem

dooden en zich met zijn vleesch voeden. Weldra zijn de levensmiddelen

op. De drie ongelukkigen zijn verpligt zich met "nardou" te voeden, een

waterplant, welker kiemkorrels eetbaar zijn. Uit gebrek aan water, uit

gebrek aan middelen om het te vervoeren, kunnen zij zich niet van de

oevers der Cooper verwijderen. De vlammen verslinden hun hut en hun

reisbenoodigdheden, zij zijn verloren! De dood grijnst hen aan!

"Burke riep King bij zich en zeide: "Mij schieten nog maar eenige uren

levens over: ziedaar mijn horlogie en mijn aanteekeningen. Wanneer ik

dood ben, verlang ik, dat gij mij een pistool in de regterhand geeft, en

dat gij mij onbegraven in dezelfde houding laat zitten!" Dit waren

Burke's laatste woorden. Den volgenden morgen ten acht ure gaf hij den

geest.

"Ontsteld en radeloos ging King een australischen volksstam opzoeken.

Toen hij terug kwam, was Wills ook reeds gestorven. Wat King aangaat,

deze werd door inboorlingen verpleegd en in de maand September door het

gezelschap van Howitt teruggevonden, die te gelijk met Mac Kinlay en

Landsborough uitgezonden was om Burke op te sporen. Van de vier

reizigers overleefde er dus maar een dien togt over het vastland van

Australië."

Het verhaal van Paganel had een pijnlijken indruk achtergelaten in het

gemoed zijner hoorders. Allen dachten aan kapitein Grant, die misschien

evenals Burke en de zijnen ronddoolde in het hart van dat noodlottige

vastland. Waren de schipbreukelingen ontsnapt aan het lijden, dat die

stoute baanbrekers trof? Die overpeinzing was zoo natuurlijk, dat Mary

Grant er de tranen door in de oogen kwamen.

"Mijn vader! mijn arme vader!" jammerde zij.

"Miss Mary! miss Mary!" riep John Mangles, "zulke rampen kunnen alleen

hem treffen, die zich in de binnenlanden waagt! Maar kapitein Grant is

immers evenals King in de handen der inboorlingen, en evenals King zal

hij gered worden! Nooit heeft hij zich in zulk een droevigen toestand

bevonden!"

"Nooit!" voegde Paganel er bij, "en ik herhaal het, lieve miss! de

Australiërs zijn herbergzaam."

"God geve, dat gij de waarheid spreekt!" antwoordde het meisje.

"En Stuart?" vroeg Glenarvan, die eenige afleiding wilde geven aan den

stroom dier treurige gedachten.

"Stuart?" herhaalde Paganel. "O, Stuart is gelukkiger geweest, en zijn

naam prijkt met eere in de australische jaarboeken. Reeds van het jaar

1848 af bereidde zich John Mac Doual Stuart, uw landgenoot, vrienden! op

zijn reizen voor, door Stuart te vergezellen in de woestijnen ten

noorden van Adelaïde. In 1860 poogde hij, maar te vergeefs, door slechts

twee mannen vergezeld, in het binnenland van Australië door te dringen.

Hij was er echter de man niet naar om zich te laten ontmoedigen. Op

Nieuwjaarsdag van het jaar 1861 verliet hij aan het hoofd van elf

vastberaden makkers de Chambers-kreek, en hield eerst stil op zestig

uren van de golf van Carpentaria; maar gebrek aan levensmiddelen dwong

hem naar Adelaïde terug te keeren, zonder dat hij het vreeselijke

vastland had doorreisd. Toch durfde hij nog een kans wagen, en ontwierp

hij het plan tot een derden togt, die ditmaal het zoo vurig gewenschte

doel mogt bereiken.

"Het parlement van Zuid-Australië trok zich dat nieuwe onderzoek sterk

aan; het verleende een subsidie van twee duizend pond sterling. Stuart

verzuimde geen van de voorzorgen, die de ondervinding op zijn vorige

togten hem als noodig had doen kennen. Zijn vrienden, de natuurkundige

Waterhouse, zijn vroegere medereizigers Thring en Kekwick, benevens

Woodforde en Auld, in het geheel tien personen, voegden zich bij hem.

Hij nam twintig zakken van amerikaansch leder mede, die elk zeven

gallons konden inhouden, en den 5den April 1862 was het gezelschap

bijeen aan het New-Castle-Water, over den achttienden graad breedte,

hetzelfde punt, dat Stuart niet had kunnen overschrijden. Zijn weg liep

ongeveer langs den honderd een en dertigsten graad lengte en dus zeven

graden westelijker dan die van Burke.

"Het New-Castle-Water zou de grondslag zijn der nieuwe onderzoekingen.

Door digte bosschen omringd, poogde Stuart te vergeefs zich ten noorden

en ten noordoosten een weg te banen. Evenmin gelukte het hem om in

westelijke rigting de Victoria-rivier te bereiken, ondoordringbaar

struikgewas sloot elken uitweg af.

"Nu besloot Stuart van legerplaats te veranderen, en het gelukte hem ze

een weinig noordelijker, in de moerassen van Hower te verplaatsen. Van

daar oostwaarts trekkende ontdekte hij te midden van grasrijke vlakten

de beek Daily, die hij een dertig mijlen ver volgde.

"De streek werd prachtig; een squatter een met zulke weiden regt in zijn

schik geweest zijn en er spoedig rijk worden, de gomboomen bereikten er

een ontzettende hoogte. Vol verbazing ging Stuart steeds verder; hij

bereikte de oevers der Strangway en der Roper's-kreek, die Leichardt

ontdekt had; haar wateren stroomden tusschen palmboomen door, die zulk

een tropische streek waardig waren; daar woonden inlandsche stammen, bij

wie de reizigers goed ontvangen werden.

"Van dit punt af rigtten zij zich naar het noord-noordwesten om in een

landstreek met zandsteen en ijzerhoudende rotsblokken bedekt de bronnen

der Adelaïde op te sporen, een rivier, die zich in de golf van Van

Diemen stort. Zij trokken nu door Arnhemsland, te midden van palmkool,

bamboes, dennen en slingerplanten. De Adelaïde werd breeder, haar oevers

werden moerassig; de zee was nabij.

"Dingsdag, dan 22sten Julij, was Stuart in de moerassen van Fresh-water

gelegerd, waar de tallooze beken, die zijn weg doorsneden, hem zeer

hinderlijk waren. Hij zond drie der zijnen uit om bruikbare wegen op te

zoeken; 's anderen daags bereikten hij, na ondoorwaadbare kreeken

omgetrokken en dikwijls in de slijkerige gronden weggezakt te zijn,

eenige hooge met gras begroeide plekken, waar boschjes gomboomen en

boomen met vezelachtige schors groeiden; daar vlogen ganzen, ibissen en

zeer schuwe watervogels bij heele troepen rond. Inboorlingen waren er

bijna in het geheel niet te zien. Alleen in de verte steeg de rook van

eenige legerplaatsen omhoog.

"Den 24sten Julij, negen maanden na zijn vertrek uit Adelaïde, vertrok

Stuart 's morgens twintig minuten over achten in een noordelijke

rigting; dienzelfden dag wil hij de zee bereiken; het land glooit

zachtjes en is bezaaid met ijzererts en vulkanische steenen; de boomen

verschrompelen, een gevolg van den zeewind; een alluviale vallei

vertoont zich, door een gordijn van struiken begrensd. Stuart hoort

duidelijk het geraas der branding; maar hij zegt er zijn makkers niets

van. Zij dringen in een kreupelbosch, dat loten van een wilden wijnstok

ondoordringbaar maken.

"Stuart doet eenige schreden vooruit. Hij staat aan den oever van den

Indischen oceaan! "De zee! de zee!" roept Thring verbaasd uit. De

anderen komen aanloopen en begroeten den Indischen oceaan met een

driewerf herhaald hoera!

"Het vastland was ten vierden male doorkruist!

"Overeenkomstig zijn belofte aan den gouverneur, Sir Richard Madonnell,

gedaan, baadde Stuart zijn voeten en wiesch hij zijn aangezigt en handen

in de golven der zee. Daarop keerde hij naar het dal terug en sneed in

een boom zijn voorletters J.M.D.S. Aan een stroomend beekje sloegen zij

een legerplaats op.

"'s Anderen daags ging Thring onderzoeken, of de mond der Adelaïde ook

in zuidwestelijken rigting bereikt kon worden; maar de grond was te

moerassig voor den voet der paarden; zij moesten het opgeven.

"Nu zoekt Stuart op een opene plaats een hoogen boom. Hij hakte er de

takken van af, en heesch de australische vlag in top. In de schors van

den boom werden deze woorden gesneden: _zoek een voet ten zuiden in den

grond_.

"En wanneer eenmaal een reiziger op de aangeduide plaats in den grond

graaft, zal hij een blikken doos vinden en daarin een document, welks

inhoud in mijn geheugen gegrift is:

_Groote ontdekkingsreis en togt van het zuiden naar het noorden van

Australië_.

"De reizigers, onder bevel van John Mac Doual Stuart zijn hier den

25sten Julij 1862 aangekomen, na geheel Australië van de Zuidzee tot aan

de oevers van den Indischen oceaan, door het binnenland heen, bereisd te

hebben. Zij hadden Adelaïde den 21sten Januarij 1861 verlaten en den

26sten October 1861 vertrokken zij noordwaarts uit het laatste station

der kolonie. Ter gedachtenis aan dit gelukkige voorval, hebben zij hier

de australische vlag met den naam van den aanvoerder der expeditie

ontplooid. Alles is wel. God bescherme de koningin!"

"Daarop volgen de onderteekeningen van Stuart en zijn reisgenooten.

"Zoo werd die groote gebeurtenis aan de vergetelheid ontrukt, die door

de geheele wereld met verbazing werd vernomen."

"En hebben al die moedige mannen hun vrienden in het zuiden

teruggezien?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw!" antwoordde Paganel; "allen, maar niet zonder vreeselijke

vermoeijenissen. Stuart had het meest te lijden; zijn leven werd door de

scheurbuik bedreigd, toen hij op de terugreis naar Adelaïde was. In het

begin van September verergerde zijn kwaal zoo, dat hij niet anders

dacht, of hij zou de bewoonde streken niet meer terugzien. Hij kon niet

meer in den zadel blijven zitten; hij moest in een draagkoets liggende,

die tusschen twee paarden inhing, verder reizen. Tegen het einde van

October bragten bloedspuwingen hem aan den rand des grafs. Er werd een

paard gedood om bouillon voor hem te koken; den 28sten October dacht hij

te sterven, toen een heilzame crisis hem redde, en den 10den December

bereikte het geheele gezelschap de eerste nederzettingen.

"Den 17den December deed Stuart te Adelaïde zijn intogt onder het

vreugdegejuich der opgetogen menigte. Maar hij bleef sukkelend, en kort

daarop scheepte hij zich, na de groote gouden medaille der Maatschappij

van aardrijkskunde verkregen te hebben, op de _Indus_ naar zijn geliefd

Schotland, zijn vaderland, in, waar wij hem bij onze terugkomst zullen

wederzien[1]."

"Hij was een man met buitengewoon veel geestkracht begaafd," zeide

Glenarvan, "en beter dan ligchaamskracht stelt zij in staat om groote

dingen te verrigten. Schotland is er teregt trotsch op hem onder zijn

zonen te mogen tellen."

"En heeft na Stuart geen reiziger meer nieuwe ontdekkingstogten

ondernomen?" vroeg lady Helena.

"Jawel, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Ik heb reeds dikwijls van

Leichardt gesproken. Deze reiziger had reeds in 1844 een merkwaardigen

togt door Noord-Australië gedaan. In 1848 ondernam hij een nieuwe reis

naar het noord-oosten. In geen zeventien jaar heeft men iets meer van

hem gehoord. Verleden jaar heeft de vermaarde plantenkenner, docter

Muller, te Melbourne een openbare inschrijving geopend om de kosten

eener expeditie te dekken. Spoedig was de lijst volgeteekend, en den

21sten Junij 1864 heeft een troep moedige squatters onder bevel van den

bekwamen en moedigen Mac Intyre de grasrijke oevers der Paroo verlaten.

Op dit oogenblik moeten zij ter opsporing van Leichardt reeds diep in

het binnenland doorgedrongen zijn. Mogen zij slagen en mogen ook wij,

even als zij, de vrienden, die ons dierbaar zijn, terug vinden!"

Hier eindigde het verhaal van den aardrijkskundige. Het uur was reeds

vergevorderd. Allen bedankten Paganel en weinige oogenblikken daarna

sliepen zij gerust, terwijl de klok vogel, in het gebladerte der witte

gomboomen verborgen, in de stilte van den nacht geregeld de minuten

aangaf.

[1] Jacques Paganel heeft Stuart na zijn terugkomst in Schotland kunnen

wederzien; maar hij heeft zich niet lang in den omgang met dien

vermaarden reiziger mogen verheugen. Stuart is den 5de Juny 1866 in een

geringe woning te Nottingham-Hill overleden.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 16 / 29 题