X.

De Wimerra.

Den volgenden dag, 24 December, vertrokken zij bij het krieken van den

dag. De warmte was reeds drukkend, maar dragelijk, de weg bijna effen en

gunstig voor den stap der paarden. Het kleine gezelschap trok door een

dun kreupelbosch. Na een goede dagreis sloeg het zich neder aan den

oever van het Witte meer, welks water brak en ondrinkbaar is.

Jacques Paganel moest hier toch erkennen, dat dit meer evenmin wit is,

als de Zwarte zee zwart, de Roode zee rood, de Gele rivier geel en de

Blaauwe bergen blaauw zijn. Toch dreef hem zijn eigenliefde als

aardrijkskundige om lang te redetwisten; maar zijn bewijzen werden niet

aangenomen.

Olbinett maakte met zijn gewone stiptheid het avondeten gereed; spoedig

daarop vielen de reizigers, eenigen in den wagen, anderen onder de tent

in slaap, in weerwil van het akelig gehuil der "dingo's", de sjakals van

Australië.

Een heerlijke vlakte, geheel met goudsbloemen bezaaid, strekte zich aan

gene zijde van het Witte meer uit. Toen Glenarvan en zijn reisgenooten

den volgenden morgen ontwaakten, hadden zij zich gaarne verlustigd in

het prachtige schouwspel, dat zich aan hun oog vertoonde. Zij

vertrokken. Alleen in de verte verrieden eenige oneffenheden de rijzing

van den grond; zoo ver het oog reikte was alles gras en bloemen in hun

lentedos. De blaauwe weerschijn van het fijn gebladerde vlas smolt ineen

met het scharlakenrood van een hier te huis behoorenden beerenklaauw.

Talrijke verscheidenheden van eremophila's verlevendigden dit groen, en

de zout bevattende gronden verdwenen onder de ganzevoeten, de melde, de

bieten, dezen grijsgroen, die roodachtig van kleur, behoorende tot de

snel voortwoekerende familie der sodaplanten. Die planten zijn zeer

nuttig voor de nijverheid; want zij geven een uitmuntende soda door

verbranding en het uitwasschen der asch. Paganel, die onder de bloemen

een kruidkundige werd, gaf al die uiteenloopende voortbrengselen hun

eigen naam, en met zijn gewone voorliefde voor cijfers verzuimde hij

niet te zeggen, dat men tot nog toe in de flora van Australië vier

duizend twee honderd soorten van planten telde, in honderd twintig

familiën verdeeld.

Na een tiental mijlen snel afgelegd te hebben, reed de wagen tusschen

hooge boschjes acacia's, mimosa's en witte gomboomen, wier bloemen op

zoo verschillende wijzen geschikt zijn. Het plantenrijk toonde zich in

dit gewest der "spring plains"[1], niet ondankbaar jegens de dagvorstin,

en gaf haar in geuren en kleuren terug wat de zon in stralen gaf.

Het dierenrijk was kariger in zijne voortbrengselen. Eenige kasuarissen

sprongen in de vlakte rond, zonder dat het mogelijk was ze te naderen.

Toch was de majoor behendig genoeg een zeer vreemd dier te schieten, dat

weldra uitgestorven zal zijn. Het was een "jabiru", de reusachtige

kraanvogel der engelsche kolonisten. Die vogel was vijf voet hoog, en

zijn zwarte, breede, kegelvormige bek met zeer spitse punt, achttien

duim lang. De paarsche en purpere weerschijn van zijn kop stak sterk af

bij het glanzige groen van zijn hals, de schitterende witheid van zijn

krop en het heldere rood van zijn lange pooten. De natuur scheen ten

zijnen behoeve haar geheele palet met hoofdkleuren te hebben uitgeput.

Die vogel werd zeer bewonderd, en de majoor zou onverdeeld de eer van

den dag genoten hebben, als de jonge Robert niet eenige mijlen verder

een wanstaltig dier, half egel, half miereneter, een wezen, dat maar

half afgewerkt was, gelijk de dieren uit de eerste tijden der schepping,

ontmoet en geveld had. Een lange en kleverige tong hing uit zijn

tandeloozen bek, en ving de mieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken.

"Dat is een stekelzwijn," zeide Paganel, die aan dit monotrema terstond

zijn waren naam gaf. "Hebt gij ooit zulk een dier gezien?"

"Het is afschuwelijk," antwoordde Glenarvan.

"Afschuwelijk, maar vreemd," hernam Paganel; "bovendien behoort het

uitsluitend in Australië te huis en zou men het te vergeefs in ieder

ander werelddeel zoeken."

Natuurlijk wilde Paganel het afzigtelijke stekelzwijn medenemen en bij

de bagaadje stoppen. Maar Olbinett verzette zich met zooveel

verontwaardiging, dat de geleerde er van afzag om dit staaltje van de

monotremata te bewaren.

Dien dag kwamen de reizigers tot honderd een en veertig en een halven

graad lengte. Tot nog toe hadden zij maar weinig kolonisten en squatters

aangetroffen. Het land scheen onbewoond. Van inboorlingen was geen

schaduw te zien; want de wilde stammen zwerven meer noordelijk in de

onmetelijke woestijnen, die de bijrivieren van de Darling en de Murray

besproeijen.

Maar een zonderling schouwspel trok de aandacht van Glenarvan en zijn

gezelschap. Hij had het geluk een van die tallooze kudden te ontmoeten,

welke door ondernemende speculanten van de oostelijke bergen naar de

provinciën Victoria en Zuid-Australië gedreven worden.

's Namiddags omstreeks vier ure berigtte John Mangles, dat er drie

mijlen voor hen uit aan den gezigteinder een zware stofwolk opsteeg. Van

waar dat verschijnsel? Men was zeer verlegen om er een verklaring van te

geven. Paganel helde over tot de meening, dat het een luchtverheveling

kon zijn, en zijn werkzame verbeeldingskracht zocht er reeds een

natuurlijke oorzaak voor. Maar Ayrton sloot het wijde veld der

gissingen, waarop hij zich waagde, af met te zeggen, dat al dat stof

opgejaagd werd door een kudde op den weg.

De bootsman bedroog zich niet. De digte wolk kwam naderbij. Een heel

concert van geblaat, gehinnik en geloei steeg er uit op. Onder den vorm

van schreeuwen, fluiten en vloeken paarde zioh ook de menschelijke stem

aan die herderstoonen.

Een man kwam uit die luidruchtige wolk te voorschijn. Het was de

hoofdaanvoerder van dat viervoetige leger. Glenarvan ging hem te gemoet

en zonder verderen omslag knoopten zij een gesprek aan. De aanvoerder of

om hem zijn waren titel te geven, de veehoeder, was eigenaar van een

gedeelte der kudde. Hij heette Sam Machell, kwam inderdaad uit de

oostelijke provinciën en begaf zich naar de Portlandbaai.

Zijn kudde bestond uit twaalf duizend vijf en zeventig stuks, te weten

duizend runderen, elf duizend schapen en vijf en zeventig paarden. Al

die dieren, welke slechts vel en been waren, toen hij ze in de vlakten

der Blaauwe bergen kocht, zouden vet worden op de heerlijke weiden van

Zuid-Australië, waar zij met groote winst afgezet worden. Zoo zou Sam

Machell, twee pond per rund en een half pond per schaap winnende, een

voordeel hebben van negentig duizend gulden. Het was dus een goede zaak.

Maar wat al geduld, wat al inspanning was er niet noodig om die

weerbarstige kudde ter bestemder plaatse te brengen, wat al vermoeijenis

moest hij er niet voor uitstaan! De winst, welke dat zware beroep

oplevert, is zuur verdiend!

Sam Machell vertelde met weinige woorden zijn geschiedenis, terwijl de

kudde haar weg vervolgde tusschen de mimosa struiken. Lady Helena, Mary

Grant, de ruiters waren allen afgestegen en in de schaduw van een

grooten gomboom gezeten, luisterden zij naar het verhaal van den herder.

Sam Machell was al zeven maanden op weg; hij legde per dag tien mijlen

af en zijn lange reis moest nog drie maanden duren. Om hem in zijn

moeijelijke taak bij te staan had bij twintig honden en dertig menschen,

waaronder vijf zwarten, die zeer bedreven waren in het terugvinden van

het spoor der afgedwaalde dieren. Zes karren volgden het leger. De

drijvers met "stockwipps" gewapend, zweepen, waarvan de steel achttien

duim en de riem negen voet lang is, liepen tusschen de rijen door, om de

orde, die vaak gestoord werd, te handhaven, terwijl de ligte ruiterij

der honden op de vleugels draafde.

De reizigers bewonderden de tucht, die onder de kudde heerschte. De

verschillende diersoorten waren van elkander afgezonderd, want runderen

en wilde schapen verstaan elkander niet goed; de eersten willen nooit

grazen waar de anderen hun voor geweest zijn. Vandaar dat het noodig was

de runderen voorop te plaatsen, die in twee bataillons verdeeld,

vooruitgingen. Daarop volgden vijf regimenten schapen onder bevel van

twintig drijvers, en het peloton paarden maakte de achterhoede uit.

Sam Machell maakte zijn toehoorders opmerkzaam, dat de guides van het

leger geen honden of menschen, maar wel runderen, verstandige gidsen

waren, wier meerderheid hun natuurgenooten erkenden. Zij liepen in het

eerste gelid, spreidden veel deftigheid ten toon, namen uit instinct den

regten weg, en waren stellig overtuigd, dat zij regt hadden op een goede

behandeling. Zij werden dan ook ontzien; want de kudde gehoorzaamde hun

zonder tegenspraak. Vonden zij goed om niet op te houden, dan moest men

zich aan die gril onderwerpen, en te vergeefs zou men beproeven na een

halt weder op weg te gaan, als zij niet zelven het sein om te vertrekken

gaven.

Met nog eenige bijzonderheden, die de veehoeder er bijvoegde, was de

geschiedenis van dien togt volledig, die wel waard was door Xenophon

beschreven, ja aangevoerd te worden. Zoolang het leger door de vlakte

trok ging alles goed. Weinig last, weinig vermoeidheid. De beesten

graasden langs den weg, dronken uit de talrijke greppels in de weiden,

sliepen 's nachts, reisden over dag, en voegden zich gedwee bijeen op

het geblaf der honden. Maar in de groote bosschen van het vastland,

tusschen de lage mirte- en mimosa-struiken, namen de moeijelijkheden

toe. Pelotons, bataillons en regimenten liepen dooreen of dwaalden af,

en dan was er heel wat tijd noodig om ze weer bijeen te krijgen.

Verdwaalde er soms bij ongeluk een gids, dan moest hij, wat het ook

kosten mogt, terug gevonden worden, wilde men niet alles weg zien

loopen, en dan bragten de zwarten soms verscheidene dagen met die

moeijelijke nasporingen door. Vielen er zware regenbuijen, dan weigerden

de luije dieren verder te gaan, en bij hevige onweders maakte zich een

onbeschrijfelijke angst van de razende dieren meester.

Met inspanning van alle krachten en door onafgebrokene werkzaamheid mogt

de veehoeder toch zegevieren over die telkens terugkeerende

moeijelijkheden. Hij liep maar door, de eene mijl na de andere werd

afgelegd, vlakten, bosschen, bergen, alles geraakte eindelijk achter den

rug. Maar soms moest hij bij zooveel vereischten ook nog die

hoofdeigenschap voegen, die geduld heet, een onwankelbaar geduld, een

geduld, dat niet alleen de uren, niet alleen de dagen, maar geheele

weken niet konden uitputten, en dat was bij den overtogt der rivieren.

Daar werd de veehoeder voor een stroom opgehouden, niet omdat hij

onoverkomelijk was, maar omdat de dieren er niet over wilden; de

koppigheid van het vee was de eenige hinderpaal. Zoodra de runderen het

water opgesnoven hadden, keerden zij terug. De schapen liepen naar alle

kanten weg, liever dan zich te water te begeven. De nacht werd afgewacht

om de dieren naar de rivier te lokken, niets baatte. Met geweld wierp

men de rammen er in, de ooijen wilden hen niet volgen. Men beproefde de

kudde door dorst te dwingen en onthield haar onderscheidene dagen lang

het noodige water, het vee deed het zonder drinken en waagde zich niet.

De lammeren werden naar de overzijde gebragt, in de hoop, dat hun

moeders op hun geschreeuw zouden overkomen; de lammeren blaatten, maar

de moeders bewogen zich niet. Dat duurde soms een maand, en de veehoeder

wist niet meer, wat hij moest beginnen met zijn blatend, hinnikend en

loeijend leger. Daar stak op eens, zonder reden, uit een gril, men weet

niet waarom noch hoe, een afdeeling de rivier over, en nu had men weer

de handen vol om te beletten, dat de heele kudde zich in wanorde in het

water stortte. Er kwam verwarring in de gelederen, en vele dieren

verdronken in den snellen stroom.

Dat alles vertelde Sam Machell. Intusschen was een groot deel der kudde

in goede orde voorbij getrokken. Het was tijd, dat hij zich weder aan

het hoofd van zijn leger stelde om de beste weiden op te zoeken. Hij nam

dus afscheid van lord Glenarvan, besteeg een uitmuntend inlandsch paard,

dat een zijner knechts aan den teugel hield, en ontving van allen een

hartelijken handdruk tot afscheid. Weinige oogenblikken daarna was hij

in de stofwolk verdwenen.

De wagen hervatte zijn een oogenblik gestaakten togt in de

tegenovergestelde rigting, en hield eerst 's avonds aan den voet van den

berg Talbot stil.

Paganel maakte nu de gegronde opmerking, dat het de 25ste December was,

het Kersfeest, de groote feestdag in de engelsche huisgezinnen. Maar de

hofmeester had het niet vergeten, en een lekker maal, onder de tent

aangerigt, verschafte hem den welgemeenden lof der gasten. Om de

waarheid te zeggen had Olbinett zichzelven overtroffen. Uit zijn

voorraadkamer had hij een aantal europeesche spijzen gehaald, die men

zelden zal aantreffen in de woestijnen van Australië. Een rendierham,

eenige sneden pekelvleesch, gerookte zalm, een gerste- en haverkoek,

thee, zooveel men lustte, whisky in overvloed en eenige flesschen

portwijn vormden dit onverwachte maal. Men kon zich bijna verbeelden in

de groote eetzaal van het kasteel Malcolm, in het midden der Hooglanden,

in het hartje van Schotland te zijn.

Niets toch ontbrak aan dit feestmaal, van de gembersoep af tot de

minced-pies van het dessert toe. Paganel oordeelde echter goed te doen,

wanneer hij er de vruchten bijvoegde van een wilden oranjeboom, die aan

den voet der heuvelen groeide. Het was de "moccaly" der inboorlingen;

zijn vruchten zijn vrij smakeloos; maar zijn verpletterde pitten

verbranden den mond als cayennepeper. De aardrijkskundige at ze uit

liefde tot de wetenschap zoo overdadig, dat ze zijn gehemelte

verschroeiden, en hij de vragen, die de majoor over de eigenaardigheden

der australische bosschen tot hem rigtte, niet kon beantwoorden.

Den volgenden dag, 26 December, viel er niets voor, dat vermelding

verdient. Men trof de bronnen der Norton-kreek, en later de uitgedroogde

Mackensie-rivier aan. Het weder bleef zeer schoon, de warmte dragelijk;

de wind bleef zuid en verkoelde den dampkring, gelijk op het noordelijk

halfrond de noordewind zou gedaan hebben. Paganel deed dit zijn vriendje

Robert Grant opmerken.

"Een gelukkige omstandigheid," voegde hij er bij; "want de gemiddelde

warmte is grooter op het zuidelijk dan op het noordelijk halfrond."

"Hoe komt dat?" vroeg de knaap.

"Hoe dat komt?" antwoordde Paganel. "Hebt gij dan nooit gehoord, dat de

aarde 's winters digter bij de zon is?"

"Ja, mijnheer Paganel!"

"En dat de koude van den winter alleen een gevolg is van de schuine

rigting der zonnestralen?"

"Jawel."

"Welnu, mijn jongen! om diezelfde reden is het warmer op het zuidelijk

halfrond."

"Dat begrijp ik niet," antwoordde Robert, groote oogen opzettende.

"Denk maar eens na," hernam Paganel. "Wanneer het bij ons, in Europa,

winter is, welk jaargetijde heeft men dan hier in Australië, bij onze

tegenvoeters?"

"Zomer," zeide Robert.

"Welnu, omdat de aarde dan juist digter bij de zon is ... begrijpt gij?"

"Ik begrijp...."

"Daaruit volgt, dat de zomer in de zuidelijke streken door die nabijheid

warmer is dan de zomer der noordelijke landen."

"Dat is zoo, mijnheer Paganel!"

"Zegt men dus, dat de zon "in den winter" digter bij de aarde is, dan

geldt dit alleen voor ons, die het noordelijk gedeelte van den aardbol

bewonen."

"Daaraan had ik nooit gedacht," antwoordde Robert.

"Zorg dan maar, dat gij dat nooit vergeet, mijn jongen!"

Robert was dankbaar voor dit lesje in de wereldbeschrijving, en vernam

ten slotte nog, dat de gemiddelde warmte der provincie Victoria vier en

zeventig graden Fahrenheit bedroeg.

's Avonds sloeg het gezelschap zich vijf mijlen aan gene zijde van het

Lonsdale-meer neder, tusschen den berg Drummond ten noorden, en den berg

Dryden, wiens niet zeer hooge top in het zuiden den gezigteinder voor

een gedeelte bedekte.

Den volgenden morgen ten elf ure bereikte de wagen de oevers der

Wimerra, onder den honderd drie en veertigsten graad lengte.

De een halve mijl breede rivier stuwde haar helder water tusschen twee

hooge rijen gomboomen en acacia's voort. Eenige prachtige mirtplanten,

o.a. de "Metrosideros speciosa," verhieven hun lange en neerhangende

takken, versierd met roode bloemen, wel vijftien voet hoog. Duizend

vogels, wielewalen, vinken, duiven met goudkleurige vleugels, zonder nog

te spreken van de snaterende papegaaijen, fladderden in de groene takjes

rond. Beneden, op de oppervlakte des waters, zwommen een paar schuwe en

ongenaakbare zwarte zwanen. Die vreemde vogel der australische rivieren

verdween weldra op de kronkelende Wimerra, die met tallooze bogten die

liefelijke streek bespoelde.

Inmiddels had de wagen stilgehouden op een grastapijt, welks franjes

over het snelvlietende water hingen. Vlot noch brug was hier te zien. En

toch moest men er over. Ayrton was bezig een doorwaadbare plaats te

zoeken. Een kwartmijl stroomopwaarts dacht hij, dat de rivier minder

diep was, en op die plek besloot hij te beproeven of hij den anderen

oever bereiken kon. Een aantal peilingen gaven slechts vier voet water.

Zonder veel gevaar kon de wagen zich dus over die ondiepte wagen.

"Is er geen ander middel om de rivier over te trekken?" vroeg Glenarvan

den bootsman.

"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton; "maar dien overtogt houd ik niet voor

gevaarlijk. Wij zullen er wel doorsukkelen."

"Moeten lady Glenarvan en miss Grant den wagen verlaten?"

"Volstrekt niet. Mijn ossen staan vast en ik zal wel zorgen, dat zij op

den regten weg blijven."

"Vooruit dan maar, Ayrton! ik vertrouw op u," antwoordde Glenarvan.

De ruiters omringden het lompe voertuig en allen gingen vol moed te

water. Gewoonlijk zijn de wagens, wanneer zij die doorwaadbare plaatsen

overtrekken, omringd met een gordel van ledige tonnen, die ze boven

water houdt. Maar hier miste men dien zwemgordel; men moest het dus

laten aankomen op de schranderheid der ossen, die de voorzigtige Ayrton

bestuurde. Op den bok gezeten mende deze het span, de majoor en de twee

matrozen kliefden den snellen stroom een eind weegs vooruit; Glenarvan

en John Mangles hielden zich links en regts van den wagen gereed om de

reizigsters bijstand te verleenen. Paganel en Robert sloten den trein.

Alles ging goed tot in het midden der Wimerra. Maar nu werd de gleuf

dieper en kwam het water tot boven de velgen. Van de ondiepte afgeraakt,

konden de ossen grond verliezen en het wankele rijtuig medeslepen.

Ayrton stelde moedig zijn leven bloot; hij sprong in het water, en zich

vastklemmende aan de horens der ossen, gelukte het hem ze op den regten

weg terug te brengen.

Thans had er een schok plaats, dien niemand had kunnen voorzien; een

gekraak liet zich horen; de wagen helde vreeselijk over; het water kwam

tot aan de voeten der reizigsters; de geheele toestel dreef af, hoezeer

Glenarvan en John Mangles zich aan de kap vastklemden om den wagen

overeind te houden. Het was een ontzettend oogenblik.

Zeer gelukkig bragt een forsche ruk aan het gareel het voertuig digter

bij den anderen oever. De bedding der rivier verschafte aan de ossen en

paarden een stijgenden weg, en spoedig waren menschen en dieren tot hun

groote vreugde hoewel doornat in veiligheid aan den overkant.

Het voorstel van den wagen echter was door den schok gebroken en het

paard van Glenarvan had de ijzers van zijn voorpooten verloren.

Dit ongemak moest ten spoedigste hersteld worden. De reizigers keken

elkaar zeer verlegen aan, toen Ayrton voorstelde naar het station van

Black-Point te gaan, dat twintig mijlen noordelijker lag, en er een

hoefsmid vandaan te halen.

"Ga, beste Ayrton! ga!" zeide Glenarvan. "Hoeveel tijd hebt gij noodig

voor de heen- en weerreis?"

"Misschien vijftien uren," antwoordde Ayrton, "maar meer niet."

"Vertrek dan, en wij zullen, tot gij terugkomt, aan den oever der

Wimerra uitrusten."

Eenige minuten later verdween de bootsman op het paard van Wilson achter

een digte gordijn van mimosa 's.

[1] Vlakten door talrijke bronnen besproeid.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 15 / 29 题