IX.

De provincie Victoria.

Het was de 23ste December 1864. Die Decembermaand, zoo droevig, zoo

naar, zoo vochtig op het noordelijk halfrond, mogt op dit vastland

veeleer Junij heeten. Sterrekundig gesproken was het reeds twee dagen

zomer; want den 2lsten had de zon den steenbokskeerkring bereikt, en

reeds prijkte zij eenige minuten korter boven den gezigteinder. Derhalve

moest die nieuwe reis van lord Glenarvan in het warmste jaargetijde en

onder de stralen eener bijna tropische zon plaats hebben.

Gezamenlijk dragen de engelsche bezittingen in dit gedeelte der Stille

Zuidzee den naam van Australasie. Zij bestaan uit Nieuw-Holland,

Tasmanië, Nieuw-Zeeland en eenige omliggende eilanden. Het vastland van

Australië is verdeeld in uitgestrekte koloniën, wier grootte en rijkdom

zeer uiteenloopen. Wie een blik slaat op de nieuwe kaarten, door de

Heeren Peterman of Preschoell ontworpen, wordt terstond getroffen door

de regelmatigheid dier afdeelingen. De Engelschen hebben de grenzen dier

groote provinciën met het meetsnoer afgepast. Zij hebben geen acht

geslagen op bergketenen, op den loop der rivieren, op de verscheidenheid

van het klimaat, noch op het verschil van ras. Die koloniën zijn

regthoekig begrensd en passen aan elkander als de stukken van een

ingelegd werk. In die schikking van regte lijnen en regte hoeken herkent

men het werk van den meetkundige, niet het werk van den

aardrijkskundige. Alleen de kusten met haar tallooze krommingen, haar

bogten, baaijen, kapen en kreeken, teekenen uit naam van de natuur

verzet aan door haar liefelijke onregelmatigheid.

Dat schaakbordachtige wekte altijd en teregt den spotlust van Jacques

Paganel op. Was Australië fransch geweest, dan zouden zeker de fransche

aardrijkskundigen hun voorliefde voor den winkelhaak en de trekpen niet

zoover gedreven hebben.

Het aantal koloniën op het groote eiland van Oceanië bedraagt thans zes:

Nieuw-Zuid-Wales, hoofdstad Sidney; Koninginne-land, hoofdstad Brisbane;

de provincie Victoria, hoofdstad Melbourne; Zuid-Australië, hoofdstad

Adelaïde; West-Australië, hoofdstad Perth, en Noord-Australië nog zonder

hoofdstad. Alleen de kusten zijn door de kolonisten bevolkt. Ter

naauwernood heeft een enkele stad van belang zich twee honderd mijlen

landwaarts in gewaagd. Het binnenland, dat wil zeggen een oppervlakte

gelijk aan twee derden van Europa, is nog bijna geheel onbekend.

Gelukkig loopt de zeven en dertigste breedtegraad niet over die

ontzaggelijke woestenijen, die ontoegankelijke streken der ellende, die

der wetenschap reeds talrijke offers gekost hebben. Glenarvan had ze

onmogelijk kunnen bereizen. Hij had alleen te doen met het zuidelijke

deel van Australië, bestaande uit een klein stuk der provincie Adelaïde,

uit de provincie Victoria in haar geheele breedte en eindelijk uit den

top van den omgekeerden driehoek, dien Nieuw-Zuid-Wales vormt.

De afstand van kaap Bernouilli tot aan de grens van Victoria bedraagt

ter naauwernood twee en zestig mijlen[1]. Dit waren twee dagreizen, meer

niet, en Ayrton rekende er op, dat hij tegen den avond van den volgenden

dag te Aspley, de westelijkste stad der provincie Victoria zou zijn.

Bij het begin eener reis verkeeren ruiters en paarden altijd in een

opgewekte stemming. Op den ijver der eersten viel niets aan te merken,

maar men oordeelde het raadzaam den stap der andere te matigen. Wie ver

wil gaan, moet zijn rijdier ontzien. Derhalve werd er besloten gemiddeld

niet meer dan vijf en twintig tot dertig mijlen per dag af te leggen.

Ook moest de stap der paarden geregeld worden naar den langzamen tred

der ossen, die als echte werktuigen in snelheid verliezen wat zij in

kracht winnen. De wagen met zijn reizigers en zijn levensmiddelen was de

kern der karavaan, de beweegbare sterkte. De ruiters mogten wel links en

regts op veldontdekking uitgaan, maar zich er niet ver van verwijderen.

Daar er geen bepaalde marschorde was aangenomen, kon elk binnen zekere

grenzen doen, wat hij wilde. De jagers mogten de vlakte doorkruisen, de

wellevenden met de bewoonsters van den wagen een praatje maken, de

wijsgeeren met elkander philosopheeren. Paganel, die al deze

verschillende hoedanigheden in zich vereenigde, moest soms overal wezen

en was het ook inderdaad.

De togt door de provincie Adelaïde leverde niets bijzonders op. Een rij

lage heuvels, rijk aan stof, een lange reeks onbebouwde gronden, waaruit

het hier te lande zoogenaamde "bush" bestaat, eenige weiden, hier en

daar met boschjes van een zoutachtigen struik met hoekige bladeren

bedekt, waarop het gevogelte zeer verlekkerd is, volgden elkander over

een ruimte van verscheidene mijlen op. Hier en daar vertoonden zich

eenige "pig's faces," schapen met een zwijnskop, een soort, die alleen

op Nieuw-Holland aangetroffen wordt, die tusschen de palen van de

telegraaflijn graasden, welke onlangs van Adelaïde tot aan de kust is

aangelegd.

Tot nog toe geleken die vlakten sprekend op de eentoonige streken van de

argentijnsche pampa's; dezelfde grasrijke effene bodem; dezelfde scherp

begrensde gezigteinder. Mac Nabbs beweerde, dat zij nog in dat land

waren; maar Paganel verzekerde, dat de landstreek spoedig veranderen

zou. In het vertrouwen op hem wachtte men op vreemde dingen.

Tegen drie ure reed de wagen door een onafzienbare boomlooze landstreek,

bekend onder den naam van "muskieten-vlakte." De geleerde had het

genoegen, dat het bleek, dat de aardrijkskundigen haar met volle regt

dien naam gegeven hadden. De reizigers en hun paarden leden veel door de

onophoudelijke beten dier lastige tweevleugelige insecten; het was

onmogelijk hen te ontwijken; gemakkelijker was het ze te bedwelmen door

de fleschjes ammoniak uit de reis-apotheek. Paganel wenschte van

ganscher harte die lastige bijtvliegen naar den duivel, die zijn lange

persoon met haar felle steken doorboorden.

Tegen den avond werd de vlakte opgevrolijkt door eenige groene

acacia-hagen; hier en daar vertoonden zich boschjes witte gomboomen;

ginds een versch wagenspoor, elders uit Europa afkomstige boomen,

olijfboomen, citroenboomen en groene eiken; eindelijk goed onderhouden

rasters. Ten acht ure bereikten de ossen, die door Ayrton aangezet hun

tred verhaastten, het station van Red-Gum.

De naam "station" wordt aan alle nederzettingen in het binnenland

gegeven, waar men zich met de veeteelt bezighoudt, den hoofdrijkdom van

Australië. Die veefokkers zijn de "squatters," dat is de lieden, die op

den grond gaan zitten,[2] hetgeen inderdaad de eerste houding is, welke

iedere kolonist, afgemat door zijn zwerftogten door die eindelooze

streken, aanneemt.

Red-Gumstation was een onbeduidende nederzetting. Maar Glenarvan vond er

de hartelijkste gastvrijheid. De reiziger kan er stellig op rekenen, dat

het hem onder het dak dier afgezonderde woningen aan niets zal

ontbreken, en in een australisch kolonist vindt men altijd een

vriendelijken gastheer.

's Anderendaags spande Ayrton reeds bij zonsopgang de ossen voor den

wagen. Dienzelfden avond nog wilde hij op de grenzen van Victoria komen.

Allengs werd de bodem oneffener. Een golvende reeks van kleine heuvelen

strekte zich onafzienbaar ver uit, geheel bestoven met scharlakenrood

zand. Het scheen alsof er een onmetelijk rood laken over de vlakte was

uitgespreid, welks plooijen door den adem des winds opwoeijen. Eenige

"malleys", soorten van witgevlokte dennen, met een regten en gladden

stam, breidden hun takken en donkergroene bladeren over vette weiden

uit, waarin vrolijke troepen springhazen zeer sterk vermenigvuldigden.

Verderop ontwaarde men uitgestrekte gronden met kreupelhout en jonge

gomboomen bezet; vervolgens weken de groepen uiteen, de alleenstaande

struiken werden boomen, en leverden het eerste staaltje op van de wouden

van Australië.

Intusschen veranderde het voorkomen des lands merkelijk, hoe nader zij

bij de grenzen van Victoria kwamen. De reizigers bespeurden, dat zij een

nieuwen bodem betraden. Onveranderlijk gingen zij in een regte lijn

voort, zonder dat eenige hinderpaal, meer of berg hen noodzaakte ze in

een kromme of gebrokene lijn te veranderen. Zij bragten steeds de eerste

stelling der meetkunst in praktijk, en volgden zonder afwijking den

kortsten weg van het eene punt tot het andere. Vermoeijenis en bezwaren

voelden zij niet. Hun marsch regelde zich naar den tragen gang der

ossen, en al vorderden die bedaarde dieren niet snel, zij stonden ten

minste ook niet stil.

Na een afstand van zestig mijlen op die wijze in twee dagen te hebben

afgelegd, bereikte de karavaan in den avond van den 23sten het kerspel

Aspley, de eerste stad der provincie Victoria, op honderd en een graad

lengte in het district Wimerra gelegen.

Ayrton stalde den wagen in Crown's Inn, een herberg die bij gebrek aan

beter pronkte met den naam van het _hotel de Kroon_. Het avondeten,

alleen bestaande uit schapenvleesch op allerlei wijzen toebereid, dampte

op de tafel.

Er werd veel gegeten, maar nog meer gepraat. Vol begeerte om onderrigt

te worden van al het vreemde, dat het vastland van Australië oplevert,

ondervroeg elk om strijd den aardrijkskundige. Paganel liet zich niet

lang noodigen, en vertelde het volgende van de provincie Victoria, ook

Gelukkig Australië genoemd.

"Een verkeerde benaming" zeide hij; "men had beter gedaan haar Rijk

Australië te noemen; want het gaat met de landen als met de menschen;

het geluk zit niet in den rijkdom. Door zijn goudmijnen is Australië de

prooi geworden van de verwoestende en woeste bende fortuinzoekers. Dat

zult gij zien, wanneer wij de goudstreken doortrekken."

"Is de kolonie Victoria niet eerst onlangs ontstaan?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! ze telt nog geen dertig jaar. Den 6den Junij 1835, een

dingsdag...."

"'s Avonds ten kwart over zevenen," voegde de majoor er bij, die Paganel

gaarne in het vaarwater zat met diens juiste opgave der datums.

"Neen, tien minuten over zevenen," hernam de aardrijkskundige in ernst,

"stichtten Batman en Falckner een nederzetting te Port-Philip, aan de

baai, waaraan thans de groote stad Melbourne zich uitstrekt. Vijftien

jaren lang maakte de nieuwe kolonie een deel uit van Nieuw-Zuid-Wales,

en behoorde ze onder deszelfs hoofdstad Sidney. Maar in 1851 werd ze

onafhankelijk verklaard en nam ze den naam Victoria aan."

"En is zij sedert dien tijd sterk vooruitgegaan?" vroeg Glenarvan.

"Oordeel zelf, hooggeachte vriend!" antwoordde Paganel. "De laatste

statistiek levert de volgende cijfers op, en Mac Nabbs mag zeggen wat

hij wil, ik ken niets welsprekender dan de cijfers."

"Laat hooren!" zeide de majoor.

"Ik begin al. In 1836 had de kolonie Port-Philip twee honderd vier en

veertig inwoners. Thans telt de provincie Victoria er vijf honderd

vijftig duizend. Zeven millioen wijnstokken leveren jaarlijks honderd

een en twintig duizend gallons[3] wijn. Honderd drie duizend paarden

galoppeeren over haar vlakten, en zes honderd vijf en zeventig duizend

twee honderd twee en zeventig stuks hoornvee grazen op haar onmetelijke

weiden."

"Heeft ze ook niet een zeker aantal varkens?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor! negen en zeventig duizend zes honderd vijf en twintig, met

uw welnemen."

"En hoeveel schapen, Paganel?"

"Zeven millioen honderd vijftien duizend negenhonderd drie en veertig,

Mac Nabbs!"

"Met inbegrip van het schaap, dat wij thans eten, Paganel?"

"Neen! daarenbuiten, want het is voor drie vierden op."

"Bravo! mijnheer Paganel!" riep lady Helena, hartelijk lagchende; "het

moet gezegd worden, dat gij bij zulke aardrijkskundige vragen goed

beslagen ten ijs komt, en mijn neef Mac Nabbs zal u, hoe hij zijn best

ook doet, nooit op een vergissing betrappen."

"Maar het is mijn vak, mevrouw! al die dingen te weten en ze u des noods

te leeren. Gij moogt mij dan ook vrij gelooven, wanneer ik u zeg, dat

ons in dit vreemde land wondere dingen wachten."

"Tot nog toe, echter...." antwoordde Mac Nabbs, die er genoegen in vond

den aardrijkskundige te plagen om hem eens goed aan het praten te

brengen.

"Maar wacht dan toch een beetje, ongeduldige majoor!" riep Paganel. "Pas

zet gij een voet op de grenzen, of gij klaagt reeds! Welnu, ik zeg u, ik

herhaal, ik houd vol, dat deze landstreek de zonderlingste van de

geheele aarde is. Haar vorming, haar natuur, haar voortbrengselen, haar

klimaat, ja haar aanstaande verdwijning hebben alle geleerden der wereld

verwonderd, verwonderen hen nog en zullen hen altijd verwonderen.

Verbeeldt u, vrienden! een vastland, welks kusten in plaats van het

binnenland het eerst als een reusachtige ring boven de golven zijn

opgerezen; dat misschien in het midden een half verdampte binnenzee

bevat; welks rivieren van dag tot dag armer aan water worden; waar geen

vochtigheid bestaat, evenmin in de lucht als in den grond; waar de

boomen jaarlijks hun schors verliezen in plaats van hun bladeren; waar

de bladeren hun randen en niet hun oppervlakte naar de zon wenden en

geen schaduw geven; waar het hout dikwijls onbrandbaar is; waar de

gehouwene steenen in den regen smelten; waar de bosschen laag en de

kruiden reusachtig hoog zijn; waar de dieren allervreemdst zijn; waar de

viervoetige dieren vogelbekken hebben, zooals het stekelzwijn en het

vogelbekdier, waarom de natuurkundigen verpligt geweest zijn voor hen

het nieuwe geslacht der _monotremata_ te scheppen; waar de kangoeroe op

zijn ongelijke pooten springt; waar de schapen zwijnskoppen hebben; waar

de vossen van den eenen boom op den anderen vliegen; waar de zwanen

zwart zijn; waar de ratten nesten maken; waar de prieel-vogel zijn

salons openzet voor de bezoeken zijner gevleugelde vrienden, waar de

vogels ons verbaasd doen staan door de verscheidenheid hunner zangen en

van hun aanleg, die alles te bovengaat, wat de stoutste

verbeeldingskracht zich kan voorstellen; waar de een tot klok dient, de

ander een postillonszweep doet klappen, de een den schaarslijper

nabootst, de ander de seconden aangeeft, gelijk de slinger van een

pendule, de een 's morgens lacht, wanneer de zon opgaat, en de ander 's

avonds weent, als ze ondergaat! O, land! zoo grillig en dwaas, als er

geen tweede te vinden is, o, allervreemdst en onnatuurlijk gevormd land!

wel mogt de geleerde plantenkenner Grimard van u zeggen: "zoo is dat

Australië een soort van bespotting der natuurwetten, of liever een

uitdaging, aan de geheele overige wereld gedaan!"

Het scheen als of er geen stuiten was aan den snellen stroom van woorden

van Paganel. De welsprekende secretaris der Maatschappij van

aardrijkskunde was zichzelven niet meer meester; hij redeneerde maar

voort onder het maken van hevige gebaren en zwaaide met zijn vork, tot

geen geringen angst zijner dischgenooten. Maar eindelijk werd hij

overstemd door een donderend bravo! en zweeg hij.

Na die opnoeming van de merkwaardigheden van Australië, dacht men er

niet aan om nog meer te vragen. De majoor echter kon niet nalaten heel

bedaard te zeggen:

"En is dat alles, Paganel?"

"Wel neen! dat is niet alles!" antwoordde de geleerde met nieuw vuur.

"Hoe?" vroeg Lady Helena, wier nieuwsgierigheid geprikkeld werd, "is er

in Australië nog meer vreemds?"

"Ja, mevrouw! zijn klimaat! Dat wint het in zonderlingheid nog van zijn

voortbrengselen."

"Welnu komaan!" riep men.

"Ik spreek niet van de voor de gezondheid zoo voordeelige hoedanigheden

van het vastland van Australië, waar de lucht zoo rijk is aan zuurstof

en zoo arm aan stikstof; er heerschen geen vochtige winden, omdat de

passaatwinden evenwijdig met de kusten waaijen, en de meeste ziekten

zijn er onbekend, van de typhus af tot de mazelen en de slepende ziekten

toe."

"Dat is toch geen gering voordeel," meende Glenarvan.

"Toegestemd, maar daarover spreek ik niet," antwoordde Paganel. "Het

klimaat heeft hier een eigenschap die ... ongeloofelijk is."

"Welke?" vroeg John Mangles.

"Gij zult mij niet willen gelooven."

"Jawel!" riepen de toehoorders, die in gespannen verwachting verkeerden.

"Welnu, het is...."

"Wat dan?"

"Het bevordert de zedelijkheid!"

"Bevordert het de zedelijkheid?"

"Ja!" antwoordde de geleerde op stelligen toon. "Ja, het bevordert de

zedelijkheid! Hier roesten de metalen niet en de menschen evenmin. De

zuivere en drooge lucht maakt hier alles spoedig wit, het linnen en de

ziel! De bijzondere eigenschappen van dit klimaat hadden de Engelschen

wel goed opgemerkt, toen zij besloten de misdadigers hierheen te

zenden."

"Maar is die invloed inderdaad merkbaar?" vroeg lady Glenarvan.

"Ja, mevrouw! op dieren en menschen."

"Schertst gij soms, mijnheer Paganel?"

"Ik scherts niet. Paarden en runderen zijn hier bijzonder gedwee. Gij

zult het zien."

"Het is niet mogelijk!"

"En toch is het zoo! En de misdadigers, die in deze levenwekkende en

gezonde lucht worden overgebragt, bekeeren zich binnen weinige jaren. De

philanthropen zijn met die uitwerking zeer goed bekend. In Australië

worden alle karakters beter."

"Maar, mijnheer Paganel!" zeide Lady Helena, "gij zijt reeds zoo goed,

wat zult gij dan op dit bevoorregte plekje wel worden?"

"Uitmuntend, mevrouw!" antwoordde Paganel, "heel eenvoudig uitmuntend!"

[1] 24 uren gaans.

[2] Van het engelsche werkwoord "to squat", gaan zitten.

[3] Een gallon = 4,54246 ned. kan.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 14 / 29 题