VIII.

Het vertrek.

Lord Glenarvan was niet gewoon veel tijd te laten verloopen tusschen de

opvatting en de uitvoering van een plan. Zoodra het voorstel van Paganel

was aangenomen, gaf hij onmiddellijk de noodige bevelen om binnen den

kortst mogelijken tijd de toebereidselen tot de reis te maken. Er werd

bepaald, dat zij twee dagen later, den 22sten December, vertrekken

zouden.

Welke uitkomsten zou die togt door Australië opleveren? Nu de

aanwezigheid van Harry Grant eenmaal stellig vast stond, kon die

onderneming groote gevolgen hebben. Zij deed de som der voordeelige

kansen grooter worden. Wel vleide zich niemand den kapitein juist te

zullen vinden op die lijn van den zeven en dertigsten breedtegraad, die

men zonder afwijken volgen wilde; maar misschien zou men hem langs die

lijn op het spoor komen, en in allen gevalle leidde zij regelregt naar

het tooneel der schipbreuk. En dat was de hoofdzaak.

Wanneer nu Ayrton bovendien nog genegen was de reizigers te vergezellen,

hen tot gids te strekken door de wouden der provincie Victoria, hen tot

aan de oostkust te geleiden, dan was dit een kans te meer om wel te

slagen. Glenarvan gevoelde dit ook; er was hem veel aan gelegen om zich

van de medewerking van den reisgenoot van Harry Grant te verzekeren, en

terstond vroeg hij zijn gastheer, of deze goedvond, dat hij Ayrton

voorstelde hem te vergezellen.

Paddy O'Moore gaf zijn toestemming, hoewel het hem speet, dat hij zulk

een voortreffelijken knecht zou moeten missen.

"Hoe is het, Ayrton! wilt gij den togt ter opsporing van de

schipbreukelingen der _Britannia_ medemaken?"

Ayrton antwoordde niet terstond op die vraag; hij scheen zelfs eenige

oogenblikken te aarzelen, maar na een kort overleg zeide hij:

"Ja, mylord! ik zal met u gaan, en breng ik u al niet op het spoor van

kapitein Grant, dan zal ik u tenminste op de plaats brengen, waar zijn

schip verbrijzeld is."

"Ik dank u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

"Maar ééne vraag nog, mylord!"

"Spreek op, vriend!"

"Waar zult gij de _Duncan_ terugvinden?"

"Te Melbourne, wanneer wij Australië niet van de eene kust tot de andere

doortrekken. Op de oostkust, wanneer wij ons onderzoek zoo ver

uitstrekken."

"En haar kapitein dan?..."

"Haar kapitein zal mijn bevelen in de haven van Melbourne afwachten."

"Goed, mylord!" zeide Ayrton, "gij kunt op mij rekenen."

"Ik reken op u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

De passagiers van de _Duncan_ betuigden den bootsman der _Britannia_ hun

hartelijken dank. De kinderen van zijn kapitein waren onuitputtelijk in

hun liefkozingen. Allen waren blijde over zijn besluit, behalve de Ier,

die in hem een knap en getrouw werkman verloor! Maar Paddy begreep, welk

gewigt lord Glenarvan hechten moest aan het bijzijn van den bootsman, en

berustte er in. Glenarvan droeg hem op om de noodige middelen van

vervoer voor die reis door Australië bijeen te brengen, en toen die zaak

in orde en met Ayrton afgesproken was, waar zij elkander vinden zouden,

keerden de passagiers naar boord terug.

Allen waren vrolijk gestemd. Alles was veranderd. Alle aarzeling hield

op. Niet langer zouden de moedige spoorzoekers als blinden op die lijn

van den zeven en dertigsten breedtegraad voorttrekken. Geen twijfel meer

of Harry Grant had een schuilplaats op het vastland gevonden, en ieders

hart was vol van die tevredenheid, welke men gevoelt, wanneer het

vermoeden plaats maakt voor zekerheid.

Als de omstandigheden gunstig waren, kon de _Duncan_ binnen twee maanden

Harry Grant op de schotsche kust aan land zetten!

Toen John Mangles het voorstel ondersteunde om met de reizigers den togt

door Australië te ondernemen, vleide hij zich wel, dat hij ditmaal met

het gezelschap zou medegaan. Hij sprak er dan ook over met lord

Glenarvan. Hij bragt allerlei redenen te berde, zijn genegenheid voor

lady Helena, voor Zijne Edelheid, de dienst, die hij kon bewijzen als

opzigter over de karavaan, zijn nutteloosheid als kapitein aan boord van

de _Duncan_, kortom duizend geldige redenen, maar de beste verzweeg hij,

die Glenarvan echter gemakkelijk kon raden.

"Eene vraag nog, John!" zeide Glenarvan. "Stelt gij het volste

vertrouwen in uw eersten stuurman?"

"Het volste vertrouwen," antwoordde John Mangles. "Tom Austin is een

goed zeeman; hij zal de _Duncan_ naar de plaats harer bestemming

brengen, ze behoorlijk herstellen en op den bepaalden tijd terug zijn.

Tom is de slaaf van zijn pligt en van de tucht; nooit zal hij het op

zich nemen de uitvoering van een bevel te wijzigen of uit te stellen.

Uwe Edelheid kan dus op hem even goed rekenen als op mij."

"Dan blijft het er bij, John!" antwoordde Glenarvan, "gij zult ons

vergezellen; want," voegde hij er glimlagchend bij, "het zal goed zijn,

dat gij er bij zijt wanneer wij den vader van Mary Grant terugvinden."

"O, Uwe Edelheid!..." stotterde John Mangles.

Meer kon hij niet zeggen. Hij verbleekte even, en greep de hand, die

lord Glenarvan hem toereikte.

's Anderen daags keerde John Mangles met den timmerman en met matrozen,

die levensmiddelen droegen, naar de nederzetting van Paddy O'Moore

terug. Hij moest in overleg met den Ier de vervoermiddelen in gereedheid

brengen.

Het geheele gezin wachtte hem reeds om onder zijn leiding aan het werk

te gaan. Ayrton was er bij en was hun dikwijls behulpzaam met goeden

raad, dien zijn rijke ondervinding hem aan de hand deed.

Paddy en hij waren het eens, dat de reizigsters den weg in een

ossenwagen en de reizigers te paard moesten afleggen. Paddy kon de ossen

en den wagen verschaffen.

Het voertuig was een van die wagens, die twintig voet lang en met een

kap overdekt zijn en op vier lompe wielen rusten, zonder spaken, velgen

of ijzeren band, kortom eenvoudige houten schijven. Het voorstel, dat

zeer ver van het achterstel af zat, was op een kunstelooze wijze

daarmede verbonden, zoodat het voertuig geen korten draai nemen kon. Aan

den wagen was een dissel van vijf en dertig voet, langs welken drie paar

ossen geplaatst werden. Zoo geschikt trokken die dieren met den kop en

den hals door de dubbele zamenvoeging van een juk over hun nek en van

een halsband, die met een ijzeren spil aan het juk vastzat. Er was veel

behendigheid noodig om dat smalle, lange, slingerende en ligt omvallende

voertuig te besturen en om dat span met den prikkel voort te drijven.

Maar Ayrton was op de iersche hoeve in de leer geweest en Paddy stond

voor zijn bekwaamheid in. Hem werd dus de rol van voerman toebedeeld.

Niet op veeren rustende, bood het voertuig geen gemakken aan; maar men

moest het nemen zooals het was. John Mangles kon aan het ruwe zamenstel

niets veranderen; maar van binnen liet hij het zoo geriefelijk mogelijk

inrigten. Vooreerst verdeelde hij het door een houten beschot in twee

afdeelingen. De achterste werd bestemd om de levensmiddelen, de bagaadje

en de draagbare keuken van Olbinett op te nemen. De voorste zou

uitsluitend ten dienste van de reizigsters zijn. Onder de handen van den

timmerman veranderde die eerste afdeeling in een gemakkelijke kamer,

bedekt met een dik tapijt, en voorzien van een kaptafel en twee

afzonderlijke slaapplaatsen voor lady Helena en Mary Grant.

Desverkiesende kon dit voorvertrek met zware lederen gordijnen gesloten

en tegen de koelte van den nacht beschermd worden. Zoo noodig, konden de

mannen er bij zware regenbuijen ook een schuilplaats in vinden; maar in

den regel moest een tent hen beschutten, wanneer zij rust hielden. John

Mangles spande zich in om alle voorwerpen, die twee vrouwen noodig

hebben, in die beperkte ruimte bijeen te brengen, en het gelukte hem.

Lady Helena en Mary Grant behoefden in die rollende kamer de

gemakkelijke hutten der _Duncan_ niet te betreuren.

Met de reizigers ging alles veel gemakkelijker: zeven sterke paarden

waren bestemd voor lord Glenarvan, Paganel, Robert Grant, Mac Nabbs,

John Mangles, en de beide matrozen Wilson en Mulrady, die hun heer op

dezen nieuwen togt vergezelden. Ayrton kreeg natuurlijk zijn plaats op

den bok van de kar, en Olbinett, die volstrekt geen zin had in

paardrijden, zou het wel voor lief nemen om in den goederenwagen te

reizen.

Paarden en ossen graasden in de nabijheid der woning, en konden

gemakkelijk bijeengedreven worden, wanneer het tijd was om te

vertrekken.

Toen John Mangles de noodige beschikkingen gemaakt en den baas-timmerman

zijn bevelen gegeven had, keerde hij met de iersche famielje, die lord

Glenarvan een bezoek brengen wilde, naar boord terug. Ayrton had lust om

mee te gaan, en tegen vier ure waren John en zijn gezelschap op het dek

der _Duncan_.

Zij werden met open armen ontvangen. Glenarvan noodigde hen uit om bij

hem te blijven eten. Hij wilde niet voor hen onderdoen in beleefdheid,

en zijn gasten namen gaarne de vergelding voor hun australische

gastvrijheid in de _longroom_ van het jagt aan. Paddy O'Moore sloeg de

handen ineen van verbazing. De meubeleering der hutten, de behangsels,

de tapijten, al het houtwerk van ahorn- en palissanderhout maakte zijn

bewondering gaande. Ayrton daarentegen verwaardigde die dure

overtolligheden naauwelijks met een blik.

Maar de bootsman der _Britannia_ beschouwde daarentegen het jagt meer

met een zeemansoog; hij doorliep het van boven tot onder; hij onderzocht

de schroef, bezigtigde de machine, vroeg naar haar werkelijke kracht, en

hoeveel brandstof ze verbruikte; hij bezocht de kolenhokken, de kombuis,

en stelde vooral belang in den voorraad kruid, de wapenkamer, het kanon

op de voorplecht en deszelfs draagkracht. Glenarvan had met een

deskundige te doen; dat bleek hem genoeg uit de tot de kleinste

bijzonderheden afdalende vragen van Ayrton. Eindelijk besloot deze zijn

rondgang met het onderzoek van de masten en het tuig.

"Gij hebt daar een mooi schip, mylord!" zeide hij.

"Maar ook een goed schip," antwoordde Glenarvan.

"En wat is zijn inhoud?"

"Het meet twee honderd en tien ton."

"Vergis ik mij," voegde Ayrton er bij, "of loopt de _Duncan_ niet

gemakkelijk vijftien knoopen met volle kracht?"

"Zeg maar zeventien," sprak John Mangles, "dan zijt gij er beter

achter."

"Zeventien!" riep de bootsman; "maar dan is er geen enkel oorlogschip,

ik bedoel van de beste, die er zijn, dat er jagt op kan maken?"

"Niet een!" antwoordde John Mangles; "de _Duncan_ is een echte

snelzeiler, die door geen enkel vaartuig overtroffen kan worden."

"Ook niet onder zeil?" vroeg Ayrton.

"Ook niet onder zeil."

"Welnu, mylord! en gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "ontvangt de

complimenten van een zeeman, die weet wat een schip is."

"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan, "blijf dan bij ons aan boord, en

het zal alleen aan u staan of dit schip het uwe wordt."

"Ik zal er aan denken, mylord!" gaf de bootsman droogjes ten antwoord.

Olbinett kwam thans Zijne Edelheid verwittigen, dat de tafel gereed was.

Glenarvan en zijn gasten begaven zich naar de kampanje.

"Een knappe vent, die Ayrton!" zeide Paganel tot den majoor.

"Al te knap!" bromde Mac Nabbs, wien, om de waarheid te zeggen

schijnbaar zonder reden, het voorkomen en de manieren van den bootsman

niet aanstonden.

Onder het eten vertelde Ayrton belangrijke bijzonderheden van het

australische vastland, dat hij goed kende. Hij vroeg hoeveel matrozen

lord Glenarvan op zijn togt medenam. Toen hij hoorde, dat maar twee

hunner, Mulrady en Wilson, hem zouden vergezellen, scheen hij

verwonderd. Hij wilde Glenarvan bepraten om zijn geleide zamen te

stellen uit de beste manschappen van de _Duncan_. Hij drong er zelfs

sterk op aan, hetgeen in het voorbijgaan gezegd, allen achterdocht uit

het gemoed van den majoor moest verdrijven.

"Maar onze reis door Zuid-Australië is toch niet met gevaren verbonden?"

vroeg Glenarvan.

"Volstrekt niet," haastte Ayrton zich te antwoorden.

"Welnu, dan zullen wij zooveel manschappen als wij maar kunnen aan boord

laten. Er zijn matrozen noodig om de _Duncan_, als ze onder zeil is, te

bedienen, en om ze te herstellen. Vooral is het van belang, dat ze op

den bepaalden tijd, die haar later zal opgegeven worden, ter bestemder

plaatse is. Dus kan ik de bemanning niet verminderen."

Ayrton scheen genoegen te nemen met de opmerking van lord Glenarvan;

althans hij drong er niet verder op aan.

's Avonds scheidden Schotten en Ieren. Ayrton en het gezin van Paddy

O'Moore keerden naar hun woning terug. Paarden en wagen zouden den

volgenden dag gereed zijn. Het vertrek werd op 's morgens acht ure

bepaald.

Lady Helena en Mary Grant maakten nu haar laatste toebereidselen. Zij

waren kort en vooral minder kleingeestig dan die van Jacques Paganel.

De geleerde besteedde een gedeelte van den nacht om de glazen van zijn

kijker los te schroeven, schoon te maken, vast te schroeven en nog eens

vast te schroeven. Hij sliep dan ook den volgenden morgen nog, toen de

majoor hem bij het krieken van den dag met donderende stem wekte.

Reeds was de bagaadje door de zorg van John Mangles naar de hoeve

gebragt. Een sloep lag voor de reizigers gereed, die zich niet lieten

wachten. De jonge kapitein gaf zijn laatste bevelen aan Tom Austin. Hij

drukte hem vooral op het hart om te Melbourne op de bevelen van lord

Glenarvan te wachten, en ze naauwkeurig op te volgen, wat er ook de

inhoud van mogt zijn.

De oude zeeman antwoordde John Mangles, dat hij op hem rekenen kon. Uit

naam van de bemanning uitte hij de beste wenschen voor het welslagen der

onderneming. De boot stak af, en een donderend hoera! werd door de

matrozen aangeheven.

In tien minuten bereikte de sloep de kust; een kwartier later kwamen de

reizigers aan de iersche hoeve.

Alles was gereed. Lady Helena was zeer ingenomen met haar vertrekje. De

lompe wagen met zijn logge wielen en zware planken beviel haar

uitstekend. Het voorspan van drie paar ossen gaf hem een aartsvaderlijk

voorkomen, dat hem niet misstond. Met den prikkel in de hand wachtte

Ayrton op het bevel van zijn nieuwen meester.

"Drommels!" zeide Paganel, "dat is een uitstekend rijtuig, wel zoo goed

als al de post-wagens van de wereld. Ik ken geen betere manier om als

een kwakzalver rond te reizen. Een verplaatsbaar huis, dat voortrijdt en

stilstaat, waar gij wilt, wat kan men nog meer wenschen? Dat begrepen de

oude Sarmaten ook, en daarom reisden ze niet anders."

"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ik hoop het genoegen te

hebben u in mijn salons te ontvangen."

"Maar mevrouw!" antwoordde de geleerde, "de eer zal aan mij zijn! Hebt

gij een dag bepaald?"

"Ik ben altijd voor mijn vrienden te spreken," antwoordde lady Helena

lagchend, "en gij zijt...."

"De verkleefdste van allen, mevrouw!" zeide Paganel heel hoffelijk.

Die uitwisseling van beleefdheden werd afgebroken door de komst van

zeven geheel getuigde paarden, welke een der zoons van Paddy bestuurde.

Lord Glenarvan regelde met den Ier den prijs van al die benoodigdheden,

en voegde daarbij een magt van dankbetuigingen, die den braven kolonist

even welkom waren als de guinjes.

Het sein tot het vertrek werd gegeven. Lady Helena en miss Grant

plaatsten zich in haar vertrek, Ayrton op den bok, Olbinett achter in

den wagen; Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert, John Mangles, de beide

matrozen, allen met karabijnen en revolvers gewapend, wierpen zich op

hun paarden. Een "God zij met u!" riep Paddy O'Moore hun toe, en zijn

gezin herhaalde dien afscheidsgroet in koor. Ayrton liet een bijzonder

geluid hooren en dreef zijn span aan. De kar zette zich in beweging, de

planken kraakten, de assen knarsten in de naaf der wielen, en weldra

onttrok een kromming van de weg de gastvrije hoeve van de braven Ier aan

hun blik.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 13 / 29 题