VII.

Ayrton.

Onbeschrijfelijk was de verbazing, door deze woorden gewekt. Glenarvan

was ijlings opgerezen en riep, terwijl hij zijn zitplaats op zijde

schoof: "wie spreekt daar?"

"Ik," antwoordde een der knechts van Paddy O'Moore, die aan het

lagereind der tafel zat.

"Gij, Ayrton!" zeide de kolonist, niet minder verbaasd dan Glenarvan.

"Ik!" herhaalde Ayrton, met aangedane doch vaste stem "ik, een Schot,

gelijk gij, mylord! ik, een van de schipbreukelingen der _Britannia_!"

Deze verklaring bragt een onbeschrijfelijke uitwerking teweeg. Mary

Grant, die bijna stierf half van ontroering, maar ditmaal ook half van

geluk, zonk in de armen van lady Helena. John Mangles, Robert, Paganel

stonden van hun plaats op en liepen naar den man, dien Paddy O'Moore

Ayrton genoemd had.

Het was iemand van vijf en veertig jaar, met een ruw uiterlijk en een

fonkelend oog, dat bijna verborgen werd door de zware wenkbraauwen. Zijn

kracht was zeker buitengemeen, ondanks de magerheid van zijn ligchaam.

Hij was grof gebouwd en sterk gespierd, en volgens een schotsche

uitdrukking verbeuzelde hij zijn tijd niet met zich vet te mesten. Een

middelmatige gestalte, breede schouders, een vaste gang, een gelaat,

waarop schranderheid en geestkracht te lezen stonden, ofschoon de

trekken grof waren, dit alles nam de aanwezigen gunstig voor hem in. De

belangstelling, die hij inboezemde, werd nog vergroot door de versche

sporen van uitgestaan lijden, die zijn gezigt vertoonde. Men zag dat hij

veel geleden had, ofschoon hij wel de man er naar scheen te wezen, die

lijden kon verdragen, trotseeren en overwinnen.

Glenarvan en zijn vrienden hadden dit bij den eersten oogopslag gevoeld.

De persoonlijkheid van Ayrton maakte onmiddellijk een sterken indruk.

Glenarvan, zich tot aller tolk makende, overstelpte hem met vragen, die

Ayrton beantwoordde. De ontmoeting van Glenarvan en Ayrton had bij

beiden, het was duidelijk, een wederzijdsche aandoening opgewekt.

Vandaar dat Glenarvan's eerste vragen zonder orde en als het ware

onwillekeurig van zijn lippen vloeiden.

"Zijt gij een van de schipbreukelingen der _Britannia_?" vroeg hij.

"Ja, mylord, de bootsman van kapitein Grant," antwoordde Ayrton.

"Met hem na de schipbreuk gered?"

"Neen, mylord! neen! Op dat verschrikkelijk oogenblik werd ik van hem

gescheiden, van het dek geslingerd, op de kust geworpen."

"Dus zijt gij niet een der beide matrozen, waarvan het document

spreekt?"

"Neen. Ik wist niets van het bestaan van dat document. De kapitein heeft

het in zee geworpen, toen ik niet meer aan boord was."

"Maar de kapitein, de kapitein!"

"Ik dacht, dat hij verdronken, verdwenen, met de geheele bemanning der

_Britannia_ te gronde gegaan was. Ik meende, dat ik alleen die ramp

overleefd had."

"Maar gij hebt gezegd, dat kapitein Grant in leven was!"

"Neen. Ik heb gezegd: indien de kapitein leeft...."

"Gij hebt er bijgevoegd: dan is hij hier op het vastland van Australië."

"Hij kan nergens anders zijn."

"Weet gij dan niet, waar hij is?"

"Neen, mylord ik zeg u nog eens, ik meende, dat hij in de golven

begraven of tegen de rotsen verbrijzeld was. Door u hoor ik eerst, dat

hij misschien nog leeft."

"Door mij? maar wat weet gij dan toch?" vroeg Glenarvan gejaagd.

"Niets anders dan dit: indien kapitein Grant in leven is, is hij in

Australië."

"Waar heeft de schipbreuk dan plaats gehad?" vroeg nu majoor Mac Nabbs.

Dit had de eerste vraag moeten zijn; maar in de verwarring door dit

voorval teweeggebragt, had Glenarvan, die vóór alles weten wilde, waar

kapitein Grant zich bevond, niet gevraagd naar de plaats, waar de

_Britannia_ vergaan was. Het gesprek, dat tot nu toe onbepaald en

onzamenhangend geweest was, van den hak op den tak sprong, de

onderwerpen vlugtig aanroerde zonder ze geheel te doorgronden, de feiten

dooreenhaspelde, de datums verschikte, nam nu een betere wending, en

weldra stonden al de bijzonderheden dezer duistere geschiedenis den

hoorders duidelijk voor den geest.

Op de vraag door Mac Nabbs gedaan, antwoordde Ayrton in dezer voege:

"Toen ik van de voorplecht werd geslingerd, waar ik den vliegenden

kluiver naar beneden haalde, liep de _Britannia_ op de australische kust

aan. Zij was er nog geen twee kabellengten van af. De schipbreuk heeft

dus op diezelfde plek plaats gehad."

"Op zeven en dertig graden breedte?" vroeg John Mangles.

"Op zeven en dertig graden," antwoordde Ayrton. "Op de westkust?"

"Wel neen! Op de oostkust," gaf de bootsman haastig ten antwoord.

"En wanneer?"

"In den nacht van den 27sten Junij 1862."

"Zoo is het! zoo is het!" riep Glenarvan.

"Dus ziet gij wel, mylord!" voegde Ayrton er bij, "dat ik met regt mogt

zeggen: indien kapitein Grant nog leeft, moet gij hem op het vastland

van Australië zoeken, en nergens anders."

"En wij zullen hem zoeken, en hem vinden, en hem redden, mijn vriend!"

riep Paganel. "Ach! kostbaar document!" voegde hij er hoogst naïf bij,

"men moet zeggen, dat gij in handen van heel slimme menschen gevallen

zijt."

Er was zeker niemand, die de vleijende woorden van Paganel verstond.

Glenarvan en lady Helena, Mary en Robert stonden om Ayrton heen. Allen

drukten hem de hand. Het scheen, alsof de tegenwoordigheid van dien man

een zeker onderpand was van de redding van Harry Grant. Was de matroos

aan de gevaren der schipbreuk ontkomen, waarom zou dan de kapitein niet

evengoed ongedeerd aan het onheil ontsnapt zijn? Ayrton herhaalde

telkens, dat kapitein Grant ongetwijfeld in leven was, evenals bij zelf.

Waar? dat kon hij niet zeggen, maar zeker op dit vastland. Op de duizend

vragen, waarmee hij bestormd werd, antwoordde hij met groote kennis van

zaken en beknoptheid. Terwijl hij sprak, hield miss Mary zijn hand in de

hare. Hij was een reisgenoot haars vaders, die matroos, een der

zeelieden van de _Britannia_! Hij had Harry Grant vergezeld, met hem de

zee bevaren, dezelfde gevaren getart! Mary kon haar oog van dat ruwe

gelaat niet afwenden, en weende van geluk.

Nog was het niemand in de gedachte gekomen om de waarheidsliefde en

identiteit van den bootsman te betwijfelen. De majoor en misschien ook

John Mangles, die niet zoo ligtgeloovig waren, waren de eenigen die zich

afvroegen, of de woorden van Ayrton wel volkomen vertrouwen verdienden.

Zijn onverwachte ontmoeting kon aanleiding geven tot twijfel, zooal niet

tot eenige achterdocht. Zeker had Ayrton overeenstemmende feiten en

datums en treffende bijzonderheden opgegeven. Maar hoe naauwkeurig de

omstandigheden ook zijn, zij maken nog geen zekerheid uit, en doorgaans,

de ondervinding leert het, verschuilt zich de leugen achter de opgave

van de geringste bijzonderheden. Mac Nabbs hield dus zijn meening voor

zich en liet zich voor noch tegen uit.

De twijfelingen van Mac Nabbs waren niet lang bestand tegen de woorden

van den zeeman, en hij hield hem inderdaad voor een reisgenoot van

kapitein Grant, toen hij gehoord had, hoe deze tot het jonge meisje over

haar vader sprak. Ayrton kende Mary en Robert opperbest. Hij had ze te

Glasgow gezien bij de afvaart der _Britannia_. Hij herinnerde hun, hoe

ze tegenwoordig waren geweest bij het afscheidsmaal, dat de kapitein

zijn vrienden aan boord had gegeven. De sherif, Mac Intyre, was er bij.

Men had Robert,--die toen pas tien jaar was,--toevertrouwd aan de zorg

van Dick Turner, den schipper, en hij was dezen ontloopen om in de

bramsalingen te klauteren.

"Dat is waar, dat is waar!" zeide Robert Grant.

En zoo haalde Ayrton duizend kleinigheden aan, schijnbaar zonder er

zooveel gewigt aan te hechten als John Mangles deed. En toen hij zweeg,

zeide Mary met haar zoete stem:

"Toe, mijnheer Ayrton! vertel ons nog wat van onzen armen vader!"

De bootsman deed zijn best om aan het verlangen van het meisje te

voldoen. Glenarvan wilde hem niet in de rede vallen, en toch verdrongen

wel twintig gewigtiger vragen zich in zijn hoofd; maar wijzende op de

blijde ontroering van Mary, legde lady Helena hem het zwijgen op.

Zoo pratende vertelde Ayrton de geschiedenis der _Britannia_ en haar

reis over de Stille Zuidzee. Mary Grant wist er reeds veel van, daar de

berigten van het schip tot de maand Mei van het jaar 1862 liepen. In dat

tijdverloop van een jaar deed Harry Grant de voornaamste eilanden van

Oceanië aan. Hij bezocht de Hebriden, Nieuw-Guinea, Nieuw-Zeeland,

Nieuw-Caledonië, vond dikwijls, dat anderen te regt of ten onregte

beweerden den grond in bezit te hebben genomen, en had te kampen met den

onwil der engelsche overheden; want zijn schip werd in de britsche

koloniën streng in het oog gehouden. Echter had hij een belangrijk punt

gevonden op de westkust van de Papoea-eilanden; hij oordeelde, dat het

daar gemakkelijk zou zijn een schotsche volkplanting te vestigen, die

stellig tot bloei zou geraken; een goede en rijk voorziene

ververschingsplaats toch op den weg naar de Molukken en de Philippijnen

moest de schepen lokken, vooral wanneer de doorgraving der landengte van

Suez de weg om de kaap de Goede Hoop in onbruik had doen geraken. Harry

Grant was een der Engelschen, die veel ophadden met het werk van den

heer de Lesseps, en die geen staatkundigen naijver bij een groot

wereldbelang in het spel bragten.

Na dit onderzoek der Papoea-eilanden ging de _Britannia_ te Callao

nieuwen voorraad innemen, en verliet die haven den 30sten Mei 1862, om

door den Indischen Oceaan en om de Kaap naar Europa terug te keeren.

Drie weken na zijn vertrek werd het schip door een geweldigen storm

ontredderd. Het werd op zijde geworpen. De masten moesten gekapt worden.

Er kwam een lek, dat men niet kon stoppen. De bemanning was weldra

geheel uitgeput. Men kon de pompen niet vrij houden. Acht dagen lang was

de _Britannia_ de speelbal der orkanen. Binnen kort stond er zes voet

water in het ruim. Ze verkeerde in zinkenden toestand. De booten waren

gedurende den storm weggeslagen. Men moest op het schip omkomen, toen

men, zooals Paganel juist gezien had, in den nacht van den 27sten Junij

de oostkust van Australië ontdekte. Weldra liep het schip op het strand.

Een hevige schok had er plaats. Ayrton werd op dat oogenblik door een

golf opgenomen, midden in de branding geslingerd, en verloor zijn

bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der

inboorlingen, die hem naar het binnenland sleepten. Van nu af hoorde hij

niet meer van de _Britannia_ spreken, en dus vooronderstelde hij, niet

zonder grond, dat ze op de gevaarlijke riffen der Twofold-baai met man

en muis was vergaan.

Hier eindigde het verhaal betreffende kapitein Grant; meer dan eens

ontlokte het uitroepen van droefheid aan zijn hoorders. Zonder onbillijk

te zijn mogt de majoor niet aan de waarheid er van twijfelen. Maar na de

geschiedenis der _Britannia_ moest de eigene geschiedenis van Ayrton

voor het oogenblik nog belangrijker zijn.

Afgaande op het document twijfelde men niet, of Grant had met twee

zijner matrozen, evenzeer als Ayrton zelf, de schipbreuk overleefd. Uit

het lot van den een mogt men met grond tot dat van den ander besluiten.

Derhalve werd Ayrton uitgenoodigd zijn lotgevallen mede te deelen. Het

was een zeer eenvoudig en zeer kort verhaal.

De arme schipbreukeling, de gevangene van een inlandschen volksstam,

werd naar het binnenland gevoerd, dat de Darling besproeit, dat wil

zeggen tot vier honderd mijlen benoorden den zeven en dertigsten

breedtegraad. Daar leefde hij hoogst ellendig, omdat die stam het zelf

heel naar had; maar hij werd niet mishandeld. Die harde slavernij duurde

twee lange jaren. Maar hij gaf de hoop niet op om zijn vrijheid nog

eenmaal te herkrijgen. Hij loerde op de eerste gelegenheid de beste om

te ontsnappen, hoewel zijn vlugt hem aan tallooze gevaren moest

blootstellen.

In zekeren nacht, het was in de maand October 1864, verschalkte hij de

waakzaamheid van de inboorlingen en verdween in het digtst der

ontzaggelijke wouden. Een maand lang zwierf hij, het leven rekkende met

wortels, met eetbare varens, met gom der mimosa's, in die uitgestrekte

woestenijen rond, zich des daags naar de zon, des nachts naar de sterren

rigtende, en vaak aan wanhoop ter prooi: zoo trok hij door moerassen,

over bergen en rivieren, en doorkruiste dat onbewoonde gedeelte van het

vastland, waar slechts weinige reizigers zich gewaagd hebben. Stervend

en verhongerd kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy

O'Moore, waar hij tot loon voor zijn arbeid een onbekommerd leven vond.

"Prijst Ayrton mij," zeide de iersche kolonist, toen dit verhaal uit

was, "ik voor mij kan ook niets anders doen dan hem prijzen. Hij is een

wakker, braaf en goed man, een arbeider in den volsten zin des woords,

en als ze hem bevalt, zal de woning van Paddy O'Moore lang de zijne

wezen."

Ayrton dankte den Ier met een tamelijk norsch gebaar, en wachtte af of

men hem nog iets te vragen mogt hebben. Hij hield het er echter voor,

dat de billijke nieuwsgierigheid zijner hoorders nu wel bevredigd zou

zijn. Kon hij nog wel op iets antwoorden, wat niet reeds honderdmaal

gezegd was? Glenarvan was dan ook op het punt om de beraadslagingen te

openen over een nieuw plan, dat nu met behulp van de ontmoeting van

Ayrton en diens inlichtingen moest opgemaakt worden, toen de majoor den

matroos aldus aansprak:

"Gij waart bootsman aan boord der _Britannia_?"

"Ja," antwoordde Ayrton zonder aarzelen.

Maar begrijpende, dat een zeker gevoel van wantrouwen, een twijfel, hoe

gering ook, den majoor die vraag had ingegeven, voegde hij er bij:

"Ik heb mijn aanstelling nog uit de schipbreuk gered."

En terstond verliet hij de huishoudkamer om dit stuk te halen. Hij bleef

geen minuut weg. Maar Paddy O'Moore had toch tijd om te zeggen:

"Mylord! ik verzeker u, dat die Ayrton een brave kerel is; hij dient mij

nu twee maanden, maar ik heb niet het geringste op hem aan te merken. Ik

kende de geschiedenis zijner schipbreuk en zijner gevangenschap. Hij is

een opregt man en uw volle vertrouwen waardig."

Glenarvan wilde juist antwoorden, dat hij nooit aan de goede trouw van

Ayrton had getwijfeld, toen deze binnenkwam en zijn aanstelling in

behoorlijke orde overgaf. Het was een papier, geteekend door de reeders

van de _Britannia_ en door kapitein Grant, wiens hand Mary duidelijk

herkende. Het behelsde, dat: "Tom Ayrton, matroos van de eerste klasse,

als bootsman aangenomen was op den driemaster _Britannia_, van Glasgow."

Er bleef dus geen twijfel over, of Ayrton was degene, voor wien hij zich

uitgaf; want het was moeijelijk te gelooven, dat die aanstelling in zijn

handen zou zijn, wanneer ze hem niet toekwam.

"En nu," sprak Glenarvan, "vraag ik u allen om raad, en wensch ik

onmiddellijk te bespreken, wat ons te doen staat. Uw raad, Ayrton! zal

ons vooral aangenaam zijn, en ik verzoek u dringend ons dien niet te

onthouden."

Ayrton dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen het volgende:

"Ik dank u, mylord! voor het vertrouwen, dat gij in mij stelt, en ik

hoop het mij waardig te maken. Ik heb eenige kennis van dit land, van de

zeden der inboorlingen, en kan ik u van dienst wezen...."

"Wel zeker," verklaarde Glenarvan.

"Ik ben evenals gij van gevoelen," hernam Ayrton, "dat kapitein Grant en

zijn beide matrozen uit de schipbreuk gered zijn; maar daar zij de

engelsche bezittingen niet hebben bereikt, omdat zij niet meer voor den

dag zijn gekomen, twijfel ik niet of zij hebben hetzelfde lot ondergaan

als ik, en zijn gevangen bij een inlandschen volksstam."

"Gij haalt daar dezelfde bewijzen aan, die ik vroeger reeds opsomde,

Ayrton!" zeide Paganel; "de schipbreukelingen zijn zeker gevangen bij de

inboorlingen, zooals zij vreesden. Maar moeten wij denken, dat zij,

evenals gij benoorden den zeven en dertigsten graad gesleept zijn?"

"Dat is wel te denken, mijnheer!" antwoordde Ayrton; "de vijandelijke

stammen blijven niet lang in de nabijheid der aan de Engelschen

onderworpen streken."

"Dat zal onze nasporingen veel moeijelijker maken," zeide Glenarvan met

een teleurgesteld gezigt. "Hoe zullen wij in zoo'n uitgestrekt vastland

het spoor der gevangenen terugvinden?"

Een langdurig stilzwijgen volgde op die aanmerking. Lady Helena zag

beurtelings al haar reisgenooten vragend aan zonder antwoord te krijgen.

Tegen zijn gewoonte zweeg zelfs Paganel, dien zijn gewone schranderheid

in den steek liet. John Mangles liep met groote stappen de huishoudkamer

op en neer, alsof hij op het dek van zijn schip in verlegenheid zat.

"En gij, mijnheer Ayrton!" zeide nu lady Helena tot den matroos, "wat

zoudt gij doen?"

"Mevrouw!" antwoordde Ayrton tamelijk driftig, "ik zou weer aan boord

van de _Duncan_ gaan en regelregt naar het tooneel van de schipbreuk

stevenen. Daar zou ik naar bevind van zaken en naar de aanwijzingen

handelen, die het toeval welligt mogt verschaffen."

"Dat is goed," zeide Glenarvan; "maar wij dienen te wachten tot de

_Duncan_ hersteld is."

"Zoo! hebt gij averij gehad?" vroeg Ayrton.

"Ja," antwoordde John Mangles.

"Zware?"

"Neen! maar er zijn toch gereedschappen noodig, die wij niet aan boord

hebben. Een der schroefbladen zit vast, en dat kan alleen te Melbourne

verholpen worden."

"Maar kunt gij niet zeilen?" vroeg de bootsman.

"Jawel; maar als de wind wat tegen is, zou de _Duncan_ veel tijd noodig

hebben om de Twofold-baai te bereiken, en hoe het ook gaat, naar

Melbourne moet ze toch."

"Welnu! laat ze naar Melbourne gaan!" riep Paganel; "wij zullen zonder

haar wel aan de Twofold-baai komen."

"Maar hoe?"

"Wel, door Australië langs den zeven en dertigsten breedtegraad door te

trekken, zooals wij Amerika gedaan hebben."

"Maar de _Duncan_ dan?" hernam Ayrton met bijzonder veel nadruk.

"De _Duncan_ zal ons afhalen of wij zullen de _Duncan_ afhalen, naardat

het uitkomt. Vinden wij kapitein Grant op onzen togt terug, dan gaan wij

gezamenlijk naar Melbourne. Zetten wij daarentegen onze nasporingen tot

aan de kust voort, dan komt de _Duncan_ ons daar opzoeken. Wie heeft wat

tegen dat plan? De majoor misschien?"

"Neen," antwoordde Mac Nabbs, "als de reis door Australië ten minste

mogelijk is."

"Zoo goed mogelijk," antwoordde Paganel, "dat ik voornemens ben lady

Helena en miss Grant uit te noodigen om met ons te gaan."

"Meent gij dat inderdaad, Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Wat anders, waarde lord? Het is een reis van drie honderd vijftig

mijlen[1], meer niet, en tegen twaalf mijlen daags zal ze pas een maand

duren, dat is te zeggen zoo veel tijd als noodig is voor de

herstellingen van de _Duncan_. Het zou wat anders zijn, als wij het

vastland van Australië op eene lagere breedte moesten doortrekken, als

wij het in zijn grootste breedte moesten doorreizen, als wij die

onmetelijke woestijnen moesten doorkruisen, waar gebrek aan water is,

waar een verstikkende warmte heerscht, kortom, wanneer we doen moesten,

wat de stoutste reizigers nog niet gewaagd hebben! Maar die zeven en

dertigste graad loopt over de provincie Victoria, een echt engelsch

land, met gebaande wegen, met spoorwegen, en bijna over die geheele

lengte bevolkt. Het is een reis, die men des verkiezende in een kales,

of liever nog op een kar doen kan. Het is een ridje van Londen naar

Edinburg. Anders niet."

"Maar de wilde dieren!" zeide Glenarvan, die alle mogelijke bezwaren

wilde opperen.

"Er zijn geen wilde dieren in Australië."

"Maar de wilden?"

"Er zijn op die breedte geen wilden, en in allen gevalle zijn ze niet

zoo wreed als de Nieuw-Zeelanders."

"Maar de gedeporteerden?"

"Er zijn geen gedeporteerden in de zuidelijke provinciën van Australië,

maar alleen in de oostelijke koloniën. De provincie Victoria heeft ze

niet alleen verjaagd, maar ook een wet gemaakt om de vrijgelaten

veroordeelden uit de andere provinciën van haar gebied uit te sluiten.

De regeering van Victoria heeft dit jaar zelfs de compagnie van het

Schiereiland gedreigd haar subsidie in te trekken, wanneer haar schepen

voortgingen kolen in te nemen in de havens van West-Australië, waar de

gedeporteerden toegelaten worden. Hoe! weet gij dat niet! en zijt gij

nog al een Engelschman!"

"Maar ik ben geen Engelschman," antwoordde Glenarvan.

"Wat mijnheer Paganel daar zegt is volkomen waar," zeide nu Paddy

O'Moore. "Niet alleen de provincie Victoria, maar ook Zuid-Australië,

Koninginneland, zelfs Tasmanië slaan de handen ineen om de

gedeporteerden niet binnen hun grenzen toe te laten. Sedert ik deze

hoeve bewoon, heb ik van geen enkelen gedeporteerde hooren spreken."

"En ik heb er nooit een ontmoet," voegde Ayrton er bij.

"Gij ziet, vrienden!" hernam Jacques Paganel, "zeer weinig wilden, geen

wilde dieren, geen gedeporteerden! Er zijn weinig streken in Europa,

waarvan men hetzelfde kan zeggen! Hoe is het, blijft het er bij?"

"Wat denkt gij er van, Helena?" vroeg Glenarvan.

"Wat wij allen denken, lieve Edward!" antwoordde lady Helena tot haar

reisgenooten gerigt, "op weg! op weg!"

[1] Omtrent 200 uren gaans.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 12 / 29 题