VI.

Kaap Bernouilli.

Het eerste werk van John Mangles was zijn schip stevig voor twee ankers

te leggen. Hij ankerde op vijf vademen water. De grond was goed en

bestond uit hard keizand, waarin het anker goed vasthield. Derhalve

behoefde hij niet te vreezen, dat het schip doordrijven of bij laag

water op het strand raken zou. Na zooveel uren achtereen in dreigende

gevaren verkeerd te hebben, lag de _Duncan_ thans in een soort van

kreek, die door een hooge cirkelvormige landspits tegen de zeewinden

beschut was.

Lord Glenarvan had den jeugdigen kapitein de hand gedrukt met de

woorden: "John! ik dank u!"

En John gevoelde zich rijkelijk door die eenvoudige woorden beloond.

Glenarvan hield het geheim van den angst, dien hij uitgestaan had, in

zijn boezem besloten, en lady Helena noch miss Grant, zelfs Robert niet,

gisten aan welke vreeselijke gevaren zij ontkomen waren.

Een zeer gewigtige zaak moest nog opgehelderd worden. Op welk punt van

de kust had die ontzettende storm de _Duncan_ geworpen? Waar zou ze weer

op den regten weg komen? Hoever ten zuidwesten lag kaap Bernouilli wel

van hen af? Dat waren de eerste vragen, die John Mangles gedaan werden.

Deze nam terstond hoogte, en teekende zijn waarnemingen op de

scheepskaart aan.

Daaruit bleek, dat de _Duncan_ niet heel veel uit haar koers was

geslagen: naauwelijks twee graden. Zij lag op 136°12' lengte en 35°7'

breedte, bij kaap Onheil, een der landpunten van Zuid-Australië, drie

honderd mijlen van kaap Bernouilli af.

Kaap Onheil, een onheilspellende naam! ligt tegenover kaap Borda, door

een voorgebergte van het Kangoeroe-eiland gevormd. Tusschen die twee

kapen ligt de ingang der Investigator-straat, die naar twee vrij diepe

golven voert, waarvan de noordelijke de Spencer-golf, de zuidelijke de

golf van St. Vincent heet. Op de oostkust dezer laatste is de haven van

Adelaïde gegraven, de hoofdplaats der provincie Zuid-Australië. Deze

stad, in 1836 gesticht, telt veertig duizend inwoners, en levert

tamelijk voldoende hulpmiddelen op. Maar zij houdt zich meer bezig met

het bebouwen van den vruchtbaren bodem, het aankweeken van druiven en

oranje-appelen, en met landbouw ondernemingen dan met groote fabrieken.

Haar bevolking telt minder fabriekanten dan landbouwers, en heeft weinig

op met handelszaken of ambachten en kunsten.

Kon de _Duncan_ haar averij hier herstellen? Dit moest uitgemaakt

worden. John Mangles wilde weten hoe de zaken stonden. Hij liet onder

den achtersteven van het jagt duiken; de duikers berigtten hem, dat een

der bladen van de schroef omgebogen was en tegen den achtersteven

aanzat: daaruit vloeide voort, dat zij onmogelijk kon omdraaijen. Die

averij werd zoo belangrijk geoordeeld, dat het herstel werktuigen zou

vorderen, die te Adelaïde niet te vinden zouden zijn.

Na rijp overleg namen Glenarvan en kapitein John het volgende besluit:

de _Duncan_ zou de australiscbe kust langs zeilen en tevens de

_Britannia_ opsporen; zij zou bij kaap Bernouilli aanleggen, waar men de

laatste inlichtingen zou inwinnen, en van daar zuidwaarts tot Melbourne

stevenen, waar de geledene schade gemakkelijk hersteld kon worden.

Zoodra de schroef weer in orde was, zou de _Duncan_ op de oostkust gaan

kruisen om haar nasporingen te eindigen.

Dit voorstel werd goedgekeurd. John Mangles besloot van den eersten

gunstigen wind gebruik te maken om onder zeil te gaan. Deze liet zich

niet lang wachten. Tegen den avond was de orkaan geheel bedaard. Een

vaarbare zuidweste-wind verving hem. De noodige maatregelen werden

genomen om zee te kunnen bouwen. Nieuwe zeilen werden aangeslagen. 's

Morgens ten vier ure liepen de matrozen in het spil. Weldra stond het

anker loodregt, het slipte, en onder haar fokkezeil, haar marszeil, haar

bramzeil, haar kluivers, haar groote bezaan en haar driehoekzeil, zeilde

de _Duncan_ met stuurboordshalzen scherp bij den wind langs de

australiscbe kust.

Twee uren later verloor men kaap Onheil uit het oog, en bevond men zich

dwars voor de Investigator-straat. 's Avonds zeilden ze om kaap Borda,

en stevende men op eenige kabelslengten afstand voorbij het

Kangoeroe-eiland. Dit is het grootste der australiscbe eilandjes en

dient tot schuilplaats voor de ontvlugte gedeporteerden. Het had een

uitlokkend voorkomen; onmetelijke grastapijten bedekten de vlotgebergten

langs de kusten. Evenals ten tijde der ontdekking, in 1802, zag men

tallooze kudden kangoeroes door de bosschen en over de vlakten huppelen.

's Anderendaags, terwijl de _Duncan_ in den wind opwerkte, werden de

sloepen aan land gezonden met last om den kustzoom te onderzoeken. Van

zes en dertig tot acht en dertig graden breedte wilde Glenarvan geen

punt ondoorzocht laten.

Den 18den December liep het jagt, dat als ware het een clipper met volle

zeilen bij den wind voer, zeer digt langs den oever der Encounter-baai.

Daar kwam in 1828 de reiziger Sturt, nadat hij de Murray, de grootste

rivier van Zuid-Australië ontdekt had, aan. Het waren niet meer de

lagchende oevers van het Kangoeroe-eiland, maar dorre heuvels, die van

tijd tot tijd de eentoonigheid van een vlakke en ingekorven kust

afbraken, hier en daar een graauwe steile rots, of voorgebergten van

zand, kortom al de naaktheid van een poolland.

Op dien togt hadden de booten een moeijelijk werk. De zeelieden klaagden

er echter niet over. Meestal werden zij door Glenarvan, diens

onafscheidelijken Paganel en den jongen Robert vergezeld. Met eigene

oogen wilden zij eenig overblijfsel van de _Britannia_ opzoeken. Maar

dat naauwlettend onderzoek bragt niets van de schipbreuk aan het licht.

De australische oevers vertelden dienaangaande evenmin iets als

Patagonië. Intusschen mogt men niet alle hoop opgeven, zoolang het

juiste punt, dat het document aangaf, niet bereikt was. Dat men zoo

handelde, was alleen uit overmaat van voorzigtigheid, en om niets aan

het toeval over te laten. 's Nachts braste de _Duncan_ op, om zooveel

mogelijk op dezelfde plaats te blijven, en overdag werd de kust

zorgvuldig onderzocht.

Zoo kwam men den 20sten December voor kaap Bernouilli, het uiteinde der

Lacépède-baai, zonder het geringste overblijfsel van het wrak gevonden

te hebben. Maar die vergeefsche nasporingen bewezen niets tegen den

kapitein der _Britannia_. Want in de twee jaren, die na de ramp waren

verloopen, kon het niet anders of de zee moest het overschot van den

driemaster verstrooid, vernield en van de klip gescheurd hebben. Ook

moesten de inboorlingen, die de schipbreuken ruiken gelijk een gier een

lijk ruikt, het geringste overschot opgezameld hebben. En Harry Grant en

zijn beide lotgenooten, gevangen genomen op het oogenblik, dat de golven

hen op de kust wierpen, waren ongetwijfeld tot diep in het binnenland

meegesleept.

Maar dan verviel ook een van de schrandere gissingen van Jacques

Paganel. Zoo lang er sprake was van het argentijnsche gebied, kon de

aardrijkskundige met volle regt beweren, dat de cijfers van het document

betrekking hadden, niet op het tooneel van de schipbreuk maar op de

plaats der gevangenschap. De groote stroomen der Pampa, hun talrijke

zijtakken immers waren daar om het kostbare document naar zee te voeren.

Hier integendeel, in dit gedeelte van Australië, zijn maar weinig

stroomen, die de zeven en dertigste parallel snijden; bovendien vloeijen

de Rio-Colorado, de Rio-Negro door woeste, onbewoonbare en onbewoonde

kusten naar zee, terwijl de hoofdrivieren van Australië, de Murray, de

Yarra, de Torrens, de Darling, òf in elkander, òf in den Oceaan vallen

met monden, die druk bezochte reeden en havens geworden zijn, die een

levendige scheepvaart drijven. Hoe onwaarschijnlijk was het dus niet,

dat een brooze flesch met den stroom zulke druk bevaren rivieren had

kunnen afdrijven en den Indischen oceaan bereiken?

Die onmogelijkheid kon aan geen schrandere koppen ontgaan. De stelling

van Paganel, die in Patagonië, in de argentijnsche provinciën

aannemelijk was, zou dus in Australië onhoudbaar geweest zijn. Paganel

gaf dit toe in een gesprek, dat hierover door majoor Mac Nabbs werd

aangeknoopt. Het werd stellig zeker, dat de graden in het document

vermeld, alleen betrekking hadden op de plaats der schipbreuk, en dat

bij gevolg de flesch in zee geworpen was ter plaatse, waar de

_Britannia_ verging, op de westkust van Australië.

En toch sloot, zooals Glenarvan teregt opmerkte, deze laatste uitlegging

de gissing niet uit, dat kapitein Grant gevangen was. En liet deze het

ook niet in zijn document doorschemeren in deze belangrijke woorden:

"_waar zij gevangenen zullen zijn van wreede inboorlingen?_" Maar er

bestond geen enkele reden meer om de gevangenen liever op de zeven en

dertigste parallel dan op een andere te zoeken.

Nadat deze vraag lang besproken en ten laatste aldus opgelost was, kwam

men tot het volgende besluit: indien er bij kaap Bernouilli geen spoor

van de _Britannia_ te vinden was, zat er voor lord Glenarvan niets

anders op, dan naar Europa terug te keeren. Zijn nasporingen zouden

vruchteloos geweest zijn; maar hij had zijn pligt moedig en naauwgezet

betracht.

Niettemin werden de passagiers van het jagt er zeer door bedroefd, en

Mary en Robert Grant sloegen tot wanhoop over. Toen zij met lord en lady

Glenarvan, John Mangles, Mac Nabbs en Paganel aan land gingen, zeiden de

beide kinderen van den kapitein tot elkander, dat de vraag of hun vader

gered zou worden, thans onherroepelijk beslist zou worden.

Onherroepelijk mag men wel zeggen; want Paganel had in een vroeger

gesprek onwederlegbaar bewezen, dat de schipbreukelingen reeds sedert

lang in het vaderland terug zouden geweest zijn, indien hun vaartuig op

de klippen der oostkust was vergaan.

"Houd moed! houd moed! houd altijd moed!" herhaalde lady Helena telkens

aan het meisje, dat in het bootje, waarmede zij aan land gingen, naast

haar zat. "Gods hand zal ons niet loslaten!"

"Ja, miss Mary!" sprak kapitein John, "wanneer de mensch alle

menschelijke hulpmiddelen heeft uitgeput, komt de Hemel tusschen beiden

en opent hem, door een onvoorzien voorval, nieuwe wegen."

"God verhoore uw wensch, mijnheer John!" antwoordde Mary Grant.

De oever was nog maar een kabellengte ver; de kaap, die twee mijlen ver

in zee vooruitstak, liep hier in vrij zachte hellingen uit. Het bootje

voer een kleine door de natuur gevormde kreek binnen, tusschen nog

aangroeijende koraalbanken, die na verloop van tijd een gordel van

riffen op de zuidkust van Australië zullen vormen. Zooals zij daar

lagen, waren zij reeds in staat om de kiel van een schip te vernielen,

en de _Britannia_ kon daar ligt met man en muis zijn vergaan.

Zonder moeite landden de passagiers van de _Duncan_ op een geheel woeste

kust. Steile vlotgebergten vormden een kustlijn ter hoogte van zestig

tot tachtig voet. Het zou bezwaarlijk gegaan zijn om zonder ladders of

haken die natuurlijke gordijn te beklauteren. Gelukkig ontdekte John

Mangles zeer van pas een bres, die een halve mijl zuidelijker door een

gedeeltelijke instorting der steilte teweeg gebragt was. Gedurende de

hevige voor- en najaarsstormen beukte de zee ongetwijfeld dien wal van

brossen tufsteen, en veroorzaakte zoo den val der hoogere gedeelten van

het vaste gesteente.

Glenarvan en zijn reisgenooten drongen in de loopgraaf, en kwamen langs

een vrij steile helling op den top der rots. Als een jonge kat klauterde

Robert tegen een bijna loodregten rotswand op, en kwam zoo het eerst op

den hoogsten kam, tot groot verdriet van Paganel, die zich schaamde,

omdat zijn groote beenen van veertig jaar overwonnen werden door kleine

van twaalf. Toch was hij den bedaarden majoor, die zich volstrekt niet

haastte, ver vooruit.

Zoodra het gezelschap bijeen was, onderzocht men de vlakte, die zich

voor hun oog uitbreidde. Het was een uitgestrekte, onbebouwde streek,

met struikgewas en kreupelhout, een onvruchtbaar gewest, dat Glenarvan

vergeleek met de dalen der lage landen van Schotland en Paganel met de

onvruchtbare heidevelden van Bretagne. Maar, scheen die streek al langs

de kust onbewoond, in de verte bleek de tegenwoordigheid van den mensch,

niet van den wilde, maar van den arbeider, uit eenige gebouwen met een

goed voorkomen.

"Een molen!" riep Robert.

En inderdaad, drie mijlen voor hen uit draaiden de wieken van een molen.

"Ja, het is een molen," sprak Paganel, die zijn kostelijken verrekijker

op het aangewezen voorwerp gerigt had. "Het is een klein, even nederig

als nuttig gedenkteeken, welks gezigt mijn oog verrukt."

"Het lijkt haast een kerktoren," zeide lady Helena.

"Ja, mevrouw! en maalt de een het brood voor het ligchaam, de andere

maalt het brood voor de ziel. Uit dit oogpunt bezien, gelijken zij ook

op elkander."

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan. Men ging op weg. Na een

half uur loopens zag de grond, door de hand des menschen bewerkt, er

geheel anders uit, de overgang van het onvruchtbare land tot het

bebouwde veld was plotseling. In plaats van kreupelhout omringden groene

hagen een pas ontgonnen stuk gronds; eenige runderen en een half dozijn

paarden graasden in de weiden, die omsloten waren door prachtige

acacia's, welke uit de groote boomkweekerijen van het Kangoeroe-eiland

gehaald waren. Allengs vertoonden zich akkers met graan bedekt, eenige

roeden gronds met gele korenaren bezaaid, eenige hooischelven, als

groote bijenkorven overeind gezet, boomgaarden met een frissche

omheining, een schoone tuin, Horatius waardig, waarin het aangename met

het nuttige vermengd was, vervolgens lootsen en behoorlijk ingerigte

woningen voor de dienstboden en ten laatste een eenvoudig en geriefelijk

huis, waarboven de aardige molen met zijn spitse kap uitstak, die door

de vlugtige schaduw zijner groote wieken werd geliefkoosd.

Op het geblaf van vier groote honden, die de komst der vreemdelingen

meldden, trad thans een man van een vijftig jaar met een vriendelijk

voorkomen uit het hoofdgebouw. Vijf flinke en sterke jongens, zijn

zoons, volgden hem met hun moeder, een groote en stevige vrouw.

Vergissing was hier niet mogelijk: die man, door zijn wakker gezin

omringd, in het midden van dien nog nieuwen aanleg, in dit bijna

maagdelijk gewest, was het volmaakte beeld van den ierschen kolonist,

die om de armoede in zijn land te ontgaan fortuin en geluk aan gene

zijde der zee is gaan zoeken.

Glenarvan en de zijnen hadden zich nog niet voorgesteld, zij hadden nog

geen tijd gehad om hun naam en betrekking op te geven, toen zij reeds

met deze hartelijke woorden begroet werden:

"Vreemdelingen! weest welkom in het huis van Paddy O'Moore."

"Zijt gij een Ier?" vroeg Glenarvan, de hand drukkende, die de kolonist

hem toestak.

"Ik ben het geweest," antwoordde Paddy O'Moore; "thans ben ik een

Australiër. Komt binnen, wie gij ook moogt zijn, heeren! en beschouwt

dit huis als het uwe."

Die gulle uitnoodiging werd natuurlijk zonder pligtplegingen aangenomen.

Lady Helena en Mary Grant volgden mistress O'Moore naar binnen, terwijl

de zoons van den kolonist de bezoekers van hun wapens ontlastten.

Een luchtige en heldere zaal besloeg de benedenverdieping van het huis,

dat van sterke op elkander gestapelde balken gebouwd was. Eenige houten

banken aan de met heldere kleuren beschilderde wanden vastgespijkerd,

een tiental schabellen, twee eikenhouten kisten, waarop wit aardewerk en

blinkende tinnen kannen pronkten, een breede en lange tafel, waaraan

twintig gasten met gemak konden zitten, maakten het huisraad uit, dat

volkomen overeenstemde met het stevige gebouw en de sterke bewoners.

Het middageten stond op tafel. De soepkom dampte tusschen het

ossengebraad en den schapenbout, omringd door groote schotels olijven,

druiven en oranje-appelen; het noodige was voorhanden en het overtollige

werd niet gemist. De gastheer en zijn vrouw noodigden zoo dringend, de

tafel zag er zoo uitlokkend uit, was zoo groot en zoo rijkelijk

voorzien, dat het onbetamelijk zou geweest zijn niet aan te zitten.

Reeds kwamen de knechts, de gelijken van hun baas, deelnemen aan den

maaltijd. Paddy O'Moore wees den vreemdelingen met de hand de eereplaats

aan.

"Ik wachtte u," zeide hij op een eenvoudigen toon tot lord Glenarvan.

"Gij?" antwoordde deze zeer verrast.

"Ik wacht altijd degenen, die komen," antwoordde de Ier.

Vervolgens deed hij op ernstigen toon, terwijl zijn gezin en de

dienstboden eerbiedig staan bleven, het katholieke gebed vóór den eten.

Lady Helena was diep geroerd door zulk een volmaakten eenvoud van zeden,

en een blik van haar man gaf haar te kennen, dat hij het evenzeer

bewonderde als zij.

Men deed de tafel eer aan. Het gesprek werd overal zeer levendig.

Tusschen een Schot en een Ier is de kennis spoedig gemaakt. De Clyde[1],

die maar eenige voeten breed is, delft een dieper gracht tusschen

Schotland en Engeland, dan het twintig uren breede Noorder-kanaal, dat

het oude Caledonië van het groene Erin scheidt. O'Moore vertelde zijn

geschiedenis. Het was die van al de landverhuizers, welke het gebrek uit

hun land jaagt. Velen komen in verre streken fortuin zoeken, die slechts

misrekeningen en rampen vinden. Zij beschuldigen het lot, maar vergeten

de schuld te geven aan hun onverstand, hun traagheid en hun ondeugden.

Wie matig en moedig, spaarzaam en braaf is, dien gaat het goed.

Zoo ook met Paddy O'Moore. Hij verliet Dundalk, waar hij van honger

stierf, trok met zijn gezin naar Australië, versmaadde het werk van den

goudgraver voor de minder onzekere vermoeijenissen van den landman, kwam

te Adelaïde aan wal, en begon twee maanden later zijn ontginning, die

thans zulke heerlijke vruchten afwierp.

Het geheele gebied van Zuid-Australië is in stukken verdeeld, die elk

tachtig acres [2] groot zijn. Die verschillende stukken worden door de

regeering aan de kolonisten afgestaan, en op ieder stuk kan een vlijtig

landman in zijn onderhoud voorzien en een zuiver bedrag van tachtig pond

sterling[3] uit zijn overwinst besparen.

Dat wist Paddy O'Moore. Zijn kennis van den landbouw kwam hem zeer te

stade. Hij leefde, hij spaarde, hij kreeg nieuwe stukken uit de

overwinst van het eerste. Het ging goed met zijn gezin en zijn

onderneming. De Iersche boer werd grondeigenaar, en hoewel hij er nog

geen twee jaar was, bezat hij reeds vijf honderd acres grond, die door

zijn zorgen vruchtbaar gemaakt waren, en vijf honderd stuks vee. Hij was

zijn eigen meester, na de slaaf der Europeërs geweest te zijn, en zoo

onafhankelijk als men slechts in het meest vrije land der wereld kan

zijn.

Zijn gasten beantwoordden dit verhaal van den Ierschen landverhuizer met

opregte en welgemeende gelukwenschingen. Paddy O'Moore wachtte zeker,

toen zijn verhaal uit was, dat zijn openhartigheid met gelijke

vertrouwelijkheid beantwoord zou worden, maar hij lokte ze niet uit. Hij

was een van die bescheidene menschen, die zeggen: Nu weet gij, wie ik

ben, maar ik vraag u niet, wie gij zijt. Glenarvan had er ook

regtstreeksch belang bij om over de _Duncan_, over zijn tegenwoordigheid

aan kaap Bernouilli, en over de nasporingen, die hij met stalen

volharding voortzette, te spreken. Maar als iemand, die regt op zijn

doel afgaat, ondervroeg hij eerst Paddy O'Moore betreffende de

schipbreuk der _Britannia_.

Het antwoord van den Ier was niet gunstig. Hij had nooit van dat schip

hooren spreken. Sedert twee jaren was er geen schip op de kust vergaan,

noch boven noch beneden de kaap. Die ramp nu was eerst vóór twee jaren

gebeurd. Hij kon dus op de stelligste wijze verzekeren, dat de

schipbreukelingen niet op dit gedeelte der westkust geworpen waren.

"En nu, mylord!" voegde hij er bij, "zou ik wel willen weten welk belang

gij er bij hebt om mij die vraag te doen?"

Nu vertelde Glenarvan den kolonist de geheele geschiedenis van het

document, de reis van het jagt, de pogingen reeds aangewend om kapitein

Grant terug te vinden; hij verzweeg niet, dat zijn vurigste hoop

vernietigd werd door zulke stellige verzekeringen, en dat hij wanhoopte,

ooit de schipbreukelingen der _Britannia_ terug te vinden.

Zulk een gezegde moest een smartelijken indruk teweegbrengen op de

hoorders van Glenarvan. Robert en Mary luisterden in tranen zwemmende

toe, Paganel vond geen woord om hen te troosten en hun moed in te

boezemen. John Mangles leed onuitsprekelijk. Reeds maakte de wanhoop

zich meester van de ziel dier wakkere mannen, welke de _Duncan_ te

vergeefs naar die verre stranden gevoerd had, toen deze woorden klonken:

"Mylord! loof en dank God! Wanneer kapitein Grant nog leeft, leeft hij

hier in Australië!"

[1] De rivier, die Schotland van Engeland scheidt.

[2] Een acre is 40 vierkante roeden ruim.

[3] _fl_ 960.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 11 / 29 题