Kaap Bernouilli.
Het eerste werk van John Mangles was zijn schip stevig voor twee ankers
te leggen. Hij ankerde op vijf vademen water. De grond was goed en
bestond uit hard keizand, waarin het anker goed vasthield. Derhalve
behoefde hij niet te vreezen, dat het schip doordrijven of bij laag
water op het strand raken zou. Na zooveel uren achtereen in dreigende
gevaren verkeerd te hebben, lag de _Duncan_ thans in een soort van
kreek, die door een hooge cirkelvormige landspits tegen de zeewinden
beschut was.
Lord Glenarvan had den jeugdigen kapitein de hand gedrukt met de
woorden: "John! ik dank u!"
En John gevoelde zich rijkelijk door die eenvoudige woorden beloond.
Glenarvan hield het geheim van den angst, dien hij uitgestaan had, in
zijn boezem besloten, en lady Helena noch miss Grant, zelfs Robert niet,
gisten aan welke vreeselijke gevaren zij ontkomen waren.
Een zeer gewigtige zaak moest nog opgehelderd worden. Op welk punt van
de kust had die ontzettende storm de _Duncan_ geworpen? Waar zou ze weer
op den regten weg komen? Hoever ten zuidwesten lag kaap Bernouilli wel
van hen af? Dat waren de eerste vragen, die John Mangles gedaan werden.
Deze nam terstond hoogte, en teekende zijn waarnemingen op de
scheepskaart aan.
Daaruit bleek, dat de _Duncan_ niet heel veel uit haar koers was
geslagen: naauwelijks twee graden. Zij lag op 136°12' lengte en 35°7'
breedte, bij kaap Onheil, een der landpunten van Zuid-Australië, drie
honderd mijlen van kaap Bernouilli af.
Kaap Onheil, een onheilspellende naam! ligt tegenover kaap Borda, door
een voorgebergte van het Kangoeroe-eiland gevormd. Tusschen die twee
kapen ligt de ingang der Investigator-straat, die naar twee vrij diepe
golven voert, waarvan de noordelijke de Spencer-golf, de zuidelijke de
golf van St. Vincent heet. Op de oostkust dezer laatste is de haven van
Adelaïde gegraven, de hoofdplaats der provincie Zuid-Australië. Deze
stad, in 1836 gesticht, telt veertig duizend inwoners, en levert
tamelijk voldoende hulpmiddelen op. Maar zij houdt zich meer bezig met
het bebouwen van den vruchtbaren bodem, het aankweeken van druiven en
oranje-appelen, en met landbouw ondernemingen dan met groote fabrieken.
Haar bevolking telt minder fabriekanten dan landbouwers, en heeft weinig
op met handelszaken of ambachten en kunsten.
Kon de _Duncan_ haar averij hier herstellen? Dit moest uitgemaakt
worden. John Mangles wilde weten hoe de zaken stonden. Hij liet onder
den achtersteven van het jagt duiken; de duikers berigtten hem, dat een
der bladen van de schroef omgebogen was en tegen den achtersteven
aanzat: daaruit vloeide voort, dat zij onmogelijk kon omdraaijen. Die
averij werd zoo belangrijk geoordeeld, dat het herstel werktuigen zou
vorderen, die te Adelaïde niet te vinden zouden zijn.
Na rijp overleg namen Glenarvan en kapitein John het volgende besluit:
de _Duncan_ zou de australiscbe kust langs zeilen en tevens de
_Britannia_ opsporen; zij zou bij kaap Bernouilli aanleggen, waar men de
laatste inlichtingen zou inwinnen, en van daar zuidwaarts tot Melbourne
stevenen, waar de geledene schade gemakkelijk hersteld kon worden.
Zoodra de schroef weer in orde was, zou de _Duncan_ op de oostkust gaan
kruisen om haar nasporingen te eindigen.
Dit voorstel werd goedgekeurd. John Mangles besloot van den eersten
gunstigen wind gebruik te maken om onder zeil te gaan. Deze liet zich
niet lang wachten. Tegen den avond was de orkaan geheel bedaard. Een
vaarbare zuidweste-wind verving hem. De noodige maatregelen werden
genomen om zee te kunnen bouwen. Nieuwe zeilen werden aangeslagen. 's
Morgens ten vier ure liepen de matrozen in het spil. Weldra stond het
anker loodregt, het slipte, en onder haar fokkezeil, haar marszeil, haar
bramzeil, haar kluivers, haar groote bezaan en haar driehoekzeil, zeilde
de _Duncan_ met stuurboordshalzen scherp bij den wind langs de
australiscbe kust.
Twee uren later verloor men kaap Onheil uit het oog, en bevond men zich
dwars voor de Investigator-straat. 's Avonds zeilden ze om kaap Borda,
en stevende men op eenige kabelslengten afstand voorbij het
Kangoeroe-eiland. Dit is het grootste der australiscbe eilandjes en
dient tot schuilplaats voor de ontvlugte gedeporteerden. Het had een
uitlokkend voorkomen; onmetelijke grastapijten bedekten de vlotgebergten
langs de kusten. Evenals ten tijde der ontdekking, in 1802, zag men
tallooze kudden kangoeroes door de bosschen en over de vlakten huppelen.
's Anderendaags, terwijl de _Duncan_ in den wind opwerkte, werden de
sloepen aan land gezonden met last om den kustzoom te onderzoeken. Van
zes en dertig tot acht en dertig graden breedte wilde Glenarvan geen
punt ondoorzocht laten.
Den 18den December liep het jagt, dat als ware het een clipper met volle
zeilen bij den wind voer, zeer digt langs den oever der Encounter-baai.
Daar kwam in 1828 de reiziger Sturt, nadat hij de Murray, de grootste
rivier van Zuid-Australië ontdekt had, aan. Het waren niet meer de
lagchende oevers van het Kangoeroe-eiland, maar dorre heuvels, die van
tijd tot tijd de eentoonigheid van een vlakke en ingekorven kust
afbraken, hier en daar een graauwe steile rots, of voorgebergten van
zand, kortom al de naaktheid van een poolland.
Op dien togt hadden de booten een moeijelijk werk. De zeelieden klaagden
er echter niet over. Meestal werden zij door Glenarvan, diens
onafscheidelijken Paganel en den jongen Robert vergezeld. Met eigene
oogen wilden zij eenig overblijfsel van de _Britannia_ opzoeken. Maar
dat naauwlettend onderzoek bragt niets van de schipbreuk aan het licht.
De australische oevers vertelden dienaangaande evenmin iets als
Patagonië. Intusschen mogt men niet alle hoop opgeven, zoolang het
juiste punt, dat het document aangaf, niet bereikt was. Dat men zoo
handelde, was alleen uit overmaat van voorzigtigheid, en om niets aan
het toeval over te laten. 's Nachts braste de _Duncan_ op, om zooveel
mogelijk op dezelfde plaats te blijven, en overdag werd de kust
zorgvuldig onderzocht.
Zoo kwam men den 20sten December voor kaap Bernouilli, het uiteinde der
Lacépède-baai, zonder het geringste overblijfsel van het wrak gevonden
te hebben. Maar die vergeefsche nasporingen bewezen niets tegen den
kapitein der _Britannia_. Want in de twee jaren, die na de ramp waren
verloopen, kon het niet anders of de zee moest het overschot van den
driemaster verstrooid, vernield en van de klip gescheurd hebben. Ook
moesten de inboorlingen, die de schipbreuken ruiken gelijk een gier een
lijk ruikt, het geringste overschot opgezameld hebben. En Harry Grant en
zijn beide lotgenooten, gevangen genomen op het oogenblik, dat de golven
hen op de kust wierpen, waren ongetwijfeld tot diep in het binnenland
meegesleept.
Maar dan verviel ook een van de schrandere gissingen van Jacques
Paganel. Zoo lang er sprake was van het argentijnsche gebied, kon de
aardrijkskundige met volle regt beweren, dat de cijfers van het document
betrekking hadden, niet op het tooneel van de schipbreuk maar op de
plaats der gevangenschap. De groote stroomen der Pampa, hun talrijke
zijtakken immers waren daar om het kostbare document naar zee te voeren.
Hier integendeel, in dit gedeelte van Australië, zijn maar weinig
stroomen, die de zeven en dertigste parallel snijden; bovendien vloeijen
de Rio-Colorado, de Rio-Negro door woeste, onbewoonbare en onbewoonde
kusten naar zee, terwijl de hoofdrivieren van Australië, de Murray, de
Yarra, de Torrens, de Darling, òf in elkander, òf in den Oceaan vallen
met monden, die druk bezochte reeden en havens geworden zijn, die een
levendige scheepvaart drijven. Hoe onwaarschijnlijk was het dus niet,
dat een brooze flesch met den stroom zulke druk bevaren rivieren had
kunnen afdrijven en den Indischen oceaan bereiken?
Die onmogelijkheid kon aan geen schrandere koppen ontgaan. De stelling
van Paganel, die in Patagonië, in de argentijnsche provinciën
aannemelijk was, zou dus in Australië onhoudbaar geweest zijn. Paganel
gaf dit toe in een gesprek, dat hierover door majoor Mac Nabbs werd
aangeknoopt. Het werd stellig zeker, dat de graden in het document
vermeld, alleen betrekking hadden op de plaats der schipbreuk, en dat
bij gevolg de flesch in zee geworpen was ter plaatse, waar de
_Britannia_ verging, op de westkust van Australië.
En toch sloot, zooals Glenarvan teregt opmerkte, deze laatste uitlegging
de gissing niet uit, dat kapitein Grant gevangen was. En liet deze het
ook niet in zijn document doorschemeren in deze belangrijke woorden:
"_waar zij gevangenen zullen zijn van wreede inboorlingen?_" Maar er
bestond geen enkele reden meer om de gevangenen liever op de zeven en
dertigste parallel dan op een andere te zoeken.
Nadat deze vraag lang besproken en ten laatste aldus opgelost was, kwam
men tot het volgende besluit: indien er bij kaap Bernouilli geen spoor
van de _Britannia_ te vinden was, zat er voor lord Glenarvan niets
anders op, dan naar Europa terug te keeren. Zijn nasporingen zouden
vruchteloos geweest zijn; maar hij had zijn pligt moedig en naauwgezet
betracht.
Niettemin werden de passagiers van het jagt er zeer door bedroefd, en
Mary en Robert Grant sloegen tot wanhoop over. Toen zij met lord en lady
Glenarvan, John Mangles, Mac Nabbs en Paganel aan land gingen, zeiden de
beide kinderen van den kapitein tot elkander, dat de vraag of hun vader
gered zou worden, thans onherroepelijk beslist zou worden.
Onherroepelijk mag men wel zeggen; want Paganel had in een vroeger
gesprek onwederlegbaar bewezen, dat de schipbreukelingen reeds sedert
lang in het vaderland terug zouden geweest zijn, indien hun vaartuig op
de klippen der oostkust was vergaan.
"Houd moed! houd moed! houd altijd moed!" herhaalde lady Helena telkens
aan het meisje, dat in het bootje, waarmede zij aan land gingen, naast
haar zat. "Gods hand zal ons niet loslaten!"
"Ja, miss Mary!" sprak kapitein John, "wanneer de mensch alle
menschelijke hulpmiddelen heeft uitgeput, komt de Hemel tusschen beiden
en opent hem, door een onvoorzien voorval, nieuwe wegen."
"God verhoore uw wensch, mijnheer John!" antwoordde Mary Grant.
De oever was nog maar een kabellengte ver; de kaap, die twee mijlen ver
in zee vooruitstak, liep hier in vrij zachte hellingen uit. Het bootje
voer een kleine door de natuur gevormde kreek binnen, tusschen nog
aangroeijende koraalbanken, die na verloop van tijd een gordel van
riffen op de zuidkust van Australië zullen vormen. Zooals zij daar
lagen, waren zij reeds in staat om de kiel van een schip te vernielen,
en de _Britannia_ kon daar ligt met man en muis zijn vergaan.
Zonder moeite landden de passagiers van de _Duncan_ op een geheel woeste
kust. Steile vlotgebergten vormden een kustlijn ter hoogte van zestig
tot tachtig voet. Het zou bezwaarlijk gegaan zijn om zonder ladders of
haken die natuurlijke gordijn te beklauteren. Gelukkig ontdekte John
Mangles zeer van pas een bres, die een halve mijl zuidelijker door een
gedeeltelijke instorting der steilte teweeg gebragt was. Gedurende de
hevige voor- en najaarsstormen beukte de zee ongetwijfeld dien wal van
brossen tufsteen, en veroorzaakte zoo den val der hoogere gedeelten van
het vaste gesteente.
Glenarvan en zijn reisgenooten drongen in de loopgraaf, en kwamen langs
een vrij steile helling op den top der rots. Als een jonge kat klauterde
Robert tegen een bijna loodregten rotswand op, en kwam zoo het eerst op
den hoogsten kam, tot groot verdriet van Paganel, die zich schaamde,
omdat zijn groote beenen van veertig jaar overwonnen werden door kleine
van twaalf. Toch was hij den bedaarden majoor, die zich volstrekt niet
haastte, ver vooruit.
Zoodra het gezelschap bijeen was, onderzocht men de vlakte, die zich
voor hun oog uitbreidde. Het was een uitgestrekte, onbebouwde streek,
met struikgewas en kreupelhout, een onvruchtbaar gewest, dat Glenarvan
vergeleek met de dalen der lage landen van Schotland en Paganel met de
onvruchtbare heidevelden van Bretagne. Maar, scheen die streek al langs
de kust onbewoond, in de verte bleek de tegenwoordigheid van den mensch,
niet van den wilde, maar van den arbeider, uit eenige gebouwen met een
goed voorkomen.
"Een molen!" riep Robert.
En inderdaad, drie mijlen voor hen uit draaiden de wieken van een molen.
"Ja, het is een molen," sprak Paganel, die zijn kostelijken verrekijker
op het aangewezen voorwerp gerigt had. "Het is een klein, even nederig
als nuttig gedenkteeken, welks gezigt mijn oog verrukt."
"Het lijkt haast een kerktoren," zeide lady Helena.
"Ja, mevrouw! en maalt de een het brood voor het ligchaam, de andere
maalt het brood voor de ziel. Uit dit oogpunt bezien, gelijken zij ook
op elkander."
"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan. Men ging op weg. Na een
half uur loopens zag de grond, door de hand des menschen bewerkt, er
geheel anders uit, de overgang van het onvruchtbare land tot het
bebouwde veld was plotseling. In plaats van kreupelhout omringden groene
hagen een pas ontgonnen stuk gronds; eenige runderen en een half dozijn
paarden graasden in de weiden, die omsloten waren door prachtige
acacia's, welke uit de groote boomkweekerijen van het Kangoeroe-eiland
gehaald waren. Allengs vertoonden zich akkers met graan bedekt, eenige
roeden gronds met gele korenaren bezaaid, eenige hooischelven, als
groote bijenkorven overeind gezet, boomgaarden met een frissche
omheining, een schoone tuin, Horatius waardig, waarin het aangename met
het nuttige vermengd was, vervolgens lootsen en behoorlijk ingerigte
woningen voor de dienstboden en ten laatste een eenvoudig en geriefelijk
huis, waarboven de aardige molen met zijn spitse kap uitstak, die door
de vlugtige schaduw zijner groote wieken werd geliefkoosd.
Op het geblaf van vier groote honden, die de komst der vreemdelingen
meldden, trad thans een man van een vijftig jaar met een vriendelijk
voorkomen uit het hoofdgebouw. Vijf flinke en sterke jongens, zijn
zoons, volgden hem met hun moeder, een groote en stevige vrouw.
Vergissing was hier niet mogelijk: die man, door zijn wakker gezin
omringd, in het midden van dien nog nieuwen aanleg, in dit bijna
maagdelijk gewest, was het volmaakte beeld van den ierschen kolonist,
die om de armoede in zijn land te ontgaan fortuin en geluk aan gene
zijde der zee is gaan zoeken.
Glenarvan en de zijnen hadden zich nog niet voorgesteld, zij hadden nog
geen tijd gehad om hun naam en betrekking op te geven, toen zij reeds
met deze hartelijke woorden begroet werden:
"Vreemdelingen! weest welkom in het huis van Paddy O'Moore."
"Zijt gij een Ier?" vroeg Glenarvan, de hand drukkende, die de kolonist
hem toestak.
"Ik ben het geweest," antwoordde Paddy O'Moore; "thans ben ik een
Australiër. Komt binnen, wie gij ook moogt zijn, heeren! en beschouwt
dit huis als het uwe."
Die gulle uitnoodiging werd natuurlijk zonder pligtplegingen aangenomen.
Lady Helena en Mary Grant volgden mistress O'Moore naar binnen, terwijl
de zoons van den kolonist de bezoekers van hun wapens ontlastten.
Een luchtige en heldere zaal besloeg de benedenverdieping van het huis,
dat van sterke op elkander gestapelde balken gebouwd was. Eenige houten
banken aan de met heldere kleuren beschilderde wanden vastgespijkerd,
een tiental schabellen, twee eikenhouten kisten, waarop wit aardewerk en
blinkende tinnen kannen pronkten, een breede en lange tafel, waaraan
twintig gasten met gemak konden zitten, maakten het huisraad uit, dat
volkomen overeenstemde met het stevige gebouw en de sterke bewoners.
Het middageten stond op tafel. De soepkom dampte tusschen het
ossengebraad en den schapenbout, omringd door groote schotels olijven,
druiven en oranje-appelen; het noodige was voorhanden en het overtollige
werd niet gemist. De gastheer en zijn vrouw noodigden zoo dringend, de
tafel zag er zoo uitlokkend uit, was zoo groot en zoo rijkelijk
voorzien, dat het onbetamelijk zou geweest zijn niet aan te zitten.
Reeds kwamen de knechts, de gelijken van hun baas, deelnemen aan den
maaltijd. Paddy O'Moore wees den vreemdelingen met de hand de eereplaats
aan.
"Ik wachtte u," zeide hij op een eenvoudigen toon tot lord Glenarvan.
"Gij?" antwoordde deze zeer verrast.
"Ik wacht altijd degenen, die komen," antwoordde de Ier.
Vervolgens deed hij op ernstigen toon, terwijl zijn gezin en de
dienstboden eerbiedig staan bleven, het katholieke gebed vóór den eten.
Lady Helena was diep geroerd door zulk een volmaakten eenvoud van zeden,
en een blik van haar man gaf haar te kennen, dat hij het evenzeer
bewonderde als zij.
Men deed de tafel eer aan. Het gesprek werd overal zeer levendig.
Tusschen een Schot en een Ier is de kennis spoedig gemaakt. De Clyde[1],
die maar eenige voeten breed is, delft een dieper gracht tusschen
Schotland en Engeland, dan het twintig uren breede Noorder-kanaal, dat
het oude Caledonië van het groene Erin scheidt. O'Moore vertelde zijn
geschiedenis. Het was die van al de landverhuizers, welke het gebrek uit
hun land jaagt. Velen komen in verre streken fortuin zoeken, die slechts
misrekeningen en rampen vinden. Zij beschuldigen het lot, maar vergeten
de schuld te geven aan hun onverstand, hun traagheid en hun ondeugden.
Wie matig en moedig, spaarzaam en braaf is, dien gaat het goed.
Zoo ook met Paddy O'Moore. Hij verliet Dundalk, waar hij van honger
stierf, trok met zijn gezin naar Australië, versmaadde het werk van den
goudgraver voor de minder onzekere vermoeijenissen van den landman, kwam
te Adelaïde aan wal, en begon twee maanden later zijn ontginning, die
thans zulke heerlijke vruchten afwierp.
Het geheele gebied van Zuid-Australië is in stukken verdeeld, die elk
tachtig acres [2] groot zijn. Die verschillende stukken worden door de
regeering aan de kolonisten afgestaan, en op ieder stuk kan een vlijtig
landman in zijn onderhoud voorzien en een zuiver bedrag van tachtig pond
sterling[3] uit zijn overwinst besparen.
Dat wist Paddy O'Moore. Zijn kennis van den landbouw kwam hem zeer te
stade. Hij leefde, hij spaarde, hij kreeg nieuwe stukken uit de
overwinst van het eerste. Het ging goed met zijn gezin en zijn
onderneming. De Iersche boer werd grondeigenaar, en hoewel hij er nog
geen twee jaar was, bezat hij reeds vijf honderd acres grond, die door
zijn zorgen vruchtbaar gemaakt waren, en vijf honderd stuks vee. Hij was
zijn eigen meester, na de slaaf der Europeërs geweest te zijn, en zoo
onafhankelijk als men slechts in het meest vrije land der wereld kan
zijn.
Zijn gasten beantwoordden dit verhaal van den Ierschen landverhuizer met
opregte en welgemeende gelukwenschingen. Paddy O'Moore wachtte zeker,
toen zijn verhaal uit was, dat zijn openhartigheid met gelijke
vertrouwelijkheid beantwoord zou worden, maar hij lokte ze niet uit. Hij
was een van die bescheidene menschen, die zeggen: Nu weet gij, wie ik
ben, maar ik vraag u niet, wie gij zijt. Glenarvan had er ook
regtstreeksch belang bij om over de _Duncan_, over zijn tegenwoordigheid
aan kaap Bernouilli, en over de nasporingen, die hij met stalen
volharding voortzette, te spreken. Maar als iemand, die regt op zijn
doel afgaat, ondervroeg hij eerst Paddy O'Moore betreffende de
schipbreuk der _Britannia_.
Het antwoord van den Ier was niet gunstig. Hij had nooit van dat schip
hooren spreken. Sedert twee jaren was er geen schip op de kust vergaan,
noch boven noch beneden de kaap. Die ramp nu was eerst vóór twee jaren
gebeurd. Hij kon dus op de stelligste wijze verzekeren, dat de
schipbreukelingen niet op dit gedeelte der westkust geworpen waren.
"En nu, mylord!" voegde hij er bij, "zou ik wel willen weten welk belang
gij er bij hebt om mij die vraag te doen?"
Nu vertelde Glenarvan den kolonist de geheele geschiedenis van het
document, de reis van het jagt, de pogingen reeds aangewend om kapitein
Grant terug te vinden; hij verzweeg niet, dat zijn vurigste hoop
vernietigd werd door zulke stellige verzekeringen, en dat hij wanhoopte,
ooit de schipbreukelingen der _Britannia_ terug te vinden.
Zulk een gezegde moest een smartelijken indruk teweegbrengen op de
hoorders van Glenarvan. Robert en Mary luisterden in tranen zwemmende
toe, Paganel vond geen woord om hen te troosten en hun moed in te
boezemen. John Mangles leed onuitsprekelijk. Reeds maakte de wanhoop
zich meester van de ziel dier wakkere mannen, welke de _Duncan_ te
vergeefs naar die verre stranden gevoerd had, toen deze woorden klonken:
"Mylord! loof en dank God! Wanneer kapitein Grant nog leeft, leeft hij
hier in Australië!"
[1] De rivier, die Schotland van Engeland scheidt.
[2] Een acre is 40 vierkante roeden ruim.
[3] _fl_ 960.