Onstuimig weer op den Indischen oceaan.
Twee dagen na dit gesprek deelde John Mangles, die ten 12 ure het bestek
had opgemaakt, mede, dat de _Duncan_ op 113°87' lengte was. De
passagiers raadpleegden de kaart en zagen tot hunne groote blijdschap
dat ze naauwelijks vijf graden van Bernouilli af waren. Tusschen deze
kaap en den hoek van Entrecasteaux beschrijft de australische kust een
boog, dien de zeven en dertigste parallel onderspant. Als de _Duncan_ nu
koers had gezet naar den evenaar, zou zij spoedig kaap Chatham bereikt
hebben, die honderd twintig mijlen ten noorden van haar bleef; zij
bevond zich thans in dat gedeelte der Indische zee, dat door het
vastland van Australië beschut wordt. Derhalve mogt men de hoop
koesteren, dat binnen vier dagen kaap Bernouilli aan den gezigteinder
zou opduiken.
Tot nog toe had de westewind de vaart van het jagt begunstigd; maar
sedert eenige dagen toonde hij een neiging om te minderen; langzamerhand
ging hij tot windstilte over, tot hij den 18den December eindelijk
geheel ging liggen, en de zeilen slap neerhingen. Zonder haar sterke
schroef zou de _Duncan_ door de windstilte op dezelfde plaats van den
oceaan bewegingloos zijn blijven liggen.
Deze toestand van den dampkring kon, wie weet hoe lang, aanhouden. 's
Avonds sprak Glenarvan daarover met John Mangles. De jeugdige kapitein,
die de kolenhokker duchtig zag minderen, scheen zeer teleurgesteld door
die windstilte. Hij had alle zeilen bijgezet, zijn lij- en stagzeilen
aangeslagen om van het geringste zuchtje voordeel hebben; maar, naar het
zeggen der matrozen, was er geen hoedvol wind.
"En toch moeten wij niet al te sterk klagen," zeide Glenarvan; "geen
wind is beter dan tegenwind."
"Uwe Edelheid heeft gelijk," antwoordde John Mangles; "maar juist die
windstilten hebben doorgaans verandering van weer ten gevolge. Daarom
ben ik er ook bang voor; wij bevinden ons op de grens der moussons[1],
die van October tot April uit het noordoosten waaijen, en als wij ze
maar een beetje tegenkrijgen, zal onze vaart daardoor zeer vertraagd
worden."
"Wat zullen wij er aan doen, John? als die tegenspoed ons overviel,
zouden wij ons er aan moeten onderwerpen. Het zou in allen gevallen maar
een oponthoud zijn."
"Althans wanneer er geen storm bijkwam."
"Zijt gij beducht voor slecht weer?" vroeg Glenarvan, den hemel
onderzoekende, die toch van den gezigteinder tot aan het toppunt geheel
onbewolkt scheen.
"Ja," antwoordde de kapitein, "Uwe Edelheid wil ik het wel zeggen, maar
ik zou lady Glenarvan of miss Grant geen schrik willen aanjagen."
"Daar doet gij zeer wijs aan. Wat is er gaande?"
"Er zijn stellige voorteekens van ruw weder. Vertrouw niet op het
voorkomen der lucht, mylord! niets is bedriegelijker. Sedert twee dagen
daalt de barometer op een verontrustende manier; thans staat hij op drie
en zeventig duim[2]; het is een waarschuwing, die ik niet in den wind
mag slaan. Vooral ben ik zeer bevreesd voor de woede der zuidelijke
zeeën, waarmede ik reeds eens kennis heb gemaakt. De dampen, die boven
de onmetelijke ijsvelden der Zuidpool verdigt worden, brengen een
ontzettend geweldigen luchtstroom te weeg. Daaruit ontstaat een
worsteling tusschen de poolwinden en die van den evenaar, die het
aanzijn geeft aan de cyclonen, de tornado's en die talrijke
verscheidenheden van stormen, een worsteling, waarin een schip het
voordeel niet aan zijn zijde heeft."
"John!" antwoordde Glenarvan, "de _Duncan_ is een stevig schip, zijn
kapitein een bekwaam zeeman. Wanneer de storm komt, zullen wij ons
behoorlijk verdedigen."
Toen John Mangles zijn vrees openbaarde, handelde hij in overeenstemming
met zijn zeemans-instinct. Hij is een bekwaam "weerkenner," zoo noemen
de Engelschen dengenen, die acht geeft op het weder. De aanhoudende
daling van den barometer deed hem op zijn schip alle noodige voorzorgen
nemen. Hij verwachtte een hevigen storm, al was er nog niets aan de
lucht te zien, maar zijn onfeilbaar instrument kon hem niet bedriegen;
de luchtstroomen komen van de plaatsen, waar de kwikzuil hoog staat,
naar die waar zij daalt; hoe digter die plaatsen bij elkander liggen,
hoe spoediger het evenwigt in de luchtlagen hersteld wordt en hoe
grooter de snelheid van den wind is.
Den geheelen nacht bleef John op het dek. Tegen elf ure betrok de lucht
in het zuiden. John liet al zijn volk boven komen en zijn kleine zeilen
strijken; hij liet alleen zijn fokkezeil, zijn groote bezaan, zijn
marszeil en zijn kluiver staan. Tegen middernacht wakkerde de wind aan.
Het woei een gereefde marszeilskoelte, dat wil zeggen, de luchtdeeltjes
werden met een snelheid van zes en dertig voet in de seconde
voortgestuwd; het gekraak der masten, het slaan van het loopend want,
het helder geraas, dat de killende zeilen maakten, het stenen der
binnenste beschotten, verwittigden de passagiers van hetgeen zij nog
niet wisten. Paganel, Glenarvan, de majoor, Robert, verschenen op het
dek, de een om de handen uit de mouw te steken, de ander uit
nieuwsgierigheid. Aan den hemel, dien zij kort te voren helder en met
sterren bezaaid hadden gezien, dreven thans donkere wolken, van elkander
gescheiden door gevlekte strepen als de huid van een luipaard.
"De orkaan?" vroeg Glenarvan bedaard aan John Mangles.
"Nog niet, maar ophanden," antwoordde de kapitein.
Nu gaf hij bevel om het onderste rif van het marszeil in te nemen. De
matrozen klommen langs de weeflijnen op en niet zonder moeite
verminderden zij de oppervlakte van het zeil door de rifseisings er
omheen te draaijen op de gestreken ra. John Mangles wilde zooveel zeil
mogelijk blijven voeren om het jagt te steunen en het stampen te
verminderen.
Na het nemen van die voorzorgen gaf bij aan Austin en den schipper de
noodige bevelen om den aanval van den orkaan af te weren, die weldra zou
losbarsten. De krabbers van de sloepen en de sjortouwen van het waarloos
rondhout werden verdubbeld, de zijtalies van het kanon versterkt, het
want en de pardoens aangehaald, de luikgaten digtgespijkerd. Als een
officier op de kruin van een bres, week John niet van de loefzijde, en
op de kampanje staande poogde hij dien stormachtigen hemel zijn geheimen
af te persen.
Op dit oogenblik was de barometer tot zeventig duim gedaald, hetgeen
zelden plaats heeft en het stormglas[3] wees storm aan.
Het was één uur na middernacht. Vreeselijk in haar hut geslingerd,
waagden lady Helena en miss Grant het om op het dek te komen. De wind
had nu een snelheid van vier en tachtig voet in de seconde. Hij floot
met ontzettend geweld door het staande want. Die metalen snaren, gelijk
aan die van een instrument, klonken alsof een reusachtige strijkstok ze
snel deed trillen; de blokken sloegen tegen elkander, de touwen liepen
met schel geluid over de takels; de zeilen klapperden zoo hevig, alsof
er een kanon werd afgevuurd; ontzettende golven liepen reeds op het jagt
aan, dat als een ijsvogel op haar schuimenden rug danste.
Zoodra kapitein John de dames bespeurde, ging hij snel naar haar toe en
verzocht haar weer in de kampanje te gaan; eenige zware golven stonden
reeds op het dek, dat ieder oogenblik schoongeveegd kon worden. Het
geweld der elementen was nu zoo hevig, dat lady Helena den jongen
kapitein naauwelijks verstond.
"Er is toch geen gevaar?" kon zij hem echter nog vragen, toen het weer
voor een oogenblik wat bedaarde.
"Volstrekt niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "maar gij kunt
evenmin als miss Mary op het dek blijven."
Lady Glenarvan en miss Grant verzetten zich niet tegen een bevel, dat op
een verzoek geleek, en traden juist onder de kampanje, toen een golf,
die boven het hek aan den achtersteven brak, de ruiten der kap deed
schudden. Thans verdubbelde het geweld van den wind; de masten bogen
onder de spanning der zeilen, en het jagt scheen op de golven te dansen.
"Geit het fokkezeil!" riep John Mangles; "strijkt het marszeil en de
kluivers!"
De matrozen snelden naar hun post in het want; de vallen werden
opgestoken, de geitouwen aangehaald en de kluivers gestreken met een
geraas, dat het rumoer van den wind overstemde, en de _Duncan_, wier
schoorsteen ontzaggelijke wolken zwarten rook uitbraakte, sloeg de zee
onregelmatig met de bladen harer schroef, die slechts somtijds onder
water waren.
Met een mengsel van bewondering en schrik sloegen Glenarvan, de majoor,
Paganel en Robert die worsteling der _Duncan_ met de golven gade; zij
klemden zich stevig vast aan de leuning der verschansing zonder een
enkel woord te kunnen wisselen, en staarden naar de troepen stormvogels,
die droevige boden der stormen, die in de losgelaten winden
ronddartelden.
Daar deed zich op eens een oorverdoovend gefluit boven het rumoer van
den storm hooren. De stoom ontsnapte met geweld, niet uit de af
blaaspijp, maar uit de kleppen van den stoomketel; het alarmfluitje
klonk met ongewone kracht; het jagt viel op zij en Wilson, die aan het
rad stond, werd door een onvoorzienen slag van de roerpen omvergeworpen.
De _Duncan_ lag dwars tusschen zeeën en luisterde niet meer naar stuur.
"Wat gebeurt daar?" riep John Mangles het bruggetje haastig oploopende.
"Het schip valt op zij!" antwoordde Tom Austin.
"Is het roer ontredderd?"
"Naar de machine! naar de machine!" klonk de stem van den machinist.
John ijlde naar de machine en gleed langs de ladder af; de kamer was vol
damp; de zuigers zaten onbewegelijk in de cilinders; de hefboomen
bragten de beweging niet tot de liggende as over. Nu sloot de machinist,
ziende dat alle pogingen vergeefsch waren en voor zijn stoomketels
vreezende, den toevoer af en liet de stoom ontsnappen.
"Wat is er toch gaande?" vroeg de kapitein.
"De schroef is gebroken of zit vast, en werkt niet meer," antwoordde de
machinist.
"Wat? is het onmogelijk haar los te krijgen?"
"Onmogelijk."
Er was nu geen tijd om dit ongeval te herstellen, het feit stond vast;
de schroef kon niet werken, en de stoom, die geen dienst meer deed, was
door de kleppen ontsnapt. John moest dus tot de zeilen zijn toevlugt
nemen, en een bondgenoot zoeken in denzelfden wind, die zijn
gevaarlijkste vijand geworden was.
Hij ging weer naar boven en deelde in een paar woorden het voorgevallene
aan lord Glenarvan mede; waarna bij er op aandrong, dat deze met de
andere passagiers in de kampanje zou gaan. Glenarvan wilde op het dek
blijven.
"Neen, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles met vaste stem, "ik moet
hier alleen met het scheepsvolk blijven. Ga naar binnen! Het schip kan
overzij geworpen worden en de golven zouden u zonder genade meenemen."
"Maar wij kunnen van dienst wezen...."
"Ga heen, mylord! ga heen! gij moet! er zijn omstandigheden, waarin ik
meester ben aan boord! Ga heen, ik wil het!"
Wel moest de toestand bedenkelijk zijn, anders zou John Mangles niet op
zulk een toon van gezag spreken. Glenarvan begreep, dat het zijn pligt
was het voorbeeld van gehoorzaamheid te geven. Hij verliet dus het dek,
door zijn drie reisgenooten gevolgd, en vervoegde zich bij de beide
dames, die vol angst den afloop dier worsteling met de elementen
afwachtten.
"Een krachtig man, die wakkere John!" zeide Glenarvan, toen hij de hut
binnentrad.
"Ja," antwoordde Paganel, "hij heeft mij doen denken aan dien
hoogbootsman van uw grooten Shakespeare, die in het stuk "de storm" den
koning, dien hij aan boord heeft, toeroept:
"Van hier! Stilte! Naar uwe hutten! Kunt gij dien elementen het zwijgen
niet opleggen, Zwijgt gij dan! Gaat uit den weg, zeg ik u!"
Intusschen had John Mangles geen seconde verzuimd om zijn schip uit den
neteligen toestand te redden, waarin het door het vastraken van de
schroef verkeerde. Hij besloot bij te leggen, om zoo weinig mogelijk van
zijn weg af te wijken; het kwam er dus op aan zeil te behouden en schuin
te brassen, om dwars van den storm te liggen. Het marszeil werd
digtgeslagen en het roer aan lij gelegd.
Het jagt, dat een uitstekend zeebouwer was, gehoorzaamde als een vlug
ros, dat de sporen voelt, en bood de zijde aan de hooge golven. Zou dat
weinige zeil sterk genoeg zijn? Het was wel van het beste Dundee-doek
gemaakt; maar welk weefsel is tegen zulk een geweld bestand?
Dat bijleggen had het voordeel, dat het jagt zijn stevigste gedeelten
aan de golven aanbood en dat het zijn oorspronkelijken koers behield.
Toch was die beweging niet zonder gevaar, want het schip kon in die
onmetelijke golfdalen reddeloos verloren gaan. Maar John Mangles had
geen keus, en hij besloot te blijven bijleggen, zoolang masten en zeilen
niet naar beneden kwamen. Het scheepsvolk was bij de hand en gereed om
te gaan, waar zijn tegenwoordigheid noodig mogt zijn. John hield zich
aan het want vast en wendde het oog niet van de verbolgen zee af.
In dezen toestand verliep verder de nacht. Men hoopte, dat de storm met
het aanbreken van den dag verminderen zou. IJdele hoop! 's Morgens tegen
acht ure woei het nog meer dan een storm en ging de wind, met een
snelheid van honderd acht voeten in de seconde tot een orkaan over.
John zeide niets, maar hij beefde voor zijn schip en degenen, die er op
waren. De _Duncan_ viel vreeselijk op zij; de berkoenen kraakten, en
soms raakte de fokkezeilspieren de kruin der golven. Een oogenblik dacht
de bemanning niet anders of het jagt zou niet meer overeind rijzen.
Reeds stonden de matrozen met de bijl in de hand gereed om het want van
den grooten mast los te hakken, toen de zeilen uit de lijken waaiden en
als reusachtige albatrossen wegvlogen.
De _Duncan_ rees weer overeind; maar zonder steun op de golven, zonder
stuur, werd zij zoo vreeselijk geslingerd, dat de masten tot in hun
spoorgat dreigden te breken. Zulk een vreeselijke deining kon ze niet
lang uithouden, ze stampte tot in het bovenschip toe, en weldra zouden
de uitgeweken buitenhuid, de opengesprongen naden, een vrijen toegang
aan de golven verleenen.
Nog een middel schoot er voor John Mangles over: een stormfok aan te
slaan en het voor den wind te houden. Na een arbeid van verscheidene
uren, die twintigmaal vernield werd, eer hij voltooid was, gelukte het
hem. Eerst 's namiddags ten drie ure kon de stormfok op de fokkestag
geheschen en aan de kracht van den wind blootgesteld worden.
Met dit stukje doek liet de _Duncan_ zich nu voortzweepen en liep zij
met onberekenbare snelheid voor den wind. De storm dreef haar thans naar
het noordoosten. Het was zaak de grootst mogelijke snelheid te behouden;
want daarvan alleen was redding te wachten. Soms was zij de golven
vooruit, die haar droegen, sneed ze met haar spitsen voorsteven, dook
onder als een ontzaggelijk walvischaardig dier en liet het geheele dek
van voren naar achteren schoonvegen. Dan weer was haar snelheid aan die
der golven gelijk, het roer werkeloos, en gierde ze zoo, dat het te
vreezen stond, dat ze omgeworpen zou worden. Eindelijk gebeurde het ook
wel, dat de golven, door den orkaan voortgezweept, sneller liepen dan
het schip; dan sloegen ze over den spiegelboog en veegden het dek met
onweerstaanbare kracht van achteren naar voren schoon.
In dien benaauwden toestand, tusschen hoop en radeloosheid geslingerd,
verliepen de dag van den 15den December en de volgende nacht. John
Mangles week geen oogenblik van zijn post; hij nuttigde niets; hij werd
door den angst gefolterd, dien zijn strak gelaat niet wilde verraden, en
onvermoeid trachtte zijn blik door de nevelen, die in het noorden
zamenpakten, heen te dringen.
En wel mogt hij vreezen. De _Duncan_ uit haar koers gedreven, stormde in
ontembare vaart naar de australische kust. Alleen uit instinct gevoelde
John Mangles ook, dat hij met de snelheid van den bliksem werd
voortgejaagd. Ieder oogenblik duchtte hij op een klip te stooten, waarop
het jagt in duizend brokken zou verbrijzeld zijn. Hij berekende, dat de
kust geen twaalf mijlen lijwaarts kon verwijderd zijn. En het land is de
schipbreuk, de ondergang van een vaartuig. Honderdmaal verkieslijker nog
is de onmetelijke Oceaan, tegen wiens woede een schip zich ten minste
verdedigen kan, al is het ook door mede te gaan. Maar werpt de storm het
op de kust, dan is het verloren.
John Mangles ging lord Glenarvan opzoeken en sprak met hem onder vier
oogen: hij legde hem het gevaar van hun toestand onbewimpeld bloot, dien
hij met de koelbloedigheid van een zeeman, die op alles voorbereid is,
onder de oogen zag, en besloot met te zeggen, dat hij misschien de
_Duncan_ op het strand zou moeten zetten.
"Om degenen, die aan boord zijn, te redden, als het mogelijk is,
mylord!"
"Ga uw gang, John!" antwoordde Glenarvan.
"En lady Helena? miss Grant?"
"Ik zal ze eerst in het laatste oogenblik er van verwittigen, wanneer
alle hoop vervlogen is van zee te houwen. Gij zult mij waarschuwen."
"Ik zal u waarschuwen, mylord!"
Glenarvan keerde terug naar de dames, die, al kenden zij den geheelen
omvang van het gevaar niet, toch wel gevoelden, dat het dreigend was.
Zij legden grooten moed aan den dag, althans niet minder dan haar
reisgenooten. Paganel had het druk met thans zeer ongelegen komende
theoriën over de rigting der luchtstroomingen, en hield voor Robert, die
naar hem luisterde, belangrijke vergelijkingen tusschen de tornado's, de
cyclonen en de regtlijnige stormen. Wat den majoor betreft, deze wachtte
met al de bedaardheid van een Muzelman het einde af.
Tegen elf ure scheen de orkaan wat te bedaren; de vochtige nevelen
verdeelden zich en bij een kortstondigen lichtstraal kon John zes mijlen
te lijwaart een lage kust zien, waarop hij regt aanhield. Monsterachtige
golven braken op een ontzettende hoogte, van wel vijftig voeten en meer.
John begreep, dat zij daar een steunpunt vonden, anders konden zij zoo
hoog niet op elkander stapelen.
"Daar zijn zandbanken," zeide bij tot Austin.
"Dat geloof ik ook," antwoordde de stuurman.
"Wij zijn in Gods hand," hernam John; "wanneer Hij de _Duncan_ geen
toegankelijke doorvaart opent en ze er zelf niet invoert, zijn wij
verloren."
"Het is juist vloed, kapitein! welligt zullen wij over die banken heen
kunnen komen."
"Maar zie toch eens, Austin! hoe groot de woede der golven is! Welk
schip zou daartegen bestand zijn! Laten wij God om zijn bijstand
smeeken, mijn vriend!"
Intusschen liep de _Duncan_ onder haar stormfok met ontzettende vaart op
de kust aan. Weldra was ze nog maar twee mijlen van den buitenrand der
baai. Toch meende John aan gene zijde van dien schuimenden rand een
bedaarder bekken te ontwaren. Daar zou de _Duncan_ betrekkelijk veilig
geweest zijn. Maar hoe daar te komen?
John liet zijn passagiers op het dek komen; hij wilde niet, dat zij, nu
de schipbreuk ophanden was, in de kampanje opgesloten zouden blijven.
Glenarvan en zijne reisgenooten lieten het oog over de verbolgen zee
gaan. Mary Grant verbleekte.
"John!" fluisterde Glenarvan den jeugdigen kapitein in, "ik zal pogen
mijn vrouw te redden of met haar omkomen. Zorg gij voor miss Grant."
"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, terwijl hij de hand van den
lord aan zijn vochtige oogen bragt.
De _Duncan_ was nog maar eenige kabellengten van den voet der banken af.
Daar het juist vloed was, zou de zee ongetwijfeld genoeg water onder de
kiel van het jagt hebben gelaten om het over die gevaarlijke ondiepte
heen te tillen. Maar de hemelhooge golven, het zoo beurtelings
opligtende en wegvloeijende, zouden het onfeilbaar met het achtereind op
den grond doen stooten. Bestond er dan geen middel om de beweging dier
baren te verminderen, het over elkander glijden harer vloeibare deeltjes
gemakkelijk te maken, in een woord om die onstuimige zee te doen
bedaren?
Daar viel John Mangles nog een laatste gedachte in.
"De traan!" riep hij; "kinderen! giet traan! giet traan!"
Al het scheepsvolk begreep terstond wat hij wilde. Hij wilde een middel
beproeven, dat soms slaagt; de woede der golven bedaart, als men ze met
een laag olie bedekt; die laag drijft boven en vernietigt den schok van
het water, dat ze glad maakt. Het middel werkt onmiddellijk, maar kort;
zoodra een schip die kunstmatige zee achter zich heeft, verdubbelt haar
woede, en ongelukkig het vaartuig, dat het volgen wil![4].
De vaten met den voorraad robbentraan werden door de matrozen, wier
krachten het gevaar verhonderdvoudigde, op de voorplecht geheschen; daar
werden zij met bijlen stukgeslagen en aan stuur- en bakboord boven de
verschansing opgehangen.
"Houdt ze goed vast!" riep John Mangles, die het gunstige oogenblik
afwachtte.
In twintig seconden was het jagt aan den ingang van het vaarwater, dat
door een brullenden voorvloed werd versperd. Nu was het tijd om te
handelen.
"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.
De vaten werden omgekanteld, en stroomen traan vloeiden er uit.
Oogenblikkelijk maakte de olielaag de schuimende oppervlakte der zee om
zoo te zeggen effen. De _Duncan_ vloog over het stille water, en was
weldra in een rustig bekken, aan gene zijde der geduchte banken, terwijl
de oceaan, van zijn boeijen ontslagen, achter haar met onbeschrijfelijke
woede raasde.
[1] Winden, die met buitengewone hevigheid in den Indischen oceaan
heerschen. Hun rigting is niet bestendig; zij wisselt af met de
jaargetijden, en de zomermoussons zijn in het algemeen aan de
wintermoussons tegengesteld.
[2] De gewone hoogte der kwikkolom is 76 duim.
[3] Glazen met een scheikundig mengsel gevuld, welks voorkomen verandert
volgens de rigting van den wind en de elektrieke spankracht van den
dampkring. De beste worden vervaardigd door Negretti en Zambra, optische
instrumentmakers der britsche marine.
[4] Daarom verbieden de reglementen den kapiteins het gebruik van dit
wanhopige middel, wanneer een ander vaartuig hen onmiddellijk volgt.