IV.

De weddenschappen van Jacques Paganel en majoor Mac Nabbs.

Ten drie ure in den morgen van den 7den December had de _Duncan_ reeds

stoom op; de manschappen liepen in het spil; het anker kwam regt onder

het schip, verliet den zandgrond der kleine haven en werd naar den

ankerbalk opgeheschen; de schroef raakte in beweging en het jagt stak in

zee. Toen de passagiers ten acht ure op het dek kwamen, verdween het

eiland Amsterdam in de nevelen van den gezigteinder. Het was de laatste

pleisterplaats op den weg van de zeven en dertigste parallel, en niet

meer dan drie duizend mijlen[1] scheidden het van de australische kust.

Als de westewind nog een dag of twaalf aanhield en de zee gunstig bleef,

zou de _Duncan_ het doel harer reis bereiken.

Mary Grant en Robert zagen niet zonder aandoening die golven, welke de

_Britannia_ ongetwijfeld weinige dagen voor zij verging kliefde. Welligt

worstelde daar kapitein Grant met een reeds ontredderd schip en gedunde

bemanning tegen de vreeselijke orkanen der Indische zee, en werd hij met

onweerstaanbare kracht naar de kust gedreven. John Mangles wees het

meisje de stroomen, die op de zeekaart aangeteekend staan, en verklaarde

haar hun bestendige rigting. Zoo voert er o.a. een, de zijdelingsche

strooming van den Indischen oceaan, naar het vastland van Australië, en

haar werking doet zich van het westen naar het oosten niet minder in de

Stille Zuidzee voelen dan in den Atlantischen oceaan. Dus moest de

_Britannia_, masteloos en niet meer naar het roer luisterende, dat wil

zeggen weerloos tegen het geweld van water en wind, wel op de kust

loopen en er vergaan.

Hier deed zich echter een zwarigheid op. De laatste berigten van

kapitein Grant waren, volgens de _Mercantile and Shipping Gazette_, uit

Callao, van den 30sten Mei 1862. Hoe kon nu de _Britannia_ den 7den

Junij, acht dagen na het verlaten van de kust van Peru, in de Indische

zee zijn? Toen men Paganel hierover raadpleegde, gaf hij een zeer

aannemelijk antwoord, waarmede de ongeloovigsten genoegen hadden kunnen

nemen.

Het was in den avond van den 12den December, zes dagen na het vertrek

van het eiland Amsterdam. Lord en lady Glenarvan, Robert en Mary Grant,

kapitein John, Mac Nabbs en Paganel praatten op de kampanje. Als

gewoonlijk sprak men over de _Britannia_, want men dacht aan niets

anders. Nu werd juist de bovengenoemde zwarigheid toevallig geopperd,

waarvan het onmiddellijk gevolg was, dat de hoop, dien allen op dezen

weg gevestigd hadden, verminderde.

Bij deze onverwachte opmerking van Glenarvan zag Paganel driftig op.

Zonder een woord te spreken ging hij nu het document halen. Toen hij

terugkwam, vergenoegde hij zich met de schouders op te halen, als iemand

die zich schaamt, dat hij een oogenblik voor "zulk een beuzeling"

gestaan heeft.

"Dat is nu goed en wel, waarde vriend!" zeide Glenarvan, "maar geef ons

ten minste een antwoord."

"Neen!" antwoordde Paganel, "ik zal liever een vraag doen en wel aan

kapitein John."

"Spreek op, mijnheer Paganel!" zeide John Mangles.

"Kan een goed zeiler in een maand het gedeelte van de Stille Zuidzee

oversteken, dat tusschen Amerika en Australië ligt?"

"Ja, als hij in een etmaal twee honderd mijlen aflegt."

"Is dat buitengewoon snel?"

"Volstrekt niet. De zeilclippers bereiken dikwijls een nog aanzienlijker

snelheid."

"Welnu," hernam Paganel, "vooronderstel, in plaats van "7 Junij" op het

document te lezen, dat de zee een cijfer van die dagteekening heeft

uitgewischt en lees "17 Junij" of "27 Junij," en alles is opgehelderd."

"Inderdaad," sprak lady Helena, "van den 31sten Mei tot den 27sten

Junij...."

"Heeft kapitein Grant de Stille Zuidzee kunnen oversteken en in den

Indischen oceaan zijn!"

Dit besluit, dat Paganel daaruit opmaakte, werd met een levendig gevoel

van tevredenheid begroet.

"Nu is er, dank zij onzen vriend, alweer iets opgehelderd!" zeide

Glenarvan. "Wij behoeven dus eenvoudig Australië te bereiken en het

spoor van de _Britannia_ op de westkust te zoeken."

"Of op de oostkust," meende John Mangles.

"Ja waarlijk, gij hebt gelijk, John! Het document bevat niet de

geringste aanwijzing, dat de ramp veeleer op de west- dan op de oostkust

heeft plaatsgehad. Wij zullen derhalve onze nasporingen moeten

uitstrekken tot die beide punten, waar de zeven en dertigste parallel

Australië snijdt."

"Bestaat er dan eenige twijfel dienaangaande, mylord?" vroeg het meisje.

"O neen, miss!" haastte John Mangles zich te antwoorden, die deze vrees

van Mary Grant wenschte te verdrijven. "Zijn Lordschap zal wel willen

toestemmen dat, wanneer kapitein Grant op de oostkust van Australië aan

land was gekomen, hij bijna terstond hulp en bijstand zou gevonden

hebben. Die geheele kust is om zoo te zeggen engelsch en met kolonisten

bevolkt. De bemanning der _Britannia_ behoefde geen tien mijlen

landwaarts in te gaan om landgenooten te vinden."

"Juist zoo, kapitein John!" sprak Paganel. "Ik ben het met u eens. Op de

oostkust, in de Twofold-baai, in het stadje Eden, zou Harry Grant niet

alleen een toevlugtsoord in een engelsche kolonie gevonden hebben; maar

het zou hem ook niet aan vervoermiddelen ontbroken hebben om naar Europa

terug te keeren."

"Hebben dan," vroeg lady Helena, "de schipbreukelingen niet dezelfde

hulpmiddelen kunnen vinden in dat gedeelte van Australië, waarheen de

_Duncan_ ons brengt?"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Die kust is onbewoond. Zij heeft

niet de minste gemeenschap met Melbourne of Adelaïde. Als de _Britannia_

op de riffen, die haar omzoomen, vergaan is, heeft het der bemanning

even goed aan hulp ontbroken, alsof ze verbrijzeld was op de

onherbergzame stranden van Afrika."

"Maar wat is er dan in die twee jaren van mijn vader geworden?" vroeg

Mary Grant.

"Lieve Mary!" antwoordde Paganel, "gij houdt u toch zeker overtuigd, dat

kapitein Grant na zijn schipbreuk de australische kust bereikt heeft?"

"Ja, mijnheer Paganel!" verzekerde het meisje.

"Welnu, wat kan er met kapitein Grant, eenmaal aan land zijnde, gebeurd

wezen? Hier is geen ruim veld voor gissingen. Zij bepalen zich tot een

drietal. Harry Grant en zijn makkers hebben òf de engelsche koloniën

bereikt, òf zij zijn in de handen der inboorlingen gevallen, òf

eindelijk ze zijn verdwaald in de onmetelijke woestenijen van

Australië."

Paganel zweeg, en trachtte in de oogen zijner toehoorders een

goedkeuring van zijn stelsel te lezen.

"Ga voort, Paganel!" zeide lord Glenarvan.

"Vooreerst dan," vervolgde hij, "verwerp ik de eerste gissing. Harry

Grant heeft de engelsche koloniën niet kunnen bereiken, want dan was

zijn redding zeker en zou hij reeds sedert lang bij zijn kinderen in

zijn goede stad Dundee geweest zijn."

"Arme vader!" jammerde Mary Grant, "nu is hij reeds twee jaren van ons

gescheiden!"

"Laat mijnheer Paganel toch uitspreken, zuster!" zeide Robert, "hij zal

ons zeggen...."

"Helaas, neen! mijn jongen! al wat ik stellig kan zeggen is, dat

kapitein Grant gevangen is bij de Australiërs of...."

"Maar die inboorlingen?" vroeg lady Glenarvan driftig, "zij zijn...?"

"Stel u gerust, mevrouw!" antwoordde de geleerde, die de bedoeling van

lady Helena vatte, "die inboorlingen zijn wild, verdierlijkt, op het

laagste standpunt van menschelijke ontwikkeling; maar hun zeden zijn

zacht, en niet bloeddorstig gelijk die hunner buren op Nieuw-Zeeland.

Wanneer zij de schipbreukelingen der _Britannia_ gevangen hebben

genomen, kunt gij mij op mijn woord gelooven, dat zij hun leven nooit

bedreigd hebben. Alle reizigers zijn het hierover eens, dat de

Australiërs een afkeer hebben van bloedvergieten en menigmaal hebben zij

in hen getrouwe bondgenooten gevonden om den aanval af te slaan van heel

wat wreeder benden gedeporteerden."

"Gij hoort, wat mijnheer Paganel zegt," hernam lady Helena zich tot Mary

Grant wendende. "Ingeval uw vader, en het document geeft aanleiding om

het te denken, in handen der inboorlingen is, zullen wij hem

terugvinden...."

"En wanneer hij in dat onmetelijke land verdwaald is?" sprak het meisje,

Paganel met haar blikken ondervragende.

"Ook dan," riep de aardrijkskundige vol vertrouwen uit, "zullen wij hem

terugvinden! Niet waar, vrienden?"

"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan, die een vrolijker wending aan

het gesprek wilde geven. "Ik geef niet toe, dat men verdwalen kan...."

"Ik ook niet," voegde Paganel er bij.

"Is Australië groot?" vroeg Robert.

"Australië, mijn jongen! is zoo wat zeven honderd vijf en zeventig

millioenen bunders groot, dat is vier vijfden van Europa."

"Zoo groot?" vroeg de majoor.

"Ja, Mac Nabbs! tot op een el na naauwkeurig. Gelooft gij nu, dat zulk

een land aanspraak heeft op de benaming van "vastland," die het document

er aan geeft?"

"Zeker, Paganel!"

"Ik voeg hier nog bij," ging de geleerde voort, "dat er weinig reizigers

bekend zijn, die in dat uitgestrekte land verdwaald zijn. Ik geloof

zelfs, dat Leichardt de eenige is, wiens lot onbekend is, en kort voor

mijn vertrek heb ik nog in de Maatschappij van aardrijkskunde gehoord,

dat Mac Intyre meende hem op het spoor te zijn."

"Is Australië niet in alle rigtingen doorkruist?" vroeg lady Glenarvan.

"Neen, mevrouw! daar scheelt heel wat aan!" antwoordde Paganel. "Dit

vastland is even weinig bekend als de binnenlanden van Afrika, en toch

niet uit gebrek aan ondernemende reizigers. Van 1606 tot 1862 hebben

zich meer dan vijftig, zoowel in het binnenland als aan de kusten, met

het onderzoek van Australië bezig gehouden."

"O, vijftig!" zeide de majoor met een twijfelende houding.

"Ja, Mac Nabbs! zooveel. Ik bedoel daarmede zoowel de zeelieden, die de

australische kusten onder al de gevaren eener onbekende zeevaart hebben

opgenomen, als de reizigers, die landwaarts ingetrokken zijn."

"Maar vijftig is toch wel wat veelgezegd," beweerde de majoor.

"Ik zal nog verder gaan, Mac Nabbs!" hernam de aardrijkskundige, dien

tegenspraak altijd driftig maakte.

"Ga verder, Paganel!"

"Als gij mij uitdaagt, zal ik u die vijftig namen zonder aarzelen

opnoemen."

"Ho! ho!" zeide de majoor heel bedaard. "Zoo zijn de geleerden! zij

twijfelen aan niets."

"Majoor!" zeide Paganel, "verwedt gij uw karabijn van Purdey Moore en

Dickson tegen mijn verrekijker van Secretan?"

"Waarom niet, Paganel! als gij daarop gesteld zijt?" antwoordde Mac

Nabbs.

"Goed, majoor!" riep de geleerde. "Met die karabijn zult gij geen ganzen

of vossen meer schieten, of ik moest ze u leenen, dat ik altijd met

genoegen zal doen!"

"Paganel!" antwoordde de majoor ernstig, "wanneer gij mijn verrekijker

noodig hebt, zal hij altijd te uwer beschikking zijn."

"Dan zal ik maar beginnen," sprak Paganel. "Dames en Heeren! gij zult

uitspraak doen. En gij, Robert! zult de punten tellen."

Lord en lady Glenarvan, Mary en Robert, de majoor en John Mangles, die

zich met die twist vermaakten, zetten zich er toe om naar den

aardrijkskundige te luisteren. Er was immers sprake van Australië,

waarheen de _Duncan_ stevende, en die geschiedenis kon nooit beter

gelegen komen. Paganel werd derhalve uitgenoodigd om zonder verwijl de

beloofde proeven van zijn sterk geheugen te geven.

"Mnemosyne!" riep hij uit, "godin van het geheugen, moeder der kuische

Muzen, wees met uw getrouwen en vurigen aanbidder! Voor twee honderd

acht en vijftig jaar, mijne vrienden! was Australië nog onbekend. Wel

giste men, dat er in het zuiden een groot vastland bestond; twee

kaarten, die in de bibliotheek van uw britsch museum bewaard worden,

waarde Glenarvan! en het jaartal 1550 dragen, vermelden een land ten

zuiden van Azië en noemen het het Groot Java der Portugeezen. Maar de

echtheid dier kaarten is niet voldoende bewezen. Ik kom dus tot de 17de

eeuw, tot 1606; in dat jaar ontdekte een spaansch zeeman, Quiros, een

land, dat hij Australia de Espiritu Santo noemde. Eenige schrijvers

hebben beweerd, dat het de groep der Nieuwe Hebriden was, en niet

Australië. Ik wil hierover thans niet uitweiden. Tel dien Quiros,

Robert! dan gaan wij tot een ander over."

"Een!" riep Robert.

"In hetzelfde jaar zette de onderbevelhebber der vloot van Quiros, Luiz

Vaz de Torres, meer zuidelijk de ontdekking van nieuwe landen voort.

Maar den Hollander Theodoor Hertogh komt de eer der groote ontdekking

toe. Hij landde op de westkust van Australië op 25° breedte, en gaf haar

naar zijn schip den naam van _Eendrachtsland_. Na hem neemt het aantal

zeevaarders toe. In 1618 ontdekt Zeachen op de noordkust _Arnhems-_ en

_Van Diemensland_. In 1619 vaart Jan Edels langs een deel der westkust

en geeft daaraan zijn eigen naam. In 1622 komt de Leeuwin tot de naar

haar genoemde kaap. In 1627 voltooijen Nuitz en de Witt, de een ten

westen, de andere ten zuiden, de ontdekkingen hunner voorgangers, en

worden door den vlootvoogd Carpentier gevolgd, die met zijn schepen in

den diepen inham doordringt, welke nog de golf van Carpentaria heet.

Eindelijk zeilt in 1642 de vermaarde Tasman om het eiland Van Diemen,

dat hij aan het vastland verbonden acht, en geeft het den naam van den

gouverneur-generaal te Batavia, een naam, dien de nakomelingschap met

volle regt in dien van _Tasmania_ veranderd heeft. Nu was het vastland

van Australië omgezeild; men wist dat de golven van den Indischen oceaan

en de Stille Zuidzee het geheel insloten, en in 1665 kreeg dit groote

zuidelijke eiland den naam van _Nieuw-Holland_, een naam, dien het niet

zou behouden, en dus juist op het tijdstip, dat de rol der hollandsche

zeelieden uitgespeeld was. Hoeveel hebben wij er nu?"

"Tien!" antwoordde Robert.

"Goed!" hernam Paganel, "ik zet een kruisje en ga tot de Engelschen

over. In 1686 kwam een opperhoofd der Boekaniers, een broeder van de

kust, een der beruchtste vrijbuiters op de zuidelijke zeeën, Williams

Dampier, na het uitstaan van tallooze lotgevallen, met genoegens en

ontberingen vermengd, met het schip de _Cygnet_ op de noordwestkust van

Nieuw-Holland op 16°50' breedte; hij kwam met de inboorlingen in

aanraking en gaf van hun zeden, hun armoede, hun verstandelijke

ontwikkeling een zeer volledige beschrijving. In 1699 kwam hij in

dezelfde baai terug, waar Hertogh aan land was gegaan, nu niet als

kaper, maar als bevelhebber van de _Roebuck_, een schip van de

koninklijke marine. Tot nog toe echter was de ontdekking van Australië

alleen belangrijk geweest als aardrijkskundig feit. Niemand dacht er aan

om het te koloniseeren, en in geen drie vierden eener eeuw, van 1699 tot

1770, werd het door een zeevaarder bezocht. Maar toen verscheen de

beroemdste zeeman der geheele aarde, kapitein Cook, en nu werd het

nieuwe vastland weldra geopend voor de landverhuizers uit Europa. Op

zijn drie beroemde reizen betrad James Cook den grond van Nieuw-Holland,

en wel het eerst den 31sten Maart 1770. Na gelukkig op Otaheite den

voorbijgang van Venus langs de zon waargenomen te hebben[2], drong Cook

met zijn scheepje de _Endeavour_ in het westelijk gedeelte der Stille

Zuidzee. Na Nieuw-Zeeland bezocht te hebben, kwam hij in een baai op de

westkust van Australië, die hij zoo rijk aan nieuwe planten vond, dat

hij haar den naam van Kruidenbaai gaf. Het is de tegenwoordige

Botany-Bay. Zijn betrekkingen met half verdierlijkte inboorlingen waren

van weinig belang. Hij stevende noordwaarts en op 16° breedte, bij kaap

Tribulation, stiet de _Endeavour_ op een koraalrif, acht uren van de

kust. Het gevaar van te zinken was zeer groot. Levensmiddelen en

kanonnen werden in zee geworpen; maar in den volgenden nacht maakte de

vloed het geligte vaartuig weer vlot. Dat het niet zonk, had het te

danken aan een stuk koraal, dat in het gat was geraakt en het lek

behoorlijk stopte. Cook kon dus met zijn vaartuig een kleine kreek

bereiken, waarin zich een rivier stortte, die de Endeavour genoemd werd.

Gedurende de drie maanden, welke de herstelling van hun bodem duurde,

trachtten de Engelschen nuttige betrekkingen met de inboorlingen aan te

knoopen; maar met weinig gevolg, zoodat zij weer in zee staken. De

_Endeavour_ bleef koers houden naar het noorden. Cook wilde weten of er

een straat bestond tusschen Nieuw-Guinea en Nieuw-Holland; na het

uitstaan van nieuwe gevaren, na twintigmaal zijn schip in de waagschaal

te hebben gesteld, ontdekte hij dat de zee in het zuidwesten open was.

De straat bestond en werd doorgevaren. Cook landde op een eilandje, en

in naam van Engeland bezit nemende van de lange kustlijn, die hij

bezocht had, gaf hij daaraan den echt britschen naam van

Nieuw-Zuid-Wales. Drie jaar later voerde de stoute zeeman het bevel over

de _Adventure_ en de _Resolution_; kapitein Furneaux ging met de

_Adventure_ de kusten van Van Diemensland opnemen, en kwam terug in de

meening, dat het met Nieuw-Holland zamenhing. Eerst in 1777, op zijn

derde reis, ankerde Cook met zijn schepen de _Resolution_ en de

_Discovery_ in de Adventure-baai op Van Diemensland, en vertrok van daar

om eenige maanden later op de Sandwich-eilanden te sterven."

"Hij was een groot man," zeide Glenarvan.

"De beroemdste zeeman, die ooit geleefd heeft. Banks, zijn reisgenoot,

bragt het engelsche gouvernement op de gedachte om een strafkolonie aan

de Botany-Bay te vestigen. Zeelieden van allerlei natiën volgen hem. In

den laatsten brief, dien men van La Pérouse ontving, geschreven in de

Botany-Bay en gedagteekend van den 7den Februari 1787, geeft de

ongelukkige zeeman kennis van zijn voornemen om de golf van Carpentaria

en de geheele kust van Nieuw-Holland tot aan Van Diemensland te

bezoeken. Hij vertrekt en keert niet meer terug. In 1788 legde kapitein

Philipp te Port-Jackson de eerste engelsche kolonie aan. In 1792 zeilt

d'Entrecasteaux, op zijn togt ter opsporing van La Pérouse, langs de

west- en zuidkust van Nieuw-Holland, en ontdekt onderweg onbekende

eilanden. In 1795 en 1797 zetten twee jongelieden, Flinders en Bass, in

een boot van acht voet lang, moedig het onderzoek der zuidkust voort, en

in 1797 vaart Bass door de naar hem genoemde straat tusschen Van

Diemensland en Nieuw-Holland. In datzelfde jaar vond Vlaming, de

ontdekker van het eiland Amsterdam, op de oostkust de Zwanenrivier, waar

zwarte zwanen van de schoonste soort zich verlustigden. Wat Flinders

aangaat, deze hervatte in 1801 zijne belangrijke onderzoekingen, en trof

op 138°58' lengte en 35°40' breedte in de Encounter-baai de _Géographe_

en de _Naturaliste_ aan, twee fransche schepen onder bevel van de

kapiteins Baudin en Hamelin."

"Zoo! kapitein Baudin?" zeide de majoor.

"Ja! waarom vraagt gij dat zoo?" vroeg Paganel.

"O! niets. Ga voort, waarde Paganel!"

"Ik ga voort met bij de namen dier zeevaarders dien van kapitein King te

voegen, die van 1817 tot 1822 het onderzoek der keerkringskusten van

Nieuw-Holland voltooide."

"Dat maakt vier en twintig namen," zeide Robert.

"Goed," antwoordde Paganel, "de helft der karabijn van den majoor is

reeds mijn. Nu de zeelieden afgehandeld zijn, ga ik tot de reizigers

over."

"Zeer goed, mijnheer Paganel!" sprak lady Helena; "ik moet zeggen, dat

gij een verbazend geheugen hebt."

"Hetgeen zeer vreemd is," voegde Glenarvan er bij, "in iemand die

zoo...."

"Verstrooid is," haastte Paganel zich te zeggen. "O, ik heb alleen een

geheugen voor jaartallen en feiten. Dat is alles."

"Vier en twintig," herhaalde Robert.

"De vijf en twintigste is luitenant Daws. Het was in 1789, een jaar na

de grondlegging der kolonie te Port-Jackson. Wel had men het nieuwe

vastland omgevaren, maar niemand kon zeggen, wat het bevatte. Een lange

bergreeks, die evenwijdig met de oostkust loopt, scheen den toegang tot

het binnenland geheel te versperren. Na een togt van negen dagen moest

luitenant Daws het opgeven en naar Port-Jackson terugkeeren. In

hetzelfde jaar poogde kapitein Tench te vergeefs die hooge keten over te

trekken. Die mislukte pogingen schrikten gedurende drie jaren de

reizigers af om die moeijelijke taak te hervatten. In 1792 echter leed

kolonel Paterson, een moedig afrikaansch reiziger, in dezelfde

onderneming schipbreuk. In het volgende jaar kwam een eenvoudig

kwartiermeester der engelsche marine, de moedige Hawkins, twintig mijlen

verder dan het punt, dat zijn voorgangers niet hadden kunnen

overschrijden. In een tijdsverloop van achttien jaren kan ik slechts

twee namen opnoemen, die van den beroemden zeeman Base en van den heer

Bareiller, een ingenieur uit de kolonie, die niet gelukkiger waren dan

hun voorgangers, en zoo kom ik tot het jaar 1813, toen er eindelijk ten

westen van Sydney een doortogt ontdekt werd. De gouverneur Macquarie

waagde zich er in (1815), en aan gene zijde der Blaauwe bergen werd de

stad Bathurst gesticht. Van dit oogenblik af verrijkten Throsby in 1819,

Oxley, die een afstand van driehonderd mijlen aflegde, Howel en Hume,

wier uitgangspunt de Twofold-baai was, waar de zeven en dertigste

parallel over heen loopt, en kapitein Sturt, die in 1829 en 1830 den

loop der Darling en der Murray onderzocht, de aardrijkskunde met nieuwe

feiten en bragten het hunne toe aan de ontwikkeling der koloniën."

"Zes en dertig!" riep Robert.

"Heel goed! ik vorder!" antwoordde Paganel. "Terloops noem ik nog Eyre

en Leichardt, die in 1840 en 1841 een gedeelte des lands bereisden;

Sturt, in 1845; de gebroeders Gregory en Helpman in 1846 in

West-Australië; Kennedy in 1847 aan de Victoria-rivier en in 1848 in

Noord-Australië; Gregory in 1852; Austin in 1854; de Gregory's van

1855-58 in het noordwesten van het vastland; Babbage, van het

Torrens-tot het Eyre-meer, en zoo kom ik eindelijk tot een in de

australische jaarboeken met roem bekenden reiziger, tot Stuart, die vol

moed tot driemaal toe een reis over het vastland deed. Zijn eerste togt

naar de binnenlanden had in 1860 plaats. Wanneer gij het verlangt, zal

ik u later vertellen, hoe Australië viermaal van het zuiden naar het

noorden werd bereisd. Voor ditmaal wil ik die lange naamlijst besluiten

en van 1860-62 voeg ik, bij de namen van zooveel stoute baanbrekers der

wetenschap, nog die van de gebroeders Dempster, van Clarckson en Harper,

van Berke en Wills, van Neilson, Walker, Landsborough, Mackinlay,

Howit...."

"Zes en vijftig!" riep Robert.

"Goed, majoor!" hervatte Paganel, "ik zal u goede maat geven, want ik

heb nog niet gesproken van Duperrey, Bougainville, Fitz Roy, Wickson,

Stokes...."

"Genoeg! zeide de majoor, die van al die namen duizelde.

"Van Péron, Quoy," ging Paganel voort met de vaart van een sneltrein,

"Bennett, Cuningham, Nutchell, Tiers...."

"Genade!"

"Van Dixon, Strelesky, Reid, Wilkes, Mitchell...."

"Houd op, Paganel!" zeide Glenarvan, die schudde van lagchen, "dood den

ongelukkigen Mac Nabbs niet. Wees edelmoedig! hij verklaart zich

overwonnen."

"En zijn karabijn?" vroeg de aardrijkskundige met een zegevierend

lachje.

"Behoort u, Paganel!" antwoordde de majoor, "en het spijt mij genoeg.

Maar uw geheugen is sterk genoeg om een geheel tuighuis te winnen."

"Het is zeker onmogelijk Australië beter te kennen," zeide lady Helena;

"de geringste naam noch het onbeduidendste feit...."

"O, het onbeduidendste feit!" zeide de majoor hoofdschuddende.

"Wat blieft u, Mac Nabbs!" riep Paganel.

"Ik wil zeggen, dat u welligt niet alles, wat met de ontdekking van

Australië in verband staat, bekend is."

"Het mogt wat!" zeide Paganel op fieren toon.

"En krijg ik mijn karabijn terug, als ik u iets opnoem, wat gij niet

weet?" vroeg Mac Nabbs.

"Terstond, majoor!"

"Is de koop gesloten?"

"De koop is gesloten!"

"Goed. Weet gij wel, Paganel! waarom Australië niet aan Frankrijk

behoort?"

"Wel, mij dunkt...."

"Of althans welke reden de Engelschen daarvoor opgeven?"

"Neen, majoor!" antwoordde Paganel met een droevig gezigt.

"Alleen omdat kapitein Baudin, die toch geen lafaard was, in 1802 zoo

schrikte van het gekwaak der australische kikvorschen, dat hij zoo gaauw

hij kon het anker ligtte en vlugtte om niet weer terug te komen."

"Wat!" riep de geleerde, "zegt men dat in Engeland? dat is een lage

aardigheid!"

"Heel laag, dat geef ik toe," antwoordde de majoor, "maar zij is in het

Vereenigde Koningrijk historisch geworden."

"Het is een schandaal!" riep de vaderlandslievende aardrijkskundige. "En

vertelt men dat in vollen ernst?"

"Ik moet het ronduit bekennen, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan,

terwijl allen proestten van lagchen.

"Maar was die bijzonderheid u onbekend?"

"Geheel en al. Maar ik teeken verzet aan! Bovendien, de Engelschen

noemen ons "kikvorscheneters!" Doorgaans is men niet bang voor hetgeen

men eet."

"Het wordt toch gezegd, Paganel!" antwoordde de majoor met een zedig

lachje.

En zoo bleef die bekende karabijn van Purdey Moore en Dickson een

eigendom van majoor Mac Nabbs.

[1] 1300 uren gaans.

[2] De voorbijgang der planeet Venus langs de zonneschijf moest in 1769

plaats hebben. Dit vrij zeldzame verschijnsel had een voor de

sterrekunde zeer groot belang; het moest dienen om nauwkeurig den

afstand te berekenen, die de aarde van de zon scheidt.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 9 / 29 题