III.

Het eiland Amsterdam.

John Mangles was voornemens aan de kaap de Goede Hoop kolen in te nemen.

Daarom moest hij een weinig van den zeven en dertigsten breedtegraad

afwijken en twee graden noordelijker gaan. De _Duncan_ was nu beneden de

streek der passaatwinden en stevige westewinden begunstigden haar

vaart[1]. Geen volle zes dagen had ze noodig voor de dertien honderd

mijlen[2], die Tristan d'Acunha van Afrika's zuidpunt scheiden. Den

24sten November, 's namiddags ten drie ure, kreeg men den Tafelberg in

het oog, en iets later peilde John den Seinberg, die den ingang der baai

aanwijst. Hij liep ze tegen acht ure binnen, en wierp het anker in de

haven der Kaapstad.

Als lid der Maatschappij van aardrijkskunde kon het Paganel niet

onbekend zijn, dat het uiteinde van Afrika voor het eerst in 1486 gezien

werd door den portugeeschen admiraal Bartholomeus Diaz, en dat het tot

1497 duurde, voor de beroemde Vasco de Gama het omzeilde. Hoe zou het

Paganel onbekend hebben kunnen zijn, daar Camoëns in zijn _Lusiade_ den

roem van den grooten zeevaarder bezingt? Maar hij maakte hierbij een

aardige opmerking en wel deze: indien Diaz in 1486, zes jaren voor de

eerste reis van Christoffel Columbus, de kaap de Goede Hoop was

omgezeild, zou de ontdekking van Amerika welligt wie weet hoe lang

verschoven zijn. De weg om de Kaap toch was de kortste en natuurlijkste

om naar Oost-Indië te komen. En het doel van den grooten genueeschen

zeeman, toen hij westwaarts stevende, was immers geen ander dan de

reizen naar de Specerijlanden te verkorten! Derhalve zou, zoodra de Kaap

eens was omgezeild, zijn togt doelloos geweest zijn en zou hij hem

waarschijnlijk niet ondernomen hebben.

De Kaapstad, achter in de Kaapbaai gelegen, werd in 1652 door den

Hollander van Riebeek gesticht. Zij was de hoofdstad eener belangrijke

kolonie, die door de verdragen van 1815 bepaald engelsch werd. De

passagiers van de _Duncan_ maakten van dit oponthoud gebruik om haar te

bezoeken. Zij mogten niet meer dan twaalf uren aan hun wandeling

besteden; want kapitein John had maar één dag noodig om nieuwen voorraad

in te nemen, en hij wilde den 26sten, 's morgens vroeg, vertrekken.

Meer tijd was er ook niet noodig om de regelmatige ruiten van dat

schaakbord, dat Kaapstad heet, te doorkruisen, waarop dertig duizend

inwoners, blanken en zwarten, de rol van koningen, koninginnen, paarden,

pions, misschien ook van narren[3] spelen. Zoo drukte zich althans

Paganel uit. Wanneer men het kasteel, dat zich ten zuidoosten van de

stad verheft, het gouvernements-huis en tuin, de beurs, het museum en

het steenen kruis, dat Bartholomeus Diaz bij gelegenheid van zijn

ontdekking plantte, gezien, en een glas Pontai, het eerste gewas der

Constantia-wijnen, gedronken heeft, kan men niets beter doen dan

vertrekken. Zoo deden de reizigers dan ook den volgenden dag vroeg. De

_Duncan_ stak in zee onder haar stagfok, haar kluiver, haar voormarszeil

en haar marszeil, en eenige uren later stevende zij om die beruchte

Stormkaap heen, waaraan de optimistische koning van Portugal, Johan II,

zeer verkeerd den naam van Goede Hoop gaf.

Een afstand van twee duizend negen honderd mijlen[4] tusschen de Kaap en

het eiland Amsterdam af te leggen was bij een schoone zee en een fiksche

koelte het werk van een dag of tien. Gelukkiger dan de reizigers in de

Pampa's, hadden de zeevaarders niet over weer en wind te klagen. Lucht

en water, die op het vastland tegen hen hadden zaamgespannen, sloegen nu

de handen ineen om hen voort te drijven.

"O, de zee! de zee!" riep Paganel telkens. "Zij is bij uitnemendheid het

veld, waarop de menschelijke krachten zich kunnen oefenen, en het schip

is wel het ware voertuig der beschaving! Denkt maar na, mijne vrienden!

Was de aardbol maar één onmetelijk vastland, dan zouden wij er in de

19de eeuw nog het duizendste gedeelte niet van kennen! Zie maar wat er

in de binnenlanden der groote landstreken voorvalt; in de steppen van

Siberië, op de vlakten van Midden-Azië, op de prairiën van Amerika, op

de uitgestrekte gronden van Australië, in de bevrozen poolgewesten,

--naauwelijks durft de mensch zich er wagen, de stoutste deinst terug, de

moedigste bezwijkt! Verder gaan is onmogelijk. De middelen van vervoer

zijn ontoereikend. Hitte, ziekten, de wildheid der inboorlingen, ziedaar

evenveel onoverkomelijke hinderpalen. Een woestijn van twintig mijlen is

een grooter scheidsmuur tusschen de menschen dan een oceaan van vijf

honderd mijlen. De bewoners van over elkander liggende oevers zijn

buren; vreemden, als slechts een woud ze scheidt! Engeland grenst aan

Australië, terwijl Egypte b.v. millioenen uren van St. Petersburg

schijnt te liggen! De zee is thans gemakkelijker te bereizen dan de

kleinste Sahara, en aan haar hebben wij het te danken, zooals een

amerikaansch geleerde zeer juist gezegd heeft[5], dat er een algemeene

broederband om al de werelddeelen gelegd is."

Paganel sprak met vuur, en de majoor zelfs had op geen enkel woord van

dezen lofzang aan den oceaan een aanmerking te maken. Had men om Harry

Grant terug te vinden den zeven en dertigsten breedtegraad over land

moeten volgen, dan zou de onderneming niet op touw zijn gezet; maar de

zee was er om de moedige zoekers van het eene land naar het andere te

brengen, en den 6den December liet ze bij het eerste krieken van den dag

een nieuwen berg uit den schoot harer golven oprijzen.

Het was het eiland Amsterdam, op 37°47' breedte en 77°24'[6] lengte,

welks hooge kegel bij helder weder vijftig mijlen in het rond zigtbaar

is. Ten acht ure geleek zijn nog onbepaalde gedaante vrij naauwkeurig op

Teneriffe.

"En bij gevolg gelijkt het op Tristan d'Acunha," zeide Glenarvan.

"Een zeer juiste gevolgtrekking," antwoordde Paganel, "overeenkomstig

dit wis- en aardrijkskundig axioma, dat, wanneer twee eilanden elk aan

een derde gelijk zijn, zij ook onderling op elkander gelijken. Ik voeg

hier nog bij, dat het eiland Amsterdam even als Tristan d'Acunha rijk

aan robben en Robinsons is en geweest is."

"Zijn er dan overal Robinsons geweest?" vroeg lady Helena.

"Op mijn eer, mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik ken weinig eilanden,

waar niets van dien aard is voorgevallen, en het toeval had reeds lang

te voren den roman van uw onsterfelijken landgenoot, Daniël de Foe,

uitgewerkt."

"Mag ik zoo vrij zijn u iets te vragen, mijnheer Paganel?" zeide Mary

Grant.

"Zooveel gij wilt, lieve miss! ik beloof u, dat ik er op antwoorden

zal."

"Welnu," hernam het meisje, "zou de gedachte van op een onbewoond eiland

achtergelaten te worden u veel vrees aanjagen?"

"Mij!" riep Paganel.

"Maak ons maar niet wijs, dat gij niets vuriger wenschen zoudt, mijn

vriend!" zeide de majoor.

"Dat beweer ik niet," antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik zou het

toch niet zoo heel onaangenaam vinden. Ik zou een nieuw leven aanvangen.

Ik zou jagen, visschen, 's winters in een grot, 's zomers op een boom

wonen; ik zou pakhuizen voor mijn oogst aanleggen; met een woord, ik zou

mijn eiland koloniseeren."

"Gij alleen?"

"Ik alleen, als het moest. Maar is men wel ooit alleen in de wereld? Kan

men geen vrienden onder de dieren kiezen, een geitje, een praatzieken

papegaai, een aardigen aap temmen? En zendt het toeval u een medgezel,

zooals de getrouwe Vrijdag, wat is er dan meer noodig om gelukkig te

zijn? Twee vrienden op een rots, dat is eerst het ware geluk!

Vooronderstel de majoor en ik...."

"Hartelijk dank!" antwoordde de majoor. "Ik heb geen zin in de rol van

een Robinson en ik zou haar heel slecht spelen."

"Mijn waarde heer Paganel," sprak lady Helena, "uw verbeelding sleept u

weer mede op het gebied der droomen. Maar ik geloof, dat er een groot

verschil bestaat tusschen den droom en de werkelijkheid. Gij denkt

alleen aan denkbeeldige Robinsons, die voorzigtig op een met beleid

gekozen eiland worden geworpen, en die de natuur als bedorven kinderen

behandelt; gij beziet de zaken alleen van den schoonsten kant."

"Gelooft gij dan niet, mevrouw! dat men op een onbewoond eiland gelukkig

kan zijn?"

"Ik denk het niet. De mensch is voor de gezelligheid, niet voor de

eenzaamheid bestemd. Afzondering moet noodzakelijk tot wanhoop leiden.

Het is een zaak van tijd. Welligt zullen in het begin de eischen van het

stoffelijke leven, de zorgen voor het levensonderhoud den ongelukkige,

die pas uit de golven is gered, afleiding geven, de behoeften van het

oogenblik hem de gevaren, die hem in de toekomst wachten, uit het oog

doen verliezen! Maar daarna, als hij zich alleen gevoelt, ver van zijn

medemenschen, zonder hoop van ooit zijn land en wie hem dierbaar zijn

terug te zien, welke gedachten zullen dan niet bij hem oprijzen, wat zal

hij dan niet moeten lijden? Zijn eilandje is voor hem de geheele wereld.

Het geheele menschdom is hij, en wanneer de dood nadert, de dood, die in

zulk een verlatenheid zoo vreeselijk is, dan ligt hij daar als de

laatste mensch op den laatsten dag der wereld. Geloof mij, mijnheer

Paganel! het is beter die man niet te zijn!"

Paganel gaf zich, niet zonder tegenkanting, gewonnen door de bewijzen

van lady Helena, en het gesprek over het voor en tegen van de

eenzaamheid werd zoo voortgezet tot het oogenblik, waarop de _Duncan_

een mijl van de kust van het eiland Amsterdam het anker liet vallen.

Deze eenzame groep in den Indischen oceaan bestaat uit twee

afzonderlijke eilanden, die omstreeks drie en dertig mijlen van elkander

en juist onder den middagcirkel van Voor-Indië liggen; het noordelijke

heet Amsterdam of St. Pieter, het zuidelijke St. Paul; maar wij moeten

zeggen, dat aardrijkskundigen en zeevaarders ze vaak verward hebben.

Deze eilanden werden in de maand December van het jaar 1796 door den

Hollander Vlaming ontdekt, en vervolgens onderzocht door

d'Entrecasteaux, toen hij met de _Espérance_ en de _Recherche_ La

Péronse opspoorde.

Van deze reis dagteekent de verwarring der beide eilanden. De zeevaarder

Barrow, Beautemps-Beaupré in den atlas van d'Entrecasteaux, later

Horsburg, Pinkeston en andere aardrijkskundigen hebben telkens het

eiland St. Pieter voor het eiland St. Paul beschreven en omgekeerd. In

1859 wachtten de officieren van het oostenrijksche fregat de _Novara_ op

hun reis om de wereld zich wel die dwaling te begaan, en ook Paganel was

er zeer op gesteld ze te verhelpen.

Het eiland St. Paul, ten zuiden van het eiland Amsterdam gelegen, is

slechts een onbewoond eilandje, bestaande uit een kegelvormigen berg,

die oudtijds een vulkaan moet geweest zijn. Het eiland Amsterdam

daarentegen, waarheen de sloep de passagiers van de _Duncan_ bragt,

heeft wel twaalf mijlen in omtrek. Het wordt door eenige vrijwillige

ballingen bewoond, die zich dat zoo treurige leven getroosten. Het zijn

de opzigters over de visscherij, die evenals het eiland een eigendom is

van een handelaar op Réunion, den heer Otovan. Die souverein, dien de

groote mogendheden van Europa nog niet erkend hebben, verschaft zich

daar een civiele lijst van vijf en zeventig tot tachtig duizend franken,

door het visschen, zouten en verzenden van een cheilodactylus, meer

algemeen bekend onder den naam van kabeljaauw.

Overigens was dit eiland Amsterdam bestemd om fransch te worden en te

blijven. Zoo behoorde het allereerst door het regt van eerste

inbezitneming aan den heer Camin, een kaper van St. Denis op Bourbon;

vervolgens werd het bij een of ander verdrag aan een Pool afgestaan, die

het door slaven liet bebouwen. Maar een Pool en een Franschman is

hetzelfde, en het poolsche eiland werd in handen van den heer Otovan

weder fransch.

Toen de _Duncan_ er aanlandde, den 6den December 1864, bestond de

bevolking uit drie hoofden, een Franschman en twee Mulatten, alle drie

bedienden van den koopman-eigenaar. Paganel had dus het genoegen een

landgenoot de hand te drukken in den persoon van den eerwaardigen, toen

zeer bejaarden heer Viot. Die "verstandige grijsaard" hield met veel

beleefdheid de eer van het eiland op. Het was voor hem een gelukkige

dag, nu hij zulke innemende vreemdelingen mogt ontvangen. St. Pieter

wordt slechts bezocht door robbenvangers en enkele walvischvaarders,

lieden, die over het geheel zeer ruw zijn en niet veel gewonnen hebben

door den omgang met de zeehonden.

De heer Viot stelde zijn onderdanen, de beide Mulatten, voor; zij

vormden de geheele levende bevolking van het eiland, met eenige wilde

zwijnen, die zich in het binnenland ophielden en vele duizenden domme

vetganzen. Het huisje, dat de drie eilanders bewoonden, stond aan het

uiteinde eener natuurlijke haven in het zuidwesten des eilands, gevormd

door de instorting van een gedeelte van den berg.

Lang voor de regering van Otovan I strekte het eiland St. Pieter tot

toevlugtsoord voor schipbreukelingen. Paganel maakte de belangstelling

zijner hoorders gaande door zijn eerste verhaal met deze woorden te

beginnen: _Geschiedenis van twee Schotten, die op het eiland Amsterdam

werden achtergelaten_.

Het was in 1827. Het engelsche schip _Palmira_ bemerkte onder het

voorbijvaren van het eiland, dat er een rookwolk omhoog steeg. De

kapitein naderde de kust en zag weldra twee mannen, die noodseinen

gaven. Hij zond de sloep aan land, die James Paine, een jongeling van

twee en twintig jaren, en Robert Proudfoot, oud acht en veertig jaar,

opnam. Die beide ongelukkigen waren onkenbaar. Sedert achttien maanden

bijna geheel van voedsel en zoet water verstoken, van schelpdieren

levende, met een slechten omgebogen spijker visschende, soms een jong

wild zwijn in den loop vangende, dikwijls drie dagen lang zonder eten

doorbrengende, als vestaalsche maagden wakende bij een vuur, dat zij met

hun laatste stuk zwam hadden aangelegd, het nooit latende uitgaan, het

op hun togten als een voorwerp van de hoogste waarde medenemende,

leidden zij een leven vol gebrek, ontbering en lijden. Paine en

Proudfoot waren door een schoener aan land gezet, die op de robbenvangst

was. Volgens de gewoonte der visschers moesten zij een maand lang een

voorraad huiden en traan opleggen, tot aan de terugkomst van den

schoener. De schoener verscheen niet weer. Vijf maanden later deed de

_Hope_, op haar reis naar Van Diemen het eiland aan; maar ten gevolge

van een onverklaarbare wreede luim weigerde de kapitein de twee Schotten

mede te nemen; hij zeilde weer weg zonder hun een beschuit of een

vuursteen te geven, en zekerlijk zouden de twee ongelukkigen weldra

bezweken zijn, indien de _Palmira_ hen niet aan boord had genomen, toen

ze in het gezigt van het eiland Amsterdam kwam.

Het tweede voorval, waarvan de geschiedenis van het eiland Amsterdam

melding maakt,--indien zulk een rots een geschiedenis hebben kan,

--betreft thans een Franschman, kapitein Péron. Dit voorval begint en

eindigt ook weer als dat van de twee Schotten: een vrijwillig verblijf

op het eiland, een schip, dat niet terugkomt, en een vreemd vaartuig,

dat de grillige winden naar die groep drijven, na een verlatenheid van

veertig maanden. Het verblijf van kapitein Péron werd echter gekenmerkt

door een bloedig drama, en levert treffende punten van overeenkomst op

met de verdichte voorvallen, die den held van Daniel de Foe bij zijn

terugkomst op zijn eiland wachtten.

Kapitein Péron had zich aan wal laten zetten met vier matrozen, twee

Engelschen en twee Franschen; vijftien maanden lang zou hij zich met de

jagt op zeeleeuwen bezig houden. De jagt was gelukkig; maar toen de

vijftien maanden om waren en het schip niet terug kwam, toen de

levensmiddelen langzamerhand op raakten, werden de betrekkingen tusschen

de beide volken gespannen. De twee Engelschen sloegen aan het muiten en

kapitein Péron zou door hen omgebragt zijn, als zijn landgenooten hem

niet hadden bijgestaan. Van dit oogenblik af leidden de beide partijen,

die elkaar dag en nacht in het oog hielden, altijd de wapens in de hand

hadden, nu eens overwinnaars, dan weer overwonnenen waren, een

vreeselijk leven vol ellende en angst. En zeker zouden zij elkander

eindelijk vernietigd hebben, als niet een engelsch schip die rampzaligen

verzoend had, tusschen welke een nietswaardige volkshaat op een rots in

den Indischen oceaan verdeeldheid veroorzaakte.

Zoo droegen die gebeurtenissen zich toe. Tweemaal werd zoo het eiland

Amsterdam het verblijf van verlaten matrozen, die de Voorzienigheid

tweemaal van ellende en dood redde. Maar na dien tijd was er geen schip

meer op die kust vergaan. Een schipbreuk zou het wrak op het strand

hebben geworpen; schipbreukelingen zouden de visscherijen van den heer

Viot bereikt hebben. Maar de grijsaard bewoonde het eiland reeds jaren

lang en nooit had hij gelegenheid gehad gastvrijheid te bewijzen aan

slagtoffers der zee. Van de _Britannia_ en van kapitein Grant wist hij

niets. Noch het eiland Amsterdam, noch het eilandje St. Paul, dat de

walvischvaarders en visschers dikwijls bezochten, was het tooneel dier

ramp geweest.

Dit antwoord verbaasde Glenarvan evenmin als het hem bedroefde. Op die

aanlegplaatsen zochten Glenarvan en zijn reisgenooten, waar kapitein

Grant niet was, niet waar hij wel was. Zij wilden alleen het bewijs

leveren, dat hij op die verschillende punten der parallel niet was,

anders niet. Het vertrek der _Duncan_ werd dus op den volgenden dag

bepaald.

Tot den avond bleven de passagiers op het eiland, dat een zeer

vriendelijk voorkomen heeft. Maar de wijdloopigste aller natuurkenners

zou geen kans gezien hebben om een deeltje in octavo te vullen met de

beschrijving van de aldaar te huis behoorende dieren en planten. De orde

der viervoetige dieren, der vogels, der visschen en der walvischaardige

dieren bevatte slechts eenige wilde zwijnen, stormvogels, sneeuwvogels,

albatrossen, baarzen en robben. Warme en ijzerhoudende bronnen

ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava, en haar digte dampen

zweefden over den vulkanischen bodem. Eenige van die bronnen bezaten een

zeer hoogen warmtegraad. John Mangles dompelde er een thermometer van

Fahrenheit in, die honderd zes en zeventig graden aanwees. De visch, die

eenige schreden van daar in zee werd gevangen, was in vijf minuten gaar

in dat bijna kokend heete water. Paganel oordeelde het daarom ook

geraden zich er niet in te baden.

Tegen den avond nam Glenarvan na een stevige wandeling afscheid van den

vriendelijken heer Viot. Elk wenschte hem alle mogelijke geluk op zijn

eenzaam eilandje. De grijsaard op zijne beurt uitte de beste wenschen

voor het welslagen der onderneming, en de boot van de _Duncan_ bragt de

passagiers aan boord terug.

[1] De dertigste graad breedte schijnt de grens dezer winden te zijn.

[2] Omtrent 600 uren gaans.

[3] De woordspeling is hier niet te vertalen. Het fransche woord "fou"

beteekent in het schaakspel den "raadsheer," maar wil ook "nar" zeggen.

VERT.

[4] Twaalf honderd uren gaans.

[5] Luitenant Maury.

[6] 76°4' oosterlengte van Parijs.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 8 / 29 题