II.

Tristan d'Acunha.

Indien het jagt de evennachtslijn had gevolgd, zouden de honderd zes en

negentig graden, die Australië van Amerika of liever kaap Bernouilli van

kaap Corrientes scheiden, gelijk geweest zijn aan elf duizend zeven

honderd zestig geographische mijlen[1]. Maar op den zeven en dertigsten

breedtegraad komen die honderd zes en negentig graden, ten gevolge van

de gedaante des aardbols, overeen met slechts negen duizend vier honderd

tachtig zulke mijlen[2]. Van de amerikaansche kust tot Tristan d'Acunha

rekent men twee duizend één honderd mijlen[3], een afstand, dien John

Mangles in tien dagen hoopte af te leggen, indien de oostewinden de

vaart van het jagt niet belemmerden. Hij had alle reden tot

tevredenheid, want tegen den avond bedaarde de wind merkbaar, en nu kon

de _Duncan_ op een stille zee al haar uitmuntende hoedanigheden aan den

dag leggen.

Dienzelfden dag hadden de passagiers hunne scheepsgewoonten weder

aangenomen. Men zou niet gezegd hebben, dat zij in geen maand aan boord

waren geweest. Na het water van de Stille Zuidzee strekte zich dat van

den Atlantischen oceaan voor hun gezigt uit, en met slechts geringe

wijzigingen gelijken alle golven elkaar. Na hen zoo vreeselijk op de

proef te hebben gesteld, vereenigden zich thans de elementen om hen te

begunstigen. De oceaan was rustig, de wind in den goeden hoek, en al de

kracht der zeilen, die de westewinden deden zwellen, kwam de

onvermoeibare stoomkracht te hulp, die in den stoomketel was besloten.

Die snelle overtogt had dan ook zonder buitengewone voorvallen of

onheilen plaats. Vol vertrouwen stevende men naar de australische kust.

De waarschijnlijkheid werd tot zekerheid. Er werd over kapitein Grant

gesproken, alsof het jagt hem in een bepaalde haven aan boord ging

nemen. Zijn hut en de kooijen zijner beide reisgenooten werden reeds in

gereedheid gebragt. Mary Grant vond er behagen in ze eigenhandig in orde

te brengen en op te schikken. Olbinett had de zijne afgestaan en deelde

nu de hut van zijn vrouw. Deze hut grensde aan het beruchte N° 6, dat

aan boord van de _Scotia_ door Jacques Paganel was besproken.

De geleerde aardrijkskundige kwam er bijna niet uit. Hij werkte van den

vroegen morgen tot den laten avond aan een boek, getiteld: _Verhevene

indrukken van een aardrijkskundige in de argentijnsche Pampa_. Met

ontroerde stem hoorde men hem zijn sierlijke volzinnen opzeggen, voor

hij ze aan de witte bladzijden van zijn aanteekenboekje toevertrouwde,

en meer dan eens riep hij, ontrouw aan Clio, de muze der geschiedenis,

vol verrukking de goddelijke Calliope aan, die de heldendichters

bezielt.

Paganel maakte er ook volstrekt geen geheim van. Om zijnentwil verlieten

Apollo's kuische dochteren gaarne de toppen van den Parnassus of den

Helikon. Lady Helena maakte hem er haar opregt gemeend compliment over.

Ook de majoor wenschte hem geluk met die bezoeken der zanggodinnen.

"Maar wacht u vooral voor verstrooidheid, waarde Paganel!" voegde hij er

bij, "en mogt gij bij toeval lust krijgen om australisch te leeren, ga

het dan niet bestudeeren in een chineesche spraakkunst!"

Alles ging dus bij uitstek goed aan boord. Met belangstelling sloegen

lord en lady Glenarvan, John Mangles en Mary Grant gade. Zij vonden geen

reden om aanmerkingen te maken, en daar John zelf zweeg, was het ook

maar het best om zich onkundig te houden.

"Hoe zal kapitein Grant er over denken?" vroeg Glenarvan eens aan zijn

vrouw.

"Hij zal denken, dat John Mary waardig is, lieve Edward! en hij zal niet

bedrogen uitkomen."

Intusschen naderde het jagt snel de plaats zijner bestemming. Vijf

dagen, nadat zij kaap Corrientes uit het oog hadden verloren, den 16den

November, stak er een fiksche westewind op, hetgeen aan de schepen, die

Afrika's zuidspits omvaren, zeer goed te stade komt tegen de regelmatige

zuidoostewinden. De _Duncan_ zette alle zeilen bij, en voor haar

fokkezeil, haar groote bezaan, haar mars- en bramzeil, haar lij-,

steng- en stagzeilen, liep zij verbazend snel met bakboordshalzen.

Naauwelijks drong haar schroef in het water, dat haar steven doorkliefde,

en men zou gezegd hebben, dat zij met de snelvarende jagten van de

Royal-Thames-Club om den prijs dong.

's Anderendaags was de zee bedekt met een ontzaggelijke menigte zeegras,

als ware zij een digt met gras begroeide onmetelijke vijver. Zij geleek

op een krooszee, bedekt met al de overblijfselen van boomen en planten,

die uit de omliggende landen komen aandrijven. Luitenant Maury heeft

voornamelijk de aandacht der zeevarenden er op gevestigd. De _Duncan_

scheen over een onmetelijke weide te drijven, die Paganel teregt met de

Pampa's vergeleek, zoodat haar vaart min of meer werd vertraagd.

Vier en twintig uren later liet de uitkijk, bij het krieken van den dag,

de kreet: "land!" hooren.

"In welke rigting?" vroeg Tom Austin, die de wacht had.

"Onder den wind van ons," antwoordde de matroos.

Op dit geroep, dat altijd eenige aandoening veroorzaakt, stroomden allen

naar het dek van het jagt. Weldra kwam er een verrekijker uit de

kampanje, onmiddellijk gevolgd door Jacques Paganel.

De geleerde bragt zijn instrument in de aangewezen rigting, maar zag

niets, dat op land geleek.

"Kijk in de wolken," voegde John Mangles hem toe.

"Zoo waar," antwoordde Paganel, "dat heeft veel van een nog bijna

onzigtbare soort van piek."

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dan moeten wij, als ik mij wel herinner, er tachtig mijlen van af

zijn," gaf de geleerde ten antwoord, "want de zeven duizend voet hooge

piek van Tristan is op dien afstand zigtbaar."

"Dat is ook zoo," antwoordde kapitein John.

Eenige uren later was de groep zeer hooge en zeer steile bergen

duidelijk aan den gezigteinder waar te nemen. De kegelvormige top van

Tristan stak zwart af bij den schitterenden grond des hemels, dien de

stralen der opgaande zon met allerlei kleuren tooiden. Weldra maakte het

voornaamste eiland zich los van de rotsmassa, als de top van een naar

het noordoosten hellenden driehoek.

Tristan d'Acunha ligt op 37°8' zuiderbreedte en 10°44' westerlengte van

Greenwich[4]. Achttien mijlen ten zuidwesten ligt het Ontoegankelijke,

en tien mijlen ten zuidoosten het Nachtegaals-eiland, die deze kleine

eenzame groep in dit gedeelte van den Atlantischen oceaan vormen. Tegen

den middag peilde men de twee voornaamste landteekens, die den zeelieden

tot herkenningspunten dienen, namelijk op een hoek van het

Ontoegankelijke eiland een rots, die zeer juist op een schip onder zeil

gelijkt en aan de noordpunt van het Nachtgaals-eiland twee eilandjes,

die wel iets hebben van een vervallen fortje.

Tegen drie ure liep de _Duncan_ de Falmouth-baai op Tristan d'Acunha

binnen, welke door de Bijstandspunt tegen de westewinden beschut wordt.

Daar lagen eenige walvischvaarders voor anker, die zich bezig hielden

met de vangst van robben en andere zeedieren, waarvan deze kusten

tallooze soorten opleveren.

John Mangles zocht een goeden ankergrond; want die opene reeden zijn

zeer gevaarlijk wegens de noordweste- en noordewinden, en op deze zelfde

plaats was in 1829 de engelsche brik _Julia_ met man en muis vergaan. De

_Duncan_ naderde de kust tot op een halve mijl en ging op een steengrond

op twintig vaâm water ten anker. Dadelijk begaven al de passagiers zich

in de groote boot en zetten voet aan land op een fijn en zwart zand, het

overschot der verweerde rotsen van het eiland.

De hoofdplaats der geheele groep van Tristan d'Acunha is niets meer dan

een dorpje, achterin de baai aan een zeer onstuimige beek gelegen. Het

bestond uit een vijftigtal vrij zindelijke en hoogst regelmatig gebouwde

huizen, dat het kenmerk der engelsche bouwkunst schijnt te zijn. Achter

dit onbeduidende plaatsje strekte zich een vlakte van vijftienhonderd

bunders uit, begrensd door een ontzaggelijke opeenhooping van lava; de

kegelvormige piek verhief zich nog zeven duizend voet hoog boven dit

vlak.

Lord Glenarvan werd door een gouverneur ontvangen, die onder de

Kaapkolonie staat. Onmiddellijk deed hij onderzoek naar Harry Grant en

de _Britannia_. Die namen waren geheel onbekend. De eilanden Tristan

d'Acunha liggen niet op den weg der schepen, en worden bijgevolg zelden

bezocht. Sedert de bekende schipbreuk der _Blendon-Hall_, die in 1821 op

de rotsen van het Ontoegankelijke eiland stootte, waren er slechts twee

schepen bij het voornaamste eiland gestrand, de _Primauguet_ in 1845 en

de amerikaansche driemaster _Philadelphia_ in 1857. De lijst der

zeerampen te Acunha bevatte slechts deze drie gevallen.

Glenarvan rekende volstrekt niet op naauwkeuriger inlichtingen en had

den gouverneur des eilands alleen ondervraagd om zijn geweten gerust te

stellen. Zelfs liet bij door de sloepen een togt om het eiland doen, dat

hoogstens zeventien mijlen omtrek heeft, Londen of Parijs zouden er niet

op kunnen staan, al was het nog driemaal grooter.

Gedurende dezen verkenningstogt deden de passagiers der _Duncan_ een

wandeling door het dorp en langs de kust. Tristan d'Acunha telt niet

meer dan honderd vijftig inwoners. Het zijn Engelschen en Amerikanen,

gehuwd met negerinnen en hottentotsche vrouwen van de Kaap, echte

monsters van leelijkheid. De kinderen uit die vreemdsoortige huwelijken

waren een zeer onaangenaam mengsel van de stugheid der Saxers en de

zwarte kleur der Afrikanen.

De reizigers, welke zich gelukkig achtten vasten grond onder hun voeten

te hebben, strekten hun wandeling langs den oever uit, waaraan de eenige

groote bebouwde vlakte des eilands grenst. Verderop bestaat de geheele

kust uit dorre en steile lavarotsen. Bij honderden kan men de groote

albatrossen en de domme vetganzen daar tellen.

Nadat zij die rotsen, welke haar ontstaan aan het vuur danken,

onderzocht hadden, keerden de bezoekers naar de vlakte terug; hier en

daar murmelden talrijke stroomende bronnen, door de eeuwige sneeuw van

den kegel gevoed; de bodem had een vrolijk voorkomen door de groene

struiken, waarop het oog bijna evenveel musschen als bloemen telde;

slechts een enkele boom, een soort van kaapschen kruisdoornstruik, wel

twintig voet hoog, en de "tusseh", een reusachtig rietgewas met

houtachtigen stengel staken boven het groene landschap uit; een veel

loten makende doornbeziestruik met stekelig zaad, stevige lomariën met

ineengegroeide vezels, eenige zeer langlevende struikvormige planten,

ancerinen, wier welriekende uitwasemingen de lucht met heerlijke geuren

doortrokken, mosplanten, wilde selderij en varens vormden een wel niet

talrijke maar weelderige flora. Het bleek terstond, dat een eeuwige

lente haar weldadigen invloed op dit bevoorregte eiland deed gevoelen.

Paganel beweerde met zijn gewone overdrijving, dat hier het vermaarde

Ogygia was, dat Fénélon had bezongen. Hij stelde lady Glenarvan voor een

grot te zoeken en de lieve Calypso na te volgen, en vroeg voor

zichzelven geen ander voorregt, dan "een der nimfen te zijn, die haar

bedienden."

Zoo keerden de wandelaars, al pratende en bewonderende, tegen het vallen

van den avond naar het jagt terug; kudden runderen en schapen weidden in

den omtrek van het dorp; de koren- en maïs-akkers en de tuinen met

moesgroenten, welke eerst voor veertig jaar ingevoerd waren, spreidden

hun natuurschatten tot op de straten der hoofdplaats ten toon.

Juist toen lord Glenarvan aan boord kwam, legden ook de sloepen der

_Duncan_ bij het jagt aan. In weinige uren waren zij het eiland

omgevaren. Geen spoor van de _Britannia_ hadden zij op haar togt

aangetroffen. Het eenige nut van die rondreis was dus, dat het eiland

Tristan geheel van de lijst der nasporingen geschrapt werd.

Bij gevolg kon de _Duncan_ thans die afrikaansche eilandengroep verlaten

en haar reis oostwaarts voortzetten. Zij vertrok echter niet dienzelfden

avond, want Glenarvan gaf zijn manschappen verlof om op de tallooze

robben jagt te maken, die onder den naam van zeekalven, zeeleeuwen,

zeebeeren en zeeolifanten de oevers der Falmouth-baai bezoeken. Voorheen

hielden de walvisschen zich gaarne in den omtrek der eilanden op; maar

zooveel walvischvaarders hadden ze vervolgd en geharpoeneerd, dat er

maar weinige overgebleven waren. De vinpootige zoogdieren daarentegen

waren er bij heele scharen bijeen. De matrozen van het jagt besloten dus

er 's nachts jagt op te maken en den volgenden dag te besteden met het

inzamelen van een goeden voorraad traan. Daarom werd het vertrek der

_Duncan_ twee dagen, tot den 20sten November uitgesteld.

Onder het avondeten deelde Paganel tot groot genoegen zijne hoorders het

een en ander betreffende de eilanden Tristan mede. Zoo vernamen zij, dat

die groep in 1506 door den Portugees Tristan d'Acunha, een der

reisgenooten van Albuquerque, ontdekt, meer dan een eeuw lang

veronachtzaamd bleef. Niet ten onregte werden zij voor broeinesten van

stormen gehouden, en stonden zij in geen beter reuk dan de Bermuda's.

Zij werden dus steeds vermeden, en tenzij de orkanen van den

Atlantischen oceaan er een schip heendreven, wierp geen enkel vaartuig

er uit eigen beweging het anker.

In 1697 liepen er drie hollandsche Oost-Indie-vaarders binnen, die er de

coördinaten van berekenden, terwijl de groote sterrekundige Halley hun

berekeningen in 1700 herzag. Van 1712 tot 1767 maakten eenige fransche

zeelieden er kennis mede, vooral La Pérouse, die ze ingevolge zijn

lastbrief op zijn beroemde reis van 1785 bezocht.

Die tot nog toe zoo schaars bezochte landen waren nog onbewoond, toen

een Amerikaan, Jonathan Lambert, in 1811 het waagde zich er neer te

zetten. Hij landde er met twee makkers in de maand Januarij en begon

moedig het werk van kolonist. De engelsche gouverneur van de kaap de

Goede Hoop vernomen hebbende, dat het hun goed ging, bood hun de

bescherming van Engeland aan. Jonathan Lambert nam dit aan, en heesch op

zijn hut de britsche vlag. Het scheen, alsof hij zijn volk, bestaande

uit een ouden Italiaan en een portugeeschen mulat, rustig zou regeeren,

toen hij eens bij een verkenning van de kusten van zijn rijk verdronk of

verdronken werd; dat weet men niet regt. Het jaar 1814 kwam. Napoleon

werd op St. Helena gevangen gezet, en om hem des te beter te bewaken,

legde Engeland bezetting op het eiland Ascension en ook op Tristan

d'Acunha. Het garnizoen van Tristan bestond uit een compagnie artillerie

van de Kaap en een afdeeling Hottentotten. Het bleef er tot in 1821,

toen het na den dood van den gevangene van St. Helena weder naar de Kaap

verlegd werd.

"Slechts één Europeaan," voegde Paganel erbij, "een korporaal, een

Schot...."

"Wat! een Schot!" zeide de majoor, die altijd bijzonder veel belang in

zijn landgenooten stelde.

"William Glass genoemd," ging Paganel voort, "bleef op het eiland met

zijn vrouw en twee Hottentotten. Weldra voegden zich twee Engelschen,

een matroos en een visscher op de Theems, gewezen dragonder in het

argentijnsche leger, bij den Schot, en eindelijk vond in 1821 ook een

der schipbreukelingen van de _Blendon-Hall_ met zijn jonge vrouw een

schuilplaats op het eiland Tristan. Zoo telde dus het eiland in 1821 zes

mannen en twee vrouwen. In 1829 bestond de bevolking uit zeven mannen,

zes vrouwen en veertien kinderen. In 1835 bereikte zij het cijfer van

veertig en nu is het verdriedubbeld."

"Zoo ontstaan de natiën," zeide Glenarvan.

"Ik voeg er nog bij," hervatte Paganel, "om de geschiedenis van Tristan

d'Acunha volledig te verhalen, dat dit eiland in mijn oog met evenveel

regt den naam van Robinsons-eiland verdient, als Juan Fernandez. Want

werden er op dit laatste achtereenvolgens twee matrozen achtergelaten,

weinig scheelde het of twee geleerden had ditzelfde lot op Tristan

d'Acunha getroffen. In 1793 verdwaalde een mijner landgenooten, de

natuurkundige Aubert Dupetit-Thouars, door zijn ijver om planten te

verzamelen vervoerd, en vond zijn schip eerst terug, toen de kapitein

het anker ligtte. In 1824 werd een uwer landgenooten, waarde Glenarvan!

de bekwame teekenaar August Earle, acht maanden lang op het eiland

achtergelaten. Zijn kapitein, vergetende dat hij aan land was, was onder

zeil gegaan naar de Kaap."

"Die mag met regt een verstrooid kapitein heeten," zeide de majoor. "Hij

was zeker van uw famielje, Paganel?"

"Als hij het niet was, majoor! verdiende hij het te zijn!"

Het antwoord van den aardrijkskundige maakte een einde aan dit gesprek.

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de _Duncan_ een goede jagt:

een vijftigtal groote robben werden gedood. Eenmaal de jagt toegelaten

hebbende, kon Glenarvan hun nu het voordeel, dat zij opleverde, niet

onthouden. De volgende dag werd dus besteed om de traan te verzamelen en

de huiden dezer winstgevende dieren te bereiden. Het spreekt van zelf,

dat de passagiers van dit oponthoud gebruik maakten tot een nieuw togtje

over het eiland. Glenarvan en de majoor namen hun geweer mede om op het

wild van Acunha te jagen. Op deze wandeling kwam men tot aan den voet

van den berg over een grond bezaaid met verweerde overblijfselen van

slakken, poreuse en zware lava en andere vulkanische uitwerpselen. De

voet van den berg was omringd door een verwarde menigte waggelende

rotsblokken. Men kon zich onmogelijk vergissen in den aard van den

ontzaggelijken kegel, en de engelsche kapitein Carnichaël had goed

gezien, toen hij hem voor een uitgebranden vulkaan hield.

De jagers ontdekten eenige wilde zwijnen. Een werd door een kogel van

den majoor doodelijk getroffen. Glenarvan vergenoegde zich met

verscheidene koppels zwarte patrijzen te schieten, waarvan de scheepskok

een uitstekenden schotel moest opdisschen. Een menigte geiten vertoonde

zich op het hooge bergvlak. En de wilde katten, moedige, vermetele en

sterke dieren, de schrik der honden, vermenigvuldigden sterk en zouden

weldra zeer gevreesde verscheurende dieren worden.

Ten acht ure was een ieder weer aan boord, en des nachts verliet de

_Duncan_ het eiland Tristan d'Acunha om het nimmer weder te zien.

[1] 4900 uren gaans.

[2] 4000 uren gaans.

[3] 875 uren gaans.

[4] 13°4' westerlengte van Parijs. Het verschil tusschen beide

middagcirkels is 2°20'.

De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3) Australië · 第 7 / 29 题