Tristan d'Acunha.
Indien het jagt de evennachtslijn had gevolgd, zouden de honderd zes en
negentig graden, die Australië van Amerika of liever kaap Bernouilli van
kaap Corrientes scheiden, gelijk geweest zijn aan elf duizend zeven
honderd zestig geographische mijlen[1]. Maar op den zeven en dertigsten
breedtegraad komen die honderd zes en negentig graden, ten gevolge van
de gedaante des aardbols, overeen met slechts negen duizend vier honderd
tachtig zulke mijlen[2]. Van de amerikaansche kust tot Tristan d'Acunha
rekent men twee duizend één honderd mijlen[3], een afstand, dien John
Mangles in tien dagen hoopte af te leggen, indien de oostewinden de
vaart van het jagt niet belemmerden. Hij had alle reden tot
tevredenheid, want tegen den avond bedaarde de wind merkbaar, en nu kon
de _Duncan_ op een stille zee al haar uitmuntende hoedanigheden aan den
dag leggen.
Dienzelfden dag hadden de passagiers hunne scheepsgewoonten weder
aangenomen. Men zou niet gezegd hebben, dat zij in geen maand aan boord
waren geweest. Na het water van de Stille Zuidzee strekte zich dat van
den Atlantischen oceaan voor hun gezigt uit, en met slechts geringe
wijzigingen gelijken alle golven elkaar. Na hen zoo vreeselijk op de
proef te hebben gesteld, vereenigden zich thans de elementen om hen te
begunstigen. De oceaan was rustig, de wind in den goeden hoek, en al de
kracht der zeilen, die de westewinden deden zwellen, kwam de
onvermoeibare stoomkracht te hulp, die in den stoomketel was besloten.
Die snelle overtogt had dan ook zonder buitengewone voorvallen of
onheilen plaats. Vol vertrouwen stevende men naar de australische kust.
De waarschijnlijkheid werd tot zekerheid. Er werd over kapitein Grant
gesproken, alsof het jagt hem in een bepaalde haven aan boord ging
nemen. Zijn hut en de kooijen zijner beide reisgenooten werden reeds in
gereedheid gebragt. Mary Grant vond er behagen in ze eigenhandig in orde
te brengen en op te schikken. Olbinett had de zijne afgestaan en deelde
nu de hut van zijn vrouw. Deze hut grensde aan het beruchte N° 6, dat
aan boord van de _Scotia_ door Jacques Paganel was besproken.
De geleerde aardrijkskundige kwam er bijna niet uit. Hij werkte van den
vroegen morgen tot den laten avond aan een boek, getiteld: _Verhevene
indrukken van een aardrijkskundige in de argentijnsche Pampa_. Met
ontroerde stem hoorde men hem zijn sierlijke volzinnen opzeggen, voor
hij ze aan de witte bladzijden van zijn aanteekenboekje toevertrouwde,
en meer dan eens riep hij, ontrouw aan Clio, de muze der geschiedenis,
vol verrukking de goddelijke Calliope aan, die de heldendichters
bezielt.
Paganel maakte er ook volstrekt geen geheim van. Om zijnentwil verlieten
Apollo's kuische dochteren gaarne de toppen van den Parnassus of den
Helikon. Lady Helena maakte hem er haar opregt gemeend compliment over.
Ook de majoor wenschte hem geluk met die bezoeken der zanggodinnen.
"Maar wacht u vooral voor verstrooidheid, waarde Paganel!" voegde hij er
bij, "en mogt gij bij toeval lust krijgen om australisch te leeren, ga
het dan niet bestudeeren in een chineesche spraakkunst!"
Alles ging dus bij uitstek goed aan boord. Met belangstelling sloegen
lord en lady Glenarvan, John Mangles en Mary Grant gade. Zij vonden geen
reden om aanmerkingen te maken, en daar John zelf zweeg, was het ook
maar het best om zich onkundig te houden.
"Hoe zal kapitein Grant er over denken?" vroeg Glenarvan eens aan zijn
vrouw.
"Hij zal denken, dat John Mary waardig is, lieve Edward! en hij zal niet
bedrogen uitkomen."
Intusschen naderde het jagt snel de plaats zijner bestemming. Vijf
dagen, nadat zij kaap Corrientes uit het oog hadden verloren, den 16den
November, stak er een fiksche westewind op, hetgeen aan de schepen, die
Afrika's zuidspits omvaren, zeer goed te stade komt tegen de regelmatige
zuidoostewinden. De _Duncan_ zette alle zeilen bij, en voor haar
fokkezeil, haar groote bezaan, haar mars- en bramzeil, haar lij-,
steng- en stagzeilen, liep zij verbazend snel met bakboordshalzen.
Naauwelijks drong haar schroef in het water, dat haar steven doorkliefde,
en men zou gezegd hebben, dat zij met de snelvarende jagten van de
Royal-Thames-Club om den prijs dong.
's Anderendaags was de zee bedekt met een ontzaggelijke menigte zeegras,
als ware zij een digt met gras begroeide onmetelijke vijver. Zij geleek
op een krooszee, bedekt met al de overblijfselen van boomen en planten,
die uit de omliggende landen komen aandrijven. Luitenant Maury heeft
voornamelijk de aandacht der zeevarenden er op gevestigd. De _Duncan_
scheen over een onmetelijke weide te drijven, die Paganel teregt met de
Pampa's vergeleek, zoodat haar vaart min of meer werd vertraagd.
Vier en twintig uren later liet de uitkijk, bij het krieken van den dag,
de kreet: "land!" hooren.
"In welke rigting?" vroeg Tom Austin, die de wacht had.
"Onder den wind van ons," antwoordde de matroos.
Op dit geroep, dat altijd eenige aandoening veroorzaakt, stroomden allen
naar het dek van het jagt. Weldra kwam er een verrekijker uit de
kampanje, onmiddellijk gevolgd door Jacques Paganel.
De geleerde bragt zijn instrument in de aangewezen rigting, maar zag
niets, dat op land geleek.
"Kijk in de wolken," voegde John Mangles hem toe.
"Zoo waar," antwoordde Paganel, "dat heeft veel van een nog bijna
onzigtbare soort van piek."
"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.
"Dan moeten wij, als ik mij wel herinner, er tachtig mijlen van af
zijn," gaf de geleerde ten antwoord, "want de zeven duizend voet hooge
piek van Tristan is op dien afstand zigtbaar."
"Dat is ook zoo," antwoordde kapitein John.
Eenige uren later was de groep zeer hooge en zeer steile bergen
duidelijk aan den gezigteinder waar te nemen. De kegelvormige top van
Tristan stak zwart af bij den schitterenden grond des hemels, dien de
stralen der opgaande zon met allerlei kleuren tooiden. Weldra maakte het
voornaamste eiland zich los van de rotsmassa, als de top van een naar
het noordoosten hellenden driehoek.
Tristan d'Acunha ligt op 37°8' zuiderbreedte en 10°44' westerlengte van
Greenwich[4]. Achttien mijlen ten zuidwesten ligt het Ontoegankelijke,
en tien mijlen ten zuidoosten het Nachtegaals-eiland, die deze kleine
eenzame groep in dit gedeelte van den Atlantischen oceaan vormen. Tegen
den middag peilde men de twee voornaamste landteekens, die den zeelieden
tot herkenningspunten dienen, namelijk op een hoek van het
Ontoegankelijke eiland een rots, die zeer juist op een schip onder zeil
gelijkt en aan de noordpunt van het Nachtgaals-eiland twee eilandjes,
die wel iets hebben van een vervallen fortje.
Tegen drie ure liep de _Duncan_ de Falmouth-baai op Tristan d'Acunha
binnen, welke door de Bijstandspunt tegen de westewinden beschut wordt.
Daar lagen eenige walvischvaarders voor anker, die zich bezig hielden
met de vangst van robben en andere zeedieren, waarvan deze kusten
tallooze soorten opleveren.
John Mangles zocht een goeden ankergrond; want die opene reeden zijn
zeer gevaarlijk wegens de noordweste- en noordewinden, en op deze zelfde
plaats was in 1829 de engelsche brik _Julia_ met man en muis vergaan. De
_Duncan_ naderde de kust tot op een halve mijl en ging op een steengrond
op twintig vaâm water ten anker. Dadelijk begaven al de passagiers zich
in de groote boot en zetten voet aan land op een fijn en zwart zand, het
overschot der verweerde rotsen van het eiland.
De hoofdplaats der geheele groep van Tristan d'Acunha is niets meer dan
een dorpje, achterin de baai aan een zeer onstuimige beek gelegen. Het
bestond uit een vijftigtal vrij zindelijke en hoogst regelmatig gebouwde
huizen, dat het kenmerk der engelsche bouwkunst schijnt te zijn. Achter
dit onbeduidende plaatsje strekte zich een vlakte van vijftienhonderd
bunders uit, begrensd door een ontzaggelijke opeenhooping van lava; de
kegelvormige piek verhief zich nog zeven duizend voet hoog boven dit
vlak.
Lord Glenarvan werd door een gouverneur ontvangen, die onder de
Kaapkolonie staat. Onmiddellijk deed hij onderzoek naar Harry Grant en
de _Britannia_. Die namen waren geheel onbekend. De eilanden Tristan
d'Acunha liggen niet op den weg der schepen, en worden bijgevolg zelden
bezocht. Sedert de bekende schipbreuk der _Blendon-Hall_, die in 1821 op
de rotsen van het Ontoegankelijke eiland stootte, waren er slechts twee
schepen bij het voornaamste eiland gestrand, de _Primauguet_ in 1845 en
de amerikaansche driemaster _Philadelphia_ in 1857. De lijst der
zeerampen te Acunha bevatte slechts deze drie gevallen.
Glenarvan rekende volstrekt niet op naauwkeuriger inlichtingen en had
den gouverneur des eilands alleen ondervraagd om zijn geweten gerust te
stellen. Zelfs liet bij door de sloepen een togt om het eiland doen, dat
hoogstens zeventien mijlen omtrek heeft, Londen of Parijs zouden er niet
op kunnen staan, al was het nog driemaal grooter.
Gedurende dezen verkenningstogt deden de passagiers der _Duncan_ een
wandeling door het dorp en langs de kust. Tristan d'Acunha telt niet
meer dan honderd vijftig inwoners. Het zijn Engelschen en Amerikanen,
gehuwd met negerinnen en hottentotsche vrouwen van de Kaap, echte
monsters van leelijkheid. De kinderen uit die vreemdsoortige huwelijken
waren een zeer onaangenaam mengsel van de stugheid der Saxers en de
zwarte kleur der Afrikanen.
De reizigers, welke zich gelukkig achtten vasten grond onder hun voeten
te hebben, strekten hun wandeling langs den oever uit, waaraan de eenige
groote bebouwde vlakte des eilands grenst. Verderop bestaat de geheele
kust uit dorre en steile lavarotsen. Bij honderden kan men de groote
albatrossen en de domme vetganzen daar tellen.
Nadat zij die rotsen, welke haar ontstaan aan het vuur danken,
onderzocht hadden, keerden de bezoekers naar de vlakte terug; hier en
daar murmelden talrijke stroomende bronnen, door de eeuwige sneeuw van
den kegel gevoed; de bodem had een vrolijk voorkomen door de groene
struiken, waarop het oog bijna evenveel musschen als bloemen telde;
slechts een enkele boom, een soort van kaapschen kruisdoornstruik, wel
twintig voet hoog, en de "tusseh", een reusachtig rietgewas met
houtachtigen stengel staken boven het groene landschap uit; een veel
loten makende doornbeziestruik met stekelig zaad, stevige lomariën met
ineengegroeide vezels, eenige zeer langlevende struikvormige planten,
ancerinen, wier welriekende uitwasemingen de lucht met heerlijke geuren
doortrokken, mosplanten, wilde selderij en varens vormden een wel niet
talrijke maar weelderige flora. Het bleek terstond, dat een eeuwige
lente haar weldadigen invloed op dit bevoorregte eiland deed gevoelen.
Paganel beweerde met zijn gewone overdrijving, dat hier het vermaarde
Ogygia was, dat Fénélon had bezongen. Hij stelde lady Glenarvan voor een
grot te zoeken en de lieve Calypso na te volgen, en vroeg voor
zichzelven geen ander voorregt, dan "een der nimfen te zijn, die haar
bedienden."
Zoo keerden de wandelaars, al pratende en bewonderende, tegen het vallen
van den avond naar het jagt terug; kudden runderen en schapen weidden in
den omtrek van het dorp; de koren- en maïs-akkers en de tuinen met
moesgroenten, welke eerst voor veertig jaar ingevoerd waren, spreidden
hun natuurschatten tot op de straten der hoofdplaats ten toon.
Juist toen lord Glenarvan aan boord kwam, legden ook de sloepen der
_Duncan_ bij het jagt aan. In weinige uren waren zij het eiland
omgevaren. Geen spoor van de _Britannia_ hadden zij op haar togt
aangetroffen. Het eenige nut van die rondreis was dus, dat het eiland
Tristan geheel van de lijst der nasporingen geschrapt werd.
Bij gevolg kon de _Duncan_ thans die afrikaansche eilandengroep verlaten
en haar reis oostwaarts voortzetten. Zij vertrok echter niet dienzelfden
avond, want Glenarvan gaf zijn manschappen verlof om op de tallooze
robben jagt te maken, die onder den naam van zeekalven, zeeleeuwen,
zeebeeren en zeeolifanten de oevers der Falmouth-baai bezoeken. Voorheen
hielden de walvisschen zich gaarne in den omtrek der eilanden op; maar
zooveel walvischvaarders hadden ze vervolgd en geharpoeneerd, dat er
maar weinige overgebleven waren. De vinpootige zoogdieren daarentegen
waren er bij heele scharen bijeen. De matrozen van het jagt besloten dus
er 's nachts jagt op te maken en den volgenden dag te besteden met het
inzamelen van een goeden voorraad traan. Daarom werd het vertrek der
_Duncan_ twee dagen, tot den 20sten November uitgesteld.
Onder het avondeten deelde Paganel tot groot genoegen zijne hoorders het
een en ander betreffende de eilanden Tristan mede. Zoo vernamen zij, dat
die groep in 1506 door den Portugees Tristan d'Acunha, een der
reisgenooten van Albuquerque, ontdekt, meer dan een eeuw lang
veronachtzaamd bleef. Niet ten onregte werden zij voor broeinesten van
stormen gehouden, en stonden zij in geen beter reuk dan de Bermuda's.
Zij werden dus steeds vermeden, en tenzij de orkanen van den
Atlantischen oceaan er een schip heendreven, wierp geen enkel vaartuig
er uit eigen beweging het anker.
In 1697 liepen er drie hollandsche Oost-Indie-vaarders binnen, die er de
coördinaten van berekenden, terwijl de groote sterrekundige Halley hun
berekeningen in 1700 herzag. Van 1712 tot 1767 maakten eenige fransche
zeelieden er kennis mede, vooral La Pérouse, die ze ingevolge zijn
lastbrief op zijn beroemde reis van 1785 bezocht.
Die tot nog toe zoo schaars bezochte landen waren nog onbewoond, toen
een Amerikaan, Jonathan Lambert, in 1811 het waagde zich er neer te
zetten. Hij landde er met twee makkers in de maand Januarij en begon
moedig het werk van kolonist. De engelsche gouverneur van de kaap de
Goede Hoop vernomen hebbende, dat het hun goed ging, bood hun de
bescherming van Engeland aan. Jonathan Lambert nam dit aan, en heesch op
zijn hut de britsche vlag. Het scheen, alsof hij zijn volk, bestaande
uit een ouden Italiaan en een portugeeschen mulat, rustig zou regeeren,
toen hij eens bij een verkenning van de kusten van zijn rijk verdronk of
verdronken werd; dat weet men niet regt. Het jaar 1814 kwam. Napoleon
werd op St. Helena gevangen gezet, en om hem des te beter te bewaken,
legde Engeland bezetting op het eiland Ascension en ook op Tristan
d'Acunha. Het garnizoen van Tristan bestond uit een compagnie artillerie
van de Kaap en een afdeeling Hottentotten. Het bleef er tot in 1821,
toen het na den dood van den gevangene van St. Helena weder naar de Kaap
verlegd werd.
"Slechts één Europeaan," voegde Paganel erbij, "een korporaal, een
Schot...."
"Wat! een Schot!" zeide de majoor, die altijd bijzonder veel belang in
zijn landgenooten stelde.
"William Glass genoemd," ging Paganel voort, "bleef op het eiland met
zijn vrouw en twee Hottentotten. Weldra voegden zich twee Engelschen,
een matroos en een visscher op de Theems, gewezen dragonder in het
argentijnsche leger, bij den Schot, en eindelijk vond in 1821 ook een
der schipbreukelingen van de _Blendon-Hall_ met zijn jonge vrouw een
schuilplaats op het eiland Tristan. Zoo telde dus het eiland in 1821 zes
mannen en twee vrouwen. In 1829 bestond de bevolking uit zeven mannen,
zes vrouwen en veertien kinderen. In 1835 bereikte zij het cijfer van
veertig en nu is het verdriedubbeld."
"Zoo ontstaan de natiën," zeide Glenarvan.
"Ik voeg er nog bij," hervatte Paganel, "om de geschiedenis van Tristan
d'Acunha volledig te verhalen, dat dit eiland in mijn oog met evenveel
regt den naam van Robinsons-eiland verdient, als Juan Fernandez. Want
werden er op dit laatste achtereenvolgens twee matrozen achtergelaten,
weinig scheelde het of twee geleerden had ditzelfde lot op Tristan
d'Acunha getroffen. In 1793 verdwaalde een mijner landgenooten, de
natuurkundige Aubert Dupetit-Thouars, door zijn ijver om planten te
verzamelen vervoerd, en vond zijn schip eerst terug, toen de kapitein
het anker ligtte. In 1824 werd een uwer landgenooten, waarde Glenarvan!
de bekwame teekenaar August Earle, acht maanden lang op het eiland
achtergelaten. Zijn kapitein, vergetende dat hij aan land was, was onder
zeil gegaan naar de Kaap."
"Die mag met regt een verstrooid kapitein heeten," zeide de majoor. "Hij
was zeker van uw famielje, Paganel?"
"Als hij het niet was, majoor! verdiende hij het te zijn!"
Het antwoord van den aardrijkskundige maakte een einde aan dit gesprek.
Gedurende den nacht maakten de matrozen van de _Duncan_ een goede jagt:
een vijftigtal groote robben werden gedood. Eenmaal de jagt toegelaten
hebbende, kon Glenarvan hun nu het voordeel, dat zij opleverde, niet
onthouden. De volgende dag werd dus besteed om de traan te verzamelen en
de huiden dezer winstgevende dieren te bereiden. Het spreekt van zelf,
dat de passagiers van dit oponthoud gebruik maakten tot een nieuw togtje
over het eiland. Glenarvan en de majoor namen hun geweer mede om op het
wild van Acunha te jagen. Op deze wandeling kwam men tot aan den voet
van den berg over een grond bezaaid met verweerde overblijfselen van
slakken, poreuse en zware lava en andere vulkanische uitwerpselen. De
voet van den berg was omringd door een verwarde menigte waggelende
rotsblokken. Men kon zich onmogelijk vergissen in den aard van den
ontzaggelijken kegel, en de engelsche kapitein Carnichaël had goed
gezien, toen hij hem voor een uitgebranden vulkaan hield.
De jagers ontdekten eenige wilde zwijnen. Een werd door een kogel van
den majoor doodelijk getroffen. Glenarvan vergenoegde zich met
verscheidene koppels zwarte patrijzen te schieten, waarvan de scheepskok
een uitstekenden schotel moest opdisschen. Een menigte geiten vertoonde
zich op het hooge bergvlak. En de wilde katten, moedige, vermetele en
sterke dieren, de schrik der honden, vermenigvuldigden sterk en zouden
weldra zeer gevreesde verscheurende dieren worden.
Ten acht ure was een ieder weer aan boord, en des nachts verliet de
_Duncan_ het eiland Tristan d'Acunha om het nimmer weder te zien.
[1] 4900 uren gaans.
[2] 4000 uren gaans.
[3] 875 uren gaans.
[4] 13°4' westerlengte van Parijs. Het verschil tusschen beide
middagcirkels is 2°20'.