Terug aan boord.
De eerste oogenblikken waren aan de vreugde van het wederzien gewijd.
Lord Glenarvan wilde niet, dat de vruchtelooze afloop hunner nasporingen
de vreugde in het hart zijner vrienden zou verkoelen. Daarom waren zijn
eerste woorden: "Houdt moed, vrienden! houdt moed! Kapitein Grant is
niet bij ons; maar wij zijn zeker, dat wij hem redden zullen."
Niet minder dan zulk een stellige verzekering was er noodig om de dames
aan boord der _Duncan_ met nieuwe hoop te bezielen.
Lady Helena en Mary Grant toch hadden, terwijl het bootje het jagt
naderde, al de pijnlijke kwellingen der onzekerheid uitgestaan. Op de
kampanje staande trachtten zij te tellen, hoeveel personen aan boord
terugkwamen. Nu eens wanhoopte het meisje, dan verbeeldde zij zich weer
Harry Grant te zien. Haar hart klopte, zij kon niet spreken, ter
naauwernood kon zij op de beenen blijven. Lady Helena sloot haar in haar
armen. John Mangles stond zwijgende naast haar uit te zien; hoewel als
zeeman aan verzien gewoon, kon hij toch den kapitein niet ontdekken.
"Daar is hij! mijn vader komt!" sprak het meisje zachtjes.
Maar naarmate de sloep naderde, werd alle hoop de bodem ingeslagen. Toen
de reizigers nog een honderd vaâm van het schip af waren, hadden niet
alleen lady Helena en John Mangles, maar ook Mary zelve, die in tranen
zwom, alle hoop opgegeven. Het was hoog tijd, dat lord Glenarvan kwam en
zijn vertroostende woorden sprak.
Na de eerste omhelzingen werden lady Helena, Mary Grant en John Mangles
van de voornaamste voorvallen op den togt onderrigt; vooraf echter
maakte Glenarvan hen bekend met de nieuwe uitlegging, die de schrandere
Paganel aan het document had gegeven. Ook prees hij Robert, op wien Mary
met regt trotsch mogt zijn. Zijn moed, zijn zelfopoffering, de gevaren,
die hij getrotseerd had, alles werd door Glenarvan in het helderste
licht gesteld, zoodat de knaap niet zou geweten hebben, waar hij zich
moest verbergen, als hij niet een schuilplaats had gevonden in de armen
zijner zuster.
"Gij behoeft niet verlegen te zijn, Robert!" zeide John Mangles, "gij
hebt u als een waardig zoon van kapitein Grant gedragen!"
Hij omarmde den broeder van Mary, en drukte een kus op diens wangen, die
nog vochtig waren van de tranen van het meisje.
Slechts ter loops maken wij hier melding van het onthaal, dat den majoor
en den aardrijkskundige ten deel viel, en van de eervolle vermelding,
die van den edelmoedigen Thalcave werd gemaakt. Het speet lady Helena,
dat zij de hand van den wakkeren Indiaan niet kon drukken. Toen de
eerste vreugde wat voorbij was, zocht Mac Nabbs zijne hut op, waar hij
zich met vaste en bedaarde hand schoor. Paganel fladderde van den een
naar den ander als een bij, om het sap van loftuitingen en glimlachjes
te puren. Hij wilde de geheele bemanning der _Duncan_ omhelzen, en
bewerende, dat lady Helena er evengoed toe behoorde als Mary Grant,
begon hij bij dezen om bij Olbinett te eindigen.
De hofmeester meende zooveel beleefdheid niet beter te kunnen vergelden,
dan door aan te kondigen, dat het ontbijt gereed stond.
"Het ontbijt!" riep Paganel.
"Ja, mijnheer Paganel!" antwoordde Olbinett.
"Een echt ontbijt, op een echte tafel, met vork en mes en servet?"
"Wel zeker, mijnheer Paganel!"
"En zullen wij geen _charqui_, geen harde eijeren, geen sneden
struisvogelvleesch eten?"
"Wel, mijnheer!" antwoordde de hofmeester, eenigzins in zijn eer
gekrenkt.
"Ik heb u niet willen beleedigen, mijn vriend!" zeide de geleerde
glimlagchend; "maar, ziet ge, in geen maand hebben wij iets anders
gehad, en wij nuttigden het, niet op een tafel zittende, maar op den
grond liggende of op boomen huizende. Daarom kwam het ontbijt, dat gij
aankondigt, mij voor als een droom, een bedrog, een hersenschim!"
"Laten wij dan het bewijs leveren, dat het wezenlijk bestaat, mijnheer
Paganel!" sprak lady Helena, die haar lagchen niet kon bedwingen.
"Mag ik u mijn arm aanbieden?" vroeg de galante aardrijkskundige.
"Heeft Uw Edelheid geen orders te geven aangaande den koers van de
_Duncan_?" vroeg John Mangles.
"Na het ontbijt, waarde John! zullen wij gezamenlijk het programma voor
onzen nieuwen togt opmaken," antwoordde Glenarvan.
De passagiers van het jagt en de jeugdige kapitein gingen naar de
_longroom_. De machinist kreeg last om stoom op te houden, ten einde op
het eerste teeken te vertrekken. De majoor, die zich geschoren had, en
de reizigers namen, na zich wat opgeknapt te hebben, aan tafel plaats.
Men deed eer aan het ontbijt van Olbinett. Eenstemmig werd het
uitmuntend genoemd, zelfs beter dan de kostelijke maaltijden in de
Pampa. Paganel liet zich iederen schotel tweemaal geven, "uit
verstrooidheid" zooals hij zeide.
Dit ongelukkige woord deed lady Glenarvan vragen, of de beminnelijke
Franschman soms tot zijn gewone zonde vervallen was. De majoor en lord
Glenarvan zagen elkander glimlagchende aan. Paganel zelf barstte in een
schaterend gelach uit, en verpandde "zijn eer" dat hij, hoe lang de reis
ook nog duren mogt, niet meer verstrooid zou zijn; daarop gaf hij een
zeer aardig verslag van zijn wederwaardigheden en van zijn grondige
studiën over het werk van Camoëns.
"En toch," voegde hij er ten slotte bij, "is het ongeluk ergens goed
voor, en gevoel ik geen spijt over mijn dwaling."
"Hoe zoo, mijn vriend?" vroeg de majoor.
"Omdat ik nu niet alleen spaansch, maar ook portugeesch spreek. Ik ken
nu twee talen in plaats van ééne!"
"Daar had ik zoo waar niet aan gedacht," antwoordde Mac Nabbs. "Ik maak
u wel mijn compliment, Paganel!"
Allen juichten Paganel toe, die daarom het eten niet vergat, hij at en
praatte tegelijk. Vandaar, dat hij een bijzonderheid, die Glenarvan niet
ontgaan kon, niet opmerkte: de oplettendheid namelijk van John Mangles
voor zijn jeugdige tafelburin Mary Grant. Een bijna onmerkbare wenk van
lady Helena aan haar man deed dezen inzien, dat "er iets gaande" was!
Glenarvan zag de beide jongelieden met vriendelijk welgevallen aan en
rigtte het woord tot John Mangles, maar over een heel andere zaak.
"Vertel mij eens, John! hoe is het op uw reis gegaan?"
"Het kon niet beter," antwoordde de kapitein. "Alleen moet ik Uw
Edelheid zeggen, dat wij niet door de straat van Magellaan teruggekeerd
zijn.
"Wat!" riep Paganel, "zijt gij kaap Hoorn omgevaren, en dat zonder mij?"
"Hang u op!" zeide de majoor.
"Eigenbelangzoeker! wilt gij van mij erven, dat gij mij dien raad
geeft?" antwoordde de aardrijkskundige.
"Maar, waarde Paganel!" sprak Glenarvan, "wie de gaaf niet bezit van
overal te gelijk te zijn, kan niet de Pampa's doortrekken en te gelijk
kaap Hoorn omzeilen."
"Dat neemt niet weg, dat het mij spijt," antwoordde de geleerde.
Maar er werd niet verder over gesproken en men liet het bij dit
antwoord. John Mangles nam nu het woord weer op en verhaalde zijn reis.
Langs de amerikaansche kust varende, had hij op nieuw al de westelijke
eilandgroepen onderzocht, maar nergens een spoor van de _Britannia_
gevonden. Aan kaap Pilares, aan den ingang der straat gekomen, had hij
zich om den tegenwind zuidwaarts gewend; de _Duncan_ stevende voorbij de
Desolation-eilanden tot zeven en zestig graden zuiderbreedte, zeilde om
kaap Hoorn, digt onder Vuurland, en hield het, na de straat van Le Maire
doorgevaren te zijn, langs de kust van Patagonië. Daar werd hij op de
hoogte van kaap Corrientes door een vreeselijken storm beloopen,
denzelfden, die de reizigers zoo geteisterd had. Maar het jagt hield
zich goed, en sedert drie dagen voer John Mangles wat heen en weer, toen
de losbrandingen der karabijnen hem verwittigden, dat de met zooveel
ongeduld verwachte reizigers er waren. Zonder omtrent lady Glenarvan en
miss Grant onbillijk te zijn, mogt de kapitein der _Duncan_ haar den lof
voor haar zeldzame onverschrokkenheid niet onthouden. De storm joeg haar
geen schrik aan, en betoonden zij eenige vrees, dan was het alleen voor
haar vrienden, die toen op de vlakten der argentijnsche republiek
ronddoolden.
Hiermede besloot John Mangles zijn verhaal, waarna lord Glenarvan zijn
tevredenheid over zijn gedrag betuigde; zich vervolgens tot Mary Grant
rigtende, zeide hij:
"Lieve miss! ik hoor, dat kapitein John uw uitstekende hoedanigheden
prijst, en het doet mij groot genoegen, dat ik daaruit mag opmaken, dat
het u niet tegenstaat aan boord van zijn vaartuig!"
"Hoe zou dat anders kunnen wezen!" antwoordde Mary, lady Helena en
misschien ook den jongen kapitein aanziende.
"O, mijnheer John! mijn zuster houdt veel van u, en ik ook!" riep
Robert.
"Ik mag u ook heel graag lijden, beste jongen!" antwoordde John Mangles,
die een beetje van streek geraakte door het gezegde van Robert, dat Mary
Grant ook ligt had doen blozen.
Vervolgens het gesprek op een minder gevaarlijk punt brengende, voegde
hij er bij:
"Nu heb ik u de reis van de _Duncan_ verteld. Uwe Edelheid zal ons thans
zeker wel het een en ander van zijn togt door Amerika en van de daden
van onzen jeugdigen held willen mededeelen?"
Niets kon lady Helena en miss Grant aangenamer zijn. Lord Glenarvan
haastte zich dan ook om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Hij sloeg
geen enkel voorval op de geheele reis van den eenen oceaan naar den
anderen over. De Andesketen, de aardbeving, de verdwijning van Robert,
diens wegvoering door den condor, het geweerschot van Thalcave, het
voorval met de roode wolven, de zelfopoffering van den knaap, sergeant
Manuel, de overstrooming, de vlugt op den boom, de bliksem, de brand, de
kaaimans, de hoos, de nacht aan de kust van den Atlantischen oceaan, al
die vrolijke of ontzettende omstandigheden wekten beurtelings de
lachlust en den angst zijner hoorders op. Voor menig voorval dat hij
mededeelde, ontving Robert de liefkozingen zijner zuster en van lady
Helena. Nooit werd een knaap zoo innig of door opgewondener vriendinnen
omhelsd.
Toen lord Glenarvan zijn verhaal had geëindigd, voegde hij er nog bij:
"En nu willen wij aan het tegenwoordige denken, mijne vrienden! wat
voorbij is is voorbij, maar de toekomst behoort ons; laten wij tot
kapitein Harry Grant terugkeeren."
Het ontbijt was afgeloopen; al de gasten gingen in de hut van lady
Glenarvan, schaarden zich om een tafel vol kaarten en teekeningen, en
terstond begon het gesprek.
"Lieve Helena," zeide lord Glenarvan, "toen ik aan boord kwam, heb ik u
medegedeeld, dat, al kwamen de schipbreukelingen der _Britannia_ niet
met ons, wij toch meer dan ooit hopen mogten hen terug te vinden. Uit
onzen togt door Amerika is het ons stellig gebleken, dat het onheil noch
op de kusten der Stille Zuidzee, noch op die van den Atlantischen oceaan
heeft plaats gehad. Daaruit volgt natuurlijk, dat de uitlegging aan het
document gegeven, alsof Patagonië bedoeld werd, een dwaling is. Gelukkig
heeft onze vriend Paganel, door eene plotselinge ingeving bezield, de
dwaling ontdekt. Hij heeft aangetoond, dat wij een verkeerden weg
volgden, en het document zoo uitgelegd, dat er voor ons geen twijfel
meer overblijft. Ik bedoel het fransche document, en ik wil Paganel
verzoeken het hier uit te leggen, opdat niemand meer den geringsten
twijfel moge koesteren."
De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed; hij
hield een overtuigende rede over de woorden _gonie_ en _indi_; het woord
Australië leidde hij door een strenge redeneering af van het woord
_austral_; hij bewees, dat kapitein Grant, de kust van Peru verlaten
hebbende om naar Europa terug te keeren, met een ontredderd schip zeer
gemakkelijk door de zuidelijke stroomen van de Stille Zuidzee tot de
australiscbe kust kon medegesleept zijn; kortom zijn vernuftige
vooronderstellingen, zijn schrandere gissingen verwierven de algemeene
goedkeuring, ook van John Mangles, die anders in dit opzigt moeijelijk
te overreden was en zich geenszins door zijn verbeeldingskracht liet
wegslepen.
Zoodra Paganel met zijn betoog klaar was, beval Glenarvan, dat de
_Duncan_ onmiddellijk koers zetten zou naar Australië.
Alvorens de steven naar het oosten gewend werd, verzocht de majoor
echter verlof om een enkele opmerking te maken.
"Spreek, Mac Nabbs!" antwoordde Glenarvan.
"Mijn doel," sprak de majoor, "is geenszins om de bewijzen van mijn
vriend Paganel te verzwakken, nog minder ze te wederleggen; ik vind ze
gegrond, schrander, al onze aandacht waardig, en met het volste regt
moeten zij den grondslag onzer aanstaande nasporingen uitmaken. Maar ik
verlang, dat zij nog eens rijpelijk onderzocht worden, opdat hun waarde
onbetwistbaar en onbetwist zij."
Niemand begreep, waar de voorzigtige Mac Nabbs heen wilde, en allen
hoorden hem met zekeren angst aan.
"Ga voort, majoor!" zeide Paganel. "Ik ben bereid om al uw vragen te
beantwoorden."
"Niets gemakkelijker dan dat," antwoordde de majoor. "Toen wij, nu vijf
maanden geleden, de drie documenten in de golf van Clyde onderzochten,
kwam hun verklaring ons duidelijk voor. Geen andere dan de westkust van
Patagonië kon het tooneel der schipbreuk zijn. Geen schijn van twijfel
zelfs kwam dienaangaande bij ons op!"
"Die opmerking is zeer juist," meende Glenarvan.
"Later," vervolgde de majoor, "toen Paganel in een vlaag van door God
beschikte verstrooidheid bij ons aan boord kwam, werden hem de
documenten voorgelegd, en keurde hij zonder voorbehoud onze nasporingen
op de amerikaansche kust goed."
"Dat is zoo," antwoordde de aardrijkskundige.
"En toch hebben wij ons vergist," zeide de majoor.
"Wij hebben ons vergist," herhaalde Paganel. "Maar om zich te vergissen,
Mac Nabbs! behoeft men slechts mensch te zijn, terwijl hij, die in zijn
dwaling volhardt, een gek is."
"Wacht een beetje, Paganel!" antwoordde de majoor, "word niet boos. Ik
wil niet zeggen, dat wij onze nasporingen in Amerika moeten
voortzetten."
"Wat verlangt gij dan?" vroeg Glenarvan.
"Alleen de bekentenis, en anders niet, dat Australië thans even zeker
het tooneel van de schipbreuk der _Brittannia_ schijnt te zijn, als
Amerika het eerst scheen."
"Dat bekennen wij gaarne," antwoordde Paganel.
"Dat zal ik in mijn oor knoopen," hernam de majoor, "en u tevens
aansporen om uw verbeeldingskracht een beetje te wantrouwen ten aanzien
van die opeenvolgende en met elkander strijdige gevolgtrekkingen. Wie
weet of na Australië niet een ander land ons dezelfde zekerheid zal
aanbrengen, en of het, als die nieuwe nasporingen weder vergeefsch zijn
geweest, niet "zeker" zal schijnen, dat zij ergens elders hervat moeten
worden."
Glenarvan en Paganel zagen elkander aan. De opmerkingen van den majoor
troffen hen door haar juistheid.
"Ik verlang dus," hervatte Mac Nabbs, "dat er nog een onderzoek zal
plaats hebben, voor wij op weg gaan naar Australië. Hier zijn de
documenten, daar liggen kaarten. Laten wij achtereenvolgens al de punten
onderzoeken, die de zeven en dertigste breedtegraad snijdt, en zien of
wij niet eenig ander land aantreffen, dat het document juist zou
aanwijzen."
"Niets is gemakkelijker en spoediger gedaan," antwoordde Paganel, "want
gelukkig is er juist geen overvloed van land op deze breedte."
"Laat eens zien," zeide de majoor, een engelsche wereldkaart naar de
projectie van Mercator uitspreidende.
De kaart werd voor lady Helena gelegd, en allen plaatsten zich zoo, dat
zij het betoog van Paganel konden volgen.
"Zooals ik u reeds vroeger zeide," begon de aardrijkskundige, "gaat de
zeven en dertigste breedtegraad over Zuid-Amerika en raakt dan de
eilanden van Tristan d'Acunha. Nu houd ik staande, dat geen enkel woord
van het document op deze eilanden betrekking kan hebben."
De documenten werden naauwkeurig onderzocht, en men moest toegeven, dat
Paganel gelijk had. Tristan d'Acunha werd dus met algemeene stemmen
verworpen.
"Verder," ging de aardrijkskundige voort. "Den Atlantischen oceaan
verlatende, gaan wij twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop en komen
in den Indischen oceaan. Slechts ééne eilandengroep ontmoeten wij,
Amsterdam. Passen wij hierop hetzelfde onderzoek toe als op Tristan
d'Acunha."
Na een naauwlettend onderzoek werden de eilanden Amsterdam op hun beurt
ter zijde gesteld. Geen enkel volledig of afgebroken fransch, engelsch
of duitsch woord kon op deze eilandengroep in den Indischen oceaan
betrekking hebben.
"Nu komen wij aan Australië," hernam Paganel. "De zeven en dertigste
breedtegraad loopt over dit vastland van kaap Bernouilli tot de
Twofold-baai. Gij zult met mij toestemmen, dat het engelsche woord
_stra_ en het fransche _austral_ zonder den tekst geweld aan te doen op
Australië slaan kunnen. De zaak is zoo duidelijk, dat ik er niet verder
over wil spreken."
Allen stemden in met het gevoelen van Paganel. Alle gronden van
waarschijnlijkheid waren voor die meening.
"Gaan wij verder," zeide de majoor.
"Met genoegen," antwoordde de aardrijkskundige, "de reis is gemakkelijk
genoeg. De Twofold-baai verlatende, steken wij den zeearm over, die zich
ten oosten van Australië bevindt en treffen Nieuw-Zeeland aan. Vooraf
echter herinner ik u, dat het woord _contin_ van het fransche document
onmogelijk iets anders kan beteekenen dan een "continent" (vast land).
Derhalve kan kapitein Grant geen schuilplaats op Nieuw-Zeeland gevonden
hebben, dat maar een eiland is. Hoe het ook zij, onderzoekt, vergelijkt,
zet de woorden om, en ziet of zij ook maar in de verte op dit laatste
gewest betrekking kunnen hebben."
"Volstrekt niet," antwoordde John Mangles, die de documenten en de kaart
aan een naauwkeurig onderzoek onderwierp.
"Neen," zeiden al de toehoorders van Paganel en de majoor zelf ook,
"neen, Nieuw-Zeeland kan niet bedoeld zijn."
"Op de ontzaggelijke ruimte, die dit groote eiland van de amerikaansche
kust scheidt," hervatte de aardrijkskundige, "snijdt de zeven en
dertigste breedtegraad slechts een woest en onbewoond eilandje."
"Dat heet?..." vroeg de majoor.
"Zie maar op de kaart. Het is Maria-Theresa, een naam, waarvan ik niet
het geringste spoor in de drie documenten vind."
"Geen enkel," bevestigde Glenarvan.
"Nu laat ik het aan u over, mijne vrienden! om te beslissen of niet alle
waarschijnlijkheden, om niet te zeggen de zekerheid voor het australisch
vastland pleit?"
"Ja! ja!" riepen al de passagiers en de kapitein der _Duncan_ tegelijk.
"Hebt gij genoeg levensmiddelen en kolen, John?" vroeg nu Glenarvan.
"Ja, Uwe Edelheid! ik heb mij te Talcahuano goed voorzien, en aan de
Kaapstad zullen wij gemakkelijk genoeg kolen kunnen innemen."
"Geef dan den koers...."
"Nog ééne opmerking," zeide de majoor zijn vriend in de rede vallende.
"En die is, Mac Nabbs?"
"Hoeveel kans van welslagen Australië ons ook aanbiedt, zou het toch
mijns bedunkens goed zijn een dag of twee bij de eilanden Tristan d'
Acunha en Amsterdam aan te leggen. Zij liggen op onzen weg en zullen ons
niet van den koers afbrengen. Dan zullen wij weten, of de _Britannia_ er
niet eenig spoor van haar schipbreuk heeft achtergelaten."
"Wat is die ongeloovige majoor toch vasthoudend!" riep Paganel.
"Ik ben er volstrekt niet op gesteld om terug te keeren, wanneer
Australië soms de verwachting, die wij er van koesteren, niet vervullen
mogt."
"Die voorzorg is dunkt mij niet kwaad," sprak Glenarvan.
"En ik zal u niet afraden om ze te nemen," antwoordde Paganel.
"Integendeel."
"Wend dan den steven naar Tristan d'Acunha, John!" zeide Glenarvan.
"Terstond, Uwe Edelheid!" gaf de kapitein ten antwoord, en hij ging naar
het dek, terwijl Robert en Mary Grant lord Glenarvan hun levendigen dank
betuigden.
Weldra verliet de _Duncan_ de amerikaansche kust en zich oostwaarts
rigtende kliefde haar steven snel de baren van den Atlantischen oceaan.