In Ucjonie hadden wij daar, het was Zondag, bij 't uitgaan van de

kerk een heel goed denkbeeld van gekregen. Jammer alleen, dat het

type der Litauers niet mooi is; ze hebben allen, zoowel mannen als

vrouwen, iets stompzinnigs, en niet geheel ten onrechte wordt dan ook

het litausche boerenvolk tot een der domsten van Europa gerekend.

Ludendorff wijdt in zijn bekend boek een aantal bladzijden aan de

wijze, waarop hij het burgerlijk bestuur dezer streken geregeld

heeft, en hoe hij getracht heeft deze door den oorlog zoo zwaar

geteisterde streken weer op de been te helpen.

Toen de Duitschers het land nog bezet hadden, was de bevolking er

eigenlijk maar half tevreden mede, en tengevolge daarvan vond de door

den overste Reboul, den chef der fransche missie, uit Kowno op ruime

schaal verspreide anti-duitsche propaganda-lectuur een vruchtbaren

bodem.

Nu de Duitschers echter weg zijn, beginnen de oogen open te gaan en

klaagt alles steen en been; overal op mijn langen tocht van Dunaburg

tot Kowno hoorde ik de verzuchting: waren de Duitschers maar weer

terug; ze waren wel streng, maar rechtvaardig en onder hun bestuur

begon er welvaart te heerschen.

De Litauers blijken dan ook heelemaal niet in staat, het door de

Duitschers begonnen werk in stand te houden, laat staan voort te

zetten. De wegen en bruggen, door de Duitschers niet alleen

verbeterd, maar ook op vele plaatsen nieuw aangelegd, worden niet

meer onderhouden. De spoorwegen functionneeren niet meer, de

onveiligheid neemt hand over hand toe, het bolsjewisme begint het

hoofd weer op te steken, waardoor de handel gaat kwijnen; en wanneer

Ludendorff dan ook opmerkt: "Die Bevölkerung wurde mit ruhiger

Sicherheit geleitet. Sie wird jetzt erkennen dasz wir nach Recht und

Billigkeit gehandelt haben" (bladz. 160), heeft de uitkomst bewezen

dat hij volkomen gelijk heeft.

Wat er van Litauen moet terecht komen is mij een raadsel, vooral als

nu de Polen ook nog gaan oprukken. Het ontbreekt ten eenenmale aan

intellectueelen om de noodige ambtenaarsposten te bezetten. Het leger

is niet veel beter dan dat van Trotzky, dat ook al heel slecht is, en

het eenige is dat de Litauers beter gevoed worden, waardoor zij dan

ook in staat blijken de bolsjewiki terug te werpen.

De laatste loodjes wegen het zwaarst, dat bleek ook hier weer, want

onze tocht van Wilkomir naar Kowno had onder voortdurende stortbuien

plaats en bovendien woei er een ijskoude noordwestenwind, maar

eindelijk, tegen donker, zagen we Kowno voor ons liggen en reden wij

na een poosje door de hoofdstraat. Welk een heerlijkheid weer een,

zij het ook slechts half-europeesche, stad te zien, waar weer een

behoorlijke straatverlichting was en café's en winkels.

Wij zochten en vonden gelukkig een eenvoudig maar zindelijk hotel en

gingen toen dadelijk nieuwe kleeren koopen. Er bleek in Kowno geen

ontluizingsinrichting te zijn en daarom gooiden wij alles weg, alleen

mijn schoenen en beenkappen behield ik. Na een bad voelde ik mij,

ondanks een hevige verkoudheid, als herboren. De Zweed en ik hadden

samen een kamer en telkens zeiden wij tegen elkaar hoe is het

mogelijk dat we er heelhuids zijn afgekomen? Ook de familie R. was

buiten zich zelve van vreugde. Geslapen hadden wij de laatste week

bijna niet, maar we waren over alles heen, en uren hebben we wakker

gelegen, al maar herhalende hoe gelukkig we er waren afgekomen. De

laatste dagen waren wel de minst gevaarlijke, maar de vermoeiendste

geweest; 160 KM. in een klein wagentje op elkaar gepakt, waarbij we

er den laatsten dag het grootste gedeelte naast hadden geloopen,

hadden ons laatste restje energie verbruikt, en ik bewonder nog

altijd de kordaatheid van mevrouw R. Hoe dikwijls heb ik haar

gadegeslagen, als ze, zelf totaal uitgeput, toch doodstil bleef

zitten, om haar jongske, dat met 't hoofd op haar schoot in slaap

gevallen was, niet te storen.

Het bleek voor mijn medereizigers van groote waarde, dat ik met de

autoriteiten in Kowno al bekend was, want daardoor kregen ze heel wat

gemakkelijker hun visa. Ik werd als een uit den dood opgestane

begroet, vooral de heeren van het duitsche gezantschap waren

allervriendelijkst. De gezant vroeg me direct te eten, en heel

verheugd was ik, weer eens iets uit de beschaafde wereld te vernemen,

want sinds 14 Juli had ik geen europeesche courant meer gezien.

Ik at met de leden der duitsche missie in de villa Thilman, het huis

waar Hindenburg en Ludendorff zoo langen tijd hebben gewoond. De

stemming der Duitschers vond ik erg mat, en dat is ook te begrijpen.

Zij hooren dagelijks, hoe de bevolking onverholen te kennen geeft,

het vertrek der duitsche troepen te betreuren, en hun machteloosheid

tegenover de entente-missies, die zelf echter, door het gebrek aan

een behoorlijke troepenmacht, ook niets anders kunnen uitrichten dan

bevelen geven, die toch niet uitgevoerd worden, stemt hen natuurlijk

bitter.

De Engelschen en Amerikanen hebben bovendien ruzie met den overste

Reboul, die ijverig er op uit is de Polen in alles te steunen, en

daarom het antisemitisme, tot groote woede der Amerikanen, op alle

mogelijke wijze aanwakkert. De missies werken dan ook niet meer

samen, en zelfs heeft de fransche het hotel, waar zij tot dusver met

de andere samenwoonde, verlaten en een eigen kwartier betrokken.

Ik heb nog een onderhoud gehad met den chef der amerikaansche missie,

en deze deelde mij mede, van zijn regeering de opdracht te hebben,

zich volstrekt niet met politiek in te laten, doch alleen de

voedselvoorziening te regelen.

De Amerikanen hebben op mij, overal waar ik ze in Polen en Litauen

aan 't werk zag, een sympathieken indruk gemaakt vooral om het

neutrale standpunt dat zij innemen. Zij trachten werkelijk het lijden

der bevolking te lenigen, zonder zich met stokerij in te laten.

Alleen hebben zij zich hier en daar toch ook laten verleiden,

allerlei voor het eigen leger niet meer bruikbare verduurzaamde

levensmiddelen aan den man te brengen. Ze zijn hier echter zoo

onnoozel niet meer om dat zonder meer te slikken en de stemming

jegens de entente is dan ook op sommige plaatsen beneden nul.

Daarbij komt nog dat de meer intellectueelen zich afvragen: waar gaan

we heen? De Duitschers zijn weg, we mogen niet meer doen wat ze

voorgeschreven hebben, maar wat nu? De entente doet niets, een paar

engelsche en fransche officieren kunnen ons toch niet alleen tegen

bolsjewistische benden verdedigen, en zelf kunnen we het ook niet.

Bovendien weet niemand, wat de plannen der Entente zijn. Wat hebben

ze met ons voor? Wij zijn nu wel zoogenaamd onafhankelijk, maar

hebben niets om ons op de been te houden.

Mijn indruk is, dat het langzaam maar zeker mis gaat, al zal Litauen

zoo gauw niet bolsjewistisch worden. Dat zal veel eerder in Letland

gebeuren, als de Duitschers daar weg gaan. Hier zullen de Polen er

wel voor zorgen dat het niet gebeurt, want die marcheeren dan

natuurlijk direct binnen, en anders zijn er nog de bovengenoemde

eigenaardige russische troepen in Schaulen; maar met de

onafhankelijkheid is het dan gedaan.

De familie R. besloot nog een paar dagen in Kowno te blijven, maar de

Zweed en ik brandden van verlangen om zoo snel mogelijk weg te komen

en toen we dan ook hoorden dat er nog een late trein ging die ons

binnen 24 uur in Berlijn zou brengen, haastten wij ons om alles in

orde te brengen en zoo vertrokken wij Woensdagavond naar Duitschland,

waarbij wij tot de treurige ontdekking kwamen, dat de mooie

rechtstreeksche verbinding met Berlijn niet meer bestond, maar we

twee keer moesten overstappen, n.l. in Wilkowisky en later nog eens

in Wirballen; maar wat is dat als je uit Moskou komt.

Zoo hoort dan ook deze russische reis tot het verleden. Mij zelf

verheugt het dat ik er in geslaagd ben, ondanks alle moeilijkheden,

er weer uit te komen. Een paar dagen heb ik nog in Berlijn

rondgeloopen, mij afvragend: krijg ik nu vlektyphus of niet? maar dit

bleek niet het geval te zijn en ik ben er dus zonder kleerscheuren

afgekomen.

*

* *

DE OOSTZEEPROVINCIËN

Berlijn, 3 September

De laatste berichten uit Koerland wijzen erop, dat wat ik reeds een

paar maanden geleden in mijn brieven uit Libau en Kowno voorspelde

gaat gebeuren. Nu de duitsche troepen weg zijn, steekt het

bolsjewisme het hoofd weer op. De nederlaag der Witten in Estland

heeft den toestand verscherpt. Het mag misschien eenigszins

eigenaardig klinken, wanneer ik ondanks de overwinning der bolsjewiki

blijf beweren dat het leger van Trotsky geen militaire waarde heeft.

Wat ik er in Polen en Rusland van gezien en gehoord heb, heeft mij

ervan overtuigd, dat het een bende is. Maar wanneer de Entente met

nog grootere benden aan komt zetten krijgt het natuurlijk op zijn

kop, want de eigenlijke Letten en ook de Esten beteekenen heelemaal

niets. De Polen en zelfs de Litauers blijken in staat om de Russen

gevoelige nederlagen te bezorgen. Maar St. Petersburg kan tot de

stomme verbazing van iederen Rus niet genomen worden. Integendeel, nu

de duitsche troepen weg zijn, wordt de toestand in Koerland elken dag

erger. De Engelschen, die, zooals mij o.a. de engelsche

vertegenwoordiger te Libau voor een paar maanden nog zeide, het

bolsjewisme "made in Germany" noemen en beweren, dat de bevolking

daar volstrekt niet bolsjewistisch is, ondervinden dat, nu de

duitsche troepen weg zijn, het platteland met benden overstroomd

wordt, waartegenover de inheemsche troepen machteloos staan. De

kwestie van graaf Von der Goltz te Mitau, die in het buitenland

geheel verkeerd begrepen wordt -- vooral ook in Duitschland, daar de

duitsche pers al bijzonder slecht is ingelicht over hetgeen er in

Koerland gebeurt -- is heel eenvoudig. Indertijd had de letsche

regeering, gelijk ik vroeger reeds mededeelde, aan de duitsche

soldaten het burgerrecht beloofd, waardoor zij aanspraak kregen op 60

morgen land, hun toegezegd door de groote grondbezitters. Deze

belofte is de regeering niet nagekomen. De Duitschers staan nu op het

oogenblik op hun recht.

Bovendien staat de duitsche commandant voor het moeilijke geval dat

hij zeker weet, dat, wanneer hij weggaat, het duitsche element, dat

in die streken zoo talrijk is en volstrekt niet alleen uit baronnen

bestaat, maar vooral ook de kleine burgerij en het intellect omvat,

eenvoudig uitgemoord zal worden. Ik herhaal wat ik vóór drie maanden

schreef, dat, gaan de Duitschers weg en worden ze niet door een

behoorlijke europeesche macht vervangen, die streken aan de anarchie

zijn prijsgegeven. Niet alleen dat St. Petersburg dan nooit genomen

wordt, maar ook Riga, Libau en Rofno zijn dan verloren.

Op mijn tocht uit Rusland over Dunaburg heb ik kunnen constateeren

hoe alles, wat niet bolsjewistisch is, naar den terugkeer der

Duitschers verlangt, niet zoo zeer omdat zij Duitschers zijn, maar

omdat het de eenigen zijn die er de orde kunnen handhaven. Als een

staaltje, hoe slecht zelfs de duitsche pers ingelicht is, zij

vermeld, dat de val van Novo Alexandrofsk, die plaats vond toen ik er

verleden week doortrok, wat mij heel wat moeite berokkende, pas

vandaag over Helsingfors tot de duitsche bladen doorgedrongen is.

Tienduizend man europeesche troepen, geoefend en goed gedisciplineerd

en van de noodige hulpmiddelen voorzien, kunnen met Rusland doen wat

zij willen.

*

* *

DE STRIJD TEGEN DE SOVJET-REPUBLIEK

Berlijn, 16 September

Al een paar maanden lang houd ik mij nu vrijwel uitsluitend bezig met

het bolsjewisme, en in het bizonder met den strijd er tegen. Zoowel

in Koerland, Litauen, Polen als in Rusland zelf heb ik ter plaatse de

zaak bestudeerd en meen dan ook eenig recht van spreken te hebben.

Laat ik eerlijk bekennen, dat ik aanvankelijk ook overtuigd was, dat

Trotsky met de schepping van het roode leger een waar Napoleonswerk

verricht had en een opmarsch van het roode leger naar West-Europa

niet tot de onmogelijkheden zou behooren. Hetgeen ik er later echter

van te zien kreeg, heeft mij anders geleerd.

Reeds voor Riga begon ik te twijfelen, toen ik zag, hoe een paar

duizend Duitschers en Balten met slechts weinig artillerie een

driedubbele overmacht der Russen versloegen; later in Polen zag ik

betrekkelijk slecht uitgeruste, maar goed gedisciplineerde en voor

hun vaderland geestdriftige poolsche soldaten, een bijna driedubbele

overmacht aan bolsjewiki voor zich uit jagen.

Toen ik in Rusland zelf kwam, werd het mij echter heel duidelijk; op

een klein gedeelte na zijn de russische soldaten den oorlog moede.

Zij deserteeren bij massa's en de twee groote dingen, waardoor een

leger bij elkaar gehouden wordt, n.l. een goede geest en goed eten,

zijn niet aanwezig.

Zeker, er is in Rusland genoeg eten te krijgen. Op het platteland

heerscht overvloed, maar het spoorwezen is door gebrek aan

locomotieven dermate in de war, dat de op sommige plaatsen opgehoopte

voorraden niet vervoerd kunnen worden.

Daardoor is natuurlijk de heele verpleging van het roode leger in de

war en niet dan met de uiterste moeite slagen de Russen er in ten

minste nog brood en munitie naar het front te brengen.

Wanneer ik dan ook in engelsche bladen lees, dat het roode leger

beter uitgerust en georganiseerd is dan ooit, dan is dat geheel

bezijden de waarheid en het wordt vermoedelijk alleen verkondigd om

de onmacht der entente te verbloemen.

Een fransch generaal schreef eenige maanden geleden in een fransch

blad: St. Petersburg kan in vijf dagen genomen worden of in het

geheel niet.

Dat is de ware toestand: een goede troep neemt het in enkele dagen,

een slechte nooit.

Het eigenaardige geval doet zich thans voor, dat tengevolge van de

onvoldoende troepen waarmee de Engelschen tegen St. Petersburg

opereeren, het den indruk geeft, alsof Trotsky een krijgskundig genie

is.

Zeker, verdiensten heeft hij, en aan energie ontbreekt het hem ook

niet, maar dat hij nog altijd chef in Rusland is, kan hij werkelijk

niet helpen. Het sprekendste bewijs is voor mij de opmarsch van het

poolsche leger, dat, hoewel veel minder sterk en door gebrek aan

spoorwegen ook met groote verplegingsmoeilijkheden kampende, met

gemak de Russen voor zich uit jaagt.

Nu zegt men, dat de roode troepen bij St. Petersburg veel beter zijn

dan die tegenover de Polen; doch de gebeurtenissen bij Riga hebben

mij anders geleerd.

Ik heb thans zooveel mogelijk gegevens verzameld, meest uit geheime

bronnen, die een kijk geven op den strijd tegen sovjet-Rusland en heb

het front in een kaartje geschetst.

Dezer dagen gaf het Berliner Tageblatt een artikel van Theodor

Berkes, die tot juist de tegenovergestelde conclusie komt als ik,

n.l. dat het roode leger wèl een factor is waarmee te rekenen valt.

Ik ben het, zooals reeds gezegd, daarmee niet eens, al heb ik den

schijn tegen me. Inderdaad lijkt het overweldigend als wij het aantal

vijanden zien waartegen de Russen te strijden hebben, maar welke

waarde hebben die troepen?

Daar zijn in de eerste plaats Koltsjak en Denikin; Koltsjak in

Siberië, Denikin in Zuid-Rusland. Koltsjak, die in 't voorjaar bij

Samara stond, is sedert dien tot in 't hart van Siberië

teruggedreven. Een geweldige overwinning der bolsjewiki, die echter

alleen mogelijk was, omdat de troepen van Koltsjak nog slechter waren

dan die der bolsjewiki, en eigenlijk zonder veel vechten ervandoor

zijn gegaan. In elk geval, de moreele overwinning is aan Moskou, dat

daarbij het groote voordeel had, het nijverheidsgebied van Samara

weer in handen te krijgen, en -- wat niet het minst is, -- een

verbinding met Perzië en Voor-Indië.

Ik schreef u reeds, dat ik mij ernstig bezorgd maakte over de

anti-engelsche propaganda in Voor-Indië, Perzië en de mohammedaansche

wereld. Sedert eenigen tijd is er een druk koeriersverkeer tusschen

Indië en Moskou, en voorname Indiërs en Perzen, alsmede Mohammedanen

en Turken zijn in Moskou welkome gasten. De gaping in de fronten,

waardoor deze propagandisten reizen, ligt tusschen het front van

Koltsjak en het Oeralkorps van generaal Doetof, die zelf in Oeralsk

zit en met zijn troepen, pl.m. 10,000 man, aan de Oeral staat.

De Kirgiezen schijnen al geheel en al bolsjewistisch te zijn, en

steunen de roode troepen.

Ik ben in de gelegenheid u over deze propaganda in te lichten,

aangezien een Indiër, die te Moskou in hetzelfde hotel gewoond heeft

als ik, mij thans uitvoerig van alles op de hoogte heeft gebracht.

Lenin had hem zelf verklaard, dat zijn hoofdwerkzaamheid op het

oogenblik in Azië lag; daarheen heeft hij zelfs zooveel troepen,

munitie en geld gezonden, dat het westfront er door verzwakt is.

In Moskou zelf is op het oogenblik de indische maharadja Koemar

Mahoendra, die er het hoofd is van een indische missie. Achter de

schermen zit echter nog een machtiger indische grootheid te werken.

Ook de emir van Afganistan heeft een eigen vertegenwoordiger in

Moskou, n.l. Paroh Katulloh, een bekend indisch revolutionnair,

terwijl een zekere Prawin, een Rus, als vertegenwoordiger van Lenin

in Indië de propaganda voert.

De gewezen turksche officier Kiazim Bei heeft in Toerkestan de

leiding, waar hij een groote anti-engelsche organisatie tot stand

gebracht heeft met russisch geld, dat hem onbeperkt toegezonden

wordt, zoo ook wapenen en munitie.

Deze organisaties, die volgens Lenin's eigen woorden tegen het hart

van Indië gericht zijn, groeien, dank zij den russischen steun, met

den dag. Caveant consules.

Denikin heeft, in tegenstelling met Koltsjak, den laatsten tijd vrij

groote voordeelen behaald, die hun hoogtepunt vonden in de verovering

van Charkof. Het is echter de vraag of deze troepen van een beter

gehalte zijn dan die van Koltsjak en of zij dus op den duur

strijdvaardig zullen blijven.

Het is een vreemd geheel waarover Denikin het bevel voert. Hij zelf

heeft zijn hoofdkwartier in Rostof, aan de Don. Op zijn

rechtervleugel staat het Kaukasus-leger, ongeveer 12,000 man, onder

de generaals Erdeli en Sawitski. Meer naar het noorden, ten z.o. van

Saratof, staat generaal Wrangel met een leger uit vrijwilligers

bestaande en het Koeban-leger, op papier 80,000 man tellend. In het

centrum staan naast elkaar het Krim-Azofsche korps met Donkozakken

onder generaal Sidorin (pl.m. 50,000 man). De linker-vleugel wordt

gevormd door drie groepen vrijwilligers onder de generaals

Pokrowski-Skoera en Machnof, elk ongeveer 20,000 man sterk en nog

versterkt door Terekkozakken.

Daartegenover hebben de bolsjewiki hun 12e, 13e, 8e en 9e leger

staan, ook alweer op papier 150,000 man sterk. De Kaspische Zee en de

Kaukasus zijn geheel in engelsche handen.

In de Oekraine heerscht groote verwarring; daar vechten bolsjewiki en

witte troepen tegen en onder elkander. Langs de kust is een smalle

strook, waar o. a. Odessa in ligt, in handen der witte troepen.

Tegenover het roode westleger staat generaal Sceptyeki, met naar mijn

schatting pl.m. 10,000 man tegenover pl.m. 50,000 Russen.

Aangezien het poolsche leger goed aangevoerd wordt, en de Polen

uitstekende soldaten zijn, worden hier de bolsjewiki voortdurend

teruggeslagen. Helaas hebben de Polen geen plan om veel verder dan de

Beresina oostwaarts te rukken.

Hier komen wij op een zeer lastig vraagstuk dat ik al te voren heb

aangeroerd, n.l. dat de Polen de Beresina als oostgrens willen hebben

en daarmee een gedeelte van Wit-Rusland, hetgeen de Entente tot

dusver, vermoedelijk door beloften aan Denikin gebonden, niet heeft

willen goedkeuren.

Over Litauen en Koerland heb ik al heel wat geschreven en

getelegrafeerd; daar staan naast elkaar Litauers, Esten en Letten,

die echter geen groote militaire waarde hebben, slecht uitgerust en

gedisciplineerd zijn, waardoor in dat gedeelte van Oost-Europa de

troepen van Von der Goltz de eenige zijn waarmee iets uit te richten

is.

Nu is m. i, de heele moeilijkheid deze, dat het den Engelschen er

nooit oprecht om te doen is geweest, het sovjetbewind ten val te

brengen. Engeland zag in het bolsjewisme geen gevaar voor zichzelf.

Dat het toch in schijn er tegen optreedt ligt alleen hierin, dat het

bij een val van het sovjet-bestuur wil trachten economische

voordeelen te behalen en de Duitschers te beletten in Rusland

handelsbetrekkingen aan te knoopen.

Wien de goden willen verderven, dien slaan zij met blindheid, want op

deze manier heeft Engeland zich toch de russische regeering tot

aartsvijand gemaakt en ziet het welke gevaren in Indië en Perzië

dreigen.

Maar Engeland heeft het ook bij de conservatieven en zelfs ook bij de

meer gematigde Russen verbruid, door den aan Polen verleenden steun.

Men kan gerust zeggen dat alles wat Rus is, tot welke richting ook

behoorend, anti-engelsch is. In Oost-Europa heeft de Entente

uitgediend, omdat ze het niemand naar den zin heeft kunnen maken en

omdat ze nooit openlijk gezegd heeft wat ze wilde.

Lenin en Trotsky spelen tegenover de boeren uit dat Koltsjak en

Denikin reactionnair zijn.

Dezer dagen sprak ik een Rus, die pas uit Rusland kwam, en er in de

laatste maanden veel gereisd heeft. Hij was het grootendeels met de

beschouwingen, die ik gegeven heb, eens; alleen meende hij, dat van

de socialisten geen heil te verwachten was, omdat de Russen weer een

krachtige vuist moeten hebben, die ze regeert.

Maar in zooverre was hij het met mij eens, geen reactie, geen

intrekking der thans ingevoerde hervormingen, maar een met het

russische volkskarakter rekening houdende hervormingspolitiek.

Hij was er, evenals ik, van overtuigd, dat een openlijke verklaring

der Entente, en met name van Engeland, heel veel goeds zou kunnen

uitrichten. Wat zegt nu echter Churchill en bevestigt daarmee mijn

bovengeuite overtuiging: "wij moeten zorgen, dat Duitschland geen

economische voordeelen behaalt." Daarmee is feitelijk de engelsche

politiek gekarakteriseerd en m.i. veroordeeld.

De Engelschen -- en in het algemeen de Entente hebben geen geregelde

troepen ter bestrijding van het bolsjewisme beschikbaar, en laten

anderen voor zich vechten. Die anderen bestaan uit verschillende

elementen, conservatieve en radicale en daarom kan de Entente geen

uitsluitsel geven wat zij eigenlijk wil, om niet een der partijen

tegen zich in 't harnas te jagen.

Zeer typisch komt dat in 't Noorden uit. Daar vechten Esten, die

eigenlijk half en half bolsjewistisch zijn, naast de troepen van

prins Lieven, die reactionnair zijn, en op het oude tsaristische

standpunt staan.

Schaart de Entente zich nu aan de zijde der reactie, dan weten niet

alleen de Esten, maar ook de Letten en Litauers, dat zoodra het

bolsjewisme valt, het met hun onafhankelijkheid gedaan is. Gaat de

Entente de andere richting uit, dan doen de reactionnairen niet meer

mee.

Elk dezer partijen op zich zelf is niet sterk genoeg, en de Entente

heeft zelf geen troepen beschikbaar, dus blijft het bij een

dubbelzinnige politiek.

Er is slechts één uitweg -- maar of de Engelschen daaraan zullen

willen, is de vraag -- n.l. de troepen van Von der Goltz opdracht

geven St. Petersburg te veroveren. Op het oogenblik is het al zeer

onwaarschijnlijk, dat die opdracht gegeven wordt, maar het oogenblik

nadert meer en meer dat men in de duitsche troepen in Koerland de

eenige redders zal zien. De doorbraak bij Pskof heeft opnieuw

aangetoond, niet dat de roode troepen zoo sterk zijn, maar hoe zwak

de witte zijn.

Wanneer men in Engeland zegt: St. Petersburg is zoo sterk, dat het

niet te nemen is, dan is dat een onwaarheid, welke iedereen, die ook

maar eenigszins op de hoogte is, voelt. Een dergelijk gezegde

beteekent alleen, dat de troepen die voor de Entente vechten weinig

of niets waard zijn. Ik weet uit zeer goede bron, dat er Engelschen

zijn, die er net zoo over denken als ik, maar hun meening wordt

onderdrukt.

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 10 / 11 段