en met de mededeeling dat ik ze eerst buiten Rusland mocht openen en
dat ik morgen over Dunaburg het land kan verlaten, natuurlijk onder
de noodige bewaking. Goddank! want ofschoon ik hier wat de
behandeling betreft, niets te klagen heb, is toch de voortdurende
eenzaamheid en het gevoel feitelijk een gevangene te zijn, zeer
neerdrukkend. Ik heb in mijn eenzaamheid heel wat propagandalectuur
verwerkt en ook de kranten met behulp van mijn bewakers zooveel
mogelijk gevolgd. En nu blijft het altijd waar, dat zelfs met de
beste censuur er dikwijls uit de bladen heel wat te halen is al was
het alleen maar door hetgeen er niet in staat. Zoo vond ik het
bijzonder interessant, dat Kerensky en de sociaal-revolutionnairen er
nog steeds heftig in worden aangevallen. Daaruit maak ik de
gevolgtrekking, dat men in regeeringskringen nog steeds bevreesd voor
hen is, en zij dus meer aanhang hebben dan men over het algemeen wel
wil doen gelooven. Ook de artikelen tegen de desertie blijken mij van
veel belang, omdat zij bevestigden wat ik reeds aan het front gehoord
had, dat nl een derde van het leger van Trotzky permanent op den loop
is. Vroeger werden deserteurs niet gestraft, maar eenvoudig weer
opgepakt en ingelijfd. Thans kondigden de bladen echter een strenger
optreden aan. Zeer belangwekkend zijn verder de onthullingen uit het
russische geheim-archief, die steeds voortgezet worden en waaruit
zonneklaar blijkt, dat Poincaré en Grey reeds in 1913 op den oorlog
aanstuurden. Onder meer is een brief van Grey gepubliceerd, waarin
deze Rusland en Frankrijk in alle gevallen de hulp van de engelsche
vloot toezegt. Ook een geheim bericht van Sasonof van Juli 1913 aan
den Tsaar waarin hij mededeelt, dat Bethmann Hollweg hem verzocht
heeft om bemiddelaar te zijn bij een poging om tot een betere
verstandhouding met Frankrijk te komen, waarin hij (Sasonof) gemeend
heeft niet te moeten treden. Het is den Russen met deze publicatie,
die dan zoogenaamd tegen de geheime diplomatie gericht is, er alleen
om te doen de Entente onaangenaam te zijn, want hun geheime verdragen
met Turkestan, de Kirgiezen, e. a. publiceeren zij niet, net zoo min
als zij de ware reden opgeven waarom zij aan Estland en Litauen een
vredesaanbod gedaan hebben. Ik voor mij geloof dat Rusland wel heel
graag vrede zou willen hebben, maar toch maar het allerliefst een gat
waardoor het door de blokkade kan breken en zijn propaganda makkelijk
het buitenland in zenden. En vrede met Litauen en Estland zou het
aardig in de richting sturen en de verbinding met de Spartaciërs in
Duitschland heel wat makkelijker maken.
*
* *
De terugreis
VIII
Kowno, 26 Augustus
Precies acht dagen was ik in Moskou geweest, toen ik met een verlicht
hart weer in den trein stapte die mij over Smolensk-Polosk naar
Dunaburg zou brengen, vanwaar ik zou moeten trachten door het front
te komen.
Ik had op de terugreis ook weer een bewaker bij mij, een jong vlot
soldaatje, die heel blij was dat ik hem als ik at altijd mee liet
eten, want de porties zijn niet groot in het roode leger, en dat is
de reden waarom de ontevredenheid er zoo groot is.
Zal ik u verder de tweedaagsche reis weer beschrijven, die ik ditmaal
van Polosk in een goederenwagen deed omdat op dit traject geen
passagiersrijtuigen meer rijden? Ik geloof dat ik maar eentonig zou
worden, met u mijn hopeloozen strijd tegen het ongedierte weer te
vertellen.
Ik was den koning te rijk toen ik reisgezelschap kreeg: een russisch
ingenieur met zijn vrouw en zoontje van 9 jaar, die zoogenaamd naar
Dunaburg reisden, maar inderdaad hetzelfde plan als ik hadden.
In het eerst zag ik hem voor een bolsjewistisch spion aan, hetgeen
hem blijkbaar zeer onaangenaam trof, maar al spoedig ontdekte ik dat
hij een bourgeois was die, de ellende moede, met het restje van zijn
geld naar het buitenland trachtte te ontkomen.
Hij was veel in 't buitenland geweest, had daar ook gestudeerd, en
kende verscheidene communisten, waardoor het hem te langen leste
mogelijk was geworden zijn geld weer in handen te krijgen, en de
permissie om naar Dunaburg te trekken.
Wij spraken af dat hij mij in Rusland zooveel mogelijk bij zou staan,
en ik een goed woordje voor hem zou doen in Litauen, waar iedereen
die uit Rusland komt, als hij niet het tegendeel kan bewijzen, voor
een agent der bolsjewiki wordt gehouden.
Hoewel ik dat standpunt aanvankelijk wel eens overdreven vond, moet
ik, na alles wat ik gezien en ondervonden heb, erkennen dat het 't
eenige goede is, al moeten vele onschuldigen er door lijden. Want al
maakt men het verkrijgen van passen en visa's nog zoo moeilijk en de
controle nog zoo scherp, er blijven altijd leeperds die alle
controleurs verschalken.
Een aardig staaltje daarvan zag ik in Rusland zelf, waar de contrôle
ongeloofelijk streng is. Om op het perron te komen, moet men door
vier contrôles heen, die elk een uiterst minutieus onderzoek naar de
stempels enz. instellen, en in den trein komen ze je elk oogenblik
weer lastig vallen. Ik was er goddank vrij van, want dat was het werk
van mijn bewaker, die een heel pak papieren meezeulde.
Toch heb ik met iemand gereisd, van Moskou naar Dunaburg, die geen
enkel papier bij zich had. Deze slimmerd was een heel eind voorbij
Moskou langs de spoorlijn gewandeld, en toen onderweg in den trein
gesprongen, hetgeen bij den slakkengang van 20 KM. per uur nu niet
zoo'n buitengewoon moeilijke zaak is.
Verder hield hij zich op in een wagen, die een ladder had naar 't
dak, voor den remmer. Kwam er nu in den trein contrôle, dan kroop hij
op 't dak, en aangezien bij de stampvolle wagens het controleeren
heel lang duurde, had hij tijd en gelegenheid, om, terwijl de
controleur zich van het eene eind naar het andere van den wagen
begaf, kalm over 't dak naar 't eind te kruipen waar de contrôle al
was geweest. Nu 't in Rusland gewoonte is, dat de passagiers niet
alleen in den trein zitten, maar op alle mogelijke wijzen er aan
hangen, valt een dergelijke beweging ook volstrekt niet op.
Twee mannen, die de reis van Moskou naar Dunaburg op de buffers der
achterste wagens gemaakt hebben verdenk ik er ook sterk van, niet al
te best van papieren voorzien te zijn geweest. Zij sprongen er
ongeveer 1 KM. voor elk station af en hadden, dank zij het lange
oponthoud, al de gelegenheid om den trein weer in te halen.
Ja, ik heb zelfs bij de enorm scherpe contrôle voor het trekken door
't front iemand zonder eenig papier kalm de controle zien passeeren,
al moet ik er aan toevoegen, dat het mij een raadsel gebleven is, hoe
hij hem dat geleverd heeft. Ik wist dat zijn papieren niet in orde
waren, en lette daarom scherp op hem, maar ik heb niet kunnen
ontdekken hoe hij er door kwam. Een feit is echter, dat hij er op een
gegeven oogenblik door was.
Mijn reisgenoot had het onaangename avontuur, terwijl wij in Polosk
midden in den nacht op den trein voor Dunaburg zaten te wachten,
plotseling gearresteerd te worden aangezien men meende dat zijn
papieren niet in orde waren.
Gelukkig hadden we genoeg tijd, want anders hadden wij er den trein
door gemist, daar er maar eens per dag een trein gaat, want 't duurde
wel drie kwartier voor ze hem weer loslieten.
Toen hij weer los was gelaten, zeide hij: "dat was op 't kantje af;
een foutje in de stukken en ik was er bij geweest. Ik ken genoeg
menschen die door het geheim comité voor nog minder zijn
gearresteerd, en eerst na zes maanden weer zijn losgelaten." Hoe meer
ik zulke verhalen hoorde hoe meer ik verlangde het bolsjewikiland te
verlaten, maar je leert geduld oefenen in Rusland, waar alles onder
het motto gaat "haast je langzaam".
Zoo ook in Dunaburg. Ik had nog eenige hoop, dat toen ik er
Dinsdagavond aankwam, ik Woensdag verder zou kunnen reizen, maar geen
denken aan; de zaak zou worden overwogen en men voegde er aan toe:
"wij zullen de zaak hier zelfstandig behandelen. Wanneer u uit Moskou
geen permissie hebt laten we u zeker niet door, maar dat beteekent
nog niet, dat wanneer ze er in Moskou niets tegen hebben, wij het er
mee eens zijn."
Dat beteekende dus een paar dagen verblijf in Dunaburg, het
welbekende, veel omstredene Dunaburg uit den grooten oorlog. De
straten zijn er recht, de huizen laag, maar van steen, en leelijk.
Behalve het gezicht op de rivier, is er niets moois aan de stad, die
bovendien duidelijk de sporen draagt, vijf jaar lang den oorlog in
haar onmiddellijke nabijheid te hebben gehad. Ik maakte er kennis met
een Zweed, die er al een paar weken zat te wachten. De arme kerel had
een automobielzaak in Moskou gehad en was voor een half jaar
plotseling in 't gevang gezet, waar hij twee maanden in had
doorgebracht en toen weer was losgelaten, waarna hij voor heel veel
geld het zoover had kunnen brengen, dat hij in Dunaburg was gekomen;
maar nu bleken de laatste loodjes het zwaarst te wegen.
De heer R., mijn reisgenoot uit Moskou, ging nu echter voor ons allen
aan het werk en hij slaagde er werkelijk in eenige moeilijk om te
koopen ambtenaren voor ons aller rekening eenige duizenden roebels in
handen te spelen, door dien heeren te verzoeken het tsarengeld tegen
sovjetgeld te wisselen. Nu heeft in de nabijheid van het front het
laatste totaal geen waarde, maar officieel staat het gelijk met het
tsarengeld; in werkelijkheid verdienden de ambtenaren er dus ongeveer
het heele bedrag aan en men kan het nooit omkoopen noemen.
Eindelijk dan kwam Vrijdagmorgen Hogberg, de Zweed, uitgelaten op ons
af, en riep "de zaak is in orde, wij kunnen er door en R. (de Rus)
mag ook mee." Dat was een vreugde, maar nu moesten wij nog een wagen
huren om ons naar het front te brengen, en liefst een die ons er door
bracht, daar bolsjewisten en Litauers ongeveer 5 KM. uit elkaar lagen
en het moeilijk aanging dien afstand te loopen met onze bagage op den
rug. Wij zochten dus een tweetal wagens, een voor Hogberg en mijn
persoon, en den anderen voor de familie R.
Na lang zoeken slaagden wij er eindelijk in, om voor 500 roebel per
persoon twee voerlieden te vinden, die genegen waren ons tot aan de
uiterste voorposten te brengen. Verder wilden zij zich in geen geval
wagen. Wij moesten dan maar zien onze bagage weer te dragen maar
aangezien er bijna dagelijks transporten krijgsgevangen Duitschers en
Oostenrijkers overgingen, zou het misschien wel gelukken een paar
hulpkrachten te vinden.
Zoo togen wij Zaterdagavond om 7 uur op weg. Ons eerste doel was Nowo
Alexandrofsk, vanwaar wij den volgenden morgen naar het front zouden
trekken. Halverwege bleek, dat een der voerlieden ons bedrogen had en
een absoluut niet te gebruiken paard had aangespannen. Daar stonden
wij, het begon allengs donker te worden, 't regende en was koud, en
het eene paard bleek zoo uitgeput van het korte traject, dat het niet
meer vooruit te krijgen was. Wij besloten toen op den anderen wagen
de bagage te laden; de familie R. kon ook nog meerijden, en de Zweed,
mijn bewaker en ik legden de 12 KM. die ons van Alexandrofsk
scheidden, te voet af.
In N. Alexandrofsk troffen wij in ons hotel nog een gast, een
Duitscher, die, zooals hij zeide, voor het departement van
buitenlandsche zaken kwam onderhandelen over krijgsgevangenen, en die
juist dien middag van de andere zijde gekomen was. Zijn verhaal over
die onderhandelingen leek mij eenigszins verdacht, en bij een nader
verhoor bleek hij geen der ambtenaren van het Auswärtige Amt te
kennen, en moest ik hem dientengevolge wel tot het gilde der
saccharinesmokkelaars rekenen, een zeer winstgevend, zij het ook
eenigszins gevaarlijk bedrijf.
Ik sliep dien nacht op m'n koffer, of beter, trachtte zulks te doen,
maar eindigde met bij een kaars wat te lezen. Het was vermakelijk, om
het geheel verder gade te slaan. Het eerst kwam Hogberg in beweging,
hij begon zijn kleeren te onderzoeken op een hier te lande zeer
bekende wijze, daarna begon mevrouw R. onrustig te worden, en
eindelijk R. zelf ook; alleen de soldaat sliep rustig door.
Toen het dag werd haastte ik mij mijn laatste schoone ondergoed aan
te trekken, en gooide de rest weg, aangezien ik het niet meer in mijn
koffer wilde bergen. De waard van het hotel kwam echter na eenige
oogenblikken vragen of het mij daarmee ernst was. Op mijn toestemmend
antwoord bleek hij uiterst verheugd, en eenige oogenblikken later had
hij het al aangetrokken.
Nu moesten wij onze passen nog laten viseeren, 't geen we na lang
wachten en veel moeite gedaan kregen, zoodat het vijf uur in den
middag was geworden voor we weg konden.
Wij vertrokken in gezelschap van 17 Duitschers en Oostenrijkers, die
uit krijgsgevangenschap, en een dame, die als vluchtelinge naar haar
woonplaats Kowno terugkeerden. Ons gezelschap bestond dus uit 29
mannen, twee vrouwen en een kind.
Op weg naar het front, ongeveer 5 kilometer, polste ik de
krijgsgevangenen, en al spoedig bleek mij, dat het voor 't meerendeel
goedmoedige Weeners en Berlijners waren; alleen twee hunner maakten
een vrij ongunstigen indruk.
Aangezien wij tusschen de fronten in niemandsland geheel op ons zelf
aangewezen zouden zijn, zocht ik een der besten uit, en besprak met
hem de maatregelen om die beide heertjes in het oog te houden, opdat
ze geen rare dingen zouden uithalen. Hoe meer we het front naderden,
hoe twijfelachtiger het werd, of wij er dien dag wel over zouden
komen, want het eerst vrij zwakke geweervuur werd allengs sterker;
machinegeweren spraken een woordje mee, en af en toe klonk zelfs
geschutvuur. Er was dan ook een merkbare onrust in onze colonne.
Op ongeveer een kilometer achter het front werden de passen
gecontroleerd, en goddank, alles bleek in orde. Toen moest er een
witte vlag gemaakt worden en Hogberg leverde daartoe gewillig zijn
handdoek; gelukkig mocht de wagen met onze bagage ons tot het laatste
oogenblik begeleiden.
Het vuur luwde eenigszins en toen wij aan de eerste russische
loopgraaf gekomen waren, was alles kalm. Mijn hoop dat alle contrôle
voorbij zou zijn, werd echter verijdeld, want midden op den weg
moesten wij halt houden, werden in twee rijen geplaatst en begon een
visitatie aan den lijve.
Ik had het meest te doen met mevrouw R., want ze had haar heele
kapitaal, een dik pak bankbiljetten, onder haar rokken verborgen.
Aangezien ik als vreemdeling vermoedelijk in Rusland het scherpst
onderzocht zou worden, hadden wij afgesproken, dat zij het tot aan de
grens bij zich zou houden, terwijl ik het dan op onzen tocht door
niemandsland weer zou overnemen, omdat ik weer bij de Litauers aan
het minste gevaar was blootgesteld.
Gelukkig bleken de beide vrouwen van een visitatie verschoond te
blijven, maar ze zouden toch nog een paar heel ellendige oogenblikken
doorleven, want nauwelijks stonden wij in twee rijen, of daar kwam
het welbekende suizen van een projectiel, en pang, nog geen
tweehonderd meter van ons sprong een granaat. Wij keken allen op,
maar de bolsjewiki gingen kalm door onze zakken te doorzoeken. Een
halve minuut later kwam weer een granaat aangieren, en toen nog een,
en nog een.
Ik zal dit tafereel niet licht vergeten, dat heuvelachtig landschap,
badend in 't zonlicht, die loopgraaf vlak voor ons, met overal in hun
bruine russische uniformen de bolsjewiki, die ons nieuwsgierig
bekeken, die twee rijen mannen, met de handen in de hoogte, en midden
op den weg de twee vrouwen, doodsbleek gehurkt op de bagage, het
jongetje R., anders vol praats, thans heel soumis tegen moeder
aangedrukt.
Het duurde eeuwen, maar eindelijk was alles klaar, een paar soldaten,
die zelf geen bagage hadden, namen een deel van onze bagage, de witte
vlag ging voorop, en de stoet zette zich in beweging. Eerst heel
langzaam, want we moesten door de hindernis, maar al spoedig begon de
vlagdrager zijn tempo te versnellen en dreigde de colonne uit elkaar
te geraken, aangezien de vrouwen en de zwaarder beladenen niet mee
konden komen. Daar had je het al.
Men had mij van bolsjewistische zijde er reeds op gewezen, dat het
noodzakelijk was dat wij bij elkander bleven, omdat het al meer
gebeurd was dat de Litauers achterblijvers niet toelieten of wel er
op schoten. Ik keek eens om naar den baas, met wien ik afgesproken
had het zaakje bij elkaar te houden, maar die had zelf een zwaren
koffer te torsen, en had dus niet veel te vertellen.
Ik besloot er dus zelf maar een eind aan te maken, en gaf den
jongeman met de vlag een daverend standje, liet de colonne halt
houden, de vrouwen in het midden nemen, en toen weer voorwaarts gaan,
terwijl ik mij zelf aan het hoofd begaf. Dat hielp, en van dit
oogenblik had ik het commando, en werden mijn bevelen zonder
tegenpruttelen gehoorzaamd.
Het was merkwaardig, dat hoe meer we de litausche linies naderden,
hoe kalmer en stiller iedereen werd. We hadden n.l. in Dunaburg de
verschrikkelijkste verhalen gehoord van transporten, die door de
Litauers met een heftig geweervuur ontvangen waren, dan wel weer
teruggestuurd, en toen weer door de bolsjewiki teruggejaagd.
Dat er van die verhalen iets waar was, bleek uit het groot aantal
koffers, dat op en terzijde van den weg neergesmeten lag, blijkbaar
inderhaast weggeworpen, om zich sneller tegen het geweervuur te
kunnen dekken. Aangezien het geschutvuur, dat thans over onze hoofden
ging, sterker werd, en nu en dan terzijde van ons het geweervuur ook
opflikkerde, zeide ik tegen R.: "hoor eens, als het verkeerd gaat
bekommer je dan niet om je bagage, werp die weg, en doe wat ik je
zeg." Hij keek al maar door bezorgd naar vrouw en kind, terwijl
Hogberg me nu en dan eens toeknikte, en een "very dangerous" liet
hooren.
De weg viel ook niet mee, heuvel op, heuvel af, en dan hadden wij
allemaal wat te dragen, en zoo sleepten wij ons moeizaam voorwaarts.
In dien tusschentijd stopte mevrouw R. mij nog snel het dikke pak
tsarenroebels toe, dat ik niet dan met de grootste moeite in al mijn
zakken kon bergen. Eindelijk, nadat we meer dan een uur gegaan waren,
klonken vlak bij ons heel harde slagen. De krijgsgevangenen en ik
wisten toen meteen dat we ongemerkt door de litausche voorposten
gekomen waren, want wij waren nu al bij de vurende batterij.
De vrouwen hadden echter nog een geweldigen schrik; het was gelukkig
de laatste, want een oogenblikje later stapte een litausch officier
op ons toe, die ons heel vriendelijk begroette.
Ik stapte vooruit, en deed het woord. De Litauer sprak wat gebroken
duitsch en deelde mede dat wij ongehinderd verder konden gaan. Wij
kregen een soldaat mee, maar al waren wij nu door de linies, daarmee
hadden wij nog geen wagens en zoo moesten wij nog een heel uur
voortgaan, totdat eindelijk bij een herberg twee wagens gehuurd
konden worden, waarop weer de bagage en de vrouwen geladen werden. De
mannen gingen te voet verder naar Dawgeli, waar de litausche
commandant verblijf hield; dit was nogmaals een uur loopen.
Wij waren ten minste den avond te voren uit Dunaburg vertrokken en
hadden nog een gedeelte per wagen afgelegd, maar de krijgsgevangenen
waren heel vroeg dien morgen uit Dunaburg opgebroken en hadden den
geheelen weg getippeld.
Maar dat is kinderspel, zeiden een paar Oostenrijkers, wij zijn bijna
heelemaal uit Tobolsk komen wandelen, daar doen we nu al twee maanden
over.
Het bleken gevangenen te zijn, die achter het front van Koltsjak
geweest waren en bij den opmarsch der bolsjewiki waren bevrijd.
De bolsjewiki hadden echter niet voldoende spoormateriaal om hen
allen naar achteren te brengen. In het geheel waren het er ongeveer
15.000 en zoo hadden ze een groot gedeelte van den weg moeten loopen.
In Moskou en andere plaatsen waren concentratie-kampen ingericht,
maar deze waren zeer primitief en het voedsel was er absoluut
onvoldoende. Daarom liepen ze bij hoopen weg en trachtten gelijk het
dezen twee gelukt was bij Dunaburg over de grens te komen. Zij waren
in Moskou in het kamp geweest en hadden den weg Moskou--Dunaburg ook
weer te voet afgelegd.
Ik vroeg hun natuurlijk eenige bijzonderheden over het leger van
Koltsjak.
Och, zeiden ze, het is er een nog grooter bende dan bij de
bolsjewiki, de mannen loopen bij bosjes weg. Ze hebben genoeg van het
vechten. De bolsjewiki hadden alleen maar voorwaarts te gaan.
Gevochten is er bijna niet.
Eindelijk kwamen we in Dawgeli; wel was ik erg moe, maar ik gevoelde
me toch heel wel; het was gelukt: ik was naar Moskou geweest en er
weer uit gekomen. Nu was het me er echter om te doen, om niet voor
een krijgsgevangene gehouden te worden. Ik begaf mij dus direct naar
den commandant, een litausch majoor, die mij heel vriendelijk ontving
en mij direct gelukwenschte, met de woorden: "u had geen uur later
moeten komen, want op het oogenblik begint onze aanval op Novo
Alexandrofsk."
Ik had dus geboft.
Kowno, 27 Augustus
Zoo waren wij dan wel heelhuids uit Rusland, maar dat wilde nog niet
zeggen, dat daarmede ook weer de beschaafde wereld bereikt was, want
een goede 150 KM. scheidden ons nog van Kowno, en de eenige wijze om
dat te bereiken was per as.
De Litauers waren heel vriendelijk, en behandelden ook de
krijgsgevangenen zoo goed mogelijk. Ze hadden echter zelf niet veel,
zoodat die arme kerels er nog al slecht aan toe waren.
Dien nacht sliepen de familie R., de Zweed en ik in het litausche
hoofdkwartier der troepen voor Nowo Alexandrofsk, in een boerenwoning
op den vloer. Den volgenden morgen gingen wij met twee wagentjes naar
Ottojani; wij keken elkaar eens aan, toen wij den prijs hoorden: maar
50 roebel per hoofd. Hoewel dat voor Litauen geweldig duur was, leek
het ons spotgoedkoop, vergeleken bij de prijzen in Rusland.
Mijn reisgenooten waren erg bang voor de visitatie der Litauers, maar
daar schenen ze heelemaal niet over te denken. Alleen werden onze
passen van een stempel voorzien, echter zonder eenig bijschrift,
vermoedelijk omdat de controleerende ambtenaar niet lezen of
schrijven kon. Ik meen zulks op te mogen maken uit het feit, dat hij
mijn pas onderste boven bekeek, en bleef bekijken, totdat hij aan 't
portret kwam, waarop hij blijkbaar zijn vergissing eerst bemerkte.
Onderweg werden wij herhaalde malen aangehouden, maar het
aardigheidje kennende, gaf ik altijd maar een sigaret, en hield mijn
pas in den zak. Wij hoorden 's ochtends dat Nowo Alexandrofsk genomen
was, en waren de Litauers maar wat beter uitgerust geweest, dan
hadden ze voor Dunaburg kunnen staan; maar hun etappendienst is te
slecht dan dat ze ineens zoo'n sprong voorwaarts konden doen.
Ik had gehoopt in Ottajani den trein naar Schaulen over Ponewjez te
kunnen nemen, om dan over Tilsit zoo snel mogelijk naar Berlijn te
reizen.
Daar hoorde ik echter, dat alle verkeer over Schaulen gestremd was,
omdat, naar men zeide, het leger van Koltsjak die plaats bezet had.
Het leger van Koltsjak? vroeg ik, wat is dat voor onzin, Koltsjak zit
in Siberië.
Jawel, was het antwoord, maar een paar duizend uit duitsche
krijgsgevangenschap ontslagen Russen hebben zich onder voormalige
tsaristische officieren tot een hulpbrigade gevormd en zich nu voor
Koltsjak verklaard, en aangezien ze toch iets moeten doen, Schaulen
bezet.
Het lijkt wel een gekkenhuis, deze Oosthoek van Europa, hoewel 't nog
zoo gek niet is om Schaulen, het verbindingspunt tusschen Letland en
Litauen, te bezetten. Deze troepen zijn natuurlijk geheel en al
tsaristisch en hun aanvoerders willen vermoedelijk niets van een
onafhankelijk Letland en Litauen weten.
Gelet op het eigenaardige karakter van 't litausche leger en op den
waarschijnlijken terugtocht der duitsche troepen uit Letland, kunnen
ze uit het door hen bezette punt naar alle richtingen optreden en zoo
noodig in Koerland het tsarenrijk weer uitroepen, hetgeen ik
volstrekt niet voor onmogelijk houd.
Van dat oogenblik af gaan ze dan natuurlijk weer tegen de Polen
vechten. Waarom? ja dat weet ik ook niet, maar dat is nu eenmaal
iets, dat ik bij elken reactionnair gezinden Rus heb kunnen
constateeren. Zijn allereerste hoop is, om zoodra 't tsarenrijk
hersteld zou zijn, de Polen te lijf te gaan.
Onze twee voerlieden wilden ons niet verder brengen dan Ottajani en
zoo huurden wij daar een anderen wagen, om ons naar Kowno te brengen.
Den eersten dag bracht onze nieuwe voerman ons tot Wilkomir, waar
wij hoorden dat de toestand aan het poolsch-litausche front zich
verscherpt had, en dat wij haast moesten maken om te zorgen in Kowno
te zijn voor ze ons misschien den weg afsneden.
Het landschap is in deze streken bijzonder mooi; voor den liefhebber
van folklore is er bovendien heel wat te zien en te bestudeeren,
onder anderen zijn de huizen aan de snijpunten van wegen met allerlei
geborduurde lappen versierd, en ook de litausche kerkhoven met de
verschillende houten grafkruizen zijn zeer merkwaardig; om de
typische vrouwendrachten niet te vergeten.