Het eene uur na het andere verliep. Ik liet den commandant roepen.

Deze kwam ook en sprak gelukkig duitsch, maar hij kon mij geen

uitsluitsel geven, misschien zou ik dienzelfden dag nog verhoord

worden, maar het kon nog wel een paar dagen duren. In zooverre

stelden zijn woorden mij gerust, daar het mij duidelijk werd, dat ik

niet in een gevangenis zat, maar in een lokaal van voorloopige

hechtenis. Eindelijk in den namiddag kwam een soldaat mij halen en ik

ging met hem een klein eindje over straat. De zon scheen en het was

mooi weer. U kunt u niet voorstellen, wat dat voor mij was, om daar

met een gewapenden soldaat naast me door die zich vrij bewegende

menschenmassa te gaan, met het idee: nu word ik misschien naar het

Kreml gebracht, daar in een donker hok opgesloten en is dit misschien

voor maandenlang het laatste wat ik van de vrije wereld zie. Maar

gelukkig werden mijn sombere gedachten niet bewaarheid, want ik werd

niet naar het gevang, maar naar het bureau van den heer Litwinof

gebracht, een ambtenaar van buitenlandsche zaken, den vroegeren

gezant der bolsjewiki in Londen, die uitstekend engelsch sprak. Hij

was heel vriendelijk en begon met mij te zeggen, dat het hem

vreeselijk speet, dat ik in het hok gestopt was, maar dat hij er ook

niets aan kon doen. Hij voegde er bij, dat de eenige moeilijkheid zat

in de pakketten voor het consulaat, die ik bij mij had, omdat men

tegenover de consulaten geheel van houding veranderd was, doordat men

een paar maanden geleden ontdekt had, dat het zwitsersche en deensche

consulaat te St. Petersburg contra-bolsjewistische propaganda maakten

en voor den aanval op St. Petersburg spionnagediensten verrichtten.

Ik vroeg of men ook over het nederlandsche consulaat zulke klachten

had. Waarop het antwoord was: "neen, en dat is heel gelukkig voor u."

Ik vroeg toen of ik mijn vrijheid terug kon krijgen en daarop zei de

heer Litwinof: "wij zijn in een land dat in oorlog is met de geheele

beschaafde wereld; daardoor moeten wij bijzondere maatregelen nemen,

en heeft het ministerie van buitenlandsche zaken daar op het

oogenblik niets over te vertellen. Dat berust geheel bij de militaire

autoriteiten." Gelijk mij later bleek, bedoelde de heer Litwinof

hiermede het geheime comité tot bestrijding van de tegen-revolutie,

want de eigenlijke militaire autoriteiten hebben in Rusland heelemaal

niets te zeggen. Hij beloofde mij echter zijn best voor mij te zullen

doen en verzocht mij even te willen wachten, want hij wilde trachten,

een telefoongesprek te hebben met den commandant. Het scheen nogal

wat voeten in de aarde te hebben, hij bleef tenminste een heele poos

weg. Maar gelukkig kwam hij na eenigen tijd terug met de mededeeling,

dat ik vrij was en in het regeeringshotel ondergebracht zou worden,

maar dat ik mijn eerewoord moest geven, zonder voorkennis van

Buitenlandsche Zaken met niemand te spreken of in verbinding te

treden. Ik was al wat blij dat ik het zoo ver gebracht had, en mijn

eenige streven was nu ook om te zorgen dat ik er weer uit kwam. Van

het oogenblik af dat ik 's morgens in het hok gezet was, had ik 't

idee: zoo gauw mogelijk hier vandaan! Dat hield me zoo bezig, dat ik

zelfs den landweg op een generale stafkaart en den weg door Moskou

uit mijn hoofd heb geleerd. Ik had een adres van een Nederlander in

Moskou gekregen, waar ik ook den consul zou kunnen treffen en had 's

morgens nog gelegenheid gehad daar een boodschap heen te sturen, dat

ik in Moskou was en dat zij maar bij Buitenlandsche Zaken navraag

naar mij moesten doen. Ik heb er echter niets meer van gehoord en op

mijn verzoek, om met de in Moskou aanwezige Nederlanders in

verbinding te mogen treden -- ik wist toen heelemaal niet, dat alle

zich in Rusland bevindende Nederlanders gevangen genomen waren --

werd steeds afwijzend beschikt. Ik had mijn eerewoord gegeven om met

niemand in verbinding te treden en het was dus onmogelijk, in het

geheim te trachten iets uit te richten. Want ik ben er van overtuigd,

dat behalve de soldaat, die mij dag en nacht bewaakte, er ook nog

voortdurend spionnen mijn gangen nagingen. Het is in elk geval zeker,

dat wanneer ik met mijn begeleider over straat wandelde, ik ook nog

voortdurend gevolgd werd. Ik gaf aan Litwinof te kennen, dat ik

gaarne een interview zou hebben met Lenin, Trotzky of Tsjitsjerin.

Maar het bleek, dat Lenin in het Kreml uiterst zorgvuldig werd

bewaakt en voor niemand te spreken was, terwijl Trotzky al eenigen

tijd te velde vertoefde. Litwinof, die de vriendelijkheid zelve was,

beloofde mij alles te zullen doen, wat maar eenigszins mogelijk was

om mij een onderhoud met Tsjitsjerin te bezorgen. Toen kwam mijn

soldaat weer, ik kreeg mijn bagage terug en werd naar het

Regeeringshotel gebracht.

Moskou, 11 Augustus

Het huis, waarin ik hier ingekwartierd ben, heeft blijkbaar aan een

zeer rijke russische familie behoord. Het is groot, ofschoon het maar

één verdieping heeft. Het is mij een heele geruststelling, dat hier

ook Hindoes en Perzen wonen. Ik had reeds in Berlijn vernomen, dat in

het regeeringshotel een dergelijke deputatie verblijf hield. Daardoor

weet ik nu tenminste, dat ik werkelijk niet in een gevang ben en

Litwinof mij niet om den tuin geleid heeft. Het huis is heel rijk

gemeubeld en wordt blijkbaar goed onderhouden, maar alle kleeden zijn

opgenomen en over alle meubels liggen hoezen. De manager verstaat

geen woord duitsch, maar de soldaten, die men den geheelen dag in een

stoel voor de deur laat zitten, voor het meerendeel wel. Aangezien

ik mijn eerewoord gegeven heb, met niemand in contact te treden, heb

ik mij schriftelijk bij het ministerie van buitenlandsche zaken

beklaagd over deze bewaking. Het schijnt echter, dat buitenlandsche

zaken hierin volkomen machteloos is. Daar ik met niemand mag en kan

praten, behalve met mijn bewaker, vind ik het eigenlijk wel prettig,

dat ik altijd iemand bij mij heb, want het is veelal niet moeilijk,

zoo iemand voor kleine diensten te lijmen met een paar sigaretten en

niet te vergeten een stuk brood, want deze geheime agenten,

behoorende tot het geheimste aller geheime comité's in Rusland, doen

niets dan mij hun nood klagen, dat het in Rusland zoo slecht is, en

dat zij niet genoeg te eten krijgen. Ook over de behandeling zijn zij

heelemaal niet tevreden. Ik heb mij zitten verkneukelen, als ik dacht

aan alle moeite, die de sovjetregeering deed, om mij niets te laten

merken van wat er omging, en dat juist de mannen, die dat moesten

verhinderen, mij een kijk gaven op de algemeene ontevredenheid. De

algemeene verschijnselen waren oorlogsmoeheid, honger, en klachten

over de bureaukratie en ook over de duurte, die zoo groot is, dat de

traktementen, hoe hoog ook opgevoerd, erbij in het niet verzinken. Ik

ga elken morgen met mijn soldaat de stad in en leer zoodoende Moskou

vrij aardig kennen.

Maar het straatleven is toch altijd wel interessant. Eigenlijk

interessanter dan de stad, die een sterk vergroote uitgave van

Smolensk is; ondanks het groote aantal straten met europeesche huizen

en behoorlijk geplaveid, is en blijft Moskou een aziatische stad.

Typisch is dat er naast heel hooge huizen, van zeven en acht

verdiepingen, weer heel kleine van een of twee verdiepingen staan.

Zoo ook met het plaveisel; soms is een straat geheel geasfalteerd,

dan weer voor de helft keibestrating en asfalt, dan weer in eens

hobbelt men over de keien van het soort zooals bij ons in Brabant. Er

zijn ongelooflijk veel kerken. Bijna allemaal in den byzantijnschen

stijl met groene of vergulde koepels en het is typisch om op te

merken, hoe druk het kerkbezoek is; ik geloof niet dat ik overdrijf

wanneer ik zeg, dat de helft van de bevolking bij het passeeren van

een kerk den hoed afneemt en een kruis slaat. Bijna alle

huurkoetsiers doen er aan mee. Hoe zal ik u dat laatste type

beschrijven, met zijn lange jas en zijn hoogen hoed á la 1830 en dan

de kleine huurrijtuigen met het onder een boog gespannen paardje

ervoor? Zij hooren bij het straatbeeld en geven er een eigenaardig

oostersch cachet aan. Er zijn er vrij veel en er wordt dan ook veel

gebruik van gemaakt, maar waar die menschen dat allemaal van betalen,

begrijp ik niet, want zij vragen je gewoon drie à vierhonderd roebel

voor een rit. Het is druk op straat, veel uniformen, veel elegante

meisjes, maar zoo nu en dan ook plotseling keurig gekleede heeren, ja

ik heb er zelfs met monocles gezien. De orde wordt gehandhaafd door

met geweren bewapende politiemannen, die zeer krachtdadig optreden;

zoo tracht men op het oogenblik een eind te maken aan de verbazende

overvulling der trams. Ik heb eens gezien, hoe er ongeveer twintig

menschen achter aan een tramwagen hingen. Dat is sedert eenige dagen

verboden en wordt gestraft met 25 roebel boete, die op staanden voet

betaald moet worden. In de Twerskaja, een der hoofdstraten, zag ik

een tramwagen, waaraan er weer veel hingen, aanhouden; zij die buiten

den wagen hingen, werden er door een paar politieagenten afgehaald,

de tram ging verder, de slachtoffers moesten 25 roebels betalen en

konden toen den weg vervolgen. Maar eenigen die blijkbaar geen geld

hadden, werden meegenomen naar het bureau. Dat ging allemaal zoo snel

en rustig in zijn werk, dat ik met verbazing stond te kijken. Ook

verkeersagenten hebben op sommige punten postgevat. Het aantal

automobielen en motorfietsen is vrij groot en er is blijkbaar geen

maximum snelheid voorgeschreven. Ze suizen er tenminste aardig op

los. Het zijn echter allemaal regeeringswagens, particuliere treft

men niet meer aan. Het is helaas onmogelijk om het Kreml te zien,

aangezien Lenin daar verblijf houdt en deze zoo streng bewaakt wordt,

dat alleen enkele bevoorrechten er binnen mogen. Er loopen twee muren

omheen, een binnen- en een buitenmuur. Deze laatste loopt dwars door

de stad en schijnt een gedeelte van den ouden vestingmuur te vormen.

Het gezicht van de Moskwa op het Kreml, met zijn eigenaardige

opeenhooping van paleizen en kerken, is echter op zichzelf al de

moeite waard.

Ik heb, ditmaal niet onder geleide van een soldaat, maar met een

allervriendelijksten ambtenaar van buitenlandsche zaken, ook het

groote schilderijen-museum bezocht. Vol trots wees mij mijn geleider

op het feit, dat iedereen toegang had; dat schijnt onder den Tsaar

niet zoo geweest te zijn, toen was het blijkbaar arbeiders verboden

een museum te betreden. Er waren thans eenige groepen soldaten, die

onder technisch geleide de schilderijen bezagen. Aangezien ik in

Nederland dergelijke proeven ook wel eens genomen heb, deed het mij

eenigszins genoegen te kunnen constateeren, dat de russische soldaat

al net als de hollandsche zijn aandacht voornamelijk op het

naakt-model concentreerde. De thans tentoongestelde verzameling was

zeer uitgebreid, doordat men er een aantal verzamelingen aan had

toegevoegd, De russische kunst, waarmee ik eigenlijk voor het eerst

kennis maakte, maakt op het eerste gezicht een somberen, ja een

eenigszins bloedigen indruk. Komt men een museum van nederlandsche

kunst binnen, onverschillig van oude of jonge meesters, dan is de

eerste indruk die van licht en zon. Bij deze russische verzameling

gevoelt men onwillekeurig een lichte huivering. Ik weet niet of de

technische uitdrukking juist is, maar ik zou willen zeggen, dat in

Rusland het realisme in de schilderkunst sterk overheerscht.

Bijzonder interessant was de bijna geheel complete collectie van

Werestsjagin, den schilder van Turkestan en den oorlog van 1878. De

museumdirectie is minder kleingeestig geweest dan de man die in

rood-Rusland het kaartspel heeft verboden, omdat er "heeren" in

voorkwamen. Hier hingen de russische keizersportretten nog heel

rustig aan den wand. Het is begrijpelijk, dat het kubisme op het

oogenblik in Rusland veel aanhangers heeft. Ik vind het de rechte

schilderkunst voor de sovjetrepubliek. Het moet van de russische

regeering gezegd worden, dat zij op haar wijze de kunst krachtig

steunt; ook de beeldhouwkunst geeft zij ruimschoots gelegenheid zich

te uiten en overal op pleinen en in plantsoenen verrijzen monumenten

voor meer of minder bekende revolutionnaire grootheden. Sommige zijn

heel mooi, andere daarentegen zooals bijv. voor Marx, van een

verrassende banaliteit. Marx is hier de groote man; de communisten

redekavelen in hun pers en brochures voortdurend over een plaats bij

Marx zooals men dat in ons vaderland zou kunnen verwachten van twee

orthodoxe dominees over een texst uit de Openbaring. De bolsjewiki

zijn dan ook geweldige dogmatici, met een soms kinderlijke

naïeveteit. Zoo vertelde mij gisteren een commissaris van

buitenlandsche zaken, dat de sovjetregeering in Rusland leerplicht

heeft ingevoerd. Toen ik hem opmerkte, dat het maken van een wet niet

voldoende was, keek hij mij hoogst verbaasd aan. Ik ging voort: "er

moeten toch onderwijzers zijn en schoollokalen." Dat kwam wel, zei

hij. Toen ik hem echter vroeg, welke maatregelen de regeering reeds

had genomen, moest hij het antwoord schuldig blijven. Ik wil hierbij

volstrekt niet over het hoofd zien, dat de moeilijkheden, waarmee de

russische regeering te kampen heeft, nu zij naar alle kanten oorlog

moet voeren, reusachtig zijn, maar dat neemt toch volstrekt niet weg,

dat de voor een groot deel lang niet onverdienstelijke wetten, door

de bolsjewiki ingevoerd, zooals bijv. de leerplichtwet, het invoeren

van den burgerlijken stand, hygiënische wetten, arbeidersverzekering,

niet verder gekomen zijn dan de bureaux en de dagbladen, omdat het

den wetgevers aan organisatie-talent ontbreekt, om de zaak op pooten

te zetten.

Nemen wij bijv. de huwelijkswetten met den daaraan verbonden

burgerlijken stand. In Rusland bestond tot voor korten tijd alleen

het kerkelijke huwelijk. Thans is dat anders en moet men zich eerst

burgerlijk laten trouwen, even als bij ons, waarna de kerkelijke

inzegening facultatief is. Toch kunnen zich 99 pct. der Russen niet

burgerlijk laten trouwen, omdat de ambtenaren, die het huwelijk

moeten sluiten, er nog niet zijn.

Men moet in Rusland zijn, om een dergelijken toestand kalm zijn gang

te laten gaan en er niet verder aan te denken, ambtenaren aan te

stellen. Over het algemeen zijn deze wetten ongeveer dezelfde als wij

ze in Europa al jarenlang kennen en de tegenstand der conservatieve

Russen lijkt mij in dit opzicht dan ook vrij bekrompen. Alleen de

huwelijkswetten zijn vrij radicaal, vooral wat het scheiden betreft.

Om te scheiden is het genoeg dat een der echtgenooten zijn wensch te

kennen geeft het huwelijk te laten ontbinden. Wanneer de andere

echtgenoot niet binnen een bepaalden tijd hiertegen opkomt, kan het

huwelijk ontbonden worden.

Het is merkwaardig zooveel bedelaars men op straat ontmoet. Dat

verwonderde mij eigenlijk wel eenigszins. Ik dacht dat er in een

bolsjewistischen staat geen arme menschen zouden zijn, tenzij de een

of andere bourgeois die niet werken wil. Maar de meeste bedelaars

zijn kinderen en oude arbeiders. Dat is weer een sprekend staaltje

van de onmacht der bolsjewistische leiders om hun eigen wetten uit te

voeren, want door den arbeidsdwang, de kinderverzorgingswetten en de

ouderdomspensionneering moest de noodzakelijkheid om te bedelen

absoluut uitgesloten zijn. De bolsjewiki zijn werkelijk geen

barbaren, hun leiders doen al hun best om de zaak voor elkaar te

krijgen, maar het zijn en blijven hopelooze idealisten en daardoor

begaan zij een misdaad aan hun eigen volk, dat het slachtoffer wordt

van hun volslagen machteloosheid om ook maar één wet werkelijk in

daden om te zetten. Zij hebben vergeten rekening te houden met de

praktijk en de menschelijke natuur en daarom is het misschien

eigenlijk wel jammer, dat de bolsjewiki in den tegen hen gevoerden

oorlog het argument hebben om te zeggen: "wij kunnen er niets aan

doen, want de oorlog heeft ons teveel bezig gehouden."

Ik ben ervan overtuigd, dat ook zonder oorlog het communisme een

fiasco gebleken zou zijn. Het sterkste bewijs daarvoor vind ik op het

gebied van den kleinhandel. Alle winkels in Moskou zijn gesloten. Er

bestaan alleen z.g. regeeringsverkoophuizen, waar slechts op kaarten

iets te koopen valt. Nu heeft de praktijk bewezen, dat het heele

kaartensysteem niet deugt, waardoor het koopen van een paar sokken,

een zaak van 14 dagen wordt. Maar het sterkste is, dat er een

straathandel ontstaan is van geweldige afmetingen met verbazend hooge

prijzen.

Men kan op straat en op de markt alles koopen als men maar betaalt,

tot zelfs pianos. Overal op straat ziet men de kooplui zitten, meest

bejaarde menschen. Hier zit een juffrouw en verkoopt eenige paren

lakschoenen, daarnaast zit iemand die een pak kleeren te koop

aanbiedt. Een eindje verder wordt een piano verkocht en dat alles,

ofschoon de wet dezen handel met de zwaarste straffen bedreigt. Maar

ook veel ellende is er tusschen door te zien. Zoo zag ik er menig

jong meisje staan, dat haar vroegere garderobe te koop aanbood. En

ook de haast spreekwoordelijk geworden generaal, die sigaretten of

kranten verkoopt ontbreekt niet.

*

* *

Te Moskou

VII

Moskou, 11 Augustus

's Avonds komt er een eigenaardige stemming over Moskou. Om zes uur

beginnen n.l. van het groot aantal kerken de klokken te luiden en de

carillons te spelen, Maar geen carillons zooals bij ons of een

regelmatig gebeier, maar een wild, door elkaar gehamer van klokken

met verschillende tonen, hetgeen een uiterst eigenaardig effect geeft

en barbaarsch klinkt. Het maakte op mij in mijn eenzaamheid

telkenmale een zeer onaangenamen indruk. Het was alsof al die klokken

hamerden: hier zijn wij niet in Europa, maar in Azië, en ik werd er

aan herinnerd dat ik mijlen ver van het vaderland en eigenlijk niet

veel meer dan een gevangene was.

Zoodra ik dan ook het interview met Tsjitsjerin, dat ik u reeds

geseind heb, gehad had, vroeg ik het land weer te mogen verlaten. De

minister antwoordde: "ik heb er geen bezwaar tegen, maar er niets

over te vertellen. Andere autoriteiten moeten u die toestemming

geven, maar ik zal mijn best doen om u zooveel mogelijk te helpen."

Elken dag wandelde ik ondertusschen naar het ministerie van

buitenlandsche zaken en elken dag was hetzelfde antwoord: ja, wij

doen ons best, maar u moet geduld hebben. Men stuurde mij elken dag

stapels brochures en tijdschriften in het fransch, duitsch en

engelsch, zoodat ik heel wat propagandalectuur verwerkt heb. Ik kreeg

daardoor ook een idee wat eigenlijk het sovjetstelsel, dat Lenin de

mooiste overwinning der Octoberrevolutie noemt, zeggen wil. Eigenlijk

is het niet veel anders dan een getrapte verkiezing, die het mogelijk

maakt dat een minderheid een meerderheid regeert. Een plaatselijke

sovjet, uit niet veel meer dan een paar honderd personen bestaande,

kiest een vertegenwoordiger. Het kiesrecht is algemeen, met deze

beperking dat alleen zij, die werken, of geheel buiten schuld zonder

werk zijn, mogen kiezen. De vertegenwoordigers nu van die sovjets

kiezen op hun beurt weer vertegenwoordigers, en dat is de algemeene

volksvertegenwoordiging, waaruit dan het algemeen uitvoerend bewind,

bestaande uit 18 volkscommissarissen, m.a.w. de ministers en de

president van de republiek, gekozen worden. Want -- en dat is in het

buitenland nog niet algemeen bekend -- Rusland heeft tegenwoordig een

president in den persoon van Kalinin. De macht van den president is

echter niet groot en hij heeft dezelfde stem als elk lid van het

uitvoerend comité. De officieele naam der russische sovjetrepubliek

is: Revolutionaire Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek,

hetgeen afgekort wordt tot de beginletters R. S. F. S. R., welke

letters men bijv. op elken spoorwagen aantreft. De nationale vlag is

rood met deze letters in den linkerbovenhoek. Men noemt deze

republiek de derde communistische internationale. In Maart heeft te

Moskou een congres plaats gevonden, van de vertegenwoordigers der

bolsjewiki uit alle mogelijke landen. De nederlandsche bolsjewisten

waren erbij vertegenwoordigd door den heer Rutgers wien het sedert

dien heel slecht gegaan is, aangezien hij na een aanval van spaansche

griep met een hersenziekte in een sanatorium is opgenomen. Het meeste

trof mij uit dezen stroom van propagandalektuur, de moeite die de

bolsjewiki doen om in China, Voor-Indië en in de mohammedaansche

wereld ontevredenheid te zaaien. Van bolsjewistische propaganda is

daarbij natuurlijk geen sprake. In de verschillende oostersche talen

opgestelde pamfletten, die in menigte naar Voor-Indië getransporteerd

worden, wordt het woord bolsjewisme of communisme zelfs niet eens

genoemd; ze bevatten alleen een scherpe kritiek op het engelsche

regeeringsbeleid. Juist in de dagen dat ik er was kwamen er in het

regeeringshotel ook eenige Perzen aan; dat is er natuurlijk allemaal

om te doen om de Engelschen, die de Russen op het oogenblik als hun

grootste vijanden beschouwen, zooveel mogelijk moeilijkheden te

berokkenen. Ook de strijd dien de emir in Afganistan met de

Engelschen heeft gevoerd zal wel aan bolsjewistische propaganda te

wijten zijn.

De groote vreugde te Moskou over den terugtocht van Koltsjak vindt

dan ook voornamelijk haar oorzaak in de mooie gelegenheid die

daardoor verkregen is rechtstreeks met Oost-Azië en Indië in

verbinding te treden. Ik heb den indruk gekregen, dat er ook heel wat

geld in deze richting gestuurd wordt. En als ik Engelschman was zou

ik volstrekt niet gerust zijn, hoewel deze propaganda der bolsjewiki,

die echt het kenmerk draagt van het doel heiligt de middelen,

eigenlijk een bedreiging vormt voor het heele blanke ras. De

propaganda in China waarvan de bolsjewistische pers beweert, dat zij

er heel veel succes heeft, is natuurlijk hoofdzakelijk tegen Japan

gericht. Dit streven der leiders te Moskou maakt de bolsjewiki mijns

inziens tot de meest gevaarlijke vijanden van alle blanke naties. Dat

het hun er voornamelijk om te doen is herrie te krijgen, kwam heel

aardig uit in een gesprek, dat ik toevalliger wijze met Guilbaux had,

den bekenden Franschen communist. Hij was zoo vriendelijk om mij in

mijn eenzaamheid te komen opzoeken en vertelde mij dat hij in het

voorjaar uit Zwitserland door Duitschland en Litauen naar Rusland

gevlucht was, aangezien hij bang was, dat de fransche regeering zijn

uitlevering aan de zwitsersche zou vragen. Hij was voornamelijk

gebeten op Longuet, dien hij beschuldigde niet oprecht revolutionnair

gezind te zijn. Volgens zijn meening was het vreeselijk jammer dat in

Duitschland zooveel leiders der Spartaciërs gevangen waren gezet.

Maar, zei ik toen, is het communisme dan niet iets dat leeft, zij het

ook verborgen, in een deel van de volksmassa? "Wel neen," was het

antwoord, "de leiders moeten er zijn om de richting aan te geven. Het

volk weet niets van communisme. Als dat maar ontevreden is of

ontevreden gemaakt kan worden, dan kunnen wij de revolutie

ontketenen." Ik zeide hem toen maar niet, dat in dit geval de

beweging zichzelf veroordeelt, want wanneer een beweging reeds te

bestrijden is, zooals deze communist zelf aangaf, door het

onschadelijk maken van de leiders, dan pleit dat niet voor de ideeën

die erin zitten, en mij kwam het woord van Dr. Kuyper in de

gedachten: een wet, die niet leeft in de ziel van het volk, is geen

wet. Guilbaux is anders een heel gezellige prater en bleek een groot

vriend van Henriëtte Roland Holst te zijn.

Wanneer men uit hetgeen ik u hierboven mededeelde, zou willen

opmaken, dat de Russen niets liever dan den Tsaar terug zouden willen

zien, dan is dat toch geheel verkeerd. Het is mogelijk, dat er onder

den druk der bolsjewiki een krachtige reactie ontstaan is. Maar mijn

algemeene indruk is toch, dat de groote meerderheid, hoewel het

bolsjewisme meer dan moe, geen reactionnaire regeering wil. Naar mijn

meening behoort de toekomst in Rusland aan de vooruitstrevende

elementen. Men moet niet vergeten, dat al heeft het communisme

schipbreuk geleden, de bevolking toch kennis gemaakt heeft met

dingen, zij het ook op papier, waarvan het onder den Tsaar nooit

gedroomd heeft. De groote fout der Entente is en blijft dan ook, dat

zij Koltsjaks regeering erkent die haar toekomstplannen niet ronduit

openbaar maakt, zoodat zij weinig weerklank bij de russische

bevolking heeft gevonden en bovendien de sovjetregeering de

gelegenheid geeft om te zeggen: "zie je wel, de Entente wil alleen de

zwartste reactie." Een open vraag is het voor mij nog altijd, wat de

kerk zal doen. Dat zij nog invloed heeft in Rusland staat boven

twijfel, maar wat zij eigenlijk wil, weet ik niet. Het is altijd een

ongeluk voor Rusland geweest, dat de orthodoxe geestelijkheid in

tegenstelling met de roomsche op een buitengewoon laag peil van

ontwikkeling stond. Dientengevolge kan die geestelijkheid maar heel

weinig invloed ten goede op de massa uitoefenen. En het vraagstuk,

waar men zich in Polen nogal mee bezig houdt, nl. het weer onder

heerschappij van Rome brengen der russische kerk is dan ook voor de

toekomstige ontwikkeling van het russische volk van groot belang. Een

ander punt is, dat, nu Engeland op het oogenblik de voornaamste viool

speelt bij een aanval der Entente, een deel der Russen, evenals ik

van meening dat zelfs met een handvol geoefende troepen de

sovjetmacht ten val kan worden gebracht, beweert dat de Engelschen

dit alleen niet doen teneinde Rusland nog meer uit te putten en het

dus gemakkelijker tot een engelsche kolonie te maken. Vandaar dan

ook, dat men op het oogenblik zeer anti-engelsch, en de stemming

tegenover Duitschland veel minder bitter is geworden.

Moskou, 16 Augustus

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 8 / 11 段