zit hem niet in het gebrek aan wagens, want op elk station staan er
honderden doelloos door het gebrek aan bruikbare locomotieven. Alles
wordt op het oogenblik met hout gestookt en dientengevolge kan het
gebeuren, dat de trein plotseling halt houdt en de machinist met een
bijl het bosch ingaat om wat brandstof te halen. Men heeft voor mij
getelegrafeerd om te zorgen, dat ik overal een gereserveerden coupé
zou krijgen. Men is dus wel zeer vriendelijk, maar gisteravond moest
ik wel met den mij begeleidenden commissaris in de derde klas plaats
nemen, omdat er geen andere wagens waren. Om het mij nu toch
makkelijk te maken, werd een ligplaats voor mij gereserveerd en
daartoe een achttal andere menschen van hun plaats verjaagd, die ook
heel goedmoedig op zij gingen.
Ook mijn commissaris, een jongen van achttien jaar, zorgde ervoor,
dat hij het zoo makkelijk mogelijk kreeg. Ik vond het pijnlijk en
wilde mij met een bescheidener plaats tevreden stellen, doch de
commissaris zeide: "laat dat stomme volk nu maar op zij gaan, ik wil
slapen." Nou, dacht ik bij mij zelf, ik kan merken, dat ik hier in
een democratisch land ben; maar het zou nog mooier worden. Op een
gegeven oogenblik werden twee gewonden binnengedragen, een met een
zware beenwond, de andere aan den hals gewond. Toen wilde ik toch
niet blijven liggen en bood een gedeelte van mijn bank aan de
gewonden aan. Dit wekte de woede van den commissaris op, die dat
absoluut onnoodig vond, en dan ook kalm bleef liggen, zonder er aan
te denken, het den gewonden ook maar iets gemakkelijker te maken. Ik
geloof niet, dat een ander volk dan het goedmoedige russische een
dergelijke behandeling verdragen zou hebben. Typeerend lijkt mij deze
scène echter wel. Het volk, dat zich jarenlang door de ambtenaren van
den Tsaar heeft laten trappen, kromt zich thans geduldig onder het
juk der communisten. Dat het begint te gisten, meen ik niettemin te
mogen opmaken uit het volgende: vanochtend ontmoette ik toevallig in
de wachtkamer van het station een paar soldaten van het roode leger,
die vroeger in Amerika geweest waren. Het leek mij een welkome
gelegenheid om eens iets naders te hooren. En dat bleek het ook
inderdaad. "Ja," zeiden die mannen tegen me, "het is niets gedaan
tegenwoordig, ze hebben ons vrede en brood beloofd. En waarvoor
vechten wij eigenlijk? Omdat wij engelsch met u praten, kunnen wij
het nu eens zeggen. Want er zijn hier zoo veel spionnen, dat als we
onder kameraden zijn, wij nooit iets durven zeggen, uit vrees
verraden te worden. De helft deserteert dan ook." Het gesprek duurde
echter niet lang, want mijn commissaris kwam al spoedig
tusschenbeide, daar hij niet kon velen dat ik een taal sprak, die hij
niet verstond, aangezien hij alleen maar het duitsch machtig was.
De russische stations zijn wel aardig ingericht. Overal staan groote
gemetselde ketels, waar warm water te krijgen is. Iedereen heeft een
keteltje bij zich, waarin hij dan zijn thee zet, waarbuiten een Rus
blijkbaar niet kan. Doordat Rusland vrijwel van Siberië is afgesneden
heerscht groot gebrek aan thee, waaraan men is tegemoet gekomen, door
het op groote schaal vervaardigen van kunstthee, een eigenaardig
product van mij onbekende samenstelling, dat echter niet slecht
smaakt en werkelijk eenigszins aan thee doet denken. Op de kleinere
stationnetjes (de trein stopt overal) is alles te krijgen, aangezien
de boeren daar met hun waren komen aandragen. Zoo kan men er bijv.
eieren koopen voor 40 roebel het stuk.
Polosk heeft een eenigszins europeesch karakter, daar de huizen van
steen zijn, en de straten wel met een liniaal getrokken lijken. Het
is een leelijke stad, die niets schilderachtigs heeft, en geweldig
verwaarloosd is. Overal ziet men nog sporen van de duitsche
bezetting. Is hier en daar het plaveisel belangrijk verbeterd, is een
brug behoorlijk hersteld, dan kan men er zeker van zijn dat daar
duitsche pioniers gewerkt hebben. De bolsjewiki zelf doen niets. Nu
hebben ze ook weinig gelegenheid en het gebrek aan materialen is zoo
groot, dat ze hier zelfs het dubbel spoor opbreken om aan wat rails
te komen, teneinde elders herstellingen te kunnen uitvoeren. De halve
bevolking bestaat uit Joden, die allen duitsch spreken. Vandaar dat
het nu en dan net is, alsof je in een duitsche stad loopt. Het
communisme regeert hier nog niet met zijn volle strengheid, want
terwijl overal elders in Centraal-Rusland de winkels gesloten zijn en
vervangen door regeerings-verkoophuizen, waar alleen op kaarten
gekocht kan worden, zijn hier de zaken nog geopend en zelfs heb ik
nog een restaurant ontdekt. Mijn begeleider vond het blijkbaar van
zelf sprekend, dat ik hem het middagmaal aanbood en zoo aten we met
ons beiden een vrij behoorlijke biefstuk met gebakken aardappelen
voor de somma van 48 roebel. Het aardigste was dat de joodsche
waardin, ons duitsch hoorend praten, zich in het gesprek mengde en
zeide: "zijn de heeren Duitschers? Wanneer komen de Duitschers nu
weer terug? Dat was een goede tijd toen de Duitschers hier waren." Ik
had inwendig pleizier om het gezicht van den commissaris. Ik heb hem
voor de aardigheid zijn levensgeschiedenis laten vertellen. Bij het
uitbreken van den oorlog was hij op het joodsche gymnasium in Nisjni
Nowgorod en was toen op den leeftijd van 14 jaar politiek agitator
geworden. Hij vertelde met buitengewone geestdrift hoe hij het land
doorgetrokken was en dat het toch veel aardiger was redevoeringen te
houden, dan op de schoolbanken te zitten. En nu had hij het al
gebracht tot politiek commissaris van een divisie.
Hij vertelde er bij, dat zoo een snelle promotie volstrekt geen
uitzondering was, want zijn broer bijv., die pas 15 jaar was, had
reeds dezelfde functie.
Gelijk ik later ontdekte, vormt deze soort jongens een van de
hechtste steunpilaren der sovjetmacht. De russische studenten zijn
altijd min of meer de revolutionnaire voorhoede geweest; in plaats
zich met sport bezig te houden, zooals in West-Europa, gaan de
leerlingen der gymnasia en de studenten op in de politiek. Zij
beschouwen het als een schande, aan sport te doen. Vandaar dat de
lichamelijke ontwikkeling van de jeugd beneden alle peil is. Ik heb
er heel wat ontmoet op mijn reis en mijn indruk is, dat het absoluut
uit hun evenwicht gebrachte jongelieden zijn. Van democratie is bij
hen geen spoor te vinden. Ze achten zich zoo ver boven de gewone
massa verheven, dat ik mij met verbazing steeds afvroeg: is dat nu
een communistisch land? Geestig vond ik dat zij de geweldige strenge
censuur op de pers altijd verdedigen met de opmerking: "ja, maar, de
groote massa is zoo dom, die kun je niet alles in handen geven." Ik
zou den heer Wijnkoop wel eens willen zien, als men bij ons onder dat
motto de Tribune verbood. Komt men met commissarissen in
Centraal-Rusland, voorzitters van sovjetraden en dergelijke lui in
aanraking, dan voegen zij er gewoonlijk nog wel een argument aan toe,
n.l. dat de niet-communistische pers, ook de sociaal-democratische,
te veel van het kapitalisme afhankelijk is om onpartijdig te zijn,
maar voor het overige zijn hun argumenten precies dezelfde waarmee de
index verdedigd wordt. Vannacht om 2 uur gaat de trein naar Smolensk.
Dan zal het nog wel licht zijn, want wij hebben hier een
allermerkwaardigste tijdbepaling, die vier en een half uur verschilt
van de Midden-Europeesche, zoodat middernacht in Rusland samenvalt
met half acht gewone tijd. Nu begrijp ik ook, waarom indertijd bij de
verovering van Riga iedereen mij vroeg, hoe laat het er toch was.
*
* *
Op weg naar Moskou
V
Smolensk, 7 Augustus
Het gaat langzaam maar toch vrij zeker in de richting van Moskou. Ik
begin mij eenigszins ongerust te maken over mijn vrijheid, aangezien
men mij, nadat ik gisteren den heelen dag vrij heb mogen rondloopen,
vandaag aangezegd heeft, dat ik geïsoleerd zou worden. Ik vroeg
natuurlijk, wat dat zeggen wilde, geïsoleerd, en of dat hetzelfde
beteekende als gearresteerd. Neen, was het antwoord, wij willen
alleen zorgen dat u met niemand in aanraking komt. U mag u vrij op
straat bewegen, maar alleen onder geleide van een onzer soldaten.
Verder heeft men mij mijn papieren afgenomen en mij zeer streng,
ofschoon niet onheusch gevisiteerd. Ja, ik kan wel zeggen dat men mij
met de meeste voorkomendheid behandeld heeft. Er heerscht hier groote
neerslachtigheid, tengevolge van het bericht, dat in Hongarije Bela
Khun ten val is gebracht. Gelijk ik later ontdekte, had de regeering
het volk wijsgemaakt, dat een radenregeering in Boedapest een
overwinning van het sovjetsysteem in Europa beteekende. Om het weer
eenigszins goed te maken bevatten de bladen nu geweldige berichten
over sovjetrepublieken in Canada en Ierland. Als men de hoofdartikels
leest, die ik me altijd laat vertalen, krijgt men den indruk, dat
eigenlijk heel Europa al uit sovjetrepublieken bestaat.
Aan propaganda laat de regeering het dus niet ontbreken. Overal zijn,
dikwijls heel artistiek uitgevoerde, plakkaten aangebracht, met
drastische teekeningen en kernachtige opschriften. Zoo ziet men bijv.
overal een gewapenden arbeider, die vrouw en kind beschermt, met er
onder: "Arbeiders treedt in het roode leger". Of wel een gezicht op
St. Petersburg met er onder: "Arbeiders redt het roode Petrograd"
enz., teveel om op te noemen. Alleen wil ik nog vermelden, dat men
het vooral op Koltsjak gemunt heeft, die afgebeeld wordt met een
kroon op het hoofd, een knoet in de hand en gezeten in een wagentje,
dat getrokken wordt door een officier, een boer en een burger,
terwijl hij over het lijk van een arbeider heen rijdt.
Smolensk, thans vuil en verwaarloosd, is een typisch russische stad.
Zij ligt op een paar heuvels, waardoor de straten verbazend hellen.
Er zijn enkele straten met europeesche huizen en plaveisel, maar voor
de rest zijn het meerendeels houten huizen, waartusschen door een
zeer groot aantal kerken.
Op het centrum ligt nog de zeer goed onderhouden vestingmuur uit den
Napoleontischen tijd. Van dien muur geniet men een prachtig uitzicht
over de stad en omgeving. Het trof mij, dat het op straat vrij druk
was, hoewel de electrische trams al wekenlang niet meer
functionneeren. De vrouwen en meisjes zijn dikwijls zeer elegant
gekleed, vooral de vriendinnetjes der commissarissen zien er heel
aardig uit. De meeste vrouwen dragen het haar kort geknipt, hetgeen
de donkeren wel flatteert, maar de blonden misstaat. Het schijnt
echter minder mode, dan wel het gevolg van de geweldige
typhusepidemie, die het vorige jaar geheerscht heeft. Ik mag niet
nalaten op de credit-zijde der sovjet-regeering te vermelden, dat ze
erin geslaagd is zoowel de geweldige typhus- als de choleraepidemie
die hier van den winter geheerscht hebben, door zeer drastische
maatregelen te onderdrukken. Ook in St. Petersburg, waar de ziekte
nog niet geheel verdwenen is, schijnt de toestand toch minder erg te
zijn, dan men in de buitenlandsche pers voorgesteld ziet. De
mannenkleeding, al ziet men nu en dan wel enkele elegante dandies, is
voor het grootste gedeelte nationaal; velen dragen de russische
blouse met den riem om het midden. Verder wordt heel veel uniform
gedragen, al behoort de drager volstrekt niet tot het leger. Ook
eereteekenen ziet men weer, want Trotzky heeft zich genoodzaakt
gezien, een dapperheidskruis in te voeren.
Ik ben hier ingekwartierd naast het politiebureau bij een weduwe van
een advocaat, wier man en zoon, gelijk ik van een bediende hoorde,
onder haar oogen doodgeschoten zijn. Hij vertelde mij er echter bij,
dat dergelijke dingen niet meer gebeuren en dat op het oogenblik
volkomen orde heerscht. Alleen het geheime comité tot bestrijding der
tegenrevolutie, spionnage en sabotage, treedt zeer draconisch op.
Het arresteert en vonnist in het geheim als een ouderwetsch
veemgericht; zelfs hooge commissarissen zijn er niet veilig voor. Het
is het lichaam, dat op het oogenblik de terreur uitoefent en alle
macht in handen heeft. Merkwaardiger wijze zijn het bijna uitsluitend
Letten, die ertoe behooren. Wat de Kozakken voor den Tsaar waren,
zijn de Letten voor Sovjet. De Groot-Russen zooals ik ze heb leeren
kennen, zijn een aardig, gewillig en gemoedelijk volk, dat zich heel
gemakkelijk Iaat regeeren. De Letten daarentegen zijn achterdochtig
en wreed, en maken een ongunstigen indruk.
Men heeft het er in het buitenland zooveel over dat de meerderheid
der communisten Joden zijn. Dit is niet geheel en al juist, hoewel
niet te loochenen valt, dat een groot deel der commissarissen joodsch
zijn. Dit komt echter meer doordat de joden nu eenmaal opportunisten
zijn, zij gaan mee, tenminste voor een groot deel, met de partij die
regeert. Op het oogenblik zijn de communisten baas in Rusland en
daarvan profiteeren zij. Valt echter het sovjetbewind, zooals ik het
in Riga heb meegemaakt, dan zijn zij de eersten, die den overwinnaar
met gejuich begroeten. Iemand heeft mij eens gezegd: "wanneer de
tegenrevolutie in Rusland uitbreekt, dan zal het uitdraaien op een
groot pogrom." Dat is best mogelijk, maar ik geloof toch meer dat,
als werkelijk de sovjetregeering het niet langer kan houden, een
groot deel der Joden de eersten zullen zijn om naar de andere zijde
over te loopen. Want hoe kort ik ook in Rusland ben, ik heb wel
ontdekt dat er een algemeene ontevredenheid heerscht, al geloof ik
nog niet aan een tegenrevolutie, omdat het volk te apathisch is. In
de stations bijv. moeten de menschen wel drie uur wachten tot zij een
plaatsje krijgen, maar heel geduldig staan zij in de rij en laten
zich goedig door de militie, zooals tegenwoordig de gendarmerie heet,
met kolfstooten op hun plaats houden. Zonder eenig gemor laten zij
zich trappen. Ik heb altijd gedacht dat het woord "nitsjewo" een
boekenuitdrukking was. Maar het ligt werkelijk in ieders mond
bestorven. Ik wachtte vandaag op mijn commissaris, die mij gezegd had
dat hij direct zou komen. De bediende, van wien ik u boven reeds
sprak; die zag dat ik ongeduldig werd, nadat ik drie uur had gewacht,
merkte op: "ja, hij heeft wel gezegd, ik kom direct, maar dat
beteekent, dat hij nog wel eens terug komt. Dat is hier de gewoonte,
nitsjewo." Dat kwam er zoo geweldig apathisch uit, dat ik begon te
lachen.
De oude man ging in vrij goed duitsch voort: "ik ben eigenlijk
bloemist en boomkweeker van mijn vak en was tuinman van den ouden
heer hier, die er ook heel veel van hield. Ik ben vroeger ook in
Holland geweest, in Hillegom en Boskoop, maar nu heeft de arme weduwe
een worstmakerij. Ze moet toch leven en nu maak ik al net zoo goed
worst als ik vroeger rozen gekweekt heb. Ze praten nu zooveel over
revolutie, maar de menschen zijn immers hetzelfde gebleven en de
russische boerenarbeider, die bijna niet lezen kan en nooit nagedacht
heeft, dien kan men toch niet in een jaar tot West-Europeaan maken."
's Middags na het eten sprak ik de oude dame in het fransch aan, na
dat ik mij vergewist had, dat mijn bewakingscommissaris deze taal
niet machtig was en bedankte haar hartelijk voor de vriendelijke
wijze, waarop zij mij aan haar tafel ontvangen had. Zeer verrast
antwoordde zij: "u bent dus geen bolsjewiek? Maar hoe durft u zich
dan in het hol van den leeuw wagen? Als ik u een goeden raad mag
geven, vertrek dan zoo spoedig mogelijk weer." Dien middag had ik ook
nog een onderhoud met een invloedrijk commissaris, die den
veelzeggenden naam Potemkyn droeg. Ik had hem te spreken gevraagd,
omdat ik eens wou weten, wat men nu eigenlijk met mij voor had, en of
ik ook ten allen tijde weer permissie zou kunnen krijgen om Rusland
te verlaten. Hij verzekerde mij, dat, wanneer ik mij ten minste van
alle contrarevolutionaire pogingen onthield, ik ten allen tijde weer
terug zou mogen. We kwamen toen verder over het communisme te spreken
en hij erkende, dat de boeren zoo weinig communistisch waren en bijna
allen bourgeois neigingen hadden. Ik dacht bij mij zelf: 90 pct. van
de bevolking hier zijn boeren, dan is dus het aantal communisten wel
bijzonder gering. Ja, zei Potemkyn verder, maar juist die eigenschap
van den russischen boer, om kleinbezitter te willen zijn, maakt dat
de landbevolking op het oogenblik niets van contra-revolutie wil
weten, omdat zij vreest, dat met het Tsarisme het groot-grondbezit
ook weer terug zal komen en zij haar land dus weer kwijt zou raken.
Mij is later nog sterker gebleken, dat deze opmerking eigenlijk de
kern van de zaak raakt. Het is den boeren volkomen onverschillig wie
regeert, wanneer zij maar met rust gelaten worden. Dat ziet Lenin op
het oogenblik ook volkomen in, vandaar dat hij geheel van taktiek
veranderd is, de boeren geheel met vrede laat, en zich verkneukelt,
dat de entente de reactie steunt en zoodoende de boeren bang maakt,
dat zij tengevolge van een overwinning van Koltsjak en Denikin hun
landbezit weer zouden kwijt raken. Het tijdperk van het
groot-grondbezit in Rusland is mijns inziens voorbij, en ik geloof
zeker, dat een aan duidelijkheid niets te wenschen overlatende
verklaring der entente in deze richting, het lot der sovjet-regeering
zou bezegelen.
Geheel Oost-Europa is agrarisch en de groote omwenteling die daar
heeft plaats gehad, de grootste na de afschaffing der lijfeigenschap,
is dat het groot-grondbezit verdwenen is. En het is wel opmerkelijk
dat zij, die door dik en dun het communisme hebben willen invoeren,
niets anders bereikt hebben dan een verkleinburgerlijking der groote
massa. Daarom kan ik met zekerheid zeggen, dat in deze streken voor
het communisme en het socialisme geen plaats is. Zeker niet op het
platte land, en het is wel typisch dat de sovjetmacht, de macht der
communisten, zich op het oogenblik staande houdt door tegen de boeren
te zeggen: "als wij verdwijnen, zijn jullie je land kwijt."
Vanmiddag kreeg ik een nieuwen bewaker, een Oostenrijker, die als
koerier van Lenin de verstandhouding met Bela Khun onderhouden had.
Hij vertelde mij dat hij al drie maal van Boedapest naar Moskou was
gereisd, steeds op een andere wijze.
"Hoe kom je er dan door?" vroeg ik hem.
"Och," zei hij, "dat is heel eenvoudig ik spreek oekrainsch, russisch
en poolsch, en zoo ben ik er overal door gekomen. En dan moet u niet
vergeten, dat het er bij mij op geld niet aankomt."
Het bleek een heel onderhoudende baas, die mij al zijn papieren liet
zien, waaronder ook een brief van Lenin, dat men hem met alle
mogelijke voorkomendheid moest behandelen en dat hij alle rechten had
van een lid van het Uitvoerend Bewind. Hij was het ook die mij
vertelde dat de kinderen van den Tsaar nog leefden en in de buurt van
Moskou geïnterneerd waren, maar dat de Tsaar en zijn vrouw
doodgeschoten waren. De regeering tracht het geheim te houden
teneinde aan de tegenrevolutie geen steun te geven. Ik heb later
geprobeerd om bevestiging van dit verhaal te krijgen en mijn indruk
is dat men er over het algemeen geloof aan hecht. Zelfs heb ik erbij
hooren vertellen, dat de grootvorstin Tatiana een gewezen
oostenrijksch krijgsgevangen officier zou hebben getrouwd. Of die
geruchten waarheid bevatten, laat ik natuurlijk in het midden.
Strasser, zoo heette mijn bewaker, die graag een borreltje lustte,
had daar een heelen voorraad van. Hij vertelde mij, dat men in
Rusland net zooveel drank kon krijgen als men maar hebben wilde,
wanneer men maar flink betaalde.
Wij -- Strasser en ik -- zijn te Smolensk ook naar een concert
geweest in den Stadstuin en daar had ik nu toch heusch moeite te
gelooven, dat ik in Rusland was. Wel liepen er veel tawaris rond
(tawaris beteekent kameraad en is op het oogenblik in Rusland de
gewone aanspraak in de plaats van mijnheer, maar veelal worden er de
eigenlijke communisten mee bedoeld), maar voor het overige was het
publiek zooals op elk europeesch corso: veel elegante vrouwen,
dandies en een enkele demi-mondaine. Consumptie was echter niet veel
te krijgen. Alleen thee zonder suiker en dan een zeer verdachte
limonade. Ik voel mij gedrongen hier een loflied te zingen op de
russische samovar. Aangezien ik nooit water drink in het buitenland,
en zeker niet in Rusland, heb ik er alleen thee gedronken. Eigenlijk
is de samovar een combinatie van theestoof en trekpot, van beneden
heeft men een soort vaas door houtskool verhit, waarin water kookt,
terwijl bovenop het kleine trekpotje met thee-extract staat. Iedereen
kan dan zijn thee net zoo sterk maken als hij zelf wil. Thee en
sigaretten zijn eigenlijk de eenige dingen die op het oogenblik nog
goed zijn in Rusland, vooral de sigaretten. Op kaarten en voor de
soldaten zijn ze heel goedkoop te krijgen, maar in den vrijen handel,
zooals ik ze moest koopen, kost de beste soort 4 roebel het stuk.
*
* *
In Moskou
VI
Moskou, 9 Augustus
De trein uit Smolensk komt van het Brester station in Moskou aan,
vlak bij de Triomfpoort.
Het stationsplein is met keien bestraat; een byzantijnsch kerkje
herinnert er al dadelijk aan dat we in Rusland zijn. Maar het heele
beeld, als men het station verlaat, is zoo geheel anders dan waar ook
in Europa, dat men direct voelt in Rusland te zijn.
Mijn begeleider en bewaker deelde mij mede, toen we in het rijtuig
stapten, dat wij rechtstreeks naar het ministerie van buitenlandsche
zaken zouden rijden, maar ik voelde toch al dadelijk dat er iets niet
in den haak was.
In den trein had ik mij nog vrij kunnen bewegen en met iedereen
gesproken, maar al op 't station was er een verandering in 't gedrag
van mijn bewaker gekomen, zoodat ik eenigszins ongerust werd.
We reden naar een vrij groot gebouw, dat vroeger blijkbaar een hotel
geweest was. Daar werd ik door een paar soldaten ontvangen. Dat leek
al heel verdacht. Mijn bewaker smoesde wat met hen, en daarop zeide
een duitsch sprekend soldaat, op bevelenden toon, hem te volgen, en
voordat ik het wist zat ik in een kamertje met een brits en een raam,
dat op een binnenplaats uitzag. In de deuropening nam een gewapende
matroos plaats.
De overgang was heel plotseling; mijn bagage was mij afgenomen, maar
gelukkig had ik nog sigaretten en lucifers en een stuk kwatta in mijn
zak. Ik zette me op de brits, maar toen ik eens rondkeek, begon het
me toch wel eenigszins onpleizierig te moede te worden. De vier
witgekalkte muren waren nl. bedekt met kalendertjes, en de meeste
data waren door kruisjes gemerkt.
Blijkbaar dus van voorgangers, die er eenigen tijd hadden
doorgebracht. Ik zag er een van iemand, die er meer dan 3 1/2 maand
gezeten had. De eerste tien minuten ging alles nog goed; ik nam de
zaak eens op, maar het moois was er gauw afgekeken, en ik begon me
zeer onbehagelijk te voelen.