Voor gewone burgers is het reizen dan ook bijna onmogelijk. De fout

zit hem niet in het gebrek aan wagens, want op elk station staan er

honderden doelloos door het gebrek aan bruikbare locomotieven. Alles

wordt op het oogenblik met hout gestookt en dientengevolge kan het

gebeuren, dat de trein plotseling halt houdt en de machinist met een

bijl het bosch ingaat om wat brandstof te halen. Men heeft voor mij

getelegrafeerd om te zorgen, dat ik overal een gereserveerden coupé

zou krijgen. Men is dus wel zeer vriendelijk, maar gisteravond moest

ik wel met den mij begeleidenden commissaris in de derde klas plaats

nemen, omdat er geen andere wagens waren. Om het mij nu toch

makkelijk te maken, werd een ligplaats voor mij gereserveerd en

daartoe een achttal andere menschen van hun plaats verjaagd, die ook

heel goedmoedig op zij gingen.

Ook mijn commissaris, een jongen van achttien jaar, zorgde ervoor,

dat hij het zoo makkelijk mogelijk kreeg. Ik vond het pijnlijk en

wilde mij met een bescheidener plaats tevreden stellen, doch de

commissaris zeide: "laat dat stomme volk nu maar op zij gaan, ik wil

slapen." Nou, dacht ik bij mij zelf, ik kan merken, dat ik hier in

een democratisch land ben; maar het zou nog mooier worden. Op een

gegeven oogenblik werden twee gewonden binnengedragen, een met een

zware beenwond, de andere aan den hals gewond. Toen wilde ik toch

niet blijven liggen en bood een gedeelte van mijn bank aan de

gewonden aan. Dit wekte de woede van den commissaris op, die dat

absoluut onnoodig vond, en dan ook kalm bleef liggen, zonder er aan

te denken, het den gewonden ook maar iets gemakkelijker te maken. Ik

geloof niet, dat een ander volk dan het goedmoedige russische een

dergelijke behandeling verdragen zou hebben. Typeerend lijkt mij deze

scène echter wel. Het volk, dat zich jarenlang door de ambtenaren van

den Tsaar heeft laten trappen, kromt zich thans geduldig onder het

juk der communisten. Dat het begint te gisten, meen ik niettemin te

mogen opmaken uit het volgende: vanochtend ontmoette ik toevallig in

de wachtkamer van het station een paar soldaten van het roode leger,

die vroeger in Amerika geweest waren. Het leek mij een welkome

gelegenheid om eens iets naders te hooren. En dat bleek het ook

inderdaad. "Ja," zeiden die mannen tegen me, "het is niets gedaan

tegenwoordig, ze hebben ons vrede en brood beloofd. En waarvoor

vechten wij eigenlijk? Omdat wij engelsch met u praten, kunnen wij

het nu eens zeggen. Want er zijn hier zoo veel spionnen, dat als we

onder kameraden zijn, wij nooit iets durven zeggen, uit vrees

verraden te worden. De helft deserteert dan ook." Het gesprek duurde

echter niet lang, want mijn commissaris kwam al spoedig

tusschenbeide, daar hij niet kon velen dat ik een taal sprak, die hij

niet verstond, aangezien hij alleen maar het duitsch machtig was.

De russische stations zijn wel aardig ingericht. Overal staan groote

gemetselde ketels, waar warm water te krijgen is. Iedereen heeft een

keteltje bij zich, waarin hij dan zijn thee zet, waarbuiten een Rus

blijkbaar niet kan. Doordat Rusland vrijwel van Siberië is afgesneden

heerscht groot gebrek aan thee, waaraan men is tegemoet gekomen, door

het op groote schaal vervaardigen van kunstthee, een eigenaardig

product van mij onbekende samenstelling, dat echter niet slecht

smaakt en werkelijk eenigszins aan thee doet denken. Op de kleinere

stationnetjes (de trein stopt overal) is alles te krijgen, aangezien

de boeren daar met hun waren komen aandragen. Zoo kan men er bijv.

eieren koopen voor 40 roebel het stuk.

Polosk heeft een eenigszins europeesch karakter, daar de huizen van

steen zijn, en de straten wel met een liniaal getrokken lijken. Het

is een leelijke stad, die niets schilderachtigs heeft, en geweldig

verwaarloosd is. Overal ziet men nog sporen van de duitsche

bezetting. Is hier en daar het plaveisel belangrijk verbeterd, is een

brug behoorlijk hersteld, dan kan men er zeker van zijn dat daar

duitsche pioniers gewerkt hebben. De bolsjewiki zelf doen niets. Nu

hebben ze ook weinig gelegenheid en het gebrek aan materialen is zoo

groot, dat ze hier zelfs het dubbel spoor opbreken om aan wat rails

te komen, teneinde elders herstellingen te kunnen uitvoeren. De halve

bevolking bestaat uit Joden, die allen duitsch spreken. Vandaar dat

het nu en dan net is, alsof je in een duitsche stad loopt. Het

communisme regeert hier nog niet met zijn volle strengheid, want

terwijl overal elders in Centraal-Rusland de winkels gesloten zijn en

vervangen door regeerings-verkoophuizen, waar alleen op kaarten

gekocht kan worden, zijn hier de zaken nog geopend en zelfs heb ik

nog een restaurant ontdekt. Mijn begeleider vond het blijkbaar van

zelf sprekend, dat ik hem het middagmaal aanbood en zoo aten we met

ons beiden een vrij behoorlijke biefstuk met gebakken aardappelen

voor de somma van 48 roebel. Het aardigste was dat de joodsche

waardin, ons duitsch hoorend praten, zich in het gesprek mengde en

zeide: "zijn de heeren Duitschers? Wanneer komen de Duitschers nu

weer terug? Dat was een goede tijd toen de Duitschers hier waren." Ik

had inwendig pleizier om het gezicht van den commissaris. Ik heb hem

voor de aardigheid zijn levensgeschiedenis laten vertellen. Bij het

uitbreken van den oorlog was hij op het joodsche gymnasium in Nisjni

Nowgorod en was toen op den leeftijd van 14 jaar politiek agitator

geworden. Hij vertelde met buitengewone geestdrift hoe hij het land

doorgetrokken was en dat het toch veel aardiger was redevoeringen te

houden, dan op de schoolbanken te zitten. En nu had hij het al

gebracht tot politiek commissaris van een divisie.

Hij vertelde er bij, dat zoo een snelle promotie volstrekt geen

uitzondering was, want zijn broer bijv., die pas 15 jaar was, had

reeds dezelfde functie.

Gelijk ik later ontdekte, vormt deze soort jongens een van de

hechtste steunpilaren der sovjetmacht. De russische studenten zijn

altijd min of meer de revolutionnaire voorhoede geweest; in plaats

zich met sport bezig te houden, zooals in West-Europa, gaan de

leerlingen der gymnasia en de studenten op in de politiek. Zij

beschouwen het als een schande, aan sport te doen. Vandaar dat de

lichamelijke ontwikkeling van de jeugd beneden alle peil is. Ik heb

er heel wat ontmoet op mijn reis en mijn indruk is, dat het absoluut

uit hun evenwicht gebrachte jongelieden zijn. Van democratie is bij

hen geen spoor te vinden. Ze achten zich zoo ver boven de gewone

massa verheven, dat ik mij met verbazing steeds afvroeg: is dat nu

een communistisch land? Geestig vond ik dat zij de geweldige strenge

censuur op de pers altijd verdedigen met de opmerking: "ja, maar, de

groote massa is zoo dom, die kun je niet alles in handen geven." Ik

zou den heer Wijnkoop wel eens willen zien, als men bij ons onder dat

motto de Tribune verbood. Komt men met commissarissen in

Centraal-Rusland, voorzitters van sovjetraden en dergelijke lui in

aanraking, dan voegen zij er gewoonlijk nog wel een argument aan toe,

n.l. dat de niet-communistische pers, ook de sociaal-democratische,

te veel van het kapitalisme afhankelijk is om onpartijdig te zijn,

maar voor het overige zijn hun argumenten precies dezelfde waarmee de

index verdedigd wordt. Vannacht om 2 uur gaat de trein naar Smolensk.

Dan zal het nog wel licht zijn, want wij hebben hier een

allermerkwaardigste tijdbepaling, die vier en een half uur verschilt

van de Midden-Europeesche, zoodat middernacht in Rusland samenvalt

met half acht gewone tijd. Nu begrijp ik ook, waarom indertijd bij de

verovering van Riga iedereen mij vroeg, hoe laat het er toch was.

*

* *

Op weg naar Moskou

V

Smolensk, 7 Augustus

Het gaat langzaam maar toch vrij zeker in de richting van Moskou. Ik

begin mij eenigszins ongerust te maken over mijn vrijheid, aangezien

men mij, nadat ik gisteren den heelen dag vrij heb mogen rondloopen,

vandaag aangezegd heeft, dat ik geïsoleerd zou worden. Ik vroeg

natuurlijk, wat dat zeggen wilde, geïsoleerd, en of dat hetzelfde

beteekende als gearresteerd. Neen, was het antwoord, wij willen

alleen zorgen dat u met niemand in aanraking komt. U mag u vrij op

straat bewegen, maar alleen onder geleide van een onzer soldaten.

Verder heeft men mij mijn papieren afgenomen en mij zeer streng,

ofschoon niet onheusch gevisiteerd. Ja, ik kan wel zeggen dat men mij

met de meeste voorkomendheid behandeld heeft. Er heerscht hier groote

neerslachtigheid, tengevolge van het bericht, dat in Hongarije Bela

Khun ten val is gebracht. Gelijk ik later ontdekte, had de regeering

het volk wijsgemaakt, dat een radenregeering in Boedapest een

overwinning van het sovjetsysteem in Europa beteekende. Om het weer

eenigszins goed te maken bevatten de bladen nu geweldige berichten

over sovjetrepublieken in Canada en Ierland. Als men de hoofdartikels

leest, die ik me altijd laat vertalen, krijgt men den indruk, dat

eigenlijk heel Europa al uit sovjetrepublieken bestaat.

Aan propaganda laat de regeering het dus niet ontbreken. Overal zijn,

dikwijls heel artistiek uitgevoerde, plakkaten aangebracht, met

drastische teekeningen en kernachtige opschriften. Zoo ziet men bijv.

overal een gewapenden arbeider, die vrouw en kind beschermt, met er

onder: "Arbeiders treedt in het roode leger". Of wel een gezicht op

St. Petersburg met er onder: "Arbeiders redt het roode Petrograd"

enz., teveel om op te noemen. Alleen wil ik nog vermelden, dat men

het vooral op Koltsjak gemunt heeft, die afgebeeld wordt met een

kroon op het hoofd, een knoet in de hand en gezeten in een wagentje,

dat getrokken wordt door een officier, een boer en een burger,

terwijl hij over het lijk van een arbeider heen rijdt.

Smolensk, thans vuil en verwaarloosd, is een typisch russische stad.

Zij ligt op een paar heuvels, waardoor de straten verbazend hellen.

Er zijn enkele straten met europeesche huizen en plaveisel, maar voor

de rest zijn het meerendeels houten huizen, waartusschen door een

zeer groot aantal kerken.

Op het centrum ligt nog de zeer goed onderhouden vestingmuur uit den

Napoleontischen tijd. Van dien muur geniet men een prachtig uitzicht

over de stad en omgeving. Het trof mij, dat het op straat vrij druk

was, hoewel de electrische trams al wekenlang niet meer

functionneeren. De vrouwen en meisjes zijn dikwijls zeer elegant

gekleed, vooral de vriendinnetjes der commissarissen zien er heel

aardig uit. De meeste vrouwen dragen het haar kort geknipt, hetgeen

de donkeren wel flatteert, maar de blonden misstaat. Het schijnt

echter minder mode, dan wel het gevolg van de geweldige

typhusepidemie, die het vorige jaar geheerscht heeft. Ik mag niet

nalaten op de credit-zijde der sovjet-regeering te vermelden, dat ze

erin geslaagd is zoowel de geweldige typhus- als de choleraepidemie

die hier van den winter geheerscht hebben, door zeer drastische

maatregelen te onderdrukken. Ook in St. Petersburg, waar de ziekte

nog niet geheel verdwenen is, schijnt de toestand toch minder erg te

zijn, dan men in de buitenlandsche pers voorgesteld ziet. De

mannenkleeding, al ziet men nu en dan wel enkele elegante dandies, is

voor het grootste gedeelte nationaal; velen dragen de russische

blouse met den riem om het midden. Verder wordt heel veel uniform

gedragen, al behoort de drager volstrekt niet tot het leger. Ook

eereteekenen ziet men weer, want Trotzky heeft zich genoodzaakt

gezien, een dapperheidskruis in te voeren.

Ik ben hier ingekwartierd naast het politiebureau bij een weduwe van

een advocaat, wier man en zoon, gelijk ik van een bediende hoorde,

onder haar oogen doodgeschoten zijn. Hij vertelde mij er echter bij,

dat dergelijke dingen niet meer gebeuren en dat op het oogenblik

volkomen orde heerscht. Alleen het geheime comité tot bestrijding der

tegenrevolutie, spionnage en sabotage, treedt zeer draconisch op.

Het arresteert en vonnist in het geheim als een ouderwetsch

veemgericht; zelfs hooge commissarissen zijn er niet veilig voor. Het

is het lichaam, dat op het oogenblik de terreur uitoefent en alle

macht in handen heeft. Merkwaardiger wijze zijn het bijna uitsluitend

Letten, die ertoe behooren. Wat de Kozakken voor den Tsaar waren,

zijn de Letten voor Sovjet. De Groot-Russen zooals ik ze heb leeren

kennen, zijn een aardig, gewillig en gemoedelijk volk, dat zich heel

gemakkelijk Iaat regeeren. De Letten daarentegen zijn achterdochtig

en wreed, en maken een ongunstigen indruk.

Men heeft het er in het buitenland zooveel over dat de meerderheid

der communisten Joden zijn. Dit is niet geheel en al juist, hoewel

niet te loochenen valt, dat een groot deel der commissarissen joodsch

zijn. Dit komt echter meer doordat de joden nu eenmaal opportunisten

zijn, zij gaan mee, tenminste voor een groot deel, met de partij die

regeert. Op het oogenblik zijn de communisten baas in Rusland en

daarvan profiteeren zij. Valt echter het sovjetbewind, zooals ik het

in Riga heb meegemaakt, dan zijn zij de eersten, die den overwinnaar

met gejuich begroeten. Iemand heeft mij eens gezegd: "wanneer de

tegenrevolutie in Rusland uitbreekt, dan zal het uitdraaien op een

groot pogrom." Dat is best mogelijk, maar ik geloof toch meer dat,

als werkelijk de sovjetregeering het niet langer kan houden, een

groot deel der Joden de eersten zullen zijn om naar de andere zijde

over te loopen. Want hoe kort ik ook in Rusland ben, ik heb wel

ontdekt dat er een algemeene ontevredenheid heerscht, al geloof ik

nog niet aan een tegenrevolutie, omdat het volk te apathisch is. In

de stations bijv. moeten de menschen wel drie uur wachten tot zij een

plaatsje krijgen, maar heel geduldig staan zij in de rij en laten

zich goedig door de militie, zooals tegenwoordig de gendarmerie heet,

met kolfstooten op hun plaats houden. Zonder eenig gemor laten zij

zich trappen. Ik heb altijd gedacht dat het woord "nitsjewo" een

boekenuitdrukking was. Maar het ligt werkelijk in ieders mond

bestorven. Ik wachtte vandaag op mijn commissaris, die mij gezegd had

dat hij direct zou komen. De bediende, van wien ik u boven reeds

sprak; die zag dat ik ongeduldig werd, nadat ik drie uur had gewacht,

merkte op: "ja, hij heeft wel gezegd, ik kom direct, maar dat

beteekent, dat hij nog wel eens terug komt. Dat is hier de gewoonte,

nitsjewo." Dat kwam er zoo geweldig apathisch uit, dat ik begon te

lachen.

De oude man ging in vrij goed duitsch voort: "ik ben eigenlijk

bloemist en boomkweeker van mijn vak en was tuinman van den ouden

heer hier, die er ook heel veel van hield. Ik ben vroeger ook in

Holland geweest, in Hillegom en Boskoop, maar nu heeft de arme weduwe

een worstmakerij. Ze moet toch leven en nu maak ik al net zoo goed

worst als ik vroeger rozen gekweekt heb. Ze praten nu zooveel over

revolutie, maar de menschen zijn immers hetzelfde gebleven en de

russische boerenarbeider, die bijna niet lezen kan en nooit nagedacht

heeft, dien kan men toch niet in een jaar tot West-Europeaan maken."

's Middags na het eten sprak ik de oude dame in het fransch aan, na

dat ik mij vergewist had, dat mijn bewakingscommissaris deze taal

niet machtig was en bedankte haar hartelijk voor de vriendelijke

wijze, waarop zij mij aan haar tafel ontvangen had. Zeer verrast

antwoordde zij: "u bent dus geen bolsjewiek? Maar hoe durft u zich

dan in het hol van den leeuw wagen? Als ik u een goeden raad mag

geven, vertrek dan zoo spoedig mogelijk weer." Dien middag had ik ook

nog een onderhoud met een invloedrijk commissaris, die den

veelzeggenden naam Potemkyn droeg. Ik had hem te spreken gevraagd,

omdat ik eens wou weten, wat men nu eigenlijk met mij voor had, en of

ik ook ten allen tijde weer permissie zou kunnen krijgen om Rusland

te verlaten. Hij verzekerde mij, dat, wanneer ik mij ten minste van

alle contrarevolutionaire pogingen onthield, ik ten allen tijde weer

terug zou mogen. We kwamen toen verder over het communisme te spreken

en hij erkende, dat de boeren zoo weinig communistisch waren en bijna

allen bourgeois neigingen hadden. Ik dacht bij mij zelf: 90 pct. van

de bevolking hier zijn boeren, dan is dus het aantal communisten wel

bijzonder gering. Ja, zei Potemkyn verder, maar juist die eigenschap

van den russischen boer, om kleinbezitter te willen zijn, maakt dat

de landbevolking op het oogenblik niets van contra-revolutie wil

weten, omdat zij vreest, dat met het Tsarisme het groot-grondbezit

ook weer terug zal komen en zij haar land dus weer kwijt zou raken.

Mij is later nog sterker gebleken, dat deze opmerking eigenlijk de

kern van de zaak raakt. Het is den boeren volkomen onverschillig wie

regeert, wanneer zij maar met rust gelaten worden. Dat ziet Lenin op

het oogenblik ook volkomen in, vandaar dat hij geheel van taktiek

veranderd is, de boeren geheel met vrede laat, en zich verkneukelt,

dat de entente de reactie steunt en zoodoende de boeren bang maakt,

dat zij tengevolge van een overwinning van Koltsjak en Denikin hun

landbezit weer zouden kwijt raken. Het tijdperk van het

groot-grondbezit in Rusland is mijns inziens voorbij, en ik geloof

zeker, dat een aan duidelijkheid niets te wenschen overlatende

verklaring der entente in deze richting, het lot der sovjet-regeering

zou bezegelen.

Geheel Oost-Europa is agrarisch en de groote omwenteling die daar

heeft plaats gehad, de grootste na de afschaffing der lijfeigenschap,

is dat het groot-grondbezit verdwenen is. En het is wel opmerkelijk

dat zij, die door dik en dun het communisme hebben willen invoeren,

niets anders bereikt hebben dan een verkleinburgerlijking der groote

massa. Daarom kan ik met zekerheid zeggen, dat in deze streken voor

het communisme en het socialisme geen plaats is. Zeker niet op het

platte land, en het is wel typisch dat de sovjetmacht, de macht der

communisten, zich op het oogenblik staande houdt door tegen de boeren

te zeggen: "als wij verdwijnen, zijn jullie je land kwijt."

Vanmiddag kreeg ik een nieuwen bewaker, een Oostenrijker, die als

koerier van Lenin de verstandhouding met Bela Khun onderhouden had.

Hij vertelde mij dat hij al drie maal van Boedapest naar Moskou was

gereisd, steeds op een andere wijze.

"Hoe kom je er dan door?" vroeg ik hem.

"Och," zei hij, "dat is heel eenvoudig ik spreek oekrainsch, russisch

en poolsch, en zoo ben ik er overal door gekomen. En dan moet u niet

vergeten, dat het er bij mij op geld niet aankomt."

Het bleek een heel onderhoudende baas, die mij al zijn papieren liet

zien, waaronder ook een brief van Lenin, dat men hem met alle

mogelijke voorkomendheid moest behandelen en dat hij alle rechten had

van een lid van het Uitvoerend Bewind. Hij was het ook die mij

vertelde dat de kinderen van den Tsaar nog leefden en in de buurt van

Moskou geïnterneerd waren, maar dat de Tsaar en zijn vrouw

doodgeschoten waren. De regeering tracht het geheim te houden

teneinde aan de tegenrevolutie geen steun te geven. Ik heb later

geprobeerd om bevestiging van dit verhaal te krijgen en mijn indruk

is dat men er over het algemeen geloof aan hecht. Zelfs heb ik erbij

hooren vertellen, dat de grootvorstin Tatiana een gewezen

oostenrijksch krijgsgevangen officier zou hebben getrouwd. Of die

geruchten waarheid bevatten, laat ik natuurlijk in het midden.

Strasser, zoo heette mijn bewaker, die graag een borreltje lustte,

had daar een heelen voorraad van. Hij vertelde mij, dat men in

Rusland net zooveel drank kon krijgen als men maar hebben wilde,

wanneer men maar flink betaalde.

Wij -- Strasser en ik -- zijn te Smolensk ook naar een concert

geweest in den Stadstuin en daar had ik nu toch heusch moeite te

gelooven, dat ik in Rusland was. Wel liepen er veel tawaris rond

(tawaris beteekent kameraad en is op het oogenblik in Rusland de

gewone aanspraak in de plaats van mijnheer, maar veelal worden er de

eigenlijke communisten mee bedoeld), maar voor het overige was het

publiek zooals op elk europeesch corso: veel elegante vrouwen,

dandies en een enkele demi-mondaine. Consumptie was echter niet veel

te krijgen. Alleen thee zonder suiker en dan een zeer verdachte

limonade. Ik voel mij gedrongen hier een loflied te zingen op de

russische samovar. Aangezien ik nooit water drink in het buitenland,

en zeker niet in Rusland, heb ik er alleen thee gedronken. Eigenlijk

is de samovar een combinatie van theestoof en trekpot, van beneden

heeft men een soort vaas door houtskool verhit, waarin water kookt,

terwijl bovenop het kleine trekpotje met thee-extract staat. Iedereen

kan dan zijn thee net zoo sterk maken als hij zelf wil. Thee en

sigaretten zijn eigenlijk de eenige dingen die op het oogenblik nog

goed zijn in Rusland, vooral de sigaretten. Op kaarten en voor de

soldaten zijn ze heel goedkoop te krijgen, maar in den vrijen handel,

zooals ik ze moest koopen, kost de beste soort 4 roebel het stuk.

*

* *

In Moskou

VI

Moskou, 9 Augustus

De trein uit Smolensk komt van het Brester station in Moskou aan,

vlak bij de Triomfpoort.

Het stationsplein is met keien bestraat; een byzantijnsch kerkje

herinnert er al dadelijk aan dat we in Rusland zijn. Maar het heele

beeld, als men het station verlaat, is zoo geheel anders dan waar ook

in Europa, dat men direct voelt in Rusland te zijn.

Mijn begeleider en bewaker deelde mij mede, toen we in het rijtuig

stapten, dat wij rechtstreeks naar het ministerie van buitenlandsche

zaken zouden rijden, maar ik voelde toch al dadelijk dat er iets niet

in den haak was.

In den trein had ik mij nog vrij kunnen bewegen en met iedereen

gesproken, maar al op 't station was er een verandering in 't gedrag

van mijn bewaker gekomen, zoodat ik eenigszins ongerust werd.

We reden naar een vrij groot gebouw, dat vroeger blijkbaar een hotel

geweest was. Daar werd ik door een paar soldaten ontvangen. Dat leek

al heel verdacht. Mijn bewaker smoesde wat met hen, en daarop zeide

een duitsch sprekend soldaat, op bevelenden toon, hem te volgen, en

voordat ik het wist zat ik in een kamertje met een brits en een raam,

dat op een binnenplaats uitzag. In de deuropening nam een gewapende

matroos plaats.

De overgang was heel plotseling; mijn bagage was mij afgenomen, maar

gelukkig had ik nog sigaretten en lucifers en een stuk kwatta in mijn

zak. Ik zette me op de brits, maar toen ik eens rondkeek, begon het

me toch wel eenigszins onpleizierig te moede te worden. De vier

witgekalkte muren waren nl. bedekt met kalendertjes, en de meeste

data waren door kruisjes gemerkt.

Blijkbaar dus van voorgangers, die er eenigen tijd hadden

doorgebracht. Ik zag er een van iemand, die er meer dan 3 1/2 maand

gezeten had. De eerste tien minuten ging alles nog goed; ik nam de

zaak eens op, maar het moois was er gauw afgekeken, en ik begon me

zeer onbehagelijk te voelen.

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 7 / 11 段