Nu, vroeg ik hem, hoe heb je het gehad. Ellendig, was het antwoord in

gebroken duitsch; ik zelf ben sociaal-democraat, reactionnair ben ik

dus heusch niet, maar zooiets, het is niets anders dan een terreur;

je mag alleen doen wat ze je voorschrijven; een eigen meening is niet

geoorloofd, en dan die geweldige duurte. De loonen zijn wel 10 maal

zoo hoog als onder den czaar, maar de prijzen wel 100 maal.

's Avonds op straat, een luchtje scheppend, het is verbazend warm

geweest, kom ik een paar artillerie-officieren tegen. Wij maken een

praatje, het blijken gewezen actieve oostenrijksche officieren;

direct halen ze me in hun kwartier binnen met de overbekende

oostenrijksche gastvrijheid; er wordt thee gezet, en als ik het doel

van mijn reis vertel, zeggen ze uit één mond: maar man, wat doe je

dan hier. We vallen vannacht de Russen aan. Hier kom je er nooit

door, maar weet je wat, als wij morgen voorwaarts rukken, kun je van

ons wel een paard krijgen, en geef je bagage dan maar mee op onze

bagagekar.

Inderdaad, als ik 's nachts bij een kaars nog wat zit te lezen,

begint niet ver van het dorp 't kanongebulder; er zijn niet veel meer

dan 12 kanonnen van poolschen kant, maar wat kunnen die met elkaar

een leven maken; daar tusschen door 't geweer- en mitrailleurvuur: Ik

zit er een tijd lang naar te luisteren, blijkbaar bieden de

bolsjewiki hardnekkigen tegenstand, want naar het geluid te hooren,

schiet de aanval niet hard op.

*

* *

Aan het poolsch-bolsjewistische front

II

Radoskowitsj, 29 Juli

Vanochtend in Krosne uit een lichten slaap ontwakend, hoorde ik

plotseling van alle kanten in het dorp schieten.

Daar zal je het hebben, dacht ik bij mij zelf, de aanval is mislukt,

en inplaats dat de Polen voorwaarts gaan doen de Russen het.

Een oogenblik was ik besluiteloos wat te doen; toen klonk boven het

geweervuur uit 't geronk van een vliegtuigmotor, nog voor ik echter

iets had kunnen doen, een paar keren heftig suizen, een paar doffe

slagen niet ver van mijn kwartier af en niet dicht bij ook.

Het schieten hield ineens op en alles bleef stil, terwijl het

motorgeronk steeds zwakker werd.

Ik had dus een vliegeraanval meegemaakt. Het was nog erg vroeg, en

daarom besloot ik maar niet te gaan kijken; van slapen zou evenwel

niets meer komen, want een oogenblik later kwam een ordonnans mij

mededeelen, dat de artillerieofficieren over een uur opbraken en dat

een paard voor mij gezadeld werd. Dat liet ik mij geen tweemaal

zeggen en zoo werd ik weer ineens oorlogscorrespondent. Het was een

heerlijk gevoel weer eens een paard tusschen de knieën te hebben en

zoo draafde ik achter den artilleriecommandant mee naar voren, over

het slagveld van dien nacht, en onderweg vernam ik, dat de Polen voor

Radoskowitsj stonden, dat zij vermoedelijk wel heel snel zouden

bezetten. We draafden langs ontzettend lange treincolonnes, overmatig

lang voor zoo'n betrekkelijk kleine troepenmacht. En toen vertelde de

overste mij, dat de Polen, tot dusver met goede, duitsche en

oostenrijksche, geweren uitgerust, door de Entente gedwongen waren

slechte fransche geweren te nemen omdat zij voor de duitsche wapenen

geen munitie konden krijgen. Zoodat zij thans gedwongen waren,

tijdens den strijd hun troepen van een andere bewapening te voorzien.

In het poolsche leger was men dan ook over de Entente heelemaal niet

erg te spreken.

Het was een prachtige rit. Het landschap in deze streken is

buitengewoon mooi, zacht golvend, en veel groene weiden afwisselend

met donkere dennenbosschen. Het trof mij, dat in deze streken de

boeren overal nieuwe huizen bouwen. De verklaring bleek heel

eenvoudig. Aangezien in het bolsjewistische Rusland de grond

zoogenaamd gecommuniseerd is, houdt het groot-grondbezit, dat hier

zeer aanzienlijk was, op. De boeren vatten nu de communisatie zoo op,

dat ieder voor zich zooveel land in beslag neemt als hij maar krijgen

kan, en de bosschen leveren hem kosteloos materiaal voor zijn huis.

Het model is echter overal hetzelfde. Een groote steenen oven in het

midden en daaromheen drie kamertjes. De oven heeft den vorm van een

liggende L. Op het lange deel kan de heele familie zoowat slapen.

Hoe meer wij Radoskowitsj naderden, hoe sterker het geweervuur werd.

Maar een ons tegemoetkomende gewonde vertelde, dat het dorp reeds

genomen was. En een oogenblik later lag het ook voor ons, en reed ik

met de poolsche troepen het dorp binnen. Ik vond het daarom zoo

belangwekkend omdat ik nu kon constateeren of het waar was, dat de

Polen bij het nemen van een dorp altijd een pogrom op touw zetten,

gelijk men mij van joodsche zijde verzekerd had. Er gebeurde echter

niets van dat alles en het was weer net als bij Riga: de bevolking

haalde de overwinnaars met vreugde binnen, den hemel dankend dat ze

van de bolsjewiki verlost waren. Op het marktplein was 't een drukte

van belang. Eigenlijk net 'n manoeuvretafereel.

Daar stond de generaal met zijn staf en zijn escorte: een eskadron

poolsche lanciers, met hun vroolijk wapperende vaantjes; een batterij

veldartillerie de paarden drenkend, voorbij marcheerende

treincolonnes daartusschendoor, de straatjeugd en natuurlijk de Joden

van het dorp trachtend zaken te doen en sigaretten en eieren te koop

aanbiedend voor een "behoorlijken prijs" van M. 5 per stuk. Alleen

een veldhospitaal met de daarvoor liggende gewonden wees op den ernst

van den toestand. Ik vernam nu ook, dat de strijd nogal bloedig

geweest was en de Polen vrij zware verliezen hadden geleden. De

generaal keek eenigszins vreemd op toen hij mij daar zag verschijnen

en zijn eerste opwelling was dan ook om mij terug te sturen. Maar

gelukkig kon ik hem bepraten en ik kreeg zelfs van hem gedaan, dat

hij mij toestond naar de voorposten te gaan om te trachten toch naar

de bolsjewiki te komen.

Molodetsjno, 1 Augustus 1919

Oeff! ! ! Dat zijn een paar dagen van emotie geweest! Nadat ik den

29sten 's avonds in Radoskowitsj een vrij goed kwartier had gehad bij

den dokter ('t was alleen wat koud, want alle ruiten waren kapot)

toog ik met toestemming van den commandant den volgenden morgen met

een treincolonne naar voren om eindelijk te trachten door het front

te komen. De Polen stonden ongeveer op tien kilometer voor Minsk en

konden er eigenlijk al lang binnen zijn, wanneer dienzelfden avond

geen bevel van de Entente was gekomen, om de operaties stop te

zetten. Van poolsche zijde verklaarde men dit als volgt: de Polen

willen nl. de Beresina als oostgrens hebben en dus feitelijk heel

Wit-Rusland bezetten. Maar nu schijnt de Entente bepaalde beloften

aan Denikin gedaan te hebben, tengevolge waarvan zij weliswaar graag

zag, dat de bolsjewiki terug werden geworpen, maar dit toch liever

niet door de Polen liet doen. Maar, zeiden de Polen, ze kunnen ons

een paar dagen ophouden, per slot van rekening kunnen ons èn de

Entente èn Denikin gestolen worden. Voor mij was dit in elk geval een

mooie gelegenheid om te trachten naar Minsk te komen. Alleen had ik

natuurlijk weer pech, want de bolsjewiki, bemerkend dat de Polen halt

hielden, vielen daarop zelf weer aan en hadden daarbij eenig, zij het

ook kortstondig succes, dat mij echter sterk in mijn bewegingen

belemmerde.

Want toen ik bij de poolsche voorposten aankwam, op een kilometer van

den vijand, bleek het onmogelijk door de linies te gaan. Er werd te

veel geschoten. De bataljonscommandant verzekerde mij dat het den

volgenden dag wel rustiger zou zijn. "Blijf nu maar vannacht hier

slapen -- zeide hij -- dan zal het morgenochtend wel lukken." Zoo

werd ik dien nacht ingekwartierd in Sloboda, 'n heel uitgestrekt dorp

van ongeveer twee kilometer lang, en vrij dicht achter het front. In

plaats echter dat het geweervuur minder werd, werd het steeds

sterker. Ik woonde ongeveer in het midden van het dorp, had me voor

een behoorlijken prijs wat eten laten klaarmaken, wat aardappelen,

brood en gekookte melk, en zat nu bij een kaarsje te lezen, want van

slapen was in deze woning geen sprake, om de u nu zoo langzamerhand

wel bekende reden. Zoo luisterde ik ook naar het vuren, dat almaar

heftiger werd. Het begon te dagen, toen ik buiten haastig hoorde

loopen. Ik ging eens kijken en ik zag toen tot mijn groote verbazing,

dat het andere eind van het dorp al in brand stond. Wat nu te doen?

Aangezien het nog vrij donker was, besloot ik maar kalm te blijven

waar ik was en eerst den dag af te wachten. Het gevecht nam aan alle

kanten toe en zoo nu en dan viel zelfs een projectiel in de

dorpsstraat. Nauwelijks was de zon doorgebroken en wilde ik de zaak

eens gaan bekijken, toen een voorbijsnellend poolsch officier mij in

het duitsch toeriep "maak dat je weg komt, het dorp is bijna

omsingeld. Alleen de weg naar Radoskowitsj is nog vrij." Daar stond

ik nu voor het moeilijke geval. Wat nu te doen? Blijven en mij

gevangen laten nemen of niet? Ik weifelde een oogenblik heel sterk,

maar per slot van rekening durfde ik het toch niet aan. Daarbij kwam,

dat ik nu overal de poolsche troepen zag terugtrekken en de

eigenaardige uit alle krijgskundige leerboeken bekende fatale invloed

der terugtrekkende massa zich ook bij mij deed gevoelen; dus trok ik,

zoo snel als ik kon, met mijn bagage op mijn rug, met de troepen mee.

Maar mijn bagage was me toch te zwaar. Ik hield het niet uit en juist

wilde ik alles wegwerpen, toen ik nog net bijtijds een wagentje

snapte waarop ik mezelf en mijn bagage plaatste. In draf kwam een

veldbatterij voorbij, de mannen in hun hemd, zonder hoofddeksels,

vuil, met gejaagde gezichten: op een der caissons lag een doode, die

nog in allerijl was meegesleept.

De commandant reed naar mij toe en riep: "nou kameraad, dat was nog

net bijtijds. Ik heb alles achter moeten laten. Maar geef me jouw

revolver, jij hebt er toch niks aan als je gevangen genomen wordt. 't

Is zelfs beter dat je er dan geen hebt." Daar was veel waars in en

zoo reikte ik hem mijn browning. Hij vroeg me nog even "waar moet ik

hem terug bezorgen als ik het overleef?" Ik dacht snel na:

"nederlandsche consul in Warschau." En weg was hij. De koetsier was

gelukkig nogal handig, want het eischte eenige kennis van zaken, om

onder de vrij hevig geworden granaatkartets-regen zoo gedekt mogelijk

door het terrein te komen. Maar plotseling stootte ik op den

bataljonscommandant, die heel rustig aan den kant van den weg zat, en

mij toeriep: "haast je maar niet, de bolsjewiki trekken al weer

terug." Ziezo, dat had ik tenminste al weer meegemaakt, maar de kans

om naar Minsk te komen, bleek toch verkeken. Mijn gemoedstoestand was

niet van de beste: niet geslapen, moe, hongerig; ik dacht er

eigenlijk sterk over om de zaak maar op te geven. Het ergste was, dat

ik er eigenlijk heelemaal geen gat meer in zag en als een droevig

beeld der wanhoop zat ik daar aan den weg naast den commandant. Toen

ik hem mijn nood klaagde, antwoordde hij: "weet je wat je doet, ga

zoo gauw mogelijk naar Wileika, ik weet toevallig, dat het daar een

paar dagen rustig zal blijven." Ik volgde dien raad en keerde in mijn

wagentje terug naar Molodetsjno, vanwaar ik nu zou trachten morgen of

overmorgen door het front te komen.

*

* *

Door het bolsjewistische front

III

Slavino, 3 Augustus

Gistermorgen nog zeide de poolsche commandant in Wileika tegen mij:

"m'n goeie man, ga maar gerust naar Warschau terug. Je komt er toch

niet door, en als je erdoor komt, word je doodgeschoten." Intusschen

ben ik erdoor en voorloopig ten minste nog niet doodgeschoten.

Integendeel heeft men mij tot dusver heel vriendelijk ontvangen.

Gisterenmorgen vroeg reed ik in een wagentje naar de poolsche

voorposten, waar een mij bekend poolsch officier commandant was, en

we besloten samen, dat het maar gewaagd moest worden. Er werd een

boerenjongen uitgestuurd met een briefje en een witte vlag om onze

komst aan te kondigen en een voerman gezocht om me door het front te

brengen. Bijna was de geheele tocht nog in het water gevallen, want

opeens barstte een geweldig mitrailleur- en geweervuur los, dat

echter spoedig weer bedaarde en veroorzaakt bleek te zijn door mijn

terugkeerenden parlementair, die vergeten had de witte vlag zichtbaar

in de hoogte te steken. Toch was het van dit oogenblik niet meer

rustig en het bleek dat ongeveer 1 KM. van de plaats waar ik erover

wilde, de bolsjewiki aan 't aanvallen waren. Om dat te keeren kreeg

mijn luitenant bevel ook aan te vallen en daarom zei hij tegen mij:

"amice, maak nu gauw dat je erover komt; ik zal 15 minuten wachten,

maar dan moet ik ook van leer trekken."

Haastig pakte ik m'n bagage bij elkaar, bond m'n helaas niet al te

schoonen zakdoek aan een boomtak en reed erop los, nadat mijn voerman

met het oog op het schieten nogmaals zijn tarief verhoogd had.

't Was een mooie, warme zomermiddag. Het landschap lag licht golvend,

met heel veel zwaar hout, alleen vlak voor de stelling een klein open

vlaktetje met een paar armzalige hindernissen.

Ik zat op mijn koffers in het wagentje, mijn witte vlag boven het

hoofd, en om vijf minuten over drieën passeerde ik de poolsche linie,

terwijl de commandant die me tot zoover gebracht had, me nog nariep:

"over tien minuten ben je weer uitgeplunderd bij ons terug."

Het was, terwijl ik daar zoo alleen voortreed, en door Niemandsland

trok, toch wel een eenigszins eigenaardig gevoel, een mengeling van

angst en nieuwsgierigheid, omtrent het lot dat me te wachten stond.

Na ongeveer tien minuten stonden er plotseling drie mannen midden op

den weg voor me. Ik schrok even, want ze hadden geen witte vlag bij

zich en ik zwaaide dapper mijn zakdoekje, en maakte aanstalten om als

ze hun geweer op mochten heffen, m'n wagen en bagage kalm in den

steek te laten en hard terug te loopen. Zulks bleek echter niet

noodig. De drie bolsjewiki bekeken mij nieuwsgierig, ik gaf hun een

hand, presenteerde hun sigaretten en zei m'n twee uit het hoofd

geleerde zinnetjes op "Ik ken geen russisch; breng mij naar den

commandant."

Ik was heelemaal niet gerust, dat ze niet even zouden gaan

debatteeren of ik wel toegelaten zou kunnen worden, want ik dacht aan

het aanvalsplan van den poolschen commandant, maar gelukkig ging

alles heel vlot en tien minuten later stond ik in een boerenwoning

voor den russischen bevelhebber. Deze verstond enkele woorden

duitsch, en gaf me te verstaan, dat hij me zoo snel mogelijk naar

achteren zou laten brengen en dat hij het te druk had om zich met mij

te bemoeien. Ondertusschen werd ik aangestaard door de

bolsjewistische soldaten, echte Slaventypen met lange, blonde haren,

de meesten nog in de oude tsaristische uniform, met op de borst het

onderscheidingsteeken van het roode leger, n.l. de vijfpuntige roode

ster, waarin een gekruiste sikkel en hamer met daaromheen een

zilveren lauwerkrans. Ik had de voorzorg genomen, een goeden voorraad

sigaretten mee te nemen en verdeelde deze direct onder de soldaten,

't geen blijkbaar in goede aarde viel. In dat opzicht onderscheidden

ze zich niet van hun poolsche vijanden.

Ik kreeg weer een soldaat mee en werd weer meer naar achteren

gevoerd. Zoodoende kwam ik bij den bataljons-commandant terecht, die

ook alweer in een boerenwoning te midden zijner soldaten en een

alleronbeschrijflijksten hoop vuiligheid troonde. De menschen waren

allervriendelijkst, dat moet ik zeggen, noodigden mij uit plaats te

nemen, waaraan ik vol innerlijke wanhoop, wegens de legerscharen

ongedierte, voldeed. Ik kreeg thee, de commandant mijn sigaretten, en

intusschen werd mijn pas bekeken. Van de discipline kreeg ik een

hoogst eigenaardig idee, want wat de commandant ook zei, de soldaten,

die buiten zaten, kwamen me allemaal bekijken, zoodat het kleine

boerenkamertje overvol menschen was. Ze bekeken over den schouder van

den commandant m'n pas en toen ze m'n sigaaraansteker gezien hadden,

moesten ze hem allemaal bekijken. Kortom, een joviale geschiedenis,

maar van een militair standpunt bezien een bende. Eindelijk werd het

den commandant toch te kras en, geholpen door zijn adjudant,

ontruimde hij op eenigszins hardhandige wijze het lokaal, -- waarbij

ik het sterke vermoeden kreeg dat deze majoor onderofficier in het

leger van den Tsaar was geweest, -- en begon toen met z'n adjudant

een rapport op te stellen. Dat scheen hun nogal eenige moeite te

kosten, maar na eenigen tijd waren ze er toch in geslaagd eenige

foliovellen vol te pennen. Er werd weer een ordonnans geroepen, er

kwam weer een wagentje voor en wederom trok ik verder.

Ditmaal reed ik een uur lang door een dicht dennebosch en ik was

blij, met het oog op de wolven, dat mijn geleider tenminste goed

gewapend was. Het regimentscommando, waarheen ik nu gebracht werd,

bleek gevestigd in een baanwachtershuis. De scènes van het

bataljonscommando herhaalden zich ook hier en ik kon bij de

verzamelde soldaten een groote, ofschoon niet onwelwillende

belangstelling in mijn persoon constateeren. Ik kon bij het verhoor

door den regimentscommandant door de open ramen naar buiten kijken en

toen verscheen er plotseling op de spoorlijn een gepantserde trein,

die vlak tegenover het baanwachtershuis halt hield. Daaruit stapte,

gelijk mij de commandant mededeelde, de politieke commissaris der

divisie, die beslissen zou, of ik door mocht gaan of niet; in het

roode leger staat n.l. naast elken commandant een politieke

commissaris, die zijn gangen controleert en zijn bevelen moet

goedkeuren, voordat ze uitgevoerd worden. Het spreekt natuurlijk

vanzelf, dat de commissarissen eigenlijk de eenige menschen zijn, die

wat in de melk te brokken hebben. En zoo moest thans de commissaris

van de divisie over mijn lot beslissen. Er werd druk getelefoneerd,

weer groote vellen papier vol geschreven en het resultaat was, dat ik

met den commissaris in den gepantserden trein naar het noorden toog.

Dat was een prachtige tocht. Ik zat boven op de locomotief, want in

den trein was het te warm. Ik zat me zelf daar te verkneukelen, dat

het mij gelukt was tot zoover door te dringen. Het was ondertusschen

vrij laat geworden en al spoedig begon de duisternis te vallen en

werd de tocht fantastisch. Daar de locomotief met hout gestookt werd,

sloegen groote roode vlammen uit den schoorsteen, die een eigenaardig

licht wierpen op de vierkante sombere massa der gepantserde wagens,

die met groote vaart langs den spoorweg reden, waar geen enkel

licht-signaal brandde. Iedereen hing dan ook buiten den wagen om uit

te kijken. Plotseling hield de trein halt en bleken we naast een

anderen trein te staan, de commandotrein, waarin de divisiecommandant

verblijf hield. Ik werd natuurlijk bij den divisie-commandant

gebracht, maar deze bleek net rapport te houden, zoodat ik even moest

wachten. Op tafel lag een groote kaart, waarop de poolsche linies

aangegeven waren, en ik kon heel duidelijk zien dat ze hier en daar

volkomen onjuist waren geteekend; zoo ontbrak elke aanduiding van een

flankmarsch, dien de Polen bezig waren van uit Wilna te ondernemen.

Het toeval wilde, dat op het rapport eenige berichten voorkwamen, die

juist handelden over die poolsche beweging. Het scheen vrij

onverwacht te komen en niet iedereen geloofde daaraan, en vermakelijk

was het voor mij, den buitenstaander, dat allen zich in het gesprek

mengden, en den armen divisiecommandant overstelpten met op- en

aanmerkingen. Daar werd me duidelijk, hoe het mogelijk was dat

duizend Polen zesduizend bolsjewiki hebben verslagen. Hier kreeg ik

een groot papier, waarop in het russisch geschreven scheen te staan,

dat ik permissie had om naar Smolensk te trekken. Maar aangezien de

trein eerst den volgenden dag vertrok, werd me een bed in den trein

aangewezen, waar ik kon slapen.

Hetgeen ik nu ga vertellen, geldt voor alle russische

spoorwegcoupé's, en om niet te eentonig te worden, zal ik het maar

niet steeds herhalen. Toen ik vijf minuten even rustig een sigaret

zat te rooken liepen de wandluizen over mijn kleeren. U kunt

begrijpen, wat er van slapen onder dergelijke omstandigheden kon

komen. Men bracht mij een vrij behoorlijk maal: aardappelen met

vleesch en een homp brood, van het soort zooals ik het in heel

Rusland heb aangetroffen, en dat, ofschoon het nog tien keer slechter

is dan ons oorlogsbrood, in den vrijen handel 50 roebel per pond

kost. Ik gevoel me hier verplicht, even een kleine uiteenzetting te

geven over het russische geld. In de eerste plaats is de oude

Tsaarroebel, die in het buitenland 'n ietwat hoogeren koers heeft dan

de mark, in omloop. Ofschoon al het russische geld dezelfde waarde

heeft, willen de boeren toch alleen met Tsaarroebels betaald worden.

Daarnaast heeft men het tijdens de eerste revolutie uitgegeven

Doema-geld in biljetten van 1000 en 250 roebel, die de helft van den

Tsaarroebel waard zijn, en voorts Kerensky-biljetten van 20 en 40

roebel, die als naamkaartjes aan elkaar gedrukt zijn, zoodat je

ongeveer met meters geld betaalt. De boeren, die zeer veel geld

verdiend hebben in den laatsten tijd, berekenen de Kerensky's bij het

gewicht. Het door de sovjetregeering in omloop gebrachte geld,

eensdeels uit bankbiljetten, anderdeels uit overgedrukte postzegels

bestaande, heeft in het buitenland in het geheel geen waarde, maar

wordt in Rusland in de groote steden overal aangenomen. Terwijl ik in

mijn coupé zat af te wachten wat er verder met me gebeuren zou, kwam

er een commissaris bij me, die uitstekend duitsch sprak, en vroeg me

wat ik nu eigenlijk in Rusland kwam doen. Hij begon vreeselijk op de

sovjet-regeering te schelden, zoodat ik direct dacht: "o, dat is een

valstrik, om me er in te laten loopen." Ik antwoordde dus "u bent

hier commissaris en dan begrijp ik niet, dat u u zoo over de

regeering uitlaat." Toen fluisterde hij mij toe "wacht maar eens, en

kijk eens wat hier gebeurt. We mogen geen eigen meening hebben,

moeten maar alles goedvinden, wat zij in Moskou bevelen, persvrijheid

bestaat er niet, het volk wil vrede en brood en het krijgt geen van

beide." Ik vond het geheel eigenlijk heel lastig, want ik wist

natuurlijk heelemaal niet, wat die man eigenlijk voor had. Daar hij

echter lang niet de eenige was, die zich zoo uitliet, en ik later

veel meer van dergelijke klachten kreeg, geloof ik bij nader inzicht

wel, dat hij het oprecht meende.

De commissaris, die mij gebracht had, bleek in denzelfden coupé te

wonen als ik. Hij verstond helaas geen duitsch. Het was een heel

vriendelijke man, die mij buitengewoon aardig behandelde, gewezen

arbeider uit Petersburg, voor wien Trotzky en Lenin halve goden waren

en die de russische kranten van a tot z spelde, en onvoorwaardelijk

geloofde wat er in stond. In het gesprek, dat ik, door middel van een

tolk, met hem voerde, gaf hij onomwonden toe, dat de russische

sovjetregeering alleen te redden was, als er in Europa ook revolutie

kwam.

*

* *

Naar Smolensk

IV

Polosk, 5 Augustus 1919

Gisteravond ben ik onder geleide van een jeugdigen sovjetcommissaris

hierheen gekomen en ben verplicht in dit ellendige nest bijna een

geheelen dag te wachten om den trein naar Smolensk te kunnen krijgen.

Op de groote route Dunaburg--Polosk--Witebsk--Smolensk--Moskou gaat

maar een trein per dag, met een gemiddelde snelheid van 20 Kilometer

per uur. Zooals men weet is de russische spoorbreedte grooter dan in

West-Europa. Dat maakt, dat de spoorwegwagens ook breeder zijn en

daardoor meer comfortabel. Hoewel de wagens op het oogenblik

verbazend vuil en verwaarloosd zijn, kan men toch nog heel goed zien,

dat in het Tsarenrijk voor den oorlog het reizen zeer gemakkelijk

geweest moet zijn, voornamelijk doordat er met het oog op de lange

trajecten voor iederen reiziger, tot zelfs in de derde klas door het

opklappen der zitplaatsen, een ligplaats was. Op het oogenblik is

daar geen sprake meer van. Integendeel, het woord overvol is nog te

zwak om aan te geven, hoeveel menschen er met een trein meereizen, ze

hangen er zelfs tegen aan als bijenzwermen. In iederen trein is een

gereserveerde 1e of 2e klas wagen, bestemd voor commissarissen en

militaire autoriteiten. Heeft een gewoon sterveling ongeveer zes

papieren noodig om te kunnen reizen, de gelukkigen die in zoo een

gereserveerden wagen mogen plaatsnemen, hebben zich tenminste van

tien paperassen moeten voorzien.

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 6 / 11 段