Ik krijg den indruk, dat op het oogenblik, gebruik makende van den

oorlogstoestand, de militairen in gemeenschap met de

groot-grondbezitters een reactionnaire politiek voeren. Hetgeen m.i.

groote gevaren meebrengt voor den jongen staat. Ook de politiek

tegenover het bolsjewisme is zeer eigenaardig, ofschoon typisch voor

alle aan Rusland grenzende landen, die ik tot dusver bezocht. Het

onderscheid, dat men n.l. op het oogenblik maakt tusschen

bolsjewieken en bolsjewistisch verdachten is niet heel groot, en

verdacht te zijn van bolsjewistische sympathie kan al maken, dat men

in een zeer onaangename positie komt.

Voor hen, die in Rusland gedwongen werden om bolsjewistisch soldaat

te spelen, is het niet heel pleizierig om gevangen genomen te worden.

Het kost hun dan heel veel moeite om te bewijzen, dat zij slechts

gedwongen aan de beweging deelnamen. Maar ook voor heel veel

arbeiders in Polen zelf is het onpleizierig. Men brengt de menschen,

door zoo op te treden, in een heel moeilijk parket, en dwingt ze

feitelijk om bolsjewiek te worden.

In het parlement is het, naar men weet, tot een botsing gekomen

tusschen de rechter- en de linkerzijde, waarbij deze, onder het

zingen van revolutionnaire liederen en onder het gejuich der tribune,

de zaal verlaten heeft. Beide partijen verschillen maar weinig in

zetelsterkte, wat een zeer remmenden invloed op de parlementaire

werkzaamheid uitoefent. De oorzaak moet gezocht worden in het

tegenhouden van de beperking van het groot-grondbezit door de

rechterzijde. Men tracht op het oogenblik tot een compromis te komen.

De rechterzijde wil als maximum de eigenaars bijna vijf maal zooveel

laten houden als de linkerzijde, die uit socialisten en boeren is

samengesteld. De plannen van deze lijken zeer radicaal, maar men

heeft er buiten Polen over 't algemeen geen begrip van, hoe geweldig

groot sommige bezittingen zijn.

Er zijn landeigenaars, die meer grond bezitten dan ons halve

koninkrijk beslaat. Voor een goede sociale ontwikkeling acht men het

noodzakelijk om een deel van deze goederen tegen schadevergoeding te

onteigenen en zoodoende te komen tot een onafhankelijken, krachtigen

boerenstand, wat voor een agrarisch land als Polen een eerste

vereischte is. Men moet niet vergeten, dat hier en daar op het

platteland nog middeleeuwsche toestanden heerschen. De op het

oogenblik voorgestelde regeling is voor Polen wellicht vrij radicaal,

maar wordt zij niet ingevoerd, dan staat den landeigenaars het gevaar

te wachten, dat bij een verschuiving der meerderheid naar links, die

bij de volgende verkiezingen al verwacht wordt, een totale verdeeling

zal plaats hebben, zonder dat er schadevergoeding voor gegeven wordt.

Een hardnekkig verzet der meerderheid zou, ook met het oog op de

bolsjewistische propaganda, zeer gevaarlijk zijn. Tevens moet er bij

in 't oog gehouden worden, dat de landbouw hier nog zeer achterlijk

is, en dat de boeren in 't algemeen nog zeer onontwikkeld zijn en dus

voor een propaganda, die hun direct veel land belooft zeer

ontvankelijk.

Hoe het met het onderwijs staat weet ik niet, maar zoo ontwikkeld als

de betere standen zijn, zoo dom is geloof ik over het algemeen het

volk. Ik heb tenminste heel wat soldaten ontmoet, die mij mijn pas

vroegen en die ondersteboven bekeken, totdat zij mijn portret zagen

en ontdekten dat zij het papier andersom moesten bekijken, waaruit ik

de m.i. niet al te gewaagde conclusie trok, dat deze lieden niet

lezen kunnen. Het eind was dan ook gewoonlijk dat ze om een sigaret

vroegen, en mij verder ongehinderd lieten doorgaan.

Ik ben vannacht op jacht geweest, en heb een rijken buit

binnengehaald; niet minder dan negen stuks. Hoewel mijn hotel tot een

der beste van Warschau gerekend kan worden, en ik uit voorzichtigheid

den grond goed bestrooid had met insectenpoeder, bleek gisterenavond

de muur naast mijn bed door eenige eskadrons wandcavalerie als

excercitieterrein gebruikt te worden. Van vandaag af staat mijn bed

dan ook midden in de kamer en ik heb een nieuwen voorraad

insectenpoeder ingeslagen.

Warschau, 11 Juli

Met heel veel moeite, en na er èn het ministerie van buitenlandsche

zaken èn den amerikaanschen gezant in gekend te hebben, heb ik dan

eindelijk mijn tolk het land uit gekregen; hij is naar Weenen

vertrokken. Waarom doe je toch zooveel moeite voor een Jood? vroeg

een poolsche autoriteit mij. De man scheen niet te begrijpen, dat,

daar ik hem het land had binnengebracht, ik mij ook zedelijk

verplicht voelde te zorgen dat hij er weer uit kwam, en ik kon het

niet op mij nemen, mijn tolk in een der gevangenkampen te zien

opnemen, die de poolsche bladen zelf als nog erger dan de hel

voorstellen.

Ik besloot dus alleen Rusland in te trekken, en ging daarom naar den

staf om mijn pas af te laten stempelen. Nadat men mij daar 14 dagen

lang verzekerd had: tegen u hebben wij niets, gij kunt gerust naar

Rusland doorgaan, begon men nu ik alleen was plotseling uit een ander

vaatje te tappen.

Nu heette het dat mijn pas niet in orde was.

Ik natuurlijk naar buitenlandsche zaken. Och wat, zeiden ze daar, uw

papieren zijn volkomen in orde.

Toen ik bij den staf terugkwam, bevestigde die dat de zaak in orde

was; den volgenden avond om 6 uur kon ik de toestemming halen.

Toen ik op dat uur in het bureau van den generalen staf verscheen,

werd ik alleronaangenaamst verrast. In plaats van dat men mij mijn

passen gaf, kreeg ik bescheid, dat men naar Nederland getelegrafeerd

had, en dat ik om zoo te zeggen gevangen was, en dat men bovendien

eenige stukken die ik voor het consulaat in Moskou bij mij had, in

beslag nam.

Zoo, mijnheeren, zeide ik verontwaardigd, is dat jullie manier van

optreden. Veertien dagen houdt ge mij hier vast, zegt niets, en nu

begint ge over telegrafeeren te spreken en te beweren, dat mijn

papieren niet in orde zijn.

Dit gesprek ging door bemiddeling van een officier, die zoo

vriendelijk was mij te helpen, want de man met wien ik te doen had

(n.b. van den inlichtingendienst) sprak alleen poolsch.

Ik protesteerde heftig, maar het hielp niets, men nam mijn papieren

in beslag en gaf mij een briefje, waarop stond dat ik Warschau niet

mocht verlaten, en in geen ander hotel, dan waar ik logeerde, mijn

intrek mocht nemen.

Dat was natuurlijk een wraakneming voor mijn hulp, aan een Jood

bewezen. Men kan in Nederland nu nagaan, wat een Jood zelf hier voor

rechtspositie heeft, als een vreemdeling, van de beste papieren

voorzien, zonder een enkel recht is. Want de minister van

buitenlandsche zaken en zijn secretaris, de heer Perlowski,

verklaarden beiden, dat ik weliswaar volkomen in mijn recht was, maar

dat zij tegenover den generalen staf volkomen machteloos stonden.

Ik zat ondertusschen niet stil en telegrafeerde naar Den Haag, naar

Berlijn, naar Weenen, de dichtstbijzijnde gezantschappen, wendde mij

tot den amerikaanschen gezant, tot het ministerie van buitenlandsche

zaken en schreef bovendien nog aan den staf zelf.

Verder bracht ik een bezoek aan de redactie van de Warschausche

Kurier, een der grootste bladen. De redacteur, die mij te woord

stond, was zeer collegiaal, gaf mij groot gelijk en beloofde mij de

zaak dadelijk ter hand te nemen.

Met den consul ging ik den volgenden dag persoonlijk bij den

generalen staf protesteeren.

Het poolsche ministerie van buitenlandsche zaken maakte mij excuses

en beloofde alles in 't werk te stellen om de zaak in orde te

brengen.

Vanmiddag kreeg ik dan eindelijk bericht, dat de zaak in orde was.

Edoch, excuses, ho maar; laat ik er echter bijvoegen, dat ik deze

toch niet aangenomen zou hebben, en dat ik hierbij openlijk

protesteer tegen de handelwijze, waarvan ik in een beschaafd land als

Polen wil zijn, het slachtoffer ben geworden.

Hoe ver de heeren van den staf het hier in 't lezen gebracht hebben,

blijkt wel hieruit, dat ze maar hardnekkig blijven beweren, dat geen

mijner papieren in Den Haag is uitgereikt, terwijl er dat in drie

talen op staat.

Maar bovendien, veertien dagen lang heeft men geen bezwaren gemaakt.

Bij deze gelegenheid heb ik van verschillende zijden gemerkt, dat de

Polen zelf heel weinig met deze militaire dictatuur ingenomen zijn,

maar ze zijn volkomen machteloos.

*

* *

OP WEG NAAR RUSLAND

Bogdanof, 15 Juli

Bogdanof moet men zoeken halverwege Lida en Molodetsjno, bezuiden

Wilna. Wellicht zal men het op de kaart eerder vinden dan in loco,

want als er -- nog uit den tijd der duitsche bezetting -- geen

reusachtig bord stond met letters als koeien: "Dorf Bogdanow", dan

zou men nauwelijks gelooven dat hier een dorp lag.

Ik vertoef hier dan ook slechts omdat de spoorweg niet verder gaat en

ik de verdere 80 KM. naar Molodetsjno in een wagen moet afleggen.

Gisteren ben ik hier aangekomen uit Lida, het poolsche hoofdkwartier,

waar ik de noodige papieren voor het passeeren van de grens had

gehaald.

Ik reisde met een goederentrein (de eenige treinen die rijden) waarin

één wagen derde klasse liep, die ik met eenige soldaten deelde. Mijn

reisgenooten legden groote belangstelling voor mij aan den dag en

daar enkele soldaten duitsch spraken, was weldra een gesprek

aangeknoopt. Toen zij hoorden dat ik een Nederlander was deden zij

mij tal van vragen, meest over de prijzen van de levensmiddelen en

over de mogelijkheid van een spoedigen vrede. Een van hen vertaalde

het gesprokene dan voor zijn makkers in het poolsch.

De soldaten waren zeer voorkomend jegens mij; ik moest van hun brood

meeëten en zelfs wilden ze mij uit hun veldflesschen laten drinken.

Ook zongen ze poolsche liederen voor mij. Toen wij Iaat in den avond

te Bogdanof aankwamen en ik besluiteloos in den kletsenden regen op

het perron stond, daar ik nergens een huis zag, had ik het weer aan

mijn reismakkers te danken dat ik dien nacht onder dak kwam. Kom maar

mee, zeiden ze, onze luitenant zal u wel willen ontvangen.

Zoo trokken we naar hun kwartier, een veldhospitaal dat op eenigen

afstand van het station lag. Hier werd ik vriendelijk ontvangen door

drie officieren van gezondheid, allen voormalige Oostenrijkers, die

dadelijk bereid waren mij op te nemen en mij 't beste voorzetten wat

zij te eten en te drinken hadden.

Tot Iaat in den nacht zijn we bijeengebleven; zij vertelden mij over

den oorlog in het Oosten, ik hun over den vrede in Nederland.

Toen zij hoorden, dat ik over Minsk naar Moskou wilde, verklaarden

zij eenstemmig die reis voor onmogelijk. "Het poolsche leger gaat nu

op Minsk los en wij hopen het binnen enkele dagen te veroveren. Onze

vliegers hebben de spoorwegverbinding Moskou-- Minsk al vernield, om

het zenden van hulptroepen uit het oosten te verhinderen."

Dit was een minder aangename tijding. Als er geen spoorwegverbinding

meer met Moskou bestond, loonde het natuurlijk de moeite niet naar

Minsk te gaan.

Een mijner gastheeren ried mij over Odessa te gaan, maar die omweg

was me toch wel wat groot en bovendien leken de pas-moeilijkheden

onoverkomelijk.

Gelukkig hoorde ik vandaag dat er nog een betere weg open is, t.w.

over Molodetsjno--Polosk. Ik vertrek dus morgen naar Molodetsjno en

zal vandaar verder zien te komen. Mijn papieren zijn, voor het

poolsche gebied, volkomen in orde, maar het zal nog wel moeite kosten

het front over te komen. Ik moet den poolschen commandant zien te

bewegen, mij iemand mee te geven om mij met de russische voorposten

te verstaan. Als ik eenmaal door het front heen ben, zal het wel

gaan.

Vandaag heb ik eens in de omgeving van het veldhospitaal rondgekeken.

Overal ziet men hier in den omtrek nog de sporen van den grooten

oorlog: wegen, stations, lazaretten, door de Duitschers gebouwd en nu

verlaten.

De economische toestand op het land is verre van rooskleurig; de

bevolking lijdt honger. Vanochtend ontmoette ik een bedelaar, die mij

iets vroeg. Ik dacht, dat hij een aalmoes wilde hebben en gaf hem,

daar ik geen klein geld had, een twee-markstuk. Dat wilde hij echter

niet aannemen. Ik riep er een soldaat bij, die duitsch sprak, en liet

hem den man vragen waar hij dan om bedelde. Het bleek, dat hij brood

wilde; aan geld had hij niets, hij kon er toch niets voor koopen.

*

* *

EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN

Ik ben op 11 Augustus door den russischen minister van buitenlandsche

zaken ontvangen. Hij was zoo vriendelijk mij een interview toe te

staan. De minister ontving mij in zijn werkkamer, een vrij groot,

eenvoudig gemeubeld vertrek en hij zat achter een met papieren en

telegrammen bedekte tafel. Ik vroeg hem of er z.i. een vrede mogelijk

zou zijn, waarbij aan den eenen kant een sovjet-Rusland zou staan en

aan den anderen het oude Europa. Theoretisch ja, oordeelde de

minister; hij meende zich te kunnen voorstellen, dat een proletarisch

Rusland met kapitalistische staten zou kunnen samenleven en handelen.

Slechts voegde hij er bij: zelfs wanneer wij ons dan van alle

propaganda, enz. verre zouden houden, dan zullen de kapitalistische

regeeringen het toch onverdraaglijk vinden, dat alleen het feit, dat

wij er zijn, op de arbeiders van West-Europa als een voorbeeld werkt.

Minister Tsjitsjerin maakte dan in den loop van ons onderhoud de

opmerking, dat Rusland gaarne weer handelsbetrekkingen met

West-Europa wil aanknoopen.

Verder over den vrede sprekend, vroeg ik of er niet twee soorten

oorlog waren, die nu tot een eind gebracht moeten worden, n.l. de

oorlog met Koltsjak en Denikin, met de tsaristische tegenrevolutie,

en die met Polen en Litauen. De minister antwoordde: Polen voert den

oorlog niet direct met ons, maar met sovjet-Litauen, den staat waar

wij bevriend mee zijn. Want er is een rood en een burgerlijk Litauen,

die met elkaar strijden, en tegelijkertijd strijden beiden tegen

Polen. Met sovjet-Litauen is ook Wit-Rusland verbonden. Hierbij, zoo

ging de minister voort, moet ik opmerken, dat Litauen en Wit-Rusland,

evenals Letland, Estland en de Oekraine, door ons terstond als

zelfstandige sovjet-republieken erkend en als bevriende mogendheden

beschouwd werden, bij welke wij vertegenwoordigers hebben. Daar wij

gelijke belangen hebben, hebben wij een militair verbond met hen

gesloten. Ik moet er hierbij echter den nadruk op leggen, dat wij

deze staten noch gevormd, noch veroverd hebben, dat zij hun revolutie

op eigen houtje hebben gemaakt en dat wij pas later ons verbond met

hen hebben aangegaan.

Ik vroeg toen, of, wijl Rusland zichzelf steeds een federatieve

republiek noemt, er reeds een federatief lichaam bestaat, en tot

hoever die republiek zich zal uitbreiden.

Neen -- luidde het antwoord -- de vertegenwoordigers van de centrale

uitvoerende comités van de verschillende sovjet-republieken, vormen

een voorloopige vergadering, die thans in Moskou bijeen is, om

gemakkelijker te kunnen onderhandelen.

Wat de aziatische volken betreft, moet ik opmerken, dat wij alle

vroegere verdragen van de Tsaristische regeering met Perzië, China,

Mongolië, enz. hebben prijsgegeven, en dat wij het recht van

zelfbeschikking van al die landen hebben erkend.

Door deze vraag kwamen wij vanzelf op het belangrijke punt der

economische noodzakelijkheid die er ook voor sovjet-Rusland bestaat,

om ijsvrije havens te krijgen. Deze quaestie is, naar het mij --

interviewer -- voorkomt, de belangrijkste van de geheele vredesvraag,

want het is en blijft waar, dat Rusland havens noodig heeft. Maar aan

den anderen kant hebben die havens weer Rusland noodig als

achterland. Ik vroeg dan ook aan den minister of hij zou toestemmen

in vredesvoorwaarden, die Rusland van de zee zouden afsnijden.

Ja -- luidde het antwoord -- welke voorwaarden wij zullen stellen als

het tot een conferentie komt, kan ik thans niet zeggen. Het lijdt

geen twijfel, dat de Letten zelf bolsjewistisch gezind zijn en dat,

zoodra de buitenlandsche bezetting uit Letland vertrekt, het land

weer bolsjewistisch zal zijn. Economisch hebben wij elkaar noodig.

Riga zoomede de Oekraine hebben in economisch opzicht de verbinding

met ons noodig, evengoed als wij die zelf noodig hebben.

Zal -- vroeg ik verder -- de oorlog nog lang duren?

Ja, dat moet u aan de entente en aan de Japanners vragen. Wij zijn

steeds te allen tijde tot den vrede bereid. De vorming van ons leger

heeft ons groote moeite gekost en de aanvallers hebben ook in den

beginne eenige successen behaald. Maar zoo spoedig wij een voldoende

macht tegen hen in het veld zonden, viel het leger van onze vijanden

uit elkander, zooals dit b.v. het geval is geweest met de strijdmacht

van Koltsjak, die thans reeds tot ver in Siberië is teruggeweken, bij

welken terugtocht zijn leger tot totale desorganisatie vervallen is.

Hetzelfde zal met Denikin gebeuren.

Thans wilde ik van den minister weten, wat hij over West-Europa

dacht: of het daar tot een omwenteling zooals in Rusland zou komen,

en of die omwenteling zich in eens zou voltrekken of wel zou

geschieden in verscheiden elkaar opvolgende vormen. Maar op die vraag

ontving ik geen beslist antwoord, want de minister zeide, dat het

moeilijk was, daaromtrent voorspellingen te doen. Wel geloofde hij,

dat zoowel in Frankrijk als in Engeland zooveel gistingskiemen

verzameld waren, dat een hardhandige, revolutionnaire uitbarsting

moeilijk zou kunnen worden vermeden. Hij geloofde niet, dat het den

regeeringen zou kunnen gelukken de haar gestelde, reusachtige

problemen tot oplossing te brengen en de arbeiders tevreden te

stellen.

Ten slotte vroeg ik nog iets, dat op een geheel ander gebied

betrekking had, en het antwoord op die vraag luidde 'zeer

geruststellend: "alle schilderijen, ook d i e i n d e

E r m i t a g e , zijn goed bewaard gebleven."

De vraag of het wel waar was, dat de vrouw in Rusland was

"gecommuniseerd" heb ik enkel meegedeeld; want het antwoord daarop

wist ik al. De sovjets hebben eenvoudig het burgerlijke huwelijk

ingevoerd, verder niets. Ook de Kerk heeft men volkomen

gerespecteerd; enkel heeft men de ondersteuning van den Staat aan de

Kerk afgeschaft en volledige gewetensvrijheid ingevoerd. De kerken

als particuliere vereeniging en het kerkelijk gezag van den Patriarch

zijn volkomen onaangetast gebleven.

*

* *

EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND

Berlijn, 30 Augustus, 1919

Nu ik weer in Berlijn terug ben en in een zindelijke hotelkamer zit

te werken, nu ik mij weer vrij kan bewegen zonder steeds gevolgd te

worden, komt het mij als een droom voor. Ik moet er nog aan wennen

dat ik weer een vrij mensch ben, dat die drukkende last is

weggevallen en dan, dat alles hier zoo zindelijk is, dat ik weer eens

rustig kan slapen. Want dat is eigenlijk bij alle moeilijkheden die

ik op mijn tocht heb ondervonden, van 14 Juli af, toen ik Warschau

verliet, het allerergste geweest, het ongedierte, eerst in Polen,

later in Rusland.

Het was nu en dan om gek te worden, luizen, vlooien en wormen. In al

die weken heb ik, behalve in het regeeringshotel te Moskou, dat zeer

zindelijk was, bijna geen nacht rustig geslapen, en dat maakte dat ik

op het laatst bijna geheel op mijn zenuwen moest leven.

Tot mijn groot leedwezen heb ik thans gemerkt, dat mijn brieven uit

Molodetsjno en Wileika Nederland niet bereikt hebben, en dat het

laatste levensteeken, dat men van mij ontving, de brief uit Bogdonow

was.

Nadat ik telegrafisch mijn hoofdindrukken uit Rusland heb

weergegeven, wil ik thans een geregeld verhaal doen van de reis naar

Moskou, en welke moeilijkheden ik allereerst in Polen te overwinnen

had om door het front te komen, want de poolsche commandanten van het

front, hoewel zeer vriendelijk en beleefd, en gehoorzamend aan het

bevel uit Warschau om mij te helpen naar Rusland te komen, maakten

toch vele bezwaren, waarbij kwam dat zij, wetend dat ik naar het

vijandige kamp toog, natuurlijk zeer achterdochtig waren, en mij zoo

weinig mogelijk vertelden van hun operaties.

Na een paar dagen ging het echter al beter en kregen ze wat meer

vertrouwen in me, zoodat ik nu in staat ben, u een vrij geregeld

verhaal te doen van de poolsche operaties in Wit-Rusland, die

eindigden met de verovering van Minsk.

Het tragische toeval wil, dat daar waar een paar jaar te voren de

millioenenlegers der Russen en Duitschers elkaar bekampten, thans een

soort guerrillaoorlog gevoerd wordt met evenveel honderdtallen

soldaten als er vroeger millioenen stonden.

Van een gesloten front was dan ook nergens sprake, behalve aan de

hoofdverkeerswegen, maar dat was nu voor mij het moeilijke, dat ik er

juist daar moest trachten door te komen, omdat langs de landwegen de

moeilijkheden te groot waren, voornamelijk ook door het groote aantal

roovers, en, verbaas u niet al te veel lezer, door de wolven, die

voor den eenzamen reiziger een groot gevaar opleveren. In de buurt

van Molodetsjno zijn in den afgeloopen zomer ongeveer 60 personen,

meest kinderen, door wolven gedood.

Zij komen op het oogenblik tot in Oost-Pruisen.

In Molodetsjno was de staf van de poolsche troepenmacht, die van het

noorden tegen Minsk opereerde, ingekwartierd. Als flinke dekking voor

de operaties, was er een front bij Wileika, een 20 KM. voorbij

Molodetsjno aan de spoorlijn Molodetsjno-Polisk, terwijl de tegen

Minsk opereerende troepen bij Krosne stonden, aan de spoorlijn

Wilna-Minsk; daartusschen doorkruisten alleen cavalerie-patrouilles

het terrein, terwijl daar bij de bolsjewiki de z.g.n. groene garde

optrad. Deze wordt gevormd door boeren en deserteurs van het roode

leger, die roovend en plunderend rondtrekken, en zoowel tegen de

Polen als de Russen vechten.

Voor mij bestond dus alleen de gelegenheid te trachten of bij Krosne

of bij Wileika door het front te komen.

Ten einde het wat gemakkelijker voor mij te maken, stuurde de

poolsche generaal in beide richtingen een parlementair naar den

vijand, om mijn komst aan te kondigen en vrijen doortocht te vragen.

Bij Krosne antwoordden de Bolsjewiki, dat ze orders uit Moskou zouden

aanvragen en bij Wileika kwam heelemaal geen antwoord.

Aangezien mijn positie niet zeer aangenaam was, gelet op het

allervuilste kwartier dat men mij bij den dorpsgeestelijke had

aangewezen, en dat n.b. nog het beste was, besloot ik toen het met of

zonder antwoord maar bij Wileika te probeeren.

Nauw was ik daar echter aangekomen of de bolsjewiki deden een hevigen

aanval, en de Polen moesten in allerijl terugtrekken, zoodat ik

gedwongen was mee te vluchten. Wel had ik er nog een oogenblik over

gedacht, om mij gevangen te geven, maar men ried mij zulks sterk af,

omdat ik, de taal niet machtig zijnde, alle kans zou hebben voor een

spion gehouden te worden.

In mijn wagentje, dat ik voor deze gelegenheid gehuurd had, een

eenvoudig boerenkarretje zonder veeren, een z.g.n. panjewagen, met

een klein maar zeer sterk litausch paard, vluchtte ik alzoo in het

holst van den nacht in de richting van Molodetsjno.

Dat was dus een verkeken kans en toen besloot ik mijn geluk te

beproeven in de richting van Krosne. Van dezen tocht af heb ik mijn

dagboek-aanteekeningen kunnen bewaren, en zoo kan ik u thans een

geregelder verslag geven.

*

* *

MIJN DAGBOEK

I

Krosne, 28 Juli

Vanmorgen ben ik hier aangekomen, weer in mijn kleine wagentje hier

heen gehobbeld, met mijn beide koffers.

De spoorlijn functionneert wel, maar heel slecht, zoodat ik wel per

wagen moest gaan langs den grooten russischen heirweg

Wilna--Molodetsjno--Minsk. Een groote, breede laan met prachtige

boomen; er is echter geen spoor van verharding; een paar karresporen,

naast elkaar. Dat is wat men in Rusland, onder den Czaar, verstond

onder een weg 1e klasse. Dergelijke wegen dicht bij de duitsche grens

werden niet verhard.

Krosne, zelf een nest, een met onmogelijke keien bestraat marktplein,

waaromheen wat houten huizen, bijna alle bouwvallig, twee kerkjes,

een orthodox en een katholiek, een station, en dat is alles. De

commandant, als zoovele poolsche officieren, zeer jong nog, voor den

oorlog gymnasiumleeraar, in den oorlog bij het poolsche legioen in

oostenrijkschen dienst opgeklommen tot overste, ontvangt mij wel heel

vriendelijk, maar geeft mij met een raadselachtig lachje toch te

kennen, dat ik nog een paar dagen zal moeten wachten. Het is n.l.

lang niet rustig aan het front.

Ik word ingekwartierd bij den apotheker en gelukkig heeft deze

zooiets als een leeren divan; daarop kan ten minste geslapen worden.

De man heeft het bolsjewistische bewind in volle glorie meegemaakt;

de Polen hebben het dorp n.l. eerst voor twee weken veroverd.

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 5 / 11 段