Ik bezocht gisteren een schilderijententoonstelling, en het trof mij,

hoevelen er een historische gebeurtenis afbeelden, hoewel er

daarnaast toch ook een groot aantal, waaronder zeer veel

impressionistische, moderne, waren met een sterk naar voren komend

eigen karakter. Over de literatuur kan ik niet oordeelen; alleen heb

ik wel ontdekt, dat Sienkewitz, de schrijver van Quo Vadis, hoewel

hij door de intellectueelen volstrekt niet tot de groote schrijvers

gerekend wordt, hier zeer populair is, en niet als schrijver van den

wereldbekenden Nero-roman, maar als auteur van een serie historische

romans, bij ons echter minder bekend.

Het heeft mij getroffen, hoeveel apotheken hier zijn en hoe modern

zij zijn ingericht, en ik meen dat te moeten verklaren uit het feit,

dat de apotheker hier, zooals dat in Holland in sommige plaatsen de

drogist nog wel is, de rol van huisdokter vervult.

Polen gaat er prat op een der oudste parlementen te bezitten, al

heeft deze Poolsche Landdag nu niet bepaald een buitengewone

reputatie. In de hoop, dat hij zijn vroegere reputatie niet zal

handhaven, heeft men thans voor eenige maanden een Landdag gekozen

met algemeen, direct, geheim en evenredig kiesrecht voor mannen en

vrouwen boven 20 jaar. Het aantal leden is nog niet vastgesteld

kunnen worden, omdat men nog niet precies de grenzen van het land

kent. Op het oogenblik zijn er, geloof ik, een goede 180.

De parlementaire geschiedenis sedert de duitsche revolutie is wel

merkwaardig. Tijdens het duitsche gouvernement had men hier den

"regentschapsraad", die direct bij het terugtrekken der duitsche

troepen in het noorden en Centrum en der Oostenrijkers in het zuiden

het bewind aan een socialistische regeering overdroeg. Deze regeering

stond direct voor de moeilijkheid, alles te moeten organiseeren en

voorbereiden. Als militaire macht had men het poolsche legioen, dat

onmiddellijk versterkt werd door een volksweer, die direct al het

door de centralen achtergelaten legermateriaal in beslag nam en

eveneens het rollend spoorwegmaterieel. De door deze socialistische

regeering geënsceneerde verkiezingen brachten haar echter een groote

nederlaag, en de meerderheid in het parlement kregen de nationale

democraten, in coalitie met eenige kleinere partijen, terwijl de

socialisten niet veel meer dan 30 stemmen kregen; en ook de Joden,

die eigen vertegenwoordigers kozen, haalden er niet veel meer. Daarop

werd de tegenwoordige regeering gevormd, die zich haastte eenige door

de socialisten genomen maatregelen in te trekken, zooals o.a. het

afschaffen van den adel, en het doen verdwijnen van de kroon op den

kop van den poolschen adelaar. Dit laatste is een typisch poolsche

kwestie. Het oude embleem der Polen, dat tijdens de overheersching

een soort heilige vereering genoot en in 't geheim door elken Pool

bewaard werd, was nl. een gekroonde adelaar. Deze kroon hadden de

socialisten direct willen doen verdwijnen, maar daarbij vergrepen zij

zich aan een nationaal gedenkteeken en daarvan wilden de Polen niets

weten, zoodat nu overal weer de gekroonde adelaar in volle glorie

prijkt. De socialisten waren de felle tegenstanders van den overigens

zeer populairen Paderewsky, en om hen nu niet al te veel voor het

hoofd te stooten, werd deze niet tot staatspresident, maar tot

minister-president gekozen. De meerderheid in den landdag schijnt wel

monarchaal te zijn, maar toch uit practische overwegingen, o.a. het

ontbreken van een goeden candidaat, voor de republiek gestemd te

hebben.

Als unicum mag wel medegedeeld, dat de militaire ontwerpen door den

landdag met algemeene stemmen werden aangenomen.

Nu moet ik er weer eens over gaan zitten denken hoe ik dezen brief

weg krijg en moet ik mij tevens weer eens beklagen over de

nederlandsche posterijen. Terwijl de zwitsersche post hier geregeld

aankomt, is er in de laatste zes maanden geen brief uit Nederland

aangekomen. Er bestaat toch een verbinding Zwitserland-Nederland. Dat

men toch de brieven voor Warschau langs dien weg stuurde en besefte,

dat de verbinding tusschen Berlijn en Warschau verbroken is.

*

* *

ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN IN POLEN

Warschau, 2 Juli

De aanwezigheid van enkele Hollanders, die zich hier ophouden om

zaken te doen, brengt mij er vandaag toe eens een brief over

economische zaken te schrijven, aangezien het mij van belang lijkt er

de aandacht van ondernemende nederlandsche kooplui op te vestigen,

dat er hier op 't oogenblik nog wel zaken te doen zouden zijn.

Ik ben daarom naar het ministerie van buitenlandsche zaken gewandeld,

en heb een interview verzocht met den minister van buitenlandsche

zaken ad interim, hetgeen mij direct werd toegestaan.

Z.E. was zoo vriendelijk, toen hij het doel van mijn komst vernomen

had, mij in de gelegenheid te stellen kennis te maken met een paar

hoofden van afdeelingen, die mij alle gewenschte inlichtingen konden

verschaffen.

Voorop dient te worden gesteld, dat men in Polen heel graag zaken met

Nederland wil doen, maar dat de groote moeilijkheid schuilt in de

betaling met het oog op het groote verschil in valuta.

Polen is op het oogenblik wel een unicum onder de europeesche staten,

want hoewel het door den vrede van Versailles een land van tusschen

de 25 en 30 millioen inwoners is geworden, heeft het om zoo te zeggen

geen staatsschuld.

Misschien dat het een klein deel der duitsche, russische en

oostenrijksche schuld mee zal krijgen, doch op het oogenblik is

daaromtrent nog niets bepaald, en is de eenige schuld de een paar

maanden geleden geplaatste binnenlandsche leening, terwijl met

Frankrijk en Amerika onderhandeld wordt over een buitenlandsche.

Op het oogenblik staat de regeering echter voor de volgende

moeilijkheid, dat er nl. vier soorten geld in omloop zijn, nl.

tsarenroebels, duitsche en poolsche marken, die denzelfden koers

hebben, en oostenrijksche kronen.

Al dit papiergeld heeft een zeer lagen koers, en nu is men bezig de

uitgifte van nieuw geld voor te bereiden. Men wil nl. een poolschen

gulden invoeren, en dien de waarde van den franschen franc geven, en

daarmede dan het vreemde geld vervangen. Men hoopt dit binnen twee

maanden te kunnen bewerkstelligen.

De binnenlandsche leening heeft opgebracht 380 millioen mark, 480

millioen kronen en 240 millioen roebel. Met het resultaat der

inschrijvingen was men hier zeer tevreden, maar Polen heeft

natuurlijk veel meer geld noodig, zoowel om zijn papier gelduitgifte

te dekken als om krediet in het buitenland mogelijk te maken. Vandaar

dat men, vooral ook met het oog op handelsbetrekkingen met ons land,

hoopt er in te kunnen slagen, een poolsche leening in Nederland te

plaatsen. Men zal ons land te meer noodig hebben omdat men groote

kanalisatieplannen heeft, en heel goed weet dat voor de uitvoering

daarvan de Nederlanders de meest aangewezen personen zijn.

Nu de Weichsel de hoofd-verkeersader zal worden, moet het tot dusver

niet gekanaliseerde stuk, n.l. dat door het vroegere russische gebied

loopt, ook bevaarbaar worden gemaakt. De staat is niet van plan dit

zelf te doen, maar zal een inschrijving daartoe openen, terwijl te

zelfder tijd een groot aantal baggermachines en vaartuigen voor de

binnenscheepvaart in het buitenland gekocht zullen worden. Bovendien

heeft men nog verschillende plannen tot het doen graven van kanalen;

o.a. een om het industriegebied met de Weichsel te verbinden. Dit

lijkt mij voor de nederlandsche aannemers van belang. Het is echter

zaak den loop der gebeurtenissen niet af te wachten, want de

fransche, engelsche en amerikaansche missies hebben allen

handelsattachés meegebracht, die ijverig in de weer zijn de buit voor

hun land binnen te slepen. Lukt het den Nederlanders, hier goede

contracten af te sluiten, dan is het niet onmogelijk dat wij er in

zullen slagen ook kolen uit Polen te betrekken, hetgeen voor ons m.i.

van groot belang is gelet op de moeilijkheden, die wij zullen hebben

in de toekomst aan voldoende brandstof te komen.

De poolsche industrie, die vóór den oorlog van groot belang was, is

door den oorlog om zoo te zeggen geheel ten gronde gericht, en Polen,

dat vroeger aanzienlijke hoeveelheden suiker uitvoerde, heeft daaraan

thans groot gebrek en kon, doordat zijn raffinaderijen meerendeels

vernield zijn, daarin voorloopig ook geen verandering brengen. Dit

brengt natuurlijk mede dat onze industrie, gelet op de gemakkelijke

verbinding van onze havens met Danzig, hier een ruim arbeidsveld zou

kunnen vinden; maar men moet wel degelijk met de concurrentie der

Entente rekening houden.

Polen is voor het overgroote deel verder een landbouwland, en dat

maakt, dat het zich vermoedelijk wel van de in den oorlog geleden

schade zal herstellen. Alleen lijkt het mij, zoo oppervlakkig gezien,

dat men hier op landbouwkundig gebied nog zeer veel van ons kon

leeren. De Polen zijn zoo diligent geweest een zaakgelastigde met

handelsattaché naar Den Haag te sturen. De minister van

buitenlandsche zaken zeide mij, dat men hier met verlangen op een

nederlandsch vertegenwoordiger wacht. Het ware in elk geval zeer

wenschelijk, dat men zoo spoedig mogelijk een handelsman hierheen

zond, om de mogelijkheden voor onzen handel en onze industrie te

bestudeeren, en den nederlandschen kooplui met raad en daad ter zijde

te staan.

De wanhoop van een nederlandsch koopman, die hier bezig is voor

millioenen te verkoopen maar niet weet hoe hij zijn waren betaald kan

krijgen, doet mij den wensch van de poolsche regeering om in

Nederland een krediet te krijgen, hier nog eens extra vermelden. Als

tegenprestatie wil de regeering dan gaarne de kanalisatie en wat

daarmee samenhangt aan nederlandsche leveranciers gunnen. De poolsche

staat kan bovendien voldoende waarborgen geven, aangezien hij heel

groote staatseigendommen in den vorm van landgoederen bezit, en ook

het spoorwegnet is niet geheel zonder belang, circa 12,000 KM. Aan

hout is hier bovendien geen gebrek en het transport is bijna geheel

te water mogelijk, 't geen natuurlijk een groot voordeel is.

In een memorie, die ik van het ministerie ontving, legt dit er den

nadruk op dat de gemakkelijke scheepvaartverbinding en het geheel

ontbreken van een eigen handelsvloot, Polen wel dwingt verbinding te

zoeken met een land als Nederland, dat een krachtige handelsvloot

heeft. Verder ziet men hier reikhalzend uit naar onze koloniale

producten, als cacao, thee, peper en tabak enz. Men hoopt verder dat

het poolsche graan met het amerikaansche zal kunnen concurreeren.

Wanneer de vrede eenmaal werkelijkheid geworden zal zijn, is Warschau

bovendien, door zijn centrale ligging in Europa, het aangewezen punt

waar west en oost elkaar zullen ontmoeten en daarom is het mede van

belang, dat wij hier vasten voet krijgen, temeer omdat Polen er zelf

veel voor voelt met neutralen goede betrekkingen aan te knoopen,

aangezien het heel goed beseft, dat de vriendschap met de groote

mogendheden altijd haar gevaarlijke zijde blijft behouden.

Laat ik eindigen met mede te deelen, dat men over

Zwitserland--Weenen--Krakau--Warschau, binnen 5 dagen hier kan zijn

en dat het dus niet noodig is, de moeilijke frontreis te maken.

*

* *

IN AFWACHTING

Warschau, 5 Juli

Het is voor een correspondent de eerste plicht objectief te blijven,

en toch is dat het moeilijkste van alles, want vooral in een jongen

staat als Polen tracht men hem van alle kanten met propaganda te

bewerken. Het is met de objectiviteit precies zoo gesteld als met de

neutraliteit; is men werkelijk objectief, ziet men de dingen zooals

ze werkelijk zijn, en niet zooals een der partijen ze graag ziet, dan

heeft men al spoedig kans het bij allen te verbruien.

Zoo ook hier in de Joden- en pogromkwestie.

Het is mij dezer dagen al vaak gebeurd, dat ik op straat door een

joodje werd aangesproken met de vraag "wil meneer bijzonderheden over

een pogrom?"

Zoo ook vanmorgen weer, in het hotel; daar werd ik plotseling aan

mijn jas getrokken, en een heer van onmiskenbaar semitisch voorkomen

sprak me in het nederlandsch aan. "Heb ik mijnheer niet eens gezien

in Amsterdam, bent u geen correspondent van de Rotterdammer?"

"Ja," zeide ik hoogst verbaasd. Maar de portier, die blijkbaar iets

van het gesprek verstaan had, liet 's mans verdere rede in duigen

vallen, doordien hij er plotseling tusschen kwam met de woorden:

"niets van gelooven mijnheer, hij heeft net geïnformeerd wie u was en

nou doet ie net alsof hij u van vroeger kent."

"Nou, wat zou dat," antwoordde toen de ander, "mijnheer ziet toch dat

ik hollandsch ken. Ik heb twee jaren in Scheveningen gewoond; kan ik

u niet eens alleen spreken?"

Ik was natuurlijk dadelijk daartoe bereid, en het kwam zooals ik

reeds vermoed had: "wilt u niet eens schrijven over de pogroms?"

"Hoor eens," zeide ik toen, "ik beschrijf alleen wat ik zelf gezien

heb, of u moet me een paar menschen brengen -- die ik als

geloofwaardig kan aannemen -- die mij zeggen kunnen dat ze het zelf

gezien hebben."

Ja, dat kon hij niet, maar het was toch heusch waar.

"Jawel," antwoordde ik, "en de Polen zeggen dat het heusch niet waar

is, wie moet ik nu gelooven?"

Zoo is het inderdaad. Het schijnt dat men, vooral in de engelsche en

amerikaansche pers, veel over pogroms schrijft; maar ik moet

bekennen dat ik er zelf nog niets van gezien heb, en ook nog niemand

gesproken heb die er bij geweest is.

Ik kan dus nog altijd niet verklaren of er al dan niet pogroms zijn

voorgekomen. In Warschau zelf is dat, naar ik vrij zeker meen te

weten, niet het geval. Anders had ik er zeker wel iets van

ooggetuigen over gehoord.

Dat men hier overigens op de Joden zeer gebeten is, heb ik u in een

mijner vorige brieven al medegedeeld, en ik heb daar persoonlijk den

last van, dat men mijn tolk nog altijd maar geen vergunning wil geven

om me naar Rusland te vergezellen. Ik heb mij voor een paar dagen

nogmaals schriftelijk tot het ministerie van buitenlandsche zaken

gewend, en men heeft mij thans verzekerd, dat ik Maandag of Dinsdag

uitsluitsel krijg.

Het wordt zoo langzamerhand tijd ook. Niet dat ik hier niet goed zit,

maar ik wil verder, en hier is voor mij op het oogenblik niet veel te

doen.

De poolsche regeering zit op het oogenblik niet op rozen, en het

teekenen van het vredesverdrag in Versailles heeft hier dan ook geen

aanleiding gegeven tot buitengewone feestelijkheden. Geen wonder

trouwens; ten eerste geeft de buitenlandsche politiek nog altijd

reden tot bezorgdheid, en bovendien is de binnenlandsche toestand ook

niet al te geruststellend.

Eergisteren heeft nog een zeer bloedige botsing tusschen stakende

arbeiders en de militaire macht plaats gehad, waarom wij gisteren den

geheelen dag zonder electrisch licht, trams en kranten gezeten

hebben, aangezien een groot deel der arbeiders uit protest staakte.

Er zijn, al merkt men er als vreemdeling weinig van, in den laatsten

tijd bijzonder veel stakingen geweest; zoo is er nu een zeer ernstige

der arbeiders in de militaire werkplaatsen. Voor een land, dat naar

zooveel zijden moet vechten, is dat natuurlijk een zeer lastige

geschiedenis. Men is hier volstrekt nog niet gerust, te meer, daar

men zich met eenige angst afvraagt, wat er in de oostelijke duitsche

provincies gebeuren zal.

Naar mijn meening is de stemming dan ook wel eenigszins omgeslagen en

neemt men tegenover den militairen toestand een minder optimistisch

standpunt in dan een paar weken geleden.

Men moet niet vergeten, dat de poolsche oostgrens nog volstrekt niet

is vastgesteld, en dat b.v. het oekrainsche vraagstuk nog niet eens

besproken, laat staan opgelost is.

Is het al moeilijk dergelijke kwesties in normale tijden op te

lossen, hoeveel te meer in deze omstandigheden na vijf jaar oorlog,

en bij de geweldige ellende. Want er wordt hier in Polen nog honger

geleden, heel erg zelfs.

Vanmorgen zag ik in een van de buitenwijken een paar vrouwen bezig

uit een mesthoop de nog eenigszins eetbare restjes te zoeken, en de

ontzettende lange rijen voor de broodwinkels spreken eveneens een

duidelijke taal. Of die echter voldoende begrepen wordt? Zeker, er is

hier van alles te krijgen, veel meer dan te Berlijn, maar vraag dan

ook niet wat voor prijzen daarvoor moeten betaald worden.

6 Juli

Schreef ik gisteravond nog, dat ik hoop had, Maandag of Dinsdag

uitsluitsel te krijgen of mijn tolk mee mocht naar Rusland,

vanochtend werd ik onaangenaam verrast door het bericht van

buitenlandsche zaken, dat de generale staf in geen geval den

doortocht kon toestaan.

De generale staf gaf als voornaamste reden op, dat nooit iemand door

het front gelaten wordt. Dat nu is een officieele leugen; dagelijks

staan hier de couranten vol met verhalen van personen die van of naar

Moskou gaan. Er is zelfs een soort koeriersdienst; voor 25 mark kan

men een brief naar Rusland gebracht krijgen. Elken dag kan men

advertenties vinden als deze: "Ik vertrek van de week naar Rusland en

neem brieven mee."

Men kan mij niet wijs maken, dat dit allemaal zou gebeuren, zonder

dat de generale staf het ook weet. Die leest toch ook couranten.

Het is niet de schuld van het ministerie van buitenlandsche zaken;

daar is men welwillend genoeg geweest, maar uitsluitend van den

generalen staf.

Ja, zeide de minister tot mij, wij civiele autoriteiten kunnen niet

tegen het militaire element op.

Thans ben ik wel gedwongen alleen te gaan. Het wachten is nu voorbij,

en ik moet thans zorgen zoo spoedig mogelijk over de grens te komen,

in de hoop dat ik in het land der bolsjewiki zal worden toegelaten.

Mijn stemming tegenover de poolsche autoriteiten is op 't oogenblik

niet van de beste, en ik moet hier dan ook openlijk protesteeren

tegen de meer dan russische wijze waarop men hier vreemdelingen

behandelt.

Een hier aanwezig Hollander, die het visum van den poolschen

vertegenwoordiger in den Haag, den heer Wlodek, voor heen- en

terugreis bezit, kwam mij gisteren ook al woedend mededeelen, dat de

politie hem gezegd had, zich van dit visum niets aan te trekken; hij

moest maar zoo lang wachten als de politie goed vond.

De wijze waarop ik hier tegengewerkt ben, is ook typeerend en dat

alleen omdat mijn tolk een Jood is.

Nu ben ik bang, dat men hem tijdens mijn afwezigheid het leven zeer

lastig zal maken en daarom zal ik probeeren hem naar Weenen te

krijgen.

Heden lunchte ik met een amerikaansch journalist, die mijn oordeel

over de bureaucratie ten volle deelde, en nu ben ik besloten morgen

mijn nood eens te gaan klagen bij den amerikaanschen gezant, en hem

te verzoeken zoo noodig een wakend oog over mijn tolk te houden,

opdat men hem het leven niet lastig make.

*

* *

POOLSCH ALLERLEI

Warschau, 8 Juli

Als dagbladcorrespondent is men nu eenmaal verplicht brieven aan zijn

courant te sturen, en maak je dan ook elken dag behoorlijk je

aanteekeningen om dan een paar maal in de week eenige brieven te

schrijven. Dan zijn ze klaar, en begint telkenmale opnieuw de

moeilijkheid hoe krijg ik ze weg. Steeds ben ik er op uit een middel

te verzinnen, om ze zoo spoedig mogelijk weg te krijgen, en het

ellendige is en blijft dat je nooit weet, hoe lang ze onderweg zijn

en of ze hun bestemming wel bereiken. Van uit Polen is het wel

bijzonder moeilijk op het oogenblik, en ik ben thans dan ook nog

altijd in de onwetendheid, of de redactie er wel een heeft ontvangen.

Temeer klemt dit voor mij, nu ik op weg ben naar Rusland, van waaruit

het nog veel moeilijker, zoo niet geheel ondoenlijk, zal zijn om ook

maar iets weg te krijgen. Telegrafeeren helpt al niet veel, want op

een telegram naar Weenen, dat ik voor vijf dagen wegzond, en waarin

ik dringend om antwoord verzocht, heb ik nog steeds niets gehoord.

Een telegram uit Nederland afgezonden 27 Juni, bereikte mij eerst den

7en Juli, dat was dus ongeveer een halve week onderweg. Intusschen

zet ik mijn strijd met de poolsche bureaucratie voort en ik heb mij

thans maar voorgenomen vandaag niet over de Polen te schrijven, ten

einde mijn bittere stemming tegen de poolsche regeering niet op het

heele volk te koelen.

Een ding is al beslist, mijn tolk en zijn vrouw mogen niet mee naar

Rusland, en ik ben thans bezig te zorgen, dat zij ongehinderd naar

Weenen kunnen reizen. Mijn tolk is nl. in Polen geboren, maar heeft

de oostenrijksche nationaliteit aangenomen; dat nemen ze hem hier

geweldig kwalijk en dan voornamelijk het feit, dat hij een Jood is.

Nu bestaat er hier bij het geheele volk een geweldige haat tegen de

Joden. Ik heb het er in bijna al mijn brieven over gehad, doch gij

moet mij dat maar vergeven, want het joodsche vraagstuk is zoo

ingrijpend in het heele poolsche leven, dat men er dagelijks mee in

aanraking komt. De haat tegen de Joden is begrijpelijk; het volk ziet

in hen woekeraars, de regeerende klasse bolsjewisten; aan den anderen

kant moet men ook weer niet vergeten, dat de Joden het hier wel heel

moeilijk hebben, en dat er al heel weinig gedaan is om hen uit hun

ellendige toestanden naar voren te halen. Ik heb er in elk geval veel

last van gehad, en omdat ik het met de autoriteiten niet eens kon

worden, die mij van het kastje naar den muur stuurden, heb ik mij

vandaag tot onzen consul en tot den amerikaanschen gezant gewend met

een officieel protest.

Het volgende deed bij mij de deur dicht: gistermiddag beloofde mij de

secretaris van den minister van buitenlandsche zaken dat mijn tolk en

zijn vrouw hun pas om elf uur aan het ministerie kunnen afhalen.

Goed, wij er hedenmorgen heen, precies om 11 uur. O, zegt men, als u

gaat naar het politiebureau, daar liggen ze klaar. Op het

politiebureau: een brutale meneer, die zegt met de zaak niets te

maken te hebben. Maar mijnheer, zeg ik, het ministerie van

buitenlandsche zaken stuurt mij naar u toe. Geen antwoord. Ik herhaal

mijn opmerking; geen resultaat, daarop sla ik met de vuist op tafel

en begin te eischen.

De politiemijnheer wordt onmiddellijk klein en verzekert mij, dat de

passen bij de gendarmerie liggen. Daarop dus naar de gendarmerie,

waar men ons mededeelt: de passen zijn klaar, u kunt ze direct

krijgen, als u even wilt wachten. Wij wachten, 5 minuten, 10 minuten,

een half uur, een uur, anderhalf uur. Toen werd het mij weer te kras.

Ik vroeg nog eens, eerst weer heel beleefd: mijnheer, ik zit hier nu

anderhalf uur op de pas voor mijn dolmetscher te wachten, het

ministerie heeft mij beloofd, dat ik hem om 12 uur zou krijgen, het

is nu half drie en nog heb ik hem niet. De mijnheer, met een broodje

in zijn mond, keek dom en haalde de schouders op. Daarop begon ik op

een anderen toon, en wat antwoordde hij toen, zijn broodje uit den

mond nemend "ik geef niet om het ministerie en als je je niet kalm

houdt, laat ik je arresteeren!" Dat liet ik mij niet zeggen en ik

begon toen eerst recht; het heele gendarmerie-bureau stond op

stelten. Wat, mij arresteeren, probeer dat eens, enz. enz. Alle chefs

kwamen toeloopen, maar ik ken mijn Pappenheimers hier en heb goede

longen en ik ging dus rustig door met opspelen tot ze allemaal heel

klein waren geworden en heel beleefd excuses begonnen te stamelen.

"Ze maakten wèl hun excuses, maar ze wisten niet wie ik was (n.b. een

leugen, ik ben er al tien keer geweest) en ze zouden hun best doen"

enz. enz.

Mijn pas heb ik echter nog altijd niet.

Nu wordt de correspondentie met buitenlandsche zaken weer geopend,

heel ijverig copieer ik weer de brieven van Clemenceau aan Von

Haniel, maar ondertusschen is de amerikaansche gezant ook van het

geval op de hoogte. Deze ontving mij werkelijk buitengewoon

vriendelijk en beaamde mijn klachten. Ook hij oordeelde lang niet

malsch over de poolsche bureaucratie. Toen ik vertelde, dat ik met

opspelen nog het meest bereikt had, begon de gezant te lachen en

zeide: ja, dat is de wijze, waarop je met deze poolsche Russen dient

om te springen. Trouwens, al de Amerikanen, die ik hier sprak, zijn

het volkomen met mij eens en toonen zich dan ook volstrekt niet

tevreden met den gang van zaken. Er schijnt dan ook sprake van te

zijn, dat de groote mogendheden het bewind voorloopig in handen

zullen nemen, om wat orde op de zaken te stellen. Laat ik er echter

direct bijvoegen, dat het departement van buitenlandsche zaken, al

werkt het niet bijzonder vlug, de vriendelijkheid zelve is geweest;

het is echter volkomen machteloos tegenover den generalen staf, de

politie en de gendarmerie.

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 4 / 11 段