altijd van groot belang, met drie verschillende volken te doen, n.l.
de Litauers, de Wit-Roetenen en de Polen, waarvan alleen de laatsten,
niet alleen door hun overwegend aantal maar ook door hun kultuur, in
aanmerking komen tot het vormen van een zelfstandigen staat.
Bij de Litauers en Wit-Roetenen is het nationale bewustzijn eerst in
de laatste jaren wat wakker geworden, door den druk der russische
regeering.
In het verleden heeft Litauen wel is waar een groote rol gespeeld,
maar die tijden zijn voorbij.
In de middeleeuwen bestond het russische rijk uit drie groote
slavische volksgroepen -- de groot-Russen, die in het centrum woonden
-- de klein-Russen, die in de Oekraine thuis hoorden en nog hooren en
de Wit-Roetenen in het Westen.
De litausche vorsten slaagden er in om de Wit-Roetenen aan hun gezag
te onderwerpen en zoo een tijd lang een groot rijk te vormen, dat
zich echter niet lang staande hield; de Wit-Roetenen kwamen onder
russische overheersching. Litauen werd in 't eerst door een
gemeenschappelijken koning met Polen verbonden, en ongeveer 1500 werd
het geheel een met Polen.
Van 1500 af tot de derde deeling van Polen in 1795 was Litauen
poolsch en men kan dus gerust zeggen, dat, daar het litausch
eigenlijk niet veel meer dan een boerendialect is, een unie met Polen
de meest voor de hand liggende oplossing zou zijn, te meer, daar de
cultuur geheel en al poolsch is.
Er is weliswaar in Litauen een strooming, die voor de
onafhankelijkheid is, maar m.i. zal die op den duur toch niet
krachtig genoeg blijken.
De groote moeilijkheid bij de oplossing van het Oost-Europeesche
probleem ligt m.i. voor het grootste gedeelte hierin, dat de entente
elke oplossing, die Duitschland gelegenheid zou geven contact met
Rusland te krijgen, wil vermijden.
Men heeft, dit is duidelijk voelbaar, in Parijs dezelfde fouten
gemaakt, die men in 1815 op het Weener Congres en in 1878 op het
Berlijner Congres beging.
Daardoor is ook alle mogelijkheid op een vreedzame oplossing in de
toekomst uitgesloten.
Men treft hier dan ook niemand aan, die aan den volkerenbond gelooft,
en de poolsche stafofficier die mij op de kaart de poolsche eischen
aanwees, ging daarbij ook van de onderstelling uit dat Polen naar
twee zijden in de toekomst front zal moeten maken, n.l. tegen Rusland
en Duitschland.
Uit strategische overwegingen willen de Polen dan ook het land der
Wit-Roetenen, d.i. dus het oostelijk deel van Rusland, bij hun land
inlijven opdat o.a. Wilna niet te dicht bij de russische grens
gelegen zal zijn.
Geheel ongelijk kan men hun daarbij niet geven en de vredesvrienden
die op ontwapening rekenden, zullen dan ook zeer onthutst zijn, als
zij de legerplannen der poolsche regeering vernemen.
Over het algemeen kan men dan ook zeggen dat met de tegenwoordige
constellatie in Oost-Europa de wereldvrede verder verwijderd is dan
ooit.
Over het conflict der Oekrainers en Polen ben ik nog niet voldoende
georiënteerd; ik hoop u daarover een volgende maal te kunnen
schrijven, evenals over de binnenlandsche politiek.
Een bijzonder gedeelte daarvan is wel het joodsche vraagstuk.
De geschiedenis geeft ook al weer antwoord op de vraag, hoe komen
hier in 't Oosten toch zooveel Joden? In Wilna zijn er zoowat 100.000
op de 200.000 inwoners. Ze zijn in de middeleeuwen niet uit Rusland,
zooals ik altijd gedacht had, hierheen getrokken, maar van uit
Duitschland, waar men ze met geweld gedwongen heeft naar het oosten
te trekken.
Door alle eeuwen heen hebben ze hun eigen karakter zeer sterk bewaard
en zelfs een eigen taal behouden, een mengsel van duitsch en
hebreeuwsch, dat met hebreeuwsche letters geschreven wordt.
Door de russische wetten, die hen verboden zich met akkerbouw in te
laten, werden ze wel gedwongen zich alleen tot den handel te beperken
en vormden zij daardoor een intermediair tusschen de
groot-grondbezitters en de landbouwers.
Ze hebben echter de eigenschap met de meerderheid mee te gaan, en zoo
daar een haat tegen de groot-grondbezitters of tegen de
overheerschende Russen ontstond, leden zij mede daaronder en waren
per slot van rekening bij geen der partijen gezien, hetgeen hen nog
meer in hun isolement dreef.
Toch worden de Joden in Polen niet direct gehaat, en komen de
moeilijkheden m.i. op het oogenblik daaruit voort, dat zij niet
meegaan met het laaiende nationaliteitsgevoel der Polen en zich als
natie met hun eigen taal en rechten in Polen erkend wenschen te zien,
en daar willen de Polen niets van weten.
Daarbij komt nog iets: de Polen bekijken het bolsjewisme minder van
den sociaal-economischen kant, dan wel als een zuiver
nationaal-russische beweging en wel speciaal als een semitisch
aziatische. Waardoor zij in elken Jood eigenlijk min of meer een
bolsjewist zien.
De Polen, die ik ontmoette, weerlegden met nadruk dat er pogroms
plaats gehad zouden hebben. Ik kan er niet over oordeelen, omdat ik
er niets van gezien heb. Wel heb ik bij de Amerikanen een eenigszins
anti-poolsche stemming ontdekt, die haar oorzaak vindt in deze
beweerde pogroms.
Nu zeggen de Polen weer, dat dit uitvindsels zijn van een
joodsch-amerikaansch comité, dat in de Amerikaansche pers een
campagne tegen de Polen voert.
Ook heb ik al gehoord, dat men de Duitschers van deze agitatie
beschuldigt, zooals trouwens de entente Duitschland beschuldigt de
voedster van het bolsjewisme te zijn.
Een Engelschman zeide mij nog voor eenige dagen: bolsjewism does not
exist, it is nothing but something made in Germany.
Trouwens, het heele doen der entente is mij een raadsel. Men spreekt
ervan Koltsjak te erkennen, en wat zeggen de Polen openlijk?:
Koltsjak, c'est du blague.
Verder nemen de Polen het bolsjewisme echter in 't geheel niet au
serieux, hetgeen hun m.i. nog wel eens een bittere ontgoocheling zou
kunnen bezorgen.
Wel nemen zij zeer sterke anti-bolsjewistische maatregelen, maar of
dat alles helpt?
*
* *
DOOR POLEN
Warschau, 23 Juni
Mijn voorlaatsten brief zond ik uit Wilna op dezelfde wijze als ik in
Polen gekomen ben, n.l. met den panje (boer) die mij er door de
linies bracht.
Ik heb natuurlijk geen flauw idee of deze brief wel ooit Nederland
zal bereiken, en daarom vertel ik u nog even, dat ik van uit Kovno,
gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk met een wagen, behouden in Wilna,
en daarmede in Polen, aankwam, met het doel van uit Wilna door het
poolsche front naar Minsk te gaan, van waaruit een directe
treinverbinding met Moskou bestaat. Het lot besliste echter anders en
zoo schrijf ik u nu van uit Warschau, de hoofdstad van het nieuwe
poolsche rijk, waar ik gisteravond na een avontuurlijke reis door het
noordoostelijke deel van Polen aankwam. De poolsche militaire
autoriteiten wilden mij n.l. wel alleen doorlaten, maar niet met mijn
dolmetscher, en aangezien ik geen woord russisch versta besloot ik
eerst naar Warschau te trekken om daar voor mijn reisgezelschap de
permissie, om met mij Rusland binnen te trekken, te gaan halen.
Aangezien ik toch het plan had hierheen te komen, zij het ook op de
terugreis, hindert het mij niet erg, en op een zoo lange reis komt
het per slot van rekening op een paar dagen meer of minder niet aan.
Ik heb bovendien van hieruit nog weer eens gelegenheid een paar
brieven naar patria te sturen, en ook dit is op zichzelf al weer heel
wat waard. Zij zullen echter een heelen omweg moeten maken, aangezien
ik zal trachten ze per koerier naar onzen gezant in Weenen te sturen,
met het verzoek, ze wel verder te willen doen transporteeren. De weg
Warschau--Krakau--Weenen is n.l. op het oogenblik de eenige
verbinding die Polen met de buitenwereld heeft, aangezien het
feitelijk aan alle kanten meer of minder oorlog heeft.
In mijn vorigen brief deelde ik u reeds mede, dat Wilna geen
bijzonder mooie stad is, en bij nadere beschouwing viel het nog eer
tegen dan mee. Wel is het een typische stad, met zijn vele kerken en
synagogen, want ook hier wonen naast de zeer katholieke bevolking een
groot aantal joden. De commandant van Wilna, een gewezen
oostenrijksch officier, ontving mij heel vriendelijk, maar deelde mij
direct mede, dat hij mij geen permissie kon geven om door het front
te trekken, aangezien alleen de commandant van het heele oostelijke
front in Lida mij die kon geven. Deze commandant bleek de voormalige
oostenrijksche militaire-attaché in Rome, graaf Sceptyzhi, te zijn
dien ik daar in 1913 toevallig ontmoet had; dat kon dus al niet
mooier; en zoo besloot ik naar Lida te vertrekken. Daartoe had ik
echter een groot aantal papieren noodig en het bleek een heele last,
die machtig te worden, te meer aangezien mijn dolmetscher een Jood is
en de Joden in Polen niet bepaald populair zijn. Op mijn gang door al
die bureaux deed ik de ontdekking, dat de Polen een leelijk ding van
de Russen hebben overgenomen, n.l. een geweldige bureaucratie, met de
daarbij behoorende orientalische achterdochtigheid. Gedeeltelijk
vindt men die beide in het leger terug, maar ook slechts
gedeeltelijk, n.l. voor zoover het uit Russen, d.w.z. Polen die
vroeger in Rusland gediend hebben, is samengesteld. Rusland, onder
den Tsaar, werd geheel centraal geregeerd; geen enkel ambtenaar in de
provincies was in staat zelfstandig een beslissing te nemen, altijd
moest te St. Petersburg om advies gevraagd worden. Dat had natuurlijk
het gevolg, dat alle ambtenaren niet meer dan werktuigen werden, met
geen greintje zelfstandigheid. Precies zoo is het op 't oogenblik in
Polen.
In het leger treft men, naast de vroeger in russischen dienst gediend
hebbende officieren, veel Oostenrijkers, voornamelijk onder de
stafofficieren en generaals, en zelfs een vrij groot aantal gewezen
duitsche reserveofficieren uit Posen aan. Het is dus wel een
merkwaardig amalgama, met voor 't oog dit resultaat, dat er geweldig
stram gediend wordt; een stramheid, die men vroeger zelfs tevergeefs
in Berlijn of Weenen gezocht zou hebben. Het merkwaardigste vond ik
wel, dat de officieren der fransche missie deze stramheid overgenomen
hebben en men kan hier fransche luitenants de hakken tegen elkaar
hooren slaan op een wijze waarop ieder Pruis trotsch zou zijn. Ook de
soldaten maken een vrij goeden indruk. Alleen zijn zij over het
algemeen zeer jong. Ik zag n.l. vrij veel jongens van misschien 14 of
15 jaar als soldaat rondloopen. Ofschoon het bolsjewistische Rusland
hier zoo dichtbij is, beweren de officieren dat het op hun soldaten
totaal geen vat zal hebben. Hetgeen ik zoo vrij ben te betwijfelen,
en ik vraag mijzelf af, of niet het nemen van zulke jonge soldaten
een maatregel is, om alleen nog niet besmette elementen in het leger
op te nemen.
Tegen bolsjewistische propaganda worden verder drastische maatregelen
genomen, en in Wilna was dan ook op iedere twintig inwoners er een in
't gevang gestopt, en daarmede stemt het nieuwe Polen met het oude
Rusland wonderwel overeen: je komt er heel makkelijk in 't gevang,
maar uiterst moeilijk weer uit. Ook mijn dolmetscher werd al spoedig
in het hok gezet, maar ik slaagde er in hem weer op vrije voeten te
krijgen, en zelfs lukte het mij hem mee te krijgen naar het
hoofdkwartier in Lida. Ik kreeg z.g.n. om mij de reis te
vergemakkelijken een gendarm mee; inderdaad bleek zulks echter gedaan
om ons beter in de gaten te houden. Ik vond het echter heel
makkelijk, want nu had ik den heelen tijd een kruier bij mij,
aangezien ik mijn braven bewaker met mijn koffers liet sjouwen,
hetgeen hij voor een handvol sigaretten met genoegen deed. 's Middags
om vier uur zou de trein naar het zuiden vertrekken, maar om zeven
uur eerst vertrokken we, aangezien de locomotief defect was geraakt.
De Hollanders hebben in ons brave vaderland geen idee, hoe de oorlog
eigenlijk in Europa heeft huis gehouden hier in 't Oosten, waar de
beschaving er toch altijd maar als een vernis op gelegen heeft, merkt
men het echter geweldig. Niet alleen aan de hotels, die vuil en
verwaarloosd zijn, met kapotte tapijten, vervallen muren en trappen,
met van ongedierte wemelende bedden, ook niet alleen op de straat,
aan de huizen met opschriften, waarvan de helft der letters
weggevallen is, het in jaren niet onderhouden plaveisel, de in lompen
gehulde bedelaars, meest verminkte soldaten, maar het ergste bespeurt
men het op de stations en in de treinen. Geen enkele locomotief, die
meer heel is, 1ste en 2de klasse wagens ziet men niet meer, alleen
vervuilde 3de en 4de klasse wagens, gedeeltelijk zonder ruitjes; de
wachtkamers, met allerlei opschriften, nog uit den oorlogstijd
dateerend, onbeschrijfelijk vuil, alleen hier en daar een enkel
meubel, een buffet, dat nog aan vroegere betere dagen herinnert. De
reis van Wilna naar Lida, die vroeger niet meer dan twee uur geduurd
zal hebben, duurde thans ruim zeven uur, nadat de locomotief, die met
hout gestookt werd, onderweg nog een paar maal defect was geraakt.
Het was dan ook twee uur in den nacht toen wij in het poolsche
hoofdkwartier, niet veel meer dan een groot dorp, bestaande uit
houten huizen te midden van tuinen gelegen, behouden aankwamen, en
het werd drie uur alvorens wij een onderdak kregen.
Het was dan ook je onderdak wel; ik moest me tevreden stellen met een
matras op den vloer van een gelagkamer van een joodsch herbergje,
waar ze n.b. 20 mark voor vroegen.
Nu wat betreft het aantal wansen en luizen, dat er in die kleine
ruimte opgehoopt bleek, om van de vlooien nog maar niet eens te
spreken, was het logies, als het per ongedierte berekend werd, zijn
geld ten volle waard. Ik ben dan ook maar niet gaan slapen, en
bestudeerde de rest van den nacht een meegebrachte russische
geschiedenis. Den volgenden morgen zou ik echter met het meest
verstokte bureaucratisme kennis maken. De officier voor wien we
gevoerd werden verstond n.l. alleen russisch en poolsch, en op mijn
verzoek om bij den chef van den staf toegelaten te worden, kon hij
niet beslissen, aangezien hij daartoe permissie aan zijn chef moest
vragen, en deze chef was natuurlijk afwezig. Toen ik zoo drie uur
gewacht had gaf ik er den brui van, en stapte regelrecht naar het
bureau van den chef van den staf, waar het mij lukte binnen te
dringen. De chef van den staf, een gewezen oostenrijksch officier,
was, toen hij mijn verhaal aangehoord had, dadelijk zoo buitengewoon
vriendelijk, dat het mij moeite kostte, om mijn protest op den toon
voor te dragen zooals ik mij dat had voorgenomen, maar het besef van
hetgeen ik aan de waardigheid van de N.R.C. verschuldigd ben, deed
mij toch den juisten toon vinden om de heeren onder het oog te
brengen dat ik mij een dergelijke behandeling als tot nu toe, niet
liet welgevallen. Op slag veranderde dan ook alles. Ik werd direct
bij den generaal geroepen, die zich mijner ook dadelijk herinnerde.
Ik kreeg direct een uitnoodiging om in het officierscasino te komen
etc. Er werd een speciaal kwartier voor mij aangewezen en zoo was ik
op eens weer het heertje. Helaas bleek ook de generaal onmachtig om
mijn dolmetscher vergunning te geven de linies te passeeren, en
schoot er niets anders over of alleen naar Rusland te gaan of eerst
naar Warschau en daar de papieren in orde te laten brengen; ik
besloot tot het laatste. Een der adjudanten van den generaal, die
uitstekend engelsch sprak, was zoo vriendelijk mij 's avonds in zijn
kamer op de thee te noodigen en wij bespraken natuurlijk den
politieken toestand van het oogenblik. Voor mij was het daarom zoo
interessant omdat ik voor eenige dagen in het duitsche hoofdkwartier
in Kovno met de duitsche officieren een dergelijk gesprek gehad had.
Zooals in Kovno overal kaarten hangen met de opstelling der poolsche
troepen, hingen ze hier natuurlijk met die der Duitschers en ik kon
dus een vergelijking maken. Ik kon niet onder stoelen of banken
steken, dat ik voor de wederzijdsche spionnage een bijzonder respect
had, want de gegevens der beide partijen klopten buitengewoon goed.
Het was toch wel vermakelijk zoo kort na elkaar de beide vijandelijke
hoofdkwartieren te bezoeken. Had ik echter bij de Duitschers den
indruk gekregen dat zij de bolsjewistische troepen zeer au serieux
namen, bij de Polen vond ik het tegendeel. De wijze waarop de
poolsche officier zich echter over zijn eigen leger uitliet, gaf mij
wel den indruk, dat hij de krachten van zijn herboren vaderland
eenigszins overschatte.
Men moet niet vergeten dat Polen, behalve een front tegen de
bolsjewisten, ook nog met de Oekrainers en de Duitschers te doen
heeft. Ik herhaalde hier in 't poolsche hoofdkwartier hetgeen ik
reeds aan de N.R.Ct. telegrafeerde, n.l. dat het mijn overtuiging is,
dat de Pruisen zich niet, zonder meer, bij het vredesverdrag zullen
neerleggen. Goed, zeide de poolsche officier, maar dan komt de
entente. Waarop ik weer zei ja, en dan komen de bolsjewisten. Het
interesseert mij dus wel zeer wat de komende dagen zullen brengen, en
daarom ben ik toch maar blij naar Warschau te zijn gegaan; daar hoor
ik tenminste weer iets van hetgeen in de wereld voorvalt, en krijg ik
weer eens een behoorlijk bed om te slapen.
*
* *
WARSCHAU
I
Warschau, 28 Juni
Warschau doet sterk aan Boedapest en Weenen denken. Zei men niet van
Oostenrijk's hoofdstad, dat daar de Orient aanving? Zoo is het ook
hier. De Polen spreken ook, als voelden zij het zelf, van het Westen
als van Europa. Toch willen ze het niet weten, dat Polen eigenlijk op
de scheiding leeft, willen een west-europeeschen staat, en nog wel
een groote mogendheid worden. Een Pool, getrouwd met een hollandsche,
die vrij goed hollandsch spreekt, protesteerde met vuur tegen mijn
bewering, dat Polen een russisch karakter zou hebben, maar hij moest
toch toegeven dat het bureaucratisch gevaar echt russisch is, en toen
ik hem vertelde, hoe ik dezer dagen een energiek hollandsch koopman
ontmoette, die hier een milioenenzaak kwam afsluiten met het
gouvernement, en toen den raad kreeg, een der hooge ambtenaren
eenvoudig een douceur te geven, zij het ook in den vorm van
procenten, moest hij mij wel gelijk geven. Toch moet men eerbied
hebben voor het taaie nationale karakter der Polen, die
niettegenstaande 150 jaren vreemde overheersching er in geslaagd zijn
hun nationaliteit zoo ongerept te bewaren. Geen beter bewijs dan
Warschau, waar met de Russen ook tegelijkertijd alle teekenen hunner
overheersching verdwenen zijn. Het is een zuiver poolsche stad, waar
niets u herinnert aan de eeuwenlange vreemde overheersching. Alles is
er poolsch, de opschriften op de huizen, in de winkels, de
monumenten, de straatnamen, enz. enz. Het is voor mij, die geen
poolsch spreekt, onmogelijk naar een theater te gaan, want nergens
wordt ook zelfs maar een internationaal programma opgevoerd. Dat
sterke nationalisme is mede een van de voornaamste redenen, dat de
Joden hier zoo verbazend onpopulair zijn, al wordt mij van alle
kanten hartstochtelijk verzekerd, dat er geen pogroms plaats gehad
hebben. De Joden zijn n.l. lang niet genoeg patriottisch en willen in
Polen veel te veel een staat in den staat vormen, met eigen taal, het
jiddisch, en eigen zeden en rechtspraak. Van verschillende zijden heb
ik vernomen hoe in de laatste dagen de fransche officieren der
troepen van Haller, evenals in de tijden van Peter den Groote, den
Joden hun baarden met geweld afknippen. Er verscheen dan ook een
proclamatie in het fransch en het engelsch, voor die soldaten der
troepen van Haller die geen poolsch verstaan, waarin de regeering hun
verzocht de Joden ongemoeid te laten. Er schijnt dus wel iets van aan
te zijn.
Het leven is hier, ten minste voor de betere klassen, heel anders dan
in het Westen; men dineert hier tusschen 2 en 4 's middags, om eerst
laat te soupeeren, terwijl de café's en lekkernijen-winkels den
geheelen dag druk bezocht zijn. In deze millioenenstad merkt men heel
weinig, dat het land feitelijk aan drie zijden in oorlog is, en
ofschoon zij, die Warschau voor den oorlog gekend hebben, zeggen, dat
het sterk achteruit gegaan is, bespeurt men toch nog altijd een
grooten drang naar luxe. Ik dineerde gisteren in Hotel Bristol. Een
groote, mooie zaal, een strijkje, veel officieren, entente en Polen,
de laatste groot, slank, dikwijls blond, met knappe, sprekende
gelaatstrekken en heel, héél mooie vrouwen. Dat moet trouwens gezegd,
de Poolsche vrouwen zijn over het algemeen mooi; men ziet hier in
Polen meer schoonheden dan in menige andere europeesche groote stad.
De spijskaart is rijk voorzien, vergeleken met hetgeen ik tot dusver
meemaakte, en niet al te duur. Voor 50 mark eet men hier behoorlijk;
alleen de wijnen zijn niet te betalen. In tegenstelling met deze luxe
is echter de ellende der overige bevolking groot en wordt er ondanks
het ijverige werken van het American Relief Fund toch nog heel wat
honger geleden. De tegenstellingen zijn over het algemeen echter
groot, de betere Polen zijn meerendeels zeer talentvol: hoe menig
kunstenaar hebben zij niet op muzikaal, letterkundig en kunstgebied;
daartegenover is het volk dom en onontwikkeld, voornamelijk door
gebrek aan goed onderwijs. Vormen in West-Europa de Joden een groot
deel der intellectueele kringen, hier hooren zij grootendeels tot de
paupers.
Er is nog veel te doen, veel op te bouwen in dit herboren koninkrijk,
dat op het oogenblik in den eersten roes der vreugde over de pas
verkregen onafhankelijkheid en den vrede van Versailles leeft.
Kinderlijk, naïef blij zijn ze, en in hun blijde vreugde zien zij
niet de gevaren die hen van alle kanten op het oogenblik bedreigen,
vergeten onder meer dat de Duitschers in Oost-Pruisen volstrekt niet
gezind schijnen hun land voetstoots prijs te geven, en dat hun
militaire macht nog zeer gering is. Men rekent echter op de entente;
die zal alles wel in orde brengen.
Over het bolsjewisme halen ze hun schouders op terwijl de Oekrainers
hun troepen juist een gevoelige nederlaag bezorgd hebben. Van
Koltsjak moeten ze hier echter niets hebben en dat heeft zijn
gegronde redenen. Er zijn hier n.l. eenige honderden gevluchte
russische officieren, en toen eenige maanden geleden Koltsjak een
paar overwinningen behaalde, kwamen deze in een vergadering bij
elkaar en hielden redevoeringen, waarin onder meer gezegd werd:
wanneer eerst de Tsaar maar weer eens op den troon zit, zullen wij
Polen wel weer klein krijgen. Dat vonden de Polen, en m.i. terecht,
natuurlijk heelemaal niet prettig. Het lastige van het geval is, dat
ook in het vredesverdrag van Versailles over de poolsche oostgrens
heelemaal nog niet gesproken wordt; dat moet dus allemaal nog
geregeld worden. Zoo moet dus alles, naar binnen en naar buiten,
opgebouwd en geregeld worden. Het groote gevaar is en blijft de
bureaucratie, die werkelijk angstwekkend is. Ik heb er dezer dagen
meer dan genoeg van genoten en ben nog steeds bezig voor mijn tolk
een pas naar Rusland te krijgen en nog steeds is dit niet gelukt en
word ik van het eene bureau naar het andere gestuurd. Ik had echter
slechter uit kunnen zijn en heb nu de gelegenheid deze mooie en oude
stad op mijn gemak te bekijken.
Er zijn hier heel mooie oude en typische buurten, waarvan de
schilderachtigheid nog door het voorkomen der bevolking, voor een
deel Joden met lange baarden, gehuld in zwarte kaftans, verhoogd
wordt. Tijdens de russische overheersching was het niet mogelijk de
stad behoorlijk uit te breiden, omdat ze ingesloten was door een
omwalling met forten, en men was daardoor gedwongen in de hoogte te
bouwen; vandaar dat men er heel veel huizen aantreft met zeven en
meer verdiepingen. Maar ook in de oude stad vindt men wel veel hooge
oude huizen, en daartusschen in weer kleinere renaissance-gevels,
hetgeen dikwijls een heel schilderachtige groepeering geeft; en dan
is er de mooi breede Weichsel. Musea zijn er bijna geheel niet, al is
men thans bezig een nationaal museum in te richten. De Russen duldden
dergelijke inrichtingen, die te veel een nationaal poolsch karakter
gehad zouden hebben, niet.