Overstelpt door deze gedachten, las en peinsde hij gedurig, maar het
doel scheen zich meer en meer te verwijderen.
Overtuigd, dat het vruchteloos was in het materialisme een antwoord
op zijn twijfelingen te zoeken, herlas hij sedert den laatsten tijd
van zijn verblijf te Moskou en op het land Plato, Spinoza, Kant,
Schelling, Hegel en Schopenhauer; deze bevredigden zijn verstand
zoolang hij ze las of hun leerstellingen plaatste tegenover andere
leerbegrippen, vooral tegenover de theorieën der materialisten;
maar ongelukkig--zoodra hij, onafhankelijk van deze gidsen, de
toepassing zocht op eenig twijfelachtig punt, verviel hij in dezelfde
radeloosheid. De uitdrukkingen _geest, wil, vrijheid, zelfstandigheid_
hadden voor zijn verstand slechts een zekeren zin voor zoover hij den
kunstigen draad der gevolgtrekkingen dezer wijsgeeren volgde en zich
hield aan hun fijne onderscheidingen; maar als hij ze beschouwde
uit het oogpunt van het werkelijk leven, dan stortte de kunstige
opstapeling ineen, en hij zag nog slechts een verzameling van woorden,
die in geen verband stonden in met dat "zeker iets," dat in het leven
nog noodzakelijker is dan de rede.
Schopenhauer kon hem slechts korten tijd eenige kalmte geven. Toen
zocht hij de waarheid in een onfeilbare kerk, wat hem het
gemakkelijkste scheen, maar toen het hem opviel, dat de Grieksche en
de Katholieke kerk, die beiden beweerden onfeilbaar te zijn, elkander
veroordeelden, begreep hij, dat de kerkelijke theologie hem evenmin
voldoende grondslagen kon geven als de philosophie!
De geheele lente door was hij zich zelf niet en doorleefde hij
smartelijke uren.
"Ik kan niet leven zonder te weten wat ik ben en wat het doel is van
mijn bestaan," dacht Lewin.
"In de oneindigheid van den tijd, van de stof, van de ruimte vormt
zich een organische cel, blijft een oogenblik bestaan en barst.... Deze
cel ben ik!"
Dit treurige sophisme was liet eenige, het hoogste resultaat der
werkzaamheid van het menschelijk denken gedurende eeuwen; dat was
de slotsom van het geloof, waarop zich de nieuwste nasporingen van
den wetenschappelijken geest grondden; Lewin had zich er zonder te
weten waarom en eenvoudig omdat die theorie hem het helderst scheen,
onwillekeurig van doorgedrongen.
Maar deze slotsom scheen hem nu niets anders dan een sophisme; hij zag
er het vernielend werk in van een geest des kwaads; het was zijn plicht
zich er aan te onttrekken; de macht daartoe was in ieders bezit ... En
Lewin, voorspoedig, bemind, gelukkig, bovendien echtgenoot en vader,
dacht soms huiverend aan de mogelijkheid dat men in zijn geval er
toe komen kon het leven af te werpen.
Maar hij bleef leven en strijden.