Lewin had een broeder gehad, Nicolaas Dimitritsch, van wien hij
en zijn broeder Sergej langen tijd gescheiden waren geweest. Door
verregaand losbandig gedrag had hij zijn vermogen verspild, zijn
naam onteerd en zijn gezondheid verwoest. Er waren jaren verloopen,
dat men niets van hem had vernomen, tot eindelijk een brief uit een
kleine provincieplaats Lewin naar zijn sterfbed riep. Kitty wist,
dat deze broeder bestond, maar had hem nimmer gezien.
Zij wilde Lewin ter zijde staan, toen een treurige en wellicht
moeielijke taak hem werd opgelegd, en vergezelde hem naar den
doodzieken broeder. Deze, wrevelig tegen de geheele wereld en
niet geloovende aan zijn naderend einde, ontving hen in eene
gemoedsstemming, die beiden bitter bedroefde, terwijl zij met
pijnlijke smart die uitgeteerde gestalte beschouwden, op wier gelaat
reeds de dood zijn teeken had geschreven. Kitty betoonde zich eene
uitstekende verpleegster. Bij haar vrouwelijke zachtheid ontwikkelde
zij zulk een geestkracht en moed als men van haar niet zou verwacht
hebben. Het diep mededoogen, het geduld en de zelfopofferende liefde
van dit schoon en beminnelijk wezentje oefenden een wonderbaar
verzachtenden invloed op den ongelukkige uit. Diep ellendig, als hij
in den laatsten tijd geweest was, had hij op zijn ziekbed de geheele
wereld gevloekt. Ongeloovige en materialist, als hij zich steeds
had voorgedaan, had hij steeds en ook toen hij reeds hopeloos ziek
daarneder lag den spot gedreven met al wat op iets hoogers betrekking
had. Zijn ingenomenheid met en eerbied voor deze schoonzuster, die hem
voorkwam als een wezen uit andere en hoogere sfeer, opende zijn ziel
voor het geloof aan onbaatzuchtige liefde, aan een oneindig wezen,
dat de oorzaak is van al wat bestaat en een wezen vol liefde moet
zijn. Toen het hem zekerheid was geworden, dat hij sterven ging,
greep hij naar troost, bad hij om vergeving. De cynische zekerheid,
die in ruw zingenot bevrediging had gezocht, had hem in die uren
geheel begeven en plaats gemaakt voor vernedering, zelfverwijt,
diep schuldgevoel. Hij trachtte te bidden en hoorde gretig naar de
troostende woorden van Gods barmhartigheid, die een oude eerwaardige
pope zijner kerk tot hem richtte.
Sedert het sterven van zijn broeder, dat op Lewin een diepen indruk
had gemaakt, onderwierp hij het probleem van het leven aan een nieuwe
beschouwing en plaatste het in een ander licht. De overtuiging,
die van twintig tot vier en dertig jaar het geloof zijner kindsheid
had vervangen, wankelde op haar grondslagen. Het leven scheen hem
nog ontzaglijker toe dan de dood. Van waar kwam het? Wat beteekende
het? Waartoe was het ons gegeven? Het organisme, zijn verwoesting,
de onvergankelijkheid der stof, de wetten van het behoud en de
ontwikkeling der krachten, deze woorden en de wetenschappelijke
theorieën, die zich er aan verbonden, waren ongetwijfeld interessant
ten opzichte van het intellectueele leven, maar waren ze voldoende
in den loop van 's menschen bestaan?
Lewin was gelijk aan iemand, die door de barre koude gaande en zijn
warme pels voor een mousselinen kleedij verwisseld hebbende, alsdan,
niet door redeneering begrijpt, maar in zijn geheele lichaam voelt,
dat hij naakt, beroofd en bestemd is om ellendig om te komen.
Van toen af gevoelde Lewin, zonder iets in zijn uitwendig leven
te veranderen, zich steeds ontrust over zijn onwetendheid, daar
hij gedrongen was met droefheid te erkennen, dat datgene, wat hij
zijn _overtuigingen_ noemde, wel verre van hem licht te geven, die
dingen voor hem ontoegankelijk maakte, waaraan hij zulk een dringende
behoefte gevoelde.
De dagelijksche beslommering en afleiding verdrongen wel deze
gedachten, maar na de bevalling van zijn vrouw, toen hij te Moskou
zonder bepaalde bezigheid leefde, keerden zij gedurig met klimmende
hardnekkigheid terug.
Hij stelde zich de vraag aldus: "Indien ik de verklaringen van het
Christendom omtrent het probleem van mijn bestaan niet aanneem, waar
zal ik dan andere vinden?" En hij doorvorschte zijn wetenschappelijk
systeem even vruchteloos, als hij een speelgoedwinkel of een arsenaal
zou doorzocht hebben om er voedsel te vinden.
Onwillekeurig, onbewust, zocht hij in zijn lectuur, in zijn
conversatie, in de personen, die hem omringden, een of ander
aanrakingspunt met het onderwerp, dat hem geheel vervulde.
Eéne daadzaak verwonderde hem en hield hem meer bizonder bezig:
waarom schenen de lieden zijner wereld, die grootendeels, even als
hij, het geloof met de wetenschap hadden verwisseld, geen zedelijk
lijden te ondervinden en volmaakt voldaan en tevreden te leven? Zou de
wetenschap hen meer duidelijk en klaar antwoorden op deze verwarrende
vragen? En hij begon de menschen en boeken, die de zoo vurig verlangde
oplossing konden bevatten, te bestudeeren.
Hij ontdekte evenwel, dat hij in een grove dwaling was vervallen door
met zijn makkers van de universiteit aan te nemen, dat de godsdienst
iets zonder beteekenis is; zij, die hij het meest genegen was: de
oude vorst, Lwof, Sergej Iwanowitsch, Kitty, bewaarden het geloof
hunner jeugd, dat hij zelf had gedeeld; de vrouwen in het algemeen
en het geheele volk geloofden.
Verder zag hij in, dat de materialisten, wier gevoelens hij deelde,
aan deze geen bizondere beteekenis gaven en, verre van die vraagstukken
te verklaren, zonder welker oplossing het leven hem onmogelijk scheen,
schoven zij ze ter zijde om er in de plaats de definitie van andere
voor te geven, die hem zeer onverschillig lieten, als: de ontwikkeling
van het organisme, de mechanische verklaring der ziel e.z.v.
Sedert het gevaar, waarin zijn vrouw had verkeerd, had Lewin een
vreemde ontroering ontwaard; hij, de ongeloovige, had gebeden ... en
gebeden met een oprecht geloof; maar zoodra hij tot kalmte was
teruggekeerd, gevoelde hij, dat zijn leven onvatbaar was voor zulk
een gesteldheid der ziel. Op welk een oogenblik was hem de waarheid
verschenen? Kon hij toegeven, dat hij zich had bedrogen? Moest
hij zijn heimwee naar God omdat het, als hij het door koude
redeneering ontleedde, in het stof terugviel, als een bewijs van
zwakheid beschouwen? Of zou het zijn ontstaan door het besef eener
heilige waarheid, waarvan het gevoel in het menschelijk gemoed ligt
verborgen?.... Deze strijd in zijn binnenste drukte hem pijnlijk en
hij trachtte met al zijn krachten zich er van te bevrijden.