XXVIII.

Lewin had een broeder gehad, Nicolaas Dimitritsch, van wien hij

en zijn broeder Sergej langen tijd gescheiden waren geweest. Door

verregaand losbandig gedrag had hij zijn vermogen verspild, zijn

naam onteerd en zijn gezondheid verwoest. Er waren jaren verloopen,

dat men niets van hem had vernomen, tot eindelijk een brief uit een

kleine provincieplaats Lewin naar zijn sterfbed riep. Kitty wist,

dat deze broeder bestond, maar had hem nimmer gezien.

Zij wilde Lewin ter zijde staan, toen een treurige en wellicht

moeielijke taak hem werd opgelegd, en vergezelde hem naar den

doodzieken broeder. Deze, wrevelig tegen de geheele wereld en

niet geloovende aan zijn naderend einde, ontving hen in eene

gemoedsstemming, die beiden bitter bedroefde, terwijl zij met

pijnlijke smart die uitgeteerde gestalte beschouwden, op wier gelaat

reeds de dood zijn teeken had geschreven. Kitty betoonde zich eene

uitstekende verpleegster. Bij haar vrouwelijke zachtheid ontwikkelde

zij zulk een geestkracht en moed als men van haar niet zou verwacht

hebben. Het diep mededoogen, het geduld en de zelfopofferende liefde

van dit schoon en beminnelijk wezentje oefenden een wonderbaar

verzachtenden invloed op den ongelukkige uit. Diep ellendig, als hij

in den laatsten tijd geweest was, had hij op zijn ziekbed de geheele

wereld gevloekt. Ongeloovige en materialist, als hij zich steeds

had voorgedaan, had hij steeds en ook toen hij reeds hopeloos ziek

daarneder lag den spot gedreven met al wat op iets hoogers betrekking

had. Zijn ingenomenheid met en eerbied voor deze schoonzuster, die hem

voorkwam als een wezen uit andere en hoogere sfeer, opende zijn ziel

voor het geloof aan onbaatzuchtige liefde, aan een oneindig wezen,

dat de oorzaak is van al wat bestaat en een wezen vol liefde moet

zijn. Toen het hem zekerheid was geworden, dat hij sterven ging,

greep hij naar troost, bad hij om vergeving. De cynische zekerheid,

die in ruw zingenot bevrediging had gezocht, had hem in die uren

geheel begeven en plaats gemaakt voor vernedering, zelfverwijt,

diep schuldgevoel. Hij trachtte te bidden en hoorde gretig naar de

troostende woorden van Gods barmhartigheid, die een oude eerwaardige

pope zijner kerk tot hem richtte.

Sedert het sterven van zijn broeder, dat op Lewin een diepen indruk

had gemaakt, onderwierp hij het probleem van het leven aan een nieuwe

beschouwing en plaatste het in een ander licht. De overtuiging,

die van twintig tot vier en dertig jaar het geloof zijner kindsheid

had vervangen, wankelde op haar grondslagen. Het leven scheen hem

nog ontzaglijker toe dan de dood. Van waar kwam het? Wat beteekende

het? Waartoe was het ons gegeven? Het organisme, zijn verwoesting,

de onvergankelijkheid der stof, de wetten van het behoud en de

ontwikkeling der krachten, deze woorden en de wetenschappelijke

theorieën, die zich er aan verbonden, waren ongetwijfeld interessant

ten opzichte van het intellectueele leven, maar waren ze voldoende

in den loop van 's menschen bestaan?

Lewin was gelijk aan iemand, die door de barre koude gaande en zijn

warme pels voor een mousselinen kleedij verwisseld hebbende, alsdan,

niet door redeneering begrijpt, maar in zijn geheele lichaam voelt,

dat hij naakt, beroofd en bestemd is om ellendig om te komen.

Van toen af gevoelde Lewin, zonder iets in zijn uitwendig leven

te veranderen, zich steeds ontrust over zijn onwetendheid, daar

hij gedrongen was met droefheid te erkennen, dat datgene, wat hij

zijn _overtuigingen_ noemde, wel verre van hem licht te geven, die

dingen voor hem ontoegankelijk maakte, waaraan hij zulk een dringende

behoefte gevoelde.

De dagelijksche beslommering en afleiding verdrongen wel deze

gedachten, maar na de bevalling van zijn vrouw, toen hij te Moskou

zonder bepaalde bezigheid leefde, keerden zij gedurig met klimmende

hardnekkigheid terug.

Hij stelde zich de vraag aldus: "Indien ik de verklaringen van het

Christendom omtrent het probleem van mijn bestaan niet aanneem, waar

zal ik dan andere vinden?" En hij doorvorschte zijn wetenschappelijk

systeem even vruchteloos, als hij een speelgoedwinkel of een arsenaal

zou doorzocht hebben om er voedsel te vinden.

Onwillekeurig, onbewust, zocht hij in zijn lectuur, in zijn

conversatie, in de personen, die hem omringden, een of ander

aanrakingspunt met het onderwerp, dat hem geheel vervulde.

Eéne daadzaak verwonderde hem en hield hem meer bizonder bezig:

waarom schenen de lieden zijner wereld, die grootendeels, even als

hij, het geloof met de wetenschap hadden verwisseld, geen zedelijk

lijden te ondervinden en volmaakt voldaan en tevreden te leven? Zou de

wetenschap hen meer duidelijk en klaar antwoorden op deze verwarrende

vragen? En hij begon de menschen en boeken, die de zoo vurig verlangde

oplossing konden bevatten, te bestudeeren.

Hij ontdekte evenwel, dat hij in een grove dwaling was vervallen door

met zijn makkers van de universiteit aan te nemen, dat de godsdienst

iets zonder beteekenis is; zij, die hij het meest genegen was: de

oude vorst, Lwof, Sergej Iwanowitsch, Kitty, bewaarden het geloof

hunner jeugd, dat hij zelf had gedeeld; de vrouwen in het algemeen

en het geheele volk geloofden.

Verder zag hij in, dat de materialisten, wier gevoelens hij deelde,

aan deze geen bizondere beteekenis gaven en, verre van die vraagstukken

te verklaren, zonder welker oplossing het leven hem onmogelijk scheen,

schoven zij ze ter zijde om er in de plaats de definitie van andere

voor te geven, die hem zeer onverschillig lieten, als: de ontwikkeling

van het organisme, de mechanische verklaring der ziel e.z.v.

Sedert het gevaar, waarin zijn vrouw had verkeerd, had Lewin een

vreemde ontroering ontwaard; hij, de ongeloovige, had gebeden ... en

gebeden met een oprecht geloof; maar zoodra hij tot kalmte was

teruggekeerd, gevoelde hij, dat zijn leven onvatbaar was voor zulk

een gesteldheid der ziel. Op welk een oogenblik was hem de waarheid

verschenen? Kon hij toegeven, dat hij zich had bedrogen? Moest

hij zijn heimwee naar God omdat het, als hij het door koude

redeneering ontleedde, in het stof terugviel, als een bewijs van

zwakheid beschouwen? Of zou het zijn ontstaan door het besef eener

heilige waarheid, waarvan het gevoel in het menschelijk gemoed ligt

verborgen?.... Deze strijd in zijn binnenste drukte hem pijnlijk en

hij trachtte met al zijn krachten zich er van te bevrijden.

Anna Karenina(#13214) · 第 186 / 196 题