XXX.

Hoe meer Lewins geest geschokt was door de moeielijkheid om het

probleem van zijn bestaan te ontleden, des te meer gaf hij zich over

aan de bemoeiingen van het dagelijksch leven. Hij hervatte tegen

de maand Juni zijn werkzaamheden op Prokowska: het bestuur over de

landerijen van zijn zuster en van zijn broeder, zijn relatie's met zijn

buren en zijn boeren: hij voegde er dit jaar een bijenjacht bij, die

hem bezig hield en met ijver bezielde. Zonder er over te redeneeren,

volbracht hij zijn nieuwe plichten en een zedelijk instinct zeide hem,

dat 't zoo het beste was. Vroeger gaf het denkbeeld een goede daad te

verrichten hem vooraf een zachten indruk van vreugde, maar de daad op

zich zelf verwezenlijkte zijn hoop en verwachting niet, en hij begon

spoedig te twijfelen aan het nuttige van zijn streven. Thans ging

hij recht op het doel af zonder blijdschap, maar ook zonder aarzelen

en de verkregen resultaten bleken voldoende te zijn. Hij groef zijn

voor in den akker met de onbewustheid van den ploeg.

In plaats van over zekere levensvoorwaarden te redeneeren, nam hij ze

aan als even noodzakelijk als het dagelijksch voedsel. Te leven naar

het voorbeeld zijner voorvaders, hun ondernemingen voort te zetten,

ten einde ze op zijn beurt na te laten aan zijn kinderen, daarin

zag hij een plicht, waaromtrent niet viel te twijfelen, en hij wist,

dat om dit doel te bereiken de grond moest bemest, bebouwd en onder

zijn eigen toezicht bezaaid worden, zonder dat hij het recht had deze

zorg aan zijn boeren over te laten. Hij wist evenzeer, dat hij hulp

en bescherming moest verleenen aan zijn broeder, aan zijn zuster,

aan vele boeren, die hem kwamen raadplegen, als aan kinderen, die hem

waren toevertrouwd; zijn vrouw en Dolly hadden gelijk recht op zijn

tijd, en dat alles legde ruimschoots beslag op zijn levensbestaan,

waarvan hij, als hij er over peinsde, de beteekenis niet kon verklaren,

't Was een vreemde zaak: niet slechts stond zijn plicht hem duidelijk

voor oogen, maar hij voelde ook geen twijfel omtrent de wijze om dien

te betrachten in de bizondere gevallen van het dagelijksch leven;

alzoo aarzelde hij niet zijn arbeiders zoo goedkoop mogelijk te huren,

maar hij wist, dat hij zo niet moest huren boven noch beneden den

normalen prijs; hij leende geld aan een boer om hem uit de klauwen

van een woekeraar te rukken, maar bewees hem later geen gratie bij het

betalen van de rente; hij strafte gestreng het stelen van hout, maar

zou zich bezwaard gevoeld hebben het vee van een boer te schutten, dat

gevonden werd op zijn weiden; hij hield het loon in van een arbeider,

die uit hoofde van den dood zijns vaders gedwongen was het werk te

midden van den oogst te verlaten, maar hij onderhield en verzorgde

de oude dienaren, die niet meer werken konden; hij liet de boeren

wachten om zijn te huis gekomen vrouw te gaan omhelzen, maar hij zou

niet naar zijn bijenkorven hebben willen gaan zonder hen ontvangen te

hebben. Hij trachtte dit persoonlijk wetboek niet uit te diepen of uit

te pluizen en verwijderde de redeneering daarover, die den helderen

en duidelijken blik op zijn plicht had kunnen benevelen. Zijn fouten

vonden bovendien een gestrengen rechter in zijn geweten, dat altijd

waakte en hem geen toegevendheid bewees.

Het was aldus dat hij leefde, het spoor volgend door het leven hem

aangewezen, altijd zonder de mogelijkheid te zien het mysterie van

het bestaan te verklaren en steeds gekweld door zijn onwetendheid

en de vrees, dat de wanhoop van den zelfmoordenaar hem zou kunnen

overmeesteren.

Anna Karenina(#13214) · 第 188 / 196 题